| |
Hieronder treft u alle columns aan die Bart ooit heeft geschreven voor deze site en voor onze familiekrant De Klampetter. Klik op de column van uw keuze.
Augustus 2007 Kwestie van kiezen
Ik loop over straat. De Ginnekenmarkt is nat. Het regent zachtjes. Lantaarns geven een oranje schijnsel over de glimmende klinkers. Druppeltjes zie je langs de lampen naar beneden schieten. Half twee zegt mijn horloge. De buitenwijken slapen, het centrum deint misschien nog wat. Een trio jongeren in lichte spijkerbroeken fietst voorbij. Ze kijken naar beneden. Bang dat de regen hen raakt. Ze zeggen niks. Genoeg gepraat voor vanavond. Alleen hun fietsen rammelen. De vogels zijn stil. Nog een uur of vier, dan begint de eerste merel weer te kwinkeleren. Zo’n nachtelijke wandeling door de straten, ik kan er geen genoeg van krijgen. Het sombernatte, de zwarte lucht. Regen is goed voor de stad. Het spoelt de viezigheid weg die we achterlaten wanneer de zon schijnt. Regen verfrist, geeft verkoeling en klaart de lucht. Zo-even was ik nog tussen de mensen. Er is veel te beleven in Breda op vrijdagavond, zo ook deze keer in het Ginneken, hoewel ik eigenlijk meer van het centrum ben. De mensen proeven aan het weekend en gaan op zoek naar ontspanning. Drankje, sigaretje en wat leuke sociale momenten doen de mens vergeten dat de maandag alweer voorzichtig in beeld komt. Aan het begin van deze avond stond ik -modern als altijd- te pinnen bij een grote blauwe leeuw die uit de muur stak. Dát is de kracht van de Postbank. Pasje erin, centjes eruit. Wrauw! Naast mij staan twee bakvissen te praten. Het gaat over ex-vriendjes. Het is jammer dat deze meisjes al buikjes hebben op hun zestiende en dat diezelfde buikjes net ónder hun shirtjes en net bóven hun broek vandaan komen piepen. Dat de buikjes de kleur hebben van een glas koude karnemelk komt er dan nog even als verfrissend detail bij. De buikjes kijken me even doelloos aan en gaan dan rustig verder met hun verhaal over exen. Heel sexy, zoveel is duidelijk. Laat de toekomst maar komen. Beoordelen op uiterlijk is niet vriendelijk columnist! “Dat weet ik ook wel. Mensen mogen zichzelf zijn. Ik schaam me diep, maar het blijven punten die ons straatbeeld niet verrijken al ben ik niet vies van wat diversiteit. Wrauw!” In de kroeg sta ik vervolgens wat onnozel te staan. Als je in hokjes denkt zou je de tent kunnen bestempelen als enigszins kakkerig. Het Ginneken, vroeger een wijk van werkpaarden, nu een wijk van luxeknollen. Als je alleen in de kroeg bent heb je een luxe-positie. Je kunt kiezen met wie je wilt praten, zegt helemaal niks, óf wacht tot je wordt aange-sproken. Daarnaast hoef je jezelf niet druk te maken over “hoe laat we naar huis gaan” en wie er moet rijden. Ineens komt er een vrouw op me af. Dat doen vrouwen nu eenmaal. Het zijn soms net kerels. Deze dame gaat recht op haar doel af: “Ik vind jou een mooie jongen” zegt ze. Ik kijk eens goed. Zonnebankbruin, begin veertig, prettig lichaam en alerte ogen. “Maar ja” vervolgt ze haar verhaal, “mijn man staat daar”. Ik overdenk haar openingszin, bekijk haar man en denk hard na over haar gekozen vervolg. En ineens flap ik eruit: “Maar we hoeven toch ook niet gelijk met elkaar te neuken?” Op zo’n moment is het prettig als mensen met een zonnebankgezicht rood worden. Zonder een woord uit te brengen stapt ze weer op. Dit moet een leuke avond worden. Het volgend spektakel is een groepje dronken mannen met gouden brillen en rode broeken. Er is een duidelijke leider, die praat het hardst. Type Bokito met overhemd. “Jij bent de koning” zegt de man tegen me. “Dankuwel” zeg ik beleefd terug. “Waar ziet u dat zo snel aan?” De man geeft aan dat het door mijn veloursrode jasje komt. De andere mannen lachen om zoveel leuks. De grappentrommel is vanavond goed gevuld. Wederom overdenk ik de uitspraak, maar dan van deze mijnheer. “Heeft u ook het idee dat iedereen hier tandarts is?” vraag ik hem. De groep kijkt aandachtig toe. “Waarom denk je dat?” vraagt hij. “Omdat u doet alsof u tandarts bent” zeg ik. “Hoe doet een tandarts dan?” vraagt hij. “Zoals u, wist u dat niet?” Hij wist dat niet, maar bleek wel tandarts. De man naast hem bleek wegenwacht en wachtte al heel lang op de weg én een nieuw biertje. “U had graag ook tandarts geweest, niet?” vraag ik de mobiele monteur. De groep schatert het uit en roept iets over tandwielen. Het blijft natuurlijk een kwestie van - holle - kiezen. Tijd om naar huis te gaan. Ik loop over straat. De Ginnekenmarkt is nat. Het regent zachtjes. Lantaarns geven een oranje schijnsel over de glimmende klinkers. Druppeltjes zie je langs de lampen naar beneden schieten. Half twee zegt mijn horloge. Namens uw Columnist: Welterusten. |
Naar boven
Mei 2007 Angstmarketing
Deze week viel de wijkprijs van de Nationale Postcode Loterij in Breda. De gelukkige postcode was 4811. Het hele centrum van Breda viel in de prijzen. Je moest dan voor de handigheid wel meespelen met één of meer loten. Uw columnist speelt al jaren mee in de hoop ooit nog eens een Hummer met zebramotief te kunnen aanschaffen. Dat is zo’n nutteloos grote auto die oorspronkelijk voor militaire doeleinden is gebouwd. Of een handgeknoopt zijderupsenpak. Of een genetisch gemanipuleerde keeshond die tweepotig kan afwassen met groeibriljantjes in de halsband en bijbehorende kaaimanlederen riempje voor aan het afwasborsteltje. Het zou mijn leven vele malen mooier maken. Mooi pak aan, hond achterin de auto en toeren maar. Maar helaas, de beste schrijver van dit stuk woont op 4818 in een armetierig studiootje met voor de deur iets wat op een auto lijkt uit 1988, aangedreven met automatische transmissie en pas vernieuwde contactpuntjes. Laatst vroeg iemand me hoeveel spritsen erin kunnen met het dak dicht. De hoogte van de prijzen van de Nationale Postcode Loterij bleek mee te vallen. Voor ieder lot werd een slordige 300 euro uitgekeerd. Het centrum van Breda bevat nogal wat straten, deelnemers en loten. 4811 MK mocht een half miljoen keiharde euro’s verdelen. Een enkele bewoner uit die straat krijgt zelfs een slordige 125.000 euro uitgekeerd. Kijk, daar mag je moeder de vrouw voor wakker maken! “Kom schat, we gaan een hapje eten. Waar heb je zin in?” Ik was erbij toen mijn collega te horen kreeg dat de wijkprijs op haar postcode was gevallen. Haar reactie was er zo één die je vaker ziet bij mensen die menen een enorm bedrag tegemoet te kunnen zien op het Postbankafschrift. Ongeloof, verrukking, handen voor de mond, rode wangen (“eerst mijn moeder bellen”). En het gaat er dan echt niet om dat er 16,5 miljoen euro valt uit te delen. Maar gewoon om het feit dat je niet meer “moeilijk hoeft te doen”. Als je miljoenen wint hoef je niet meer te werken. En als je 100.000 euro wint en je springt op een normale manier om met je centen, dan heb je een prachtig zakcentje voor de rest van je leven. Achteraf is 300 euro per lot dan natuurlijk enigszins zuur, maar toch. Je krijgt het gewoon extra en je hoeft er niks voor te doen. Als je eerlijk kijkt naar je leven en naar je omgeving dan hebben we het door het midden genomen natuurlijk vre-se-lijk luxe met z’n allen. Primaire behoeften worden standaard ingevuld. We hebben ver-schrik-ke-lijk veel keuze in verschillende soorten en maten shampoos, ontbijtkoeken, broden, wc-papier (met aloë vera en extra laagjes), parfums, mobiele telefoons, schoenen, vouwfietsen, marihuana en vakantiebestemmingen. En toch is er een