
De
Chinese wolhandkrab komt uit China. Hij kwam in 1912
in de Weser terecht, meeliftend met schepen die
handel dreven met China. Hij komt nu algemeen voor
in de Nederlandse getijdengebieden. Volwassen dieren
leven in zoet water, maar ze trekken naar zout water
om daar te paren en hun eieren te leggen. De jonge
krabbetjes trekken weer naar zoet water. Hun
rugschild wordt tot 7 cm lang, zijn bruin tot
grijsgroen en hebben kenmerkende bruine 'haren' op
hun scharen.
Onderweg
naar zee laten wolhandkrabben zich door weinig tegen
houden. Soms worden plaatsen volledig overspoeld met
deze krabben. Soms komen Chinese wolhandkrabben zo
massaal in de rivieren voor dat zij een bedreiging
vormen voor de riviervisserij. Ze maken nogal eens
de netten kapot als ze de vis in de fuiken proberen
te verschalken. Als ze vervellen, graven de dieren
lange gangen om zich schuil te houden. Hierdoor
worden rivieroevers en -dijken aangetast. Bovendien
komen Chinese wolhandkrabben soms in zulke grote
aantallen voor dat ze pompen en inlaatpunten van
koelwater verstoppen. Doordat de rivieren weer
schoner worden, kan er ook meer voedsel voor de
wolhandkrab in leven. De aantallen wolhandkrabben
nemen daardoor de laatste jaren weer toe. Vanwege de
schadelijkheid is in de jaren dertig van de vorige
eeuw geprobeerd de krab te bestrijden, maar dit was
zonder succes. Zelfs DDT bleek niet sterk genoeg. De
Chinese wolhandkrab heeft in Nederland geen
natuurlijke vijanden of concurrenten. In China eet
men graag wolhandkrab, maar in Nederland is deze
soort niet van commerciële betekenis.