
Johan Dijkstra
Jan Altink
J. Costerus (Jan Koster)
Jan van der Zee
Hendrik Werkman
Jan Wiegers
Kunstenaars van nu

Veel van de werken van Jan Koster zijn te vinden in Groningen, bij Han Vos Kunst en Curiosa aan de Kleine Kromme Elleboog nr. 6.
Vanaf 1920 raakte Dijkstra, evenals veel andere jonge Nederlandse kunstenaars, geïnspireerd door het werk van Vincent van Gogh. Met zijn werkwijze en onderwerpkeuze zou Dijkstra zijn leven lang verwantschap voelen. Hoewel Van Gogh de sterkste inspiratiebron was gedurende de vroege jaren twintig, zocht Dijkstra ook in andere richtingen naar een modernistische werkwijze. Verschillende malen hanteerde hij bijvoorbeeld de pointillistische techniek. Omstreeks 1926, na de terugkeer van Jan Wiegers uit Davos, laat Dijkstra zich evenals de andere Ploegleden steeds meer inspireren door een Duits-expressionistische stijl. Schilderijen in felle kleuren, spontaan gekraste lijnetsen en krachtige houtsneden in kleurrijk zwart/wit kenmerken deze periode. Zijn houtdrukken behoren tot het beste dat Groningen en Nederland op grafisch gebied hebben voortgebracht.
Tegen het einde van de jaren twintig ontwikkelt Dijkstra zich in de richting van een ingetogen impressionisme. Hij gaat zich ook concentreren op de glasschilderkunst en de mozaïek. Talrijke opdrachten, waaronder de aularamen van het Academiegebouw van de Universiteit van Groningen, zijn hiervan het resultaat.
Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog maakt het uitvoeren van monumentale opdrachten onmogelijk, waarop Dijkstra terugkeert naar penseel en doek. Hij maakt uitgebalanceerde aquarellen gereserveerd van toon.
In de jaren vijftig en zestig is in het werk van Dijkstra geen sprake meer van echte vernieuwing. Hij hervatte zijn glazeniersarbeid en tekende, schilderde en aquarelleerde het Groninger landschap.

In 1928 schilderde hij,in dezelfde stijl als 'Halte Enum' het 'Boterdiep'

Een niet meer bestaand monumentaal werk dat onder leiding van Jan van der Zee tot stand kwam, was een grote muurschildering in de openbare lagere school in Zuidhorn. Rond 1956 besloot de schoolleiding dat alle klassen een ontwerp mochten maken voor de muur. De tekeningen van de vier beste leerlingen zouden vergroot op de muur worden weergegeven. Jan van der Zee, die in de jury zat, nomineerde onder andere een tekening van de bekende schrijfster en schilderes Aafke Steenhuis.
Het 'Portret van een boer' die Jan van der Zee in 1938 schilderde
Na de oorlog verlaat hij De Ploeg en gaat met Jan Jordens, Ekke Kleima en anderen naar de kunstenaarsvereniging Het Narrenschip, waar modernere stromingen in de schilderkunst worden getoond. Nog later richt hij met Jan Loman, Jan Jordens en anderen Kunstgroep Nu op.
In 1946 gaat hij naar België. Vanaf die tijd zie je steeds Vlaamse motieven in zijn werk. Hij houdt van de vette Vlaamse aarde en de havens van Oostende en Zeebrugge. Daarnaast wint zijn werk ook aan kleur. Er ontstaat in 1954 een explosie aan expressionisme die de andere Ploegleden rond 1925 kenden. Die kleuruitbarsting vindt zijn weerslag hoofdzakelijk op doeken die geschilderd zijn op het Hoge Land.