grote groep mensen die vurig wenst onbeperkt gebruik te kunnen maken van faciliteiten, keuzemogelijkheden en het consumeren van (luxe) goederen. “Geld maakt niet gelukkig”, roepen nu enkele SP’ers en andere nobele maatschappijridders. Hoeveel clichés kan een mens verdragen? Geld maakt het leven financieel gezien een stukje makkelijker. We hoeven minder na te denken over onze keuzes en doen en laten. En natuurlijk roepen we om het hardst dat “het prima is zo”. Vroeger konden we het zelfs met minder geld af en “we zouden met sommige mensen nooit willen ruilen”. Het is toch ook best leuk om naar iets uit te kijken omdat je ervoor gespaard hebt? Natuurlijk zeggen we dat. Want wie gaat in godsnaam nu zijn eigen keuzes en bestaan ontkennen danwel bekritiseren terwijl de buurman net drie weken een luxe palenhut op Mauritius heeft geboekt? Het bestaat niet dat ik mijn maandelijkse deelname stopzet. Je kunt het risico gewoon niet lopen dat je “neffe de pot pist” als het geld in jouw straat valt. En die acht-en-een-halve-euro voor de Nationale Postcode Loterij heb ik er graag voor over. Steunen we nog goede doelen mee ook. Angstmarketing wordt het ook wel genoemd. Mis de boot niet mensen! De Postcodekanjer kan zomaar vallen! En als ik de boot dan heb gehaald, dan graag in een leuk zebramotief. Voor bij de Hummer. Nu ga ik eerst afwassen en de hond uitlaten. Morgen weer vroeg uit de veren om te gaan werken. En kijken of het vakantiegeld binnen is. Een weekje Spanje zou leuk zijn. Uw steenrijke Columnist |
Naar boven
Maart 2007 Plakkerige lepeltjes
“Ik kan leven van de liefde en Melbatoast”, sprak de eigenaresse van de Haarlemse Kinderwinkel “De Kauwgombal” tot mij. “Maar mijn kinderen niet en daarom gaat de zaak dicht. Loop je even mee naar achteren?” Ik wandelde nieuwsgierig achter haar aan en kwam terecht in een kinderwalhalla met een grote houten poppenkast met veloursrode gordijntjes en aan de muur foto’s van beschilderde buiken en geboortekaartjes. “Ik heb nog wat limonadetafels te koop als je wilt, ik geef hier ook kinderfeestjes. Er komt echt limonade uit die tafels. Die heb jij thuis niet hè?” Ik beaamde dat ik er thuis geen limonadetafelliefhebberij op nahield. Dat vond ze niet gek. Vervolgens vertelde ik haar dat ik het jammer vond dat ze daadwerkelijk de deur ging dichtdoen. “Nou, dat is het zeker, maar muren kosten nu eenmaal geld en kinderopvang is vreselijk duur”. Ineens pakte ze een foto van de muur. “Kijk, ik heb in opdracht een wc-bril beschilderd. Maar de man die de opdracht heeft gegeven, vond hem zo mooi dat hij hem aan de muur heeft gehangen in plaats van dat hij erop is gaan zitten. Ik beschilder alles in opdracht, zolang het maar oppervlakte heeft”. Toen ik wegging probeerde ze me nog een kerstboompje met verlichting aan te smeren en een hippieschemerlamp van gekleurd geweven draad. “Ik wens je veel succes en geluk voor de toekomst”, zei ik nog. Toen kreeg ik een cadeautje van haar. Een doosje uit Mexico. “Je kunt ermee om een hoekje kijken”, zei ze. En verdomd, het werkt. Lieflijk is het, dat doosje. Spontane ontmoetingen zijn leuk. Vooral als je niks nodig hebt en gewoon spontaan een winkel binnenloopt waar op de deur een bordje prijkt met “Wij gaan dicht”. Mooie ontmoetingen gebeuren af en toe op mooie plaatsen. Als kind had ik vaak romantische gedachten bij zulke plaatsen. Denk aan het kleine snoepwinkeltje op de hoek van het grijze vrouwtje met de knot. Zo zag ik vroeger op de televisie wel eens wasserettes. Dat was iets van de grote stad. Amsterdam, Antwerpen, Parijs…… Daar liepen vrouwen in gebloemde schorten die ondergoed vouwden op grote langwerpige roestvrijstalen tafels onder TL licht. Wel tien machines draaiden tegelijk op volle toeren. Het ruikt er naar oploskoffie en plakkerige lepeltjes. Zelf heb ik ook een wasmachine. Die is alleen nooit aangesloten. Laks ben ik in dat soort dingen. Zo kwam ik in Breda terecht bij wasserette “De Wasknijper”. In een uur is je was voor een paar luttele euro’s schoon, droog en fris. Wel zelf Robijntje meenemen. Het is er opgeruimd, schoon en prettig. Op zondagmiddagen lees ik er soms een boek of praat met de andere mensen. Het is het alsof ik in een heel grote stad woon. Allerlei mensen komen er met hun was. Maar overwegend mensen die altijd “hallo” zeggen als ze binnenkomen en “dag” als ze weer weggaan. Een zeldzaamheid. Eigenlijk vind ik dat we meer collectief moeten gaan doen. Dan zien we elkaar nog eens en kunnen we samen sokken vouwen en praten met elkaar over nutteloze dingen. Eenzame mensen hebben weer eens een uitje. Ik sluit mijn wasmachine voorlopig niet aan. Ik vind het wel gezellig zo bij De Wasknijper. Maar ik heb dan ook geen vier kinderen of modderige hobby’s. Laatst kwam er een meisje binnen, ze bleek studente. “Mag ik wat foto’s maken?” vroeg ze aan mij en een medewasser. “Waar is het voor?” vroeg ik haar. “Voor een project van school”. Ze maakte haar foto’s en ging weer weg. Ik kreeg haar kaartje en ze mailde me na een e-mailverzoek twee foto’s. Daar stond ik dan, met mijn was aan de vouwtafel. Soms ben je getuige van de eigen fantasie. Je speelt ineens je eigen hoofdrol. Misschien is dat wel de mooiste ontmoeting die je hebben kunt in een metropool als Breda. Uw gewassen Columnist. |
Naar boven
November 2006 Glazige morgens
Rotterdam Centraal Station, iets na zessen in de avond. Het perron staat vol met verwaaide mensen in het halfdonker. De mensen kijken sip op een enkeling na. De herfst is begonnen. Hemelwater doet blad rotten en stoepen glimmen. Goede kapsels zijn verleden tijd. Het is koud. Stations zijn onguur en onvriendelijk met dit weer. Koud steen, ijzig metaal, witte klokken en donkerblauwe treinen. Bekend geel licht schuift het station binnen. Zoals altijd begint de menigte links en rechts te schuiven. Mensen de trein uit, anderen de trein in. Velen moeten staan, waaronder ikzelf. Vechten voor een zitplaats doe ik nooit. Dat is iets voor andere mensen die zoiets belangrijk vinden. En terwijl ik zo sta met de mensen rond me heen, gaat de trein verder naar het Zuiden. Vervolgens roept de meneer met de kaartknipper om: “Goedenavond dames en heren, hierbij het vriendelijke verzoek al uw bagage van de stoelen te halen, er kunnen dan meer mensen gaan zitten. Dankuwel’’. Besmuikt lachen de mensen om me heen om zoveel rechtvaardigheid. Maar eigenlijk zijn we ver afgezakt in Nederland. Het is doodnormaal te moeten vragen of iemand al-stu-blieft zijn tas of rugzak van een stoel wil halen omdat jij wil zitten. Het blijkt dat wij in de wereld bovenaan de lijst staan wat betreft lomp en onbeschoft gedrag. Er is zelfs een boek over dit onderwerp uitgekomen, genaamd “De Lompe Leeuw”. Dat zegt genoeg. We zijn een arrogant volkje wanneer het onbekenden betreft. En ik kan niet genoeg zeggen “over het algemeen”. Zelf sta ik ook nooit op voor bejaarden in de trein of bus. Ik sta namelijk zelf ook al, dus dat wordt lastig. Vorige week ben ik wel opgestaan voor een oude man. Toen gaf ik zelfs applaus. Hij is grijs en zingt zijn levenlang liedjes op chansonachtige wijze. Een bohémien. Een stokoude entertainer met de jeugd nog in de ogen. Door drie mensen ondersteund helpen ze hem het podium op. Zijn rode wijn wordt op de zwarte lakvleugel gezet. Hij kijkt de zaal een keer rond en glimlacht. De muziek wordt ingezet. Dan zingt hij samen met een oudere vrouw ‘Pastorale’, gevolgd door “Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder”. De zaal gilt mee. Een aantal mensen huilt. Het is dan ook aandoenlijk mooi en goed gedaan. Sommige mensen blijken in het echt ook echt te zijn. Ramses en Liesbeth op een woensdagavond in Vlissingen. Een indrukwekkende belevenis. Deze keer had ik wel voor mijn plaats gevochten. Slechts vijf meter van de Meester zelf af. Dat is belangrijk in tegenstelling tot zo iets banaals als een treinreis. Prioriteiten! De winter kan wat mij betreft beginnen. En zachtjes neuriënd wandel ik door het Valkenberg en twee witte I-pod dopjes zijn mijn oren. “De wereld heeft mij failliet verklaard.. Ik heb me nog nooit zo goed en licht gevoeld als nu.. Ik heb me nog nooit zo schoon en bevrijd gevoeld als nu.. Weg met de kroegen.. Weg gezuip.. Weg zijn de katers.. Dronken flaters..Glazige morgens... En hun zorgen... niet te betale”. Sommige liedjesteksten zijn onbetaalbaar. Ook namens Ramses een goede winter toegewenst! Uw licht besneeuwde columnist. |
