Het Aamsveen
In West-Europa zijn nog maar enkele echte veengebieden overgebleven.
We kennen het Bargerveen (Drenthe), de Engbertsdijkvenen bij Vriezenveen,
het Haaksbergerveen, het Korenburgerveen in Winterswijk, het Peelgebied in
Brabant en de Hautes Fagnes in België.
Ten zuidwesten van Enschede ligt het Aamsveen in het grensgebied met Duitsland.
Het duitse deel van het Aamsveen heet Amtsvenn (waarin ook het Hündfelder Moor).
Het echte veen is zeldzaam geworden in Europa.
Al vanaf de middeleeuwen werden de dikke veenlagen afgegraven, gedroogd en als
turf verstookt. Zo werd langzaam aan ook het Aamsveen/Amtsvenn (van oorsprong
meer dan 2000 hectare groot) weggegraven.
Het nederlandse deel is nu nog
ca. 160 hectare groot.
Rond de jaren vijftig in de vorige eeuw werd het Nederlandse
Aamsveen onteigend en kwam het in bezit van de Dienst Domeinen.
Het was de bedoeling om mensen die uit Indië terugkeerden aan de schop te zetten.
Het hele veen zou moeten worden ontgonnen. In het gebied zou dan plaats komen
voor
boerderijen.
Door de Natuurbeschermingswet van 1963 werd echter het ontginnen van wat toen
woeste grond heette, verboden. Omdat de staat geen brood meer zag in het
Aamsveen kwam het in het bezit van de stichting Het Overijssels Landschap.
Grote delen waren echter al verdroogd, dichtgegroeid en aangetast door de vele
branden.
Sinds 1970 is hard gewerkt aan het herstel van het veen.
De vele vliegdennen
en berken moesten worden verwijderd en de waterstand moest
worden verhoogd.
Dit laatste lukte pas goed toen in de beginjaren 90 van de vorige
eeuw via de landinrichting van de Zuid-Eschmarke omliggend landbouwgrond kon
worden opgekocht.
Zo rond 1995 zijn de resultaten van de waterstandsverhogingen (o.a ook door
in het
veen met turf dammetjes aan te leggen tussen de hoge zandruggen) al duidelijk
zichtbaar.
Er groeit weer veenmos dat kan uitgroeien tot metershoge trilveenbulten en is
in het
Aamsveen het echte veen weer te vinden met nagenoeg uitgestorven plantensoorten
zoals veenpluis, veenbes, wollegras en de vleesetende zonnedauw.
Ook hebben de maatregelen om het Aamsveen natter te maken een verbetering van
de vogelstand veroorzaakt. Zo zijn er weer de zomertaling, waterral, porceleinhoen
en het superzeldzame kleinste waterhoen te zien.
Ook de zeldzame blauwborst
en gele kwikstaart zijn alweer gesignaleerd.
De aantallen roodborsttapuit, grasmus
en geelgors stijgen fors. In het voor- en
najaar worden weer kraanvogels gesignaleerd
die op hun trektochten een rustplaats
zoeken. In de overgangsgebieden van nat
naar droog worden de graslandjes gemaaid,
waardoor daar ook weer planten groeien
als de gevlekte orchis en de welriekende
nachtorchis.
In de veenrand kwaken
nu weer boomkikkers en groene kikkers, zijn er
watersalamanders en levendbarende hagedissen aan te treffen. Bewaard in het
Aamsveen zijn nog een aantal zogenoemde kluunplaatsen.
Dit zijn plaatsen die
herinneren aan de activiteiten van de turfgravers.
Op deze plaatsen werd de
gestoken turf eerst gedroogd.
De turfstekers (meer baggeraars) namen op de tocht
naar het veen veldkeien mee
waarvan keienvloertjes werden gelegd, de zgn. kluunplaatsen.
Riet tegen een achtergrond van berk en wilg
Afgestorven wilde grassen en gagel nog in rood winterkleed met daarachter jonge
berken.
Het is wachten op de juiste zonnevlek maar dan komt dit groepje berken met
daarnaast wat wilg helemaal vrij van de achtergrond.
Natter en natter!
Een bosje gagel tegen berken. Op de voorgrond het in de winter afgestorven
wilde gras dat de kleurcompositie compleet maakt.