Jan van der Zee
Jan van der Zee is in 1898 in Leeuwarden geboren en in 1920 werd hij in Groningen aan de Academie Minerva opgeleid tot schilder. Op de lagere school tekende hij al de schoolplaten na. Zijn eerste kennismaking met echte kunst was het werk van de Friese schilder Jan Mankes. De natuur- en landschapsbeleving heeft hij van hem geleerd. Na Minerva werd hij lid van De Ploeg.
Jan van der Zee is heel bekend geworden met zijn kleurhoutsneden, zijn olieverfschilderijen, waarvan de meeste het (Groninger) landschap tonen, en zijn monumentale werk als de trap op de Grote Markt, de ramen in de Martinikerk en Provinciale Bibliotheek Centrale en het tegeltableau bij de voormalige ALO aan de Paterswoldseweg.
In het begin schilderde Van der Zee in het Reitdiepgebied met als uitgangspunt het Blauwbörgje. In de jaren dertig werkte hij veel in Noord-Drenthe, het Paterswoldse meer en Yde-De Punt. Naast landschappen maakte Van der Zee ook portretten en een enkele keer een stilleven en een stadsgezicht. In zijn periode zien zijn landschappen eruit als een laat-Haagse-Schoolachtige manier van schilderen. Het palet is niet erg helder, maar heeft wel een mooie penseelvoering. Hij is bevriend met Wobbe Alkema; zij hebben beiden veel belangstelling voor nieuwe ontwikkelingen in de schilderkunst in Europa en komen in contact met de geometristen uit België. Van der Zee gaat daar zo'n twee jaar mee door en bouwt zijn composities op uit cirkels en rechthoeken, waarbij vaak de landschappen herkenbaar blijven. In 1926 verschijnen de eerste impressionistische schilderijen. Het werk wordt opener en alles wordt op locatie geschilderd.
In de Tweede Wereldoorlog krijgt hij een terugslag wat betreft het kleurgebruik. Hij is geen lid van de Kulturkamer, waardoor hij geen olieverven krijgt. Van een verffabriek krijgt hij pigmenten en van een vriend lijnolie, zodat hij zijn eigen verf kan maken. In 1944 duikt hij onder in Smilde. Dan verschijnen er weer Drentse landschappen. Aan het eind van de oorlog gaat hij naar Warffum en verschijnen er werken over het Hoge Land. 'Drenthe is eigenlijk een land om te tekenen, dat is wat somber en donker, wat beslotener. Maar de ruimte, de lucht en de wolken, die schilder ik op het Hoge Land', zegt Jan van der Zee over Drenthe.
Halverwege de jaren vijftig wordt zijn werk gekenmerkt door het aanbrengen van een opvallend dikke en reliëfachtige verfhuid. In de jaren zestig stapt hij af van die dikke schilderijen en wordt de verfhuid dunner en glad; weinig penseelstreken zijn te zien. Ook dan blijft hij landschapschilder. De voorstellingen worden lyrischer. Hij grijpt weer terug op de geometrie. Aan het eind van zijn leven is hij constructivist. Hij blijft tot zijn dood schilderen. In 1986 brengen het Fries Museum en het Groninger Museum grote overzichtstentoonstellingen van het werk van Jan van der Zee, die gedurende de bijna zeventig jaar dat hij als kunstenaar in Groningen werkzaam is geweest, uitgroeide tot een van de meest veelzijdige moderne Nederlandse kunstenaars.
In 1929 maakte Werkman een schilderij gebaseerd op de metro van Parijs (1929) >>
Het zal in de eerste helft van het jaar 1923 geweest zijn, dat de eerste ‘druksels' van Hendrik Nicolaas Werkman zijn ontstaan. Werkman was in 1908 een eigen drukkerij in Groningen begonnen en verkeerde daarna in ernstige zakelijke moeilijkheden. Hoewel zijn vroegere drukkerij zeer goed bekend stond, had Werkman zich als commerciële drukker niet echt onderscheiden. Vanaf 1923 zou dat veranderen. Toen begon hij te experimenteren met materialen uit de drukkerij. Hij maakte bij zijn experimenten geen gebruik van de regels binnen het drukkersvak. Zo bestond er verschil in grootte van de spaties tussen letters en woorden.
De ‘druksels' van Werkman worden dan ook meestal tot de prentkunst gerekend. Werkman voerde later zelf de term ‘druksels' in, ter onderscheiding van het echte ‘drukwerk' wat hij trouwens ook wel deed. Het zijn vooral de druksels en het daaraan verwante drukwerk waarmee Werkman zich aan de hand van steeds weer nieuwe ontdekkingen ontwikkelde en zich als beeldend kunstenaar uitte. Meer dan met zijn schilderijen, die hij al sinds 1917 schilderde, zou Werkman zich hiermee een plaats verwerven in de geschiedenis van de Nederlandse kunst van de eerste helft van de 20e eeuw.
Toen Werkman in 1930 met enkele vroege druksels meedeed aan de ‘Cercle et Carré'-ten-toonstelling in Parijs, waren er intussen opmerkelijke veranderingen in zijn werk opgetreden. Hoewel ook de vroegere werken de realiteit als uitgangspunt hebben, is deze daarin meestal zo verwerkt, dat de compositie uit vormen en kleuren, geheel voor zichzelf spreekt en daardoor toch gesproken kan worden van abstract werk. Door het gebruik van dunnere lijnen werden de druksels rond 1930 ‘teken-achtiger'. Daarnaast kondigde zich ook een nieuwe figuratie aan, die, ondanks de toenemende abstractie in het werk van Werkman, toch zou blijven bestaan. Werkman werd mogelijk tot deze vernieuwing gestimuleerd door een reis, die hij in augustus 1929 maakte naar Essen, Keulen, Parijs en Amsterdam. Naar aanleiding hiervan ontstond een aantal druksels met de titel 'Métro', waarin zich een eerste aanzet tot Werkmans latere figuratie voordoet.