Naar boven
Augustus 2006 De vrije markt
mevrouwtje Vroeger was Breda omringd door kleine dorpjes. Onze Slokopgemeente heeft enkele van deze prachtdorpen ingelijfd in zijn domein. Ik woon in zo’n ex-dorp. Princenhage noemen ze het. Dit dorp, ik weet nog hoe het was, de boerenkinderen in de klas. Een kar die ratelt op de keien. Het raadhuis met een pomp ervoor, een zandweg tussen koren door, het vee, de boerderijen. Wat leefden ze eenvoudig toen, bedenk ik me nu. In simpele huizen tussen groen met boerenbloemen en een heg. Ik was een kind en wist niet beter, dan dat het nooit voorbij zou gaan. Een beetje zanger zou er een liedje over schrijven. Dat dit dorp haar oude gezicht nog niet heeft verloren bewijzen een bruisend verenigingsleven, een kermis en jaarlijks een druk bezochte jaarmarkt. Een dressoir met plastic rozen! Jarenlang leven levert een hoop rotzooi op. Verhuizen ook en relaties nog veel meer. Maar ook erfenissen en Xenos-achtige hebberigheid leveren volle zolders en gelukkige momenten. De jaarmarkt was het uitgelezen moment om eens flink schoon schip te maken in huisje weltevree. Karrevrachten vol rommel gingen de stoep op. Een lege jampot met wat wisselgeld en het feest kon beginnen. Dat je veel leert op zo’n dag, had ik van tevoren niet kunnen bedenken. Graag laat ik een artikel de revue passeren. Het gaat om de kapstok. Zonder kap, dat wel. Een prachtartikel met stevige haakjes en simpel te be-vestigen aan iedere muur. Nog nooit een jas aan opge-hangen en ooit in een vlaag van jassen- en dassenwoede aangeschaft. Ik dacht aan één euro voor dit unieke exemplaar. Eén euro! In mijn ooghoek schiet een potentiële kapstokkenkoper voorbij. Hij kijkt. Ik ook. Hij mindert vaart en gaat recht op zijn doel af. Het kon niet meer misgaan. Als marktkoopman hoor je dan te roepen. “Mooie kapstok mijnheer, slechts één eurootje vandaag”! De man denkt na. Rimpels in zijn voorhoofd. Hij zou ze bijna aan de kapstok kunnen hangen zo diep zijn ze. Na ‘n moment van wikken en wegen zegt de beste man: “50 cent?” Mijn klomp brak, zoals wel vaker, drie keer. Zei de man nu werkelijk 50 cent? “U haalt 50% van de vraagprijs af mijnheer, dat is wel fors”. De man is stil. “Maar”, vervolg ik, “het is vandaag een beetje feest. Voor vijftig cent kunt u wel vijftig jassen ophangen”! De man kijkt opnieuw. Dan zegt hij bloedserieus: “Een kwartje”? Wat een bloedhond is deze man. Een havik! Een liegebeest! Een uitzuiger! Inhalig tuig! Niks eerlijke handel, gewoon een ordinaire dief. Een huichelachtige profiteur! Ik denk na. “De kapstok is niet meer te koop mijnheer”. De man gaat weg in stilte. Mensen hebben geen schaamte meer. Het onderste uit de kan. Al heeft de kan geen bodem meer, proberen kan altijd, lijkt het credo. Na deze beschamende vertoning komt een moeder met een kind voorbij. “Mam, kijk eens wat een mooie kapstok!” Mam vraagt me naar de prijs. Ik zeg “50 cent”. In mezelf slaak ik een gelukskreet. Recht zal zegevieren! De vrouw geeft me een euro en zegt dat het zo “wel goed is” en bedankt me hartelijk. Dat had me weer bijna een huwelijk gekost. De vrije markt! Op straat is het geluk te halen. Uiteindelijk heb ik vijftig euro binnengesleept in de kapstokkenhandel. Da’s niet gek voor spullen die je zelf niet meer wilt hebben. Aan het einde van de dag zat ik nog even op een stoel die ik letterlijk aan de straatstenen niet was kwijtgeraakt. Mensen komen hun rommel verkopen en niets is zo vervelend als ‘s avonds de overgebleven bende weer in de Peugeot te moeten laden en weer terug op zolder te moeten stallen. Hierdoor ontstonden er graaihoeken van spullen die “je zo kon meenemen”. En toen gebeurde het. Toen het stil was op straat ontstond een prachtig schouwspel van mensen die hun geluk tussen de overgebleven meuk kwamen beproeven. Als hebberige vleermuizen graaiden ze in dozen en achter muurtjes. Alles ging mee. Oude strijkplanken met scheuren in het dek, schimmelige boeken en broeken die naar oud frietvet riekten. Je kunt er altijd nog wel iemand blij mee maken zie je wel! Vol verbazing keek ik hoe fietstassen werden volgeladen, terwijl voorin de straat de eerste vuilniswagens van de Gemeente Breda al kwamen aanrijden. Opeens een hoop tumult in een van de rommelhoeken. Een goudzoeker deed in een overgebleven doos een wereldvondst. Een kruis. Een kruis zonder Jezus eraan. Een leeg kruis! De man was door het dolle. Met een gulle gelukzalige glimlach fietste hij met zijn lege kruis de wereld in terug naar zijn appartement vol lege kruizen en kapotte strijkplanken. Hierop besloot ik naar huis te gaan en de winst te gaan tellen. Ik loop langs de “kruizendoos” en kijk er toch even in. Er steekt iets onderuit de doos. Een hand. Een witte hand met een gat erin. Een koopverslaafde? Nee, het is Jezus! Ik heb Jezus hier in huis maar een plaats gegeven. Hij hangt parmantig en lekker warm symbool te zijn van een mooie dag. Zijn kruis is hij kwijt. Maar waken over het mooie dorp Princenhage doet hij wel. Dat dan weer wel. Uw columnist |
Naar boven
Februari 2006 Zoenen Zolang als ik mijzelf bewust ben van de wereld weet ik wat een Negerzoen is. Die kwamen bij oma uit een gele vierkante doos van de middelste plank van de grote zware eiken snoepkast. Alleen in mijn ogen, want eigenlijk huisde er in de kast servies en in de onderste lade papieren, pennen en meer van wat een gemiddelde huiskamerkast bevat. Wanneer de bewuste zoenendoos openging en de negen donkerbruine geheimen naar buiten schoven in het doorzichtige plastic knisperend binnendoosje, nam ik steevast de middelste van de negen. In mijn hoofd was dit de Koning van de Negerzoenen en ik was altijd oprecht trots als de zoen nog beschikbaar was. Wanneer je de zoen uit het doosje pakte was het de kunst dat het minigebakje heel bleef. Vaak knapte het zoentje onder de gulzigheid van mijn kindervingers wanneer de doos mij als een soort schatkist werd voorgehouden. Ik kende drie tactieken om zo’n Negerzoen op te eten. De eerste en meest grote uitdaging was het laagje melkchocolade van het witte schuim te eten zodat er een ongeschonden witte zoen overbleef die je dan gulzig kon ophappen. De tweede manier was om met dodelijke precisie de zoen van het lichte droge wafelkoekje af te happen zodat er een volmaakt schoon koekje overbleef. En de derde en meest gulzige wijze van genot was het hele gevaarte in een soepele beweging in je mond te krijgen en dan de zoen te pletten tussen tong en verhemelte zodat alle heerlijkheden in een geweldige