Vliegvissen

 inhoud website vliegvissen

 
stilstaand en stromend water                    Insecten                                 Vliegvissen    

          Forellen zone                             Insectenkunde                             vliegbinden
 

         Vlagzalm zone                    Eéndagsvliegen (Ephemeroptera)           werpen

          Barbeel zone                     Kokervliegen (Trichoptera)                      vissen

          Brasem zone                     Steenvliegen (Plecoptera)

          Brakwater zone

 

 

Visserij biologische indeling van stromende wateren.

 

In natuurlijke stromende wateren varieert de structuur tussen bron en monding in de zee zeer sterk.

Daarom heersen in de  loop van een rivier, zeer verschillende levens vormen, waaraan de bewoners van zo’n gebied zich in hun ontwikkelingsgeschiedenis aangepast hebben en waaraan zij op dit moment aangewezen zijn.

Daarom vind je in verschillende sectoren, telkens typische soortgemeenschappen, die specifieke eisen stellen, aan de door hun bewoonde water sector.

Daardoor worden de wateren ingedeeld naar de belangrijkste vissoort.

Forellen zone

Vlagzalm zone

Barbeel zone

Brasem zone

Brak water zone

Forel en vlagzalm zone worden wegens het af en toe voorkomen van Zalmachtigen soms ook wel Salmoniden zone genoemd.

De overgangen tussen de vis zones zijn vloeiend, zodat vissoorten tijdelijk of voor goed in verschillende zones kunnen voorkomen.

Ook zijn er talrijke rivieren die zich niet in dit schema van zonering laten persen.

Bijvoorbeeld behoren enkele bergbeken in het Rijndal tot de Forellen zone, hoewel door de dichte nabijheid van de Rijn, zich verschillende soorten uit de familie van de karperachtigen in de beken bevinden, wat voor de Forellen zone ontypisch is

Deze afwijking van het schema van de zonering geld ook voor talrijke andere watertjes, vooral voor kleinere beken.

Voor iedere stromend water zone gelden bepaalde abiotische en biotische factoren.

Onder de abiotische factoren is vooral de stroomsnelheid  de belangrijkste.

Zij bestemd voor het water het vermogen, stenen en bodem materialen te verplaatsen en verder te transporteren.

Bij stroomsnelheden van meer dan 1 m/sec, zoals in de bovenloop van beken, worden keien getransporteerd.

Zand word nog bij 60 cm/sec meegevoerd, terwijl slip al bij 20 cm/sec meestroomt.

Daarbij nemen de korengrote sedimenten in de loop van het water met afnemende stroomsnelheid continu af en worden kleiner.

Terwijl de bodem in de bovenloop uit naakte rolkeien en kiezels bestaat, komen in de onderloop zandige en modderige substraten voor.

In de bovenste sectoren hebben de stromen maar een gering temperatuur verschil.

Bronwater zorgt met zijn constante temperatuur voor afkoeling tijdens de zomermaanden en voor een lichte verwarming tijdens de winter.

Bovendien zijn kleine smalle rivieren dikwijls door begroeing op de oever overschaduwd, zodat directe zonnestraling gering is.

De lage temperaturen begunstigen de afgifte van zuurstof aan het water, die uit de lucht door de turbulente waterbeweging aangedragen word.

Met de toenemende verwijdering van de bron, word de rivier breder en de zon kan het water verwarmen.

Hogere watertemperaturen tijdens de zomer en een sterke afkoeling tijdens de winter zijn daarom voor de onderloop van de rivier typerend.

De zuurstof komt hoofdzakelijk uit de assimilatie van algen en waterplanten .

Bij sterk zuurstof gebruik tijdens verteren van organische substanties door micro-organismen, kan er in het belastte water een zuurstof tekort ontstaan.