De veranderingen rond 1930 in het werk van Werkman hadden waarschijnlijk een persoonlijke achtergrond. Als zoveel kunstenaars in de eerste decennia van deze eeuw zocht Tussen 1923 en 1926 maakte Werkman een eigen tijdschrift, 'The Next Call', dat hij rondstuurde aan bekenden
De 2e wereldoorlog vormde het hoogtepunt van Werkmans carrière, hij gaf 20 druksels uit waaronder ook deze
Een portret van Kirchner in z'n atelier gemaakt door Wiegers >>
In 1920 reisde Jan Wiegers om gezondheidsredenen af naar Davos. Tijdens zijn kuurperiode, die ongeveer een jaar duurde, kwam hij in contact met de Duitse kunstenaar Ernst Ludwig Kirchner [ voor meer informatie over deze kunstenaar zie de link stijlen ]. Wiegers was al vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in Duitsland geweest en had toen ook al kennis gemaakt met het werk van Duitse expressionisten als Kirchner, Schmidt-Rottluff, Heckel, Pechstein en Nolde. Ook zijn bezoeken aan Amsterdam en Rotterdam, wat voor en tijdens de oorlog belangrijke centra van moderne kunst in Nederland waren, had hem in contact gebracht met eigentijdse richtingen. Vooral zijn enthousiasme en vooruitstrevende ideeën waren het die tot de oprichting van De Ploeg hebben geleid. In de periode van 1918 tot 1920 is in zijn werk een expressionistische stijl te herkennen. In Zwitserland vindt hij de harde wijze van werken gekoppeld aan een heldere creatieve opvatting waar hij en de andere Ploeg kunstenaars naar op zoek waren. Bij zijn terugkomst in Groningen introduceerde hij zijn nieuw verkregen opvattingen en vanaf 1921 richtte de schilderkunst van De Ploeg zich dan ook in de richting van een op het Duits expressionistische lijkende stijl.
'Koopvrouw op landweg', een geabstraheerd schilderij van Altink uit 1925 >>
Toen het expressionisme Groningen bereikt had was Jan Altink al ruim de dertig gepasseerd en met Jan Jordens en Hendrik Werkman een van de oudere leden van De Ploeg. Hij werkte tot dan toe voornamelijk in een meer naturalistisch-impressionistische wijze. Onder invloed van het expressionistisch geestdrift veranderden ook zijn techniek en palet; olieverf werd vermengd met was en benzine, de penseelvoering werd vrijer en de kleuren werden sprekender. Anders dan de meer gedreven en avontuurlijk ingestelde Wiegers, die in sommige gevallen wat kleurstelling en schriftuur betreft de heftigheid van de Duitsers benaderde, bleef het werk van Altink ingetogen van aard. Zijn in zich zelf gekeerde karakter leent zich niet voor het bruisende, onstuimige expressionisme. Bovendien weerhoudt Altinks eerbied vóór, en emotionele verbondenheid mét de te schilderen onderwerpen hem ervan zich te mengen in al te subjectieve abstraheringen en kleurfestijnen.
De openheid en uitgestrektheid van het Groninger landschap met haar vaak eindeloze rechte wegen werd in de schilderijen 'Fietsers' en 'Na het bezoek' gesuggereerd door een van voor- tot achtergrond verlopende weg, die in verhevigd perspectief was weergegeven. In beide gevallen was daarbij sprake van een beweging van voor naar achter. De mensen verplaatsten zich van de beschouwer af. De perspectivistische werking en suggestie van beweging werden versterkt waar Altink gebruik maakte van zogenaamde staande formaten. Bij het bekijken van een landschap valt de horizon altijd samen met de ooghoogte (het standpunt van de kijker). Dit verondersteld in Altinks 'Fietsers' en 'Na het bezoek' dat we ons hoger bevinden dan de fietsende figuren en de twee turende vrouwen. Men kijkt dus eigenlijk neer op de voorgrond van het schilderij, die zich welhaast onder ons moet bevinden, terwijl we de einder aanschouwen vanuit een frontaal aanzicht. Via de voorgrond van de weg kijkt de beschouwer als het ware op, waarbij de weg als hellend wordt ervaren, en wordt zijn/haar blik als vanzelf naar de einder geleid. Deze kijkbeweging werd versterkt doordat Altink gebruik maakte van zogenaamde rugfiguren, die fungeerden als tussenfiguur. In het schilderij 'Fietsers', waarin Altink alles gebruikte om het perspectief te accentueren, bewegen zowel de fietsers op de voorgrond als het schip op de middengrond zich naar de einder. In 'Na het bezoek' staan de twee vrouwen stil en verplaatst de koets op de middengrond zich. In het eerste schilderij wordt derhalve vooral de suggestie gewekt van zich voortbewegen, zich verplaatsen, en in het andere schilderij van zich verwijderen. Een kenmerkend schilderij van Altink; 'Het witte paard' (1925) >>
Click op de kunstenaar voor kunstwerken en méér informatie [ externe link naar sub-pagina's op www.ploeghuis.nl ]