smaaksensatie uiteen spatten. Vandaag de dag zie ik deze feestelijke taferelen zich nog steeds voltrekken bij de hedendaagse kinderen. De Negerzoen; een begrip voor jong en oud. En dat de wereld stapelgek aan het worden is blijkt nu wel weer. De naam Negerzoen zal door de producent worden veranderd in ‘Buys Zoenen’. Er is een groep in Nederland die aanstoot neemt aan de naam. Multicultureel onverantwoord. Neger! Zoenen! Discriminatie! Het is verschrikkelijk. Als het koekje ‘Neger-slaag’ had geheten zou ik me er iets bij kunnen voorstellen. Of ‘Neger-Apen’ of ‘Gevulde Neger-lippen’. “Mag ik van u een doos Negerslaag”? “Welke kleur”? “Ja, want denkt u zelf”! Ja, dat is slordig. Negerzoenen zijn lekker. Het is een feestje. De naam is een begrip. Al heel lang. Het is typisch Nederlands en een stukje cultuur. Positief! Dat de producent met ‘Buys Zoenen’ meer zakelij-ke mogelijkheden creëert snap ik wel. Met het WK Voetbal gaat men Oranje Zoenen verkopen (met oranje fondant) en in de winter Sneeuwzoenen (met kokossnippers erop). Gelukkig staat er nu een actiegroep op die als teken van protest de ‘Blanke Vla’ van de markt wil halen. Dan ook consequent! En de Jodenkoeken? Wat gebeurt daar dan mee? Nederland raakt in de war. De multiculturele samenleving is vast een verrijking. Met respect voor elkaar. Maar geschiedenis ook. Zoete herinneringen. Oma en haar Grote Kast. Aan sommige dingen moet je maar niet komen. Koesteren! Wat mij betreft mag de vraag ‘Wat is een Negerzoen?’ worden opgenomen in de inburge-ringscursus van Rita Verdonk. Er zijn dan drie antwoorden mogelijk: a) Een van oudsher Nederlandse lekkernij b) Een zoen van een Neger c) Beiden zijn mogelijk. Heeft een cursist ‘c’ gekozen? Dan krijgt hij als bonus een gele doos met negen zoete lekkernijen. Welkom in Nederland! Met een Lentezoen, Uw Columnist |
Naar boven
November 2005 Het Mannetje en het Wijfje De natuur zit eigenlijk heel simpel in elkaar. Bij veel diersoorten is het mannetje een stuk mooier en sierlijker dan het vrouwtje. Of het nu gaat om de trotse pauw, het feestelijke gupje, de bemaande leeuw, de lokroep van de fazant of de kolderieke zebravink, de mannetjes zijn het mooist. Ze moeten iets doen om het vrouwtje te imponeren. Een bont verenkleed, een felgekleurde grote vissenstaart, niets is te gek het vrouwtje te laten zien dat zij, de mannetjes de mooiste zijn. Hoe anders gaat het dan bij de Mens als diersoort. De witte sportsokkenmannetjes wandelen met een doodgeslagen hopdrankje door een rokerig sociaalgericht onderkomen op zoek naar een mooi wijfje om te kunnen paren. Het paringsritueel is wat vreemd. Het mannetje zoekt het gezelschap op van andere mannetjes om hiermee een soort paringscluster te vormen. Er zijn verschillende lokroepen waargenomen, waaronder ‘Neuken!’ en ‘Lekkere wijven!’. De biologen onderzoeken nu of de pauw dit ook eigenlijk roept als hij zijn verenpracht opricht en een gil geeft in de vroege ochtend wanneer het zuiver frisse dauw de frisgroene grasspieten heeft beroerd. Hiernaast kennen we ook diersoorten waarbij de daad fataal is na uitvoering. Bij bepaalde spinnensoorten is het vrouwtje bijzonder groot en het mannetje erg klein. Direct na de paring heeft het vrouwtje voedingstoffen nodig en begint het mannetje met huid en haar op te peuzelen, levend en wel. Bij de Mens is bekend dat het vrouwtje ook een stukje van het mannetje wil opeten, maar hierbij denkt het wijfje dat ze bepaalde delen van het mannetjeslichaam kan opzuigen. Dit blijkt telkens weer een wassen neus. De delen slinken wel na enkele minuten, maar er is geen schade aan toegebracht. Ook kan dit gedrag bij het mannetje leiden tot minder bezit op zowel financieel als materieel gebied. De verdwaasde blik van het mannetje als het hem voor de twaalfde keer is overkomen wordt door onderzoekers ook wel aangeduid als ‘een blik van een poepende hond’. De laatste jaren is binnen de huidige populatie Mensen op Aarde steeds duidelijker geworden dat paren op een later moment ook tot de dood kan leiden, met name in de achtergebleven delen van onze beschaving. Latex feestmutsjes bieden uitkomst, al zijn de Alfa-mannetjes, ook wel roedelleiders genoemd het hier niet mee eens. Er is nu een Duitse roedelleider aan de macht binnen een bepaalde geloofsgroep en is gaan wonen in een soort witte termietenheuvel in Vaticaanstad. Maar dit terzijde. Dat het bij de diersoort Mens het wijfje is dat zich uitdost om een mannetje te imponeren is eigenlijk heel vreemd. Zwarte liefdeslijnen worden rond de ogen getekend en op de oogleden worden feestelijke glitterkleuren aangebracht. Ook de lippen worden voorzien van een toets gekleurd vet. Wanneer het wijfje vervolgens beet heeft en een tot een cirkel gesmolten stuk goudkleurig metaal om de vinger heeft blijft ze dit gedrag vertonen daar de mannetje telkens opnieuw verleid moet worden tot paren. Er is ook gedrag waargenomen van wijfjes die dit juist nalaten, maar het mannetje blijkt zich op een later moment te kunnen aanpassen in de vorm van een tweede wijfje met wel de juiste liefdeskleuren en verzorgde hoofdvacht (ook wel ‘haar’ genoemd). Een enkel mannetje weet zich tegenwoordig zo te kleden en te verzorgen dat hij de rollen om kan draaien. Dit gedrag zien we meer en meer. De evolutie past elke soort aan de omstandigheden aan. Over 3400 jaar heeft hebben de mannetjes een fel gekleurde rechtopstaande staart en eet het vrouwtje op, direct na het paren. Het zal snel met de Mens als intelligente soort gedaan zijn. Uw Columnist (jong mannetje). |
Naar boven
Prachtig September 2005  Er zijn van die dingen in het leven die de meesten van ons ooit op een dag meemaken. Uit huis, weg bij je ouders. Voor het eerst in je eigen autootje rijden zonder instructeur op de snelweg. Voor het eerst op vakantie zonder je ouders. En zo speelt ook de dood bij velen een niet geringe rol op een bepaald moment. Het verlies van een van je ouders is er op een dag. Ook uw columnist heeft er in de juni-maand van dit jaar aan moeten geloven. Er is twijfel geweest of ik er wel over zou moeten schrijven, het is immers een persoonlijke kwestie en niet iedereen zit te wachten op een dergelijk onderwerp. Echter, er bestaan leuke columns, ‘feel-good columns’, serieuze columns. Maar allemaal hebben ze één ding gemeen. Ze zijn allemaal uit het leven gegrepen. Ik wil dan ook geen enkel onderwerp schuwen. Eigenlijk wil ik alleen maar zeggen dat het een ongelooflijk mooie ervaring is, die dood zo dichtbij. Het betreft hier mijn moeder, vijfenveertig jaar lang was ze onderdeel van de groep waar u en ik ook deel van uitmaken. De mensheid! En na vijfenveertig jaar was daar het moment dat het lampje uitging. Dat het lampje al een tijdje flikkerde wist ze zelf ook wel. En toch blijft het ongrijpbaar mooi. Het definitieve, alles verslindende, overrompelende gevoel dat een van je wortels wordt afgekapt door een groot, zwart, niets ontziend kapmes. Dat je door moet met datgene dat je hebt gezien, geleerd en opgebouwd. Ik was erbij toen ze wegvloog. Het was prachtig. Ontspanning, rustig, een laatste spiertje dat voor het laatst beweegt, een lange dunne groene fluoriserende streep op het ziekenhuisbeeldscherm gaf weer wat we al zagen en wisten. Ze was teruggegaan naar waar ze vijfenveertig geleden vandaan was gekomen. Je kunt het maar één keer meemaken. De bomen wapperden in de wind, het was vijf voor elf in de ochtend. Een paar minuten erna een bakje koffie, beneden in het ziekenhuisrestaurant met wat aardbeien, ‘even bijkomen’. De rozen waren fantastisch zo bij de blankgeschuurde kist, de liedjes deden wonderen en ook het brullen van het vuur erna vergeet je nooit. Reacties van mensen. Overdadig, scherp, meelevend, soms zelfs ‘omdat het zo hoort’. Vanaf de bewuste dag in juni is iedere dag de zon weer opgekomen en ondergegaan, het heeft geregend en mijn brood smaakt niet anders dan voorheen. Het strand is nog net zo als vroeger en ook de kinderen spelen nog gewoon in de speeltuin. Is er dan niets veranderd? Jawel, juist wel. Het is allemaal zo mooi symbolisch geworden. Symboliek is een prettige manier van kijken, van relativeren. De wereld draait door, ook zonder haar. En dát is juist de kracht van het leven. Het is komen en gaan. Regen en Wind, Water en Vuur. Prachtig! Ze is eigenlijk niet dood, mijn moeder. Haar lichaam was op. Meer niet. Vuur en passie heeft ze me laten zien. Meer is niet nodig. Lang slapen, heel lang. Zo lang, dat het nooit te bevatten is. Wakker worden is voorbij. Gekke man, die Magere Hein.. Tot volgende keer, ik beloof dan een lekker-lachen-Column. Goed? Uw Columnist, Bart. |
Naar boven
Old Dutch Juni 2005  Het was een mooie dag in Amsterdam. Het Vondelpark lag er geweldig bij. Een laagje zuiver witte sneeuw bedekte de groene grasmat en enkele wandelpaden. Ik zag een sneeuwpop met wat takken als ledematen. Hij keek me aan. Een vader en een slee met daarop zijn kroost en een door de sneeuw dolgeworden hond vulden hierna mijn blikveld. Het was een wit feest in Amsterdam. Eenmaal in de auto op weg naar Breda zette ik de radio aan en zong wat mee met de klanken van Frank Sinatra. ‘New York, New York’ brulden de speakers. Twee minuten later sprong de radio uit en was met geen mogelijkheid meer aan te krijgen. Kan gebeuren, het is immers techniek. Dat hierna mijn ruitenwissers ook weigerden en mijn koplampen wel erg zwakjes begonnen te branden deed de pret wél drukken. Ik maakte mezelf zorgen, het was immers donker op een drukke snelweg. Het eerstvolgende benzinestation zou een stop worden voor een kijkje onder de motorkap. En zo geschiedde. Niks te zien, ik begrijp immers net zoveel van autotechniek als van het kapsel van Geert Wilders. ANWB bellen dan maar. Die kwam en heeft een half uur nodig gehad te achterhalen dat de zogenaamde V-snaar het had begeven. Die dreef de dynamo aan en die dynamo dreef mijn auto-electronica aan. Of zoiets. Ondertussen besefte ik me dat dit niet de eerste keer was dat ik met een auto stilstond op een verachtelijke plaats op deze wereld. Wat ik er nog niet bij had verteld is dat ik een reisgenoot naast me had zitten die zei ‘Ik heb niet eens een rijbewijs, dan heb je dit soort dingen niet’. En toen werd ik kwaad. Hij had gelijk! Een auto geeft vrijheid en tegelijkertijd een last op de schouders. Alles kan immers stuk op ieder moment. Een rigoureus besluit vulde de van binnen beslagen auto. ‘Ik doe de auto weg en ga de lente en de zomer fietsen’ sprak ik. Besluit genomen. In de herfst keek ik dan wel weer.. En zo kwam de dag dat ik ’s ochtends om half acht de fiets naar buiten reed en erop stapte. Het zonnetje scheen. Wat een luxe! Scheelde me maandelijks veel geld en het was nog gezond ook! Nooit meer zoeken naar een parkeerplaats en als het regent gewoon een regenbroek met paraplu! Nooit meer (be)keuringen! Nooit meer toestanden! Nooit meer de angst stil te staan! Nooit meer blinde bejaarden aanrijden! Nooit meer de angst van de rollende bal op de weg en weigerende remmen! Eureka! Ik voelde me briljant. Ik ging overal gewoon wat langer over doen, ik had immers nog zo’n zestig jaar te gaan op deze planeet. Waarom dan 120 kilometer per uur willen rijden op veel te dure snelwegen? Ook tijdens het stappen zag ik de voordelen. Fiets aan een paaltje, slot eromheen. Appeltje eitje. Tot het moment kwam dat ik op een nacht de kroeg uitgeveegd werd en mijzelf naar mijn alles overwinnende mobiele gezondheidsmachine sleepte. Mijn mond viel open. Helemaal in elkaar getrapt! Slagen in het wiel, alles krom. Ik was een heus slachtoffer van vandalisme. Mijn klomp brak wel drie keer. Waren er nog alternatieven te bedenken in deze vergankelijke mobiele wereld? Een nieuwe fiets dan maar. Een witte omafiets, type ‘Old Dutch’. Groot en comfortabel. Een genot. Het nadeel en tegelijk voordeel van omafietsen, is dat ze zo lekker hard gaan en dat je als bestuurder een wat nonchalante houding gaat aannemen. Gisteren fietste ik naar huis op mijn witte limousine. Ineens schiet mijn voet van de trapper, ik zwabber zeker tien meter gillend over de straat, raak een stoeprand en land met mijn gezicht in een laurierstruik, benen in de lucht. De witte oma landde als een bejaarde op mijn lijf. Ik barstte in lachen uit. Want, zeg nu zelf, wat is er nu heerlijker dan in de lente eens lekker in de bosjes te belanden? Het was mij weer een genoegen, Uw Fietsende Columnist |
Geboren in 1980 of later 30 maart 2005 
In de laatste Klampetter hebben we het gehad over de HELDEN. Dit keer hebben we het over de REALISTEN, een generatie later, het betreft de mensen die in 1980 of later geboren zijn. Een beperkte groep van onze lezers. Volgens de theorie uit de laatste Klampetter zouden wij (de mensen van ná 1980) al lang doodongelukkig en onverantwoord bezig moeten zijn met de belangrijke zaken des levens. Ik wil hier graag een weerwoord op schrijven. Ik ben het oneens met de inhoud en de suggestieve woorden die in het stuk worden gebruikt. Het moet afgelopen zijn met de generaties voor ons die moeilijke gezichten trekken wanneer men de hedendaagse realiteit voor ogen ziet waarmee de mensen die in of na 1980 geboren zijn het heden beleven. Ik wil de tekst uit de vorige uitgave in het daglicht zetten van vandaag de dag. Daar gaan we: Wij zitten in auto’s met gordel, 3VO bepleit dit. Airbags zijn bij de meeste nieuwe auto’s een standaarduitrusting. We zijn zuinig op onszelf. De generatie voor ons heeft weinig gedaan om het overmatig gebruik van de auto terug te dringen. Onze bedden zijn gemaakt van metaal, hout of geperst materiaal. Gevaarlijke stoffen zijn verboden. Hekjes zijn uit en lelijk. We houden gewoon toezicht op de kinderen zoals het hoort. Kinderen zijn gebaat bij babyfoons en de ouders ook op bepaalde momenten (een modern traphekje). We maken gebruik van de hedendaagse mogelijkheden. Dit maakt dat we ontspannen als ouders op de bank kunnen zitten en aandacht aan elkaar kunnen besteden. We werken hiermee aan een duurzame relatie. Rust en veiligheid gaan hand in hand. De industrie heeft kindersloten uitgevonden. Wel zo veilig. Geen verbrande slokdarmen en vergiftigingen meer. Voor deuren en poorten is het nog steeds zo dat daar ongelukken mee kunnen gebeuren. Er zijn weinig huishoudens die hier de middelen van deze tijd voor inzetten. Kan beter. Achterop de fiets zitten kinderen in een kinderstoeltje. Dit natuurlijk alleen als we de moeite nemen ook nog echt iets met de fiets te doen. Een auto is in dat opzicht veiliger. Versnellingen op een fiets zijn prettig. We willen werken aan onze conditie en meer kniebewegingen maken wanneer we dat willen, daarom ook versnellingen. Heuvels hebben we immers niet, behalve een verdwaald viaduct of brug. Banden plakken hoeft niet meer, daar zijn vloeibare oplossingen voor. En als de fietsenmaker het laat doen stimuleren we de economie die in het slop is geraakt. Snel, duidelijk en we worden er beide