Hendrik Werkman
Werkman maakte, waarschijnlijk door De Ploeg, kennis met de vele internationale avant garde-tijdschriften, die rond 1920 bestonden. Hij kwam op het idee zelf ook een dergelijk tijdschrift te maken, waarin hij zowel beeldend als typografisch zou kunnen experimenteren. Eerst verspreidde hij het tijdschrift alleen in eigen kring, maar op een gegeven moment ontstond er ook een brede, internationale uitwisseling. In de jaren twintig kreeg Werkman contact met een aantal kunstenaars en uitgevers, die nu tot de groten van de toenmalige avant garde worden gerekend. Hoewel hij het zelf nooit toegeven heeft ontbrak het Werkman in zijn eerste jaren als kunstenaar niet aan internationale contacten.
Werkman naar nieuwe wegen en ook hij kwam tot de conclusie dat werkelijke vernieuwing alleen mogelijk is door het loslaten van het bestaande, zowel op het gebied van de kunst als op maatschappelijk terrein. Op het moment dat hij tot die conclusie kwam, was Werkman als beeldend kunstenaar in feite niet meer dan een amateur. Hij gaf aan het werkelijke contact met verwante kunstenaars gemist te hebben. Toch was Werkman daarvoor misschien te veel een 'Einzelgänger'. Alhoewel er in het licht van de ontwikkeling van de moderne kunst van de 20e eeuw een vergelijking niet werkelijk mogelijk is, lijkt er ten opzicht van het kunstenaarsschap van Werkman toch sprake van enige overeenkomst te zijn met dat van Kurt Schwitters. Zijn werk kwam net als die van Werkman ook tot een geheel eigenzinnige ontwikkeling. Verder hebben ze beiden een grote bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de kunst.
<< Werkman, de man met de hoed, speelt zelf een rol in dit verhaal; 'De draaideur van het postkantoor'
De waardering voor zijn werk kwam pas werkelijk op gang, nadat Willem Sandberg, de latere directeur van het Stedelijk Museum, de kunstenaar en zijn werk omstreeks 1938 had ontdekt. Sandberg bezorgde Werkman in 1939 zijn eerste solo-tentoonstelling in Amsterdam en bracht de kunstenaar in contact met kunstliefhebbers en verzamelaars. Sandberg beloofde hem een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum en deze tentoonstelling vond in het najaar van 1945 ook werkelijk plaats onder overweldigende belangstelling. Deze tentoonstelling zou belangrijk worden voor de hele ontwikkeling van de na-oorlogse kunst en typografie in Nederland. De kunstenaar was echter, kort voor de bevrijding van de stad Groningen door de bezetters gearresteerd en gefusilleerd. Hij mocht het niet meer meemaken. De postume tentoonstelling was voor Willem Sandberg, inmiddels directeur van het Stedelijk Museum, aanleiding om een omvangrijke verzameling van Hendrik Werkman voor het museum bijeen te brengen. De verzameling bestaat inmiddels uit een groot aantal schilderijen, tekeningen, prenten, druksels en drukwerken van de kunstenaar. Een deel daarvan is in bruikleen van de Stichting H.N. Werkman. Daarnaast beheert het museum een uitgebreid archief over het leven en werk van Hendrik Werkman.Werkman binnen De Ploeg
Werkman maakte dus ook deel uit van de in 1918 in Groningen opgerichte kunstenaarsvereniging De Ploeg, waarbinnen men elkaar goed op de hoogte hield van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de beeldende kunsten, de typografie, de literatuur en de muziek in binnen- en buitenland. Zijn eerste contacten met De Ploeg waren aanvankelijk alleen van zakelijke aard. Later, in 1919, werd hij ook werkend lid en een jaar daarna nam Werkman voor het eerst deel aan een ledententoonstelling. Ook maakte hij verschillende keren deel
uit van het bestuur, deed mee aan tentoonstellingen, vergaderingen en andere bijeenkomsten. Daarnaast ontwierp en drukte hij affiches en ander drukwerk voor ‘De Ploeg'. Toch bleef er sprake van een zekere afzijdigheid, wat mogelijk voortkwam uit Werkmans karakter en het feit dat hij met zijn (semi-) abstracte composities binnen De Ploeg alleen aansluiting vond bij het werk van Wobbe Alkema en Jan van der Zee. De meeste leden van de kunstenaarsvereniging waren door het werk van Kirchner en ‘Die Brücke' beïnvloed en werkten in een expressionistische stijl. Hiervan vindt men ook elementen terug in de vroege schilderijen van Werkman. Toen in september 1923 Werkman met het pamflet 'Aanvang van het violette jaargetijde' van zijn tijdschrift 'The Next Call' aankondigde zagen de meeste leden van De Ploeg dat "niet anders dan als aardige en merkwaardige grapjes van een drukkerspatroon met een hobby."
Hoe eenzaam Werkman zich als mens en kunstenaar heeft gevoeld tijdens het verschijnen van de eerste aflevering van ‘The Next Call', blijkt uit zijn tekst onder het kopje ‘Berlin'. Hij schrijft: "Einen wirklichen Freund habe ich nie besessen." 