beter van. Water stroomt nog steeds uit de kraan en is het lekkerst. Die keuze is vrij. Er is niemand die zegt dat je uit een flesje moet drinken. Kraanwater past natuurlijk gewoon in zo’n flesje. Je hoeft het maar 1x aan te schaffen. En het is efficiënter. Een baas is niet blij als een werknemer continu naar de kraan loopt en er vervolgens aan lurkt. Limonade is uit, frisdrank is in. Ranja met een rietje is cult geworden. Het is hip. Kleur en smaakstoffen bestaan nog steeds. En gelukkig hebben we bij vele producten de keuze of we met of zonder willen. Wel zo gezond. Deze generatie moet nadenken. We moeten keuzes maken die gerelateerd zijn aan gezondheid. Kauwgom is ordinair. Smintjes zijn in. Beter voor de straat en het straatbeeld. We zuigen op kleine mintjes en muntjes. In allerlei smaken. Suikervrij. Soms is het goed de authentieke zaken de nek om te draaien en plaats te maken voor verstandige producten. Koekjes zijn lekker. En van teveel word je dik. Vroeger werd je daar ook dik van. Onzin dus. Veel boter is niet nodig, dat is aangeleerd gedrag. Van drinken uit andermans flesjes worden we in deze periode ook niet ziek. Waarom dat zo zou zijn kan iemand me wellicht uitleggen? Dat men vroeger s’ochtends van huis ging en vervolgens s’avonds pas weer thuis kwam als de straatverlichting aanging is prima. Wat daar mis mee zou zijn weet ik niet. Uiteraard alleen als je jezelf tussendoor ook nog nuttig maakt. Een GSM is een teken van deze tijd. Het redt mensenlevens, beurt relaties op en soms gaat er 1 per SMS uit. Dat kan gewoon. Er zit ook een uitknop op. Keuzes! Dat is nu. Het bos of park, daar is door de vorige generatie niet veel van overgebleven, althans door het kabinet. Daarom hebben we nu speeltuintjes, internet en computers. Dat is ook nu. Vieze mannetjes hebben altijd al bestaan. In de regel zijn zij ouder dan 30. Wellicht een blauw kinderfietsje gehad in plaats van een rood exemplaar. Kinderen maken geen afspraak om bij een vriendje te gaan spelen. Ze SMS’en waar ze zijn en hoelaat ze ergens kunnen zijn. Wel zo vrij. Het zijn overigens niet de kinderen die eisen dat er afspraken worden gemaakt als er een ander kind komt spelen. Dat is de generatie ouders van toen. Dat mensen met een spelcomputer of X-box geen vrienden hebben vind ik belachelijk. Het vult ons juist aan, verrijkt de fantasie en laat je dingen beleven die eigenlijk niet mogelijk zijn. Daarnaast zien we onze vrienden. Wanneer we willen. Nooit verplicht. Gewoon zoals het hoort. We hebben 24 uur per dag televisie. Zo houden we bij wat er zoal in de wereld aan de hand is. Informatie is belangrijk. Zo leren we van de fouten uit het verleden. Om amusement moeten we lachen. Liefst met onze vrienden. Dat dan ook weer. De afstandbediening is een logisch gevolg van een televisie. Tegenwoordig vechten we minder dan vroeger en als we vechten pakken we het gelijk goed aan. Bij dergelijke gebeurtenissen mogen we blij zijn met de rechterlijke macht. Al het andere proberen we als verstandige mensen op te lossen. Praten. Zinloos geweld is toegenomen, dat is zeer vervelend. Daar hebben we campagnes voor met lieveheersbeestjes. Diezelfde diertjes eten zeer vraatzuchtig bladluis, terwijl ze het met gewoon plantaardig materiaal best afkunnen. Vreemd wel. Onze generatie kijkt vreemd aan tegen zulke televisiespotjes. Speelgoed kan prima worden gekocht, daar is voldoende keuze in, in alle prijscategorieën. Al het andere is ook leuk. Voetballen doen we soms. Lekker ouderwets. Hoe het was chatten of sms’en we daarna door aan onze beste vrienden. Teleurstellingen bestaan nog steeds. Gelukkig kunnen die kinderen daarna heerlijk ontspannen voor de tv met een kleurstofloze frisdrank of internetten op een stoel zonder cadmium of lood. Dat de meester op school altijd gelijk heeft is natuurlijk pure onzin en ronduit bedenkelijk. Het gaat om een kind met een toekomst. Adviezen en resultaten naast elkaar en gezond overleggen. Waar ordinair gedrag samenkomt met onderwijs dient men hard in te grijpen. Voor je mening uitkomen is prima. Discussie is gezond. Gezamenlijke doelen dienen het kind uiteindelijk. Schoolbanken hebben een veiligheidskeurmerk. Scheelt ziektekosten. Tegenwoordig smeren we boterhammen of kopen inderdaad iets op school. De middelen zijn er, het aanbod is er, de behoefte is er. Welke vorige generatie heeft belang bij het feit dat mensen zelf hun brood dienen te smeren met een willekeurig mes? De vorige generatie brengen hun eigen kinderen nu naar school bij kou en regen en schrijven en zeggen tegelijkertijd dat zij ZELF moesten fietsen. Beetje psycholoog verklaart dit binnen vijf minuten. Wij zelf volgens mij ook. Er hoeft niet altijd iets mis te gaan in een opvoeding om later als kind in aanraking te komen met de politie. Wanneer we opgesloten zitten moeten ouders gezond in gesprek kunnen gaan met justitie. Of in discussie. In alle andere gevallen verdienen we gewoon straf. Onze daden hebben ook consequenties en ook wij kunnen ons niet verstoppen. Wij hebben vrijheid, mislukkingen en schamen ons hier op sommige momenten net zo hard voor als jullie vroeger. Wie is schuldig aan de prestatiemaatschappij? Dat zijn wij zelf zeker? Succes en verantwoordelijkheid kennen we. Geen probleem. Hoeven we zoveel jaar later ook niet op te schrijven om onszelf als held te omschrijven. Het is doodgewoon. De generatie van na 1980 brengt mensen voort die problemen niet alleen KUNNEN oplossen, maar het ook werkelijk doen. Niet innovatief BEZIG zijn, maar het gewoon zijn en DURVEN niet alleen risico’s te nemen, we nemen ze ook wanneer nodig. Gevolgen aanvaarden we, mits terecht. Gezond discussiëren is prima. Wij feliciteren onszelf niet, wij vinden sommige zaken vanzelfsprekend. Ik ben van mening dat de tijd er niet ‘leuker’ op geworden is met alles wat er voorvalt. Echter, we dienen iedere generatie een generatie te laten met alles wat daarbij hoort. Het zijn immers getrapte verkiezingen niet? Wie heeft wie opgevoed? Wiens idealen zijn geen waarheid geworden? Alle generaties zullen de komende kritisch benaderen. Prima, maar nuanceer. Accepteer bepaalde zaken. Kijk vooruit. Er is geen generatie slecht. De middelen veranderen, commercie steekt de kop op. We worden slimmer. Apparaten worden slimmer. En een ieder blijft verantwoordelijk voor zijn eigen gezondheid en geluk. Wel met respect, een lach en een knipoog. Geen punt. Uw columnist, Bart (1980). |
Petertje Maart 2005  Zondagavond is filmavond, zoveel is zeker. Nu zijn we in Breda niet bepaald gezegend met een keur aan comfortabele bioscoopstoelen, dus besluit ik wekelijks Antwerpen aan te doen om aldaar in comfortabele fauteuil, met voldoende beenruimte en een groot scherm weg te zinken in zinderende avonturen, allerhande liefdesverklaringen, meesterlijke horrorpraktijken en aanverwante artikelen. Even weg van de realiteit. In het donker, met gesuikerde rijstpofjes in kartonnetje. Lang leve de fantasie! Deze week was het de beurt aan ‘Finding Neverland’. Een fantasieverhaal, gebaseerd op Peter Pan. Een theaterverhaal, verliefdheden, dood en bewondering. Plezierig drama. Een aantal malen raakten enkele goed geformuleerde zinnen me midden in het hart. Het volgende deed mijn keel wat nerveus trillen: Ik zie een jongetje alleen op een bankje in een park. Hij huilt. Tranen blijven in zijn ogen staan tot het teveel wordt en ze in heldere stralen over zijn gezicht lopen. Vader is pas gestorven. Moeder zojuist. Beiden ziek. Alleen in een park, de grote mensenwereld is nu op zijn engst voor het magere kereltje. Diep drama voor deze kleine jongen, puur verdriet. Dan verschijnt naast hem de man die inspiratie vond bij de jongen om een prachtig toneelstuk te schrijven. Hij kende de jonge weduwe en voelt zich verantwoordelijk. Hij hield van zijn moeder. Hij belooft de kleine jongen voor hem en zijn broertjes te gaan zorgen. Voor altijd. Het jongetje heet Peter en vervalt nu in een ander soort tranen. Tranen van vreugde en verdriet. Eigenlijk was het de perfecte liefde. De theatermaker en zij, de jonge weduwe. Te snel werden ze uit elkaar gerukt. Mijmerend zit ik in de auto naast mijn mede-filmgenoot op weg terug naar Breda. ‘Zouden er meer huwelijken zijn als scheiden verboden was en je eeuwig bij elkaar diende te blij-ven?’ vraag ik hem. ‘Ja’ antwoordt hij. ‘Dan kijken mensen vast beter of een partner wel geschikt is om een leven mee te delen.’ Het was een filosofische avond, zoveel was duidelijk. ‘Of er durft juist niemand meer te trouwen’ antwoord ik na een paar minuten. Het is soms heerlijk om ‘stel je voor dat’ vragen aan jezelf te stellen of aan anderen. Soms is de wereld een beetje leuker als we er iets bij verzinnen. Wat doe je als je vijf miljoen wint? Wat doe je als je alleen op de wereld bent? Wat zou je het eerste doen als je een dagje van geslacht zou mogen veranderen? Zou je voor eeuwig willen leven? Zou een ander een bloem net zo zien als jij hem ziet? Waar eindigt het heelal? Gek zou je ervan worden. Eenmaal thuis ben ik blij dat ik de realiteit omarm. Dat het prima is zo. Althans, Petertje Pan had zijn vader en moeder nog moeten hebben. Ik ga trouwen, zoveel is ook zeker. Maar alleen als ik het zeker weet. Zeker? Ach, da’s iets voor zeikerds. Geniet van het voorjaar! Uw Columnist. |
Doodnormaal December 2004 
Mensen zijn vreemde wezens zoveel is duidelijk. Je hoeft maar om je heen te kijken en je ziet de meest vreemde praktijkvoorbeelden live voorbij komen. Waar de mens die vreemde gedragingen vandaan haalt zal wel eeuwig een raadsel blijven. Echter, het is onze soort ook ‘eigen’ alles te willen verklaren door het verleden uit de mottenballen te halen. Soms kan dat niet. Er kan dan met de wenkbrauwen worden gediscodanst door de persoon die het tafereel aanschouwt. Ik zal een voorbeeld geven: Alweer een week of wat geleden diende er ontbeten te worden in het huis waar uw columnist woont. Dat het slecht gaat met de economie was deze ochtend niet te merken. Broodjes en beleg in alle kleuren en smaken, een mok met wat koevocht of een watertje of koffie; het was een typisch welvaartstafeltje. De vader van ondergetekende pakte een verse boterham uit de broodzak. De plak gebakken deeg werd op het bordje gelegd en besmeerd. Mijn mond viel open. ‘Waarom besmeer jij nou de buitenkant van je boterham?’ Ik ben van mening dat een boterham een binnen- en een buitenkant heeft. En daar een brood buiten een vierkant of rond casinobrood altijd wat afloopt aan de kantjes is dat ook prima te zien. Een broek doe je toch ook niet binnenstebuiten aan en bij een auto kruip je toch ook niet via de kofferbak naar de bestuurdersstoel? Toen bleek dat ik aan tafel zat met twee mensen die de binnenkant van een boterham niet van de buitenkant konden onderscheiden. Weer viel mijn mond open. ‘Ook vreemd dat jullie dat niet weten,’ beet ik mijn tafel-(en soms tefal)genoten toe. ‘Wij zijn vreemd? Nu wordt ie helemaal mooi!’, zo diende men mij van repliek. U begrijpt, we zijn er nog steeds niet uit. Waar voor de een iets heel normaal is, is dat voor de ander een bizarre gewaarwording. Ik vraag me dan ook af hoeveel mensen er zijn die zich bewust zijn van die boterham en de gewenste smeerkant. Deze maand gaat Het Collectief aan de gang met nog iets veel vreemders. Bomen in potten worden de huiskamers binnengesleept en volgehangen met elektriciteit en bergen kitsch. Ook zijn er nu alweer volwassen mannen zenuwachtig omdat ze een baard aanmogen en een rode snavel op hun hoofd met een gouden kruis. Nog veel meer mannen en vrouwen laten hun gezicht vol smeren met chocoladepasta en doen een maillot aan. Doodnormaal! En gezellig natuurlijk (hiep hoi, het woord is weer gevallen!). Hierna kopen we voor een fortuin explosieven en laten we die ontploffen als het klokje op de televisie 12 uur aangeeft. En dit allemaal in de koudste maand van het jaar! Oh nee…alles kan worden verklaard door die mottenballen. Heeft u ook van dergelijke ervaringen? Mail uw columnist dan eens. Wellicht vind ik het ‘doodnormaal’. Ook al zo’n woord dat in november toepasselijk bleek te zijn. Sneeuwgroeten, Uw Columnist |
|
Wollig Taalgebruik 8 december 2004  Soms overkomt je iets geks. Vandaag had ik zoiets. Ik stapte om 11:55 in de trein in Den Haag op weg naar Breda. Ik nestelde me heerlijk in een paarse NS-zetel om een krantje te lezen en wat van het landschap te genieten. We gaan rijden. ‘Station Delft’ roept de conducteur door een speaker mijn oor in. Voordat ik kan beseffen dat in deze stad over een paar dagen Z.K.H. Prins Bernhard zal worden bijgezet in de koninklijke grafkelder gaat het bekende fluitje alweer en glijden we verder over het spoor. Delft schiet voorbij en weilanden volgen. De trein stopt. Hier is toch geen station? We staan echt stil. Al zeker vijf minuten. Een conducteur loopt nerveus voorbij op weg naar de omroepinstallatie. ‘Dames en Heren, u zal het niet geloven maar we hebben last van een schaap op het spoor.’ U zegt? Had ik dit nu goed verstaan? Een schaap op het spoor? Ik bel een collega. ‘Rijden de treinen bij jou in Den Haag?’ vraag ik hem. ‘Nee, er is een melding over een schaap, weet jij daar meer van?’ Ik hang op en kijk verbaasd om me heen. Niemand reageert op de schapenmelding. Een half uur later, weer de conducteur: ‘Dames en Heren, we zijn helaas nog niet verlost van het schaap’. Ik val van mijn stoel. Kan nu niemand dat schaap een tik tegen de kont geven zodat de Intercity tussen Den Haag en Rotterdam verder kan? Maar weer eens bellen met mijn collega. ‘Ze roepen hier om dat reizigers voor de richting Tilburg via Utrecht moeten rijden’. U zegt? Ik stop maar met denken en accepteer wat er gebeurt. Er is geen schaap te zien wat mij betreft. ‘De trein kan ontsporen als ze doorrijden’ hoor ik iemand zeggen. Gekke wereld toch. Mijn fantasie slaat op hol bij dergelijke gebeurtenissen, dat moet ik toegeven. Is het schaap suïcidaal? Arm schaap toch. Toen hij over de dam ging is er toen niemand uit de kudde gevolgd? Is hij verstoten door zijn wollig taalgebruik? Wilde hij ontsnappen aan het offermes? Telt hij teveel soortgenoten en viel hij in slaap op het spoor? Of is hij wellicht inzet van terroristische dreiging en ligt hij luid blatend vastgebonden op het spoor? Is dit het gekloonde schaap Dolly? Stom schaap. Gas op de plank, dan maar shoarma. Nee, dat is te grof. Misschien is hij wel doof doordat er wol in zijn oren groeit en hoort hij hierdoor de treintoeter niet. Een uur later. We gaan rijden. Geen schaap te zien. Niet links, niet rechts. Schaapachtig kijkt men op. Een paar honderd meter verderop zie ik een weide met schapen. Tussen de weide en het spoor loopt een brede sloot. Schapen kunnen niet zwemmen met een vacht, dan zinken ze. Dit schaap blijkbaar niet. Die sprong. Het Uur Van Het Schaap. Het zal wel altijd een raadsel blijven. Een vrouw schuin tegenover me zegt tegen haar overbuurman dat hier wellicht een leuk stukje over geschreven kan worden in de krant. Ze is mooi. Ik kijk haar aan en beloof mezelf plechtig aan haar wens te zullen voldoen. De trein tuft langzaam verder. Het kind bij de vrouw dommelt terug in slaap. De moeder zingt zachtjes, ‘slaap, kindje slaap, daar buiten…’ Soms ben ik plots verliefd. Uw Columnist. |