Jan Wiegers
Jan Wiegers leerde het gebruik van de kleurenleer door zijn vriendschap met Kirchner. Ze pasten goed bij de moderne, expressionistische manier van schilderen van De Ploeg.
De kunstenaars gebruikten de complementaire kleuren, de karakteristieke en harmonische combinaties. Daarbij worden de kleuren zo fel mogelijk direct naast elkaar gezet. Ze roepen sterke [ complementaire ] nabeelden op, die dus niet meer geschilderd hoeven te worden.
B
C
D

B - Wiegers was zeer goed in zijn houtsnijwerk waarvan de stijl ook sterk beïnvloed is door Afrikaanse beeldjes die Kirchner vervaardigde.
C - Wiegers re-produceerde in 1925 een schilderij van Kirchner, 'Bohème Moderne' uit 1924. Door abstracte vlakken toe te voegen creëerde hij 'interieur Bohémien'.
D - Een ander portret maakt Wiegers van Johan Dijkstra, Johan Dijkstra schilderde op zijn beurt Wiegers weer; een zogenaamd duel portret, waarbij twee kunstenaars elkaar afbeelden.

Jan Altink
Met name Altink bereikte in zijn 'plein-air'-schilderingen prachtige resultaten. Op een treffende wijze wist hij de karakteristieken van het Groninger landschap weer te geven. Om de suggestieve kracht van zijn landschappen optimaal te laten zijn, ontwikkelde Altink een aantal beeldende 'kunstgrepen' die vooral in de schilderijen gemaakt rond 1925, wat kwaliteit en produktie betreft een topjaar, goed tot hun recht kwamen. Altink plaatste de horizon in zijn landschappen bij voorkeur hoog, waardoor hij nadruk kon leggen op datgene wat zich onder de horizon bevond; het Groningerland waarmee de schilder zo'n enorme verbondenheid voelde. Het verbeelden van een hoge horizon werd wel gedaan in de Nederlandse landschapsschilderkunst, maar werd sinds Ruysdael en tijdgenoten vrij uitzonderlijk. Bij Altink werd het een uiterst functioneel onderdeel van zijn artistiek repertoire. In het schilderij 'Koopvrouw op landweg', dat hij 1925 schilderde, is dit kenmerk heel goed terug te vinden.
Zowel uit zijn portretten als uit zijn landschappen bleek een grote gevoeligheid voor visuele indrukken. Altinks waarnemingen waren doorgaans zorgvuldig en raak, waarbij hij zich beperkte tot het belangerijkste; details en bijzaken werden zoveel mogelijk weggelaten. In de periode dat Altink invloeden onderging van het expressionisme bracht ook hij altijd zijn kleuren ongemengd aan, maar toch bleven zij gebonden aan de waarneming. De kleuren en kleurschakeringen werden wel versterkt om de sensatie te verhevigen. Toch vinden ze altijd hun oorsprong in de waarneming. In Altinks werk was hooguit sprake van een persoonlijke vertaling van visuele indrukken.
Terug naar de bovenkant van de pagina
Ploeg-kunstenaars anno 2003

'Stalinterieur Blauwbörgje' (1922) geschilderd door Jan Wiegers Terug naar de bovenkant van de pagina