|
Natte Etiketten 16 oktober 2004 
Iedereen heeft het weleens. Je wordt wakker en denkt: ‘Dit is niet mijn dag’. Kan gebeuren natuurlijk, kan iedereen overkomen. Je besluit uit je slaapkuip te stappen en de dag te beginnen. Natuurlijk stoot je het kleine teentje van je linkervoet aan de bedrand en je kunt onmiddellijk weer gaan zitten om te overwegen of je nu wel of niet van je sufferd gaat. Eenmaal bijgekomen hobbel je al kruiskrabbend en borstwrijvend naar de keuken op zoek naar een ochtendlekkernij. Onderweg kijk je naar buiten en bemerk je dat het regent. ‘Boodschappen doen’, denk je op het moment dat je in de koelkast loert. Je ziet voorgesneden kaas. Jummie, een verse witte boterham met kaas. Simpel en lekker en natuurlijk een troost voor je blauwe teentje. Lichtgroen gewatteerd zie je ineens. Geen kaas dus. Het is je duidelijk, je vermoeden klopte. Het is niet jouw dag. Natuurlijk maak je er het beste van, ga je niet bij de pakken neerzitten en besluit je de supermarkt te vereren met een bezoek om je karig gevulde koelkast wat aan te vullen. In de supermarkt heerst een gezellige drukte, de mandjes zijn lekker gevuld en neuriënd staan de zaterdagmedewerkers de instantsauzen en voorverpakte slavinken aan te vullen. Je begint in te zien dat vandaag wellicht toch nog de dag der dagen kan worden zo aan het eind van de week. Je gedachten zijn nog niet weggeëbd of je ziet de augurken. Ah, augurken! Die kunnen we niet missen in onze samenleving. Nog geen zure gezichten genoeg. Je pakt het potje en voor je kunt beseffen dat het natte etiket los op de pot geplakt zit heb je al zure schoenen en dito winkelvloer. Rode adertjes vullen de ruimte waar normaal je oogwit je iris en pupil onderdak biedt. Een wat kittige mevrouw aan de andere kant van het gangpad kijkt je aan en wandelt rustig jouw kant op. ‘Zou je niet eens een dweil halen jongeman?’ zegt ze rustig en wandelt kalm richting het brood. Ze heeft een koordje aan haar bril zie je nog net. Er zijn momenten in je leven waarom het even teveel wordt. Je zet je blik op onweer en wandelt naar de kassa. Daar werp je de boodschappen op de zwarte lopende band en wacht af. ‘Wilt u een Pipo-poppetje?’ ‘Een?’ ‘Een Pipo-poppetje’ ‘Wat is een Pipo-poppetje?’ ‘Ja, u heeft een artikel op uw bonnetje staan waarbij je een Pipo-poppetje krijgt. Er is een hele serie van die u kunt sparen’ Ik ben met stomheid geslagen. Hoe kan deze vrouw me op deze rampdag vragen of ik een ‘Pipo-poppetje wil?’ Verdoofd loop ik met mijn boodschappen en mijn Pipo-poppetje de winkel uit. Mijn autoradio is gestolen, zo blijkt uit het glas op mijn autostoel. Woest loop ik terug de winkel in, pak het Pipo-poppetje en steek het bij de caissière in een vitaal deel aan de onderkant van haar lichaam. ‘Volgende week doen we Mama Loe’ sis ik in haar rood aangelopen oor. Lachend steek ik een plak verse kaas in mijn mond. Het regent niet meer. Uw Columnist. |
|
Leed 26 juli 2004 
Er is veel leed in de wereld. Een collega vertelde me vandaag een persoonlijk drama. Duidelijk leed. Niet meer en niet minder. Waar gebeurd. Een brok in de keel. Hartverscheurend drama. Het is niet mijn opzet dit nu met iedereen te delen, het is immers een persoonlijk verhaal. Toch ga ik u dit niet onthouden. Het kan u immers ook overkomen. En dat wil ik voorkomen. Geen twijfel. Neem rustig de tijd om het te lezen. Het kan ongecontroleerde uitingen veroorzaken. Kinderen onder de twaalf lentes raad ik sowieso af onderstaande te lezen. Sommige dingen neem je immers mee in je verdere leven. En voor je het weet draag je het over op je kinderen of de buurvrouw. Als u er helemaal klaar voor bent, het overlegd hebt met het thuisfront en stevig in de schoenen staat, hier komt het: Mijn collega waagde de trip naar een pretpark, in dit geval Euro (€) Disney bij Parijs. Een gezellige trip. Een handje van Mickey, een poot van Pluto, een gezellig kwaakmoment met Donald, de dag vorderde met luid gejoel. En toen gebeurde het. Zit u goed? Mijn collega wilde "eens wat anders". Een snoepwinkeltje werd doelwit. Eenmaal binnengekomen was daar het zoetwaar waar mijn collega al lang naar had uitgekeken; een lollie! En niet zomaar een lollie. Nee, dit was een wel heel bijzonder exemplaar. Namelijk een appellollie! Een appellollie? Ja, een heuse APPELLOLLIE. Met appelsmaak? Nee, MET EEN APPEL. De (echte!) appel bleek omhuld met een suikerlaagje. Een lollie zo groot als een appel dus. Heb je dan een appel op een stokje met suiker of is het een lollie met een appel erin? Moeilijk punt. Het lekkernij werd aangeschaft. Vol trots toornde mijn collega het gevaarte mee door het pretpark. Er werd gelikt dat het een lieve lust was. De suikerlaag was goed aangebracht. Hard ook. Zo hard dat er geen doorkomen aan was. En zo begon een dramatisch schouwspel. Een appel kopen waar je niet bijkunt. Verschrikkelijk. Suiker is de vijand. Het is nu jaren geleden. En nog steeds leeft het bij hem. Tijdens de lunch nog steeds. Appels eet hij niet meer en suiker alleen nog in de koffie. Euro Disney wil hij nog wel een keer proberen. Zonder appel. Mocht het hard zijn aangekomen. Ik ben bereikbaar op het aan u bekend mobiele nummer. Het hulpnummer van en voor appellotgenoten kunt u ook bij mij opvragen. Dankuwel. Uw Columnist. |
|
De Orde der Gezellige Mensen 4 mei 2004  Vier keer per week brengt de Intercity mij comfortabel naar de Hofstad, Den Haag. Als ik daarbij vertel dat ik graag thuis slaap is het niet vreemd te horen dat ik dus vier keer per week in de trein vertoef omdat ik ’s avonds dezelfde reis maak in omgekeerde richting. Vier keer per week zie ik dezelfde huisjes, weilandjes, vijvertjes, kerkhofjes, treintjes, pafpaaltjes en meer van dergelijke Hollandse tafereeltjes onder het spoor voorbij schieten. Als je Guus Meeuwis zou heten zou je er bijna een liedje van maken. Een gemiddelde intercity is opgebouwd uit hokjes met daarin zes compact gebouwde stoelen. Instappend is het telkens weer een verrassing in wat voor babbelbox je nu weer terecht komt. Zo’n hokje is eigenlijk een soort aquarium met zes verschillende visjes erin. Het ene visje luistert naar muziek, een ander visje eet een vies ruikend broodje, weer een ander visje kijkt door het ruitje naar de boze buitenwereld of geniet van het tikken van de regendruppels op de ramen. Een mobiel habitatje, een mini-samenlevinkje, een nieuwe biotoop. De trein is altijd een heerlijke warmwaterbron van verhalen, sferen en fantasieën. Dromen trekken aan je voorbij terwijl de rails onder je doorschiet, een dutje terwijl de zonnestralen je gezicht verwarmen, weggezakt in een goed boek of misschien speel je met de gedachte om een praatje aan te knopen met de aantrekkelijke jongen of het mooie meisje tegenover je. Snelle blikken. Nieuwe liefde, drang naar rosé wolken. Een prettig gevoel zoals hierboven beschreven of het genieten van alledaagse taferelen kun je vaak oproepen of ervaren door goed om je heen te kijken en scherp te luisteren naar de geluiden die je op je dagelijkse pad tegenkomt. Het kan helpen de wereld te accepteren hoe ze is, hoe lelijk en onvriendelijk ze vaak ook lijkt. Het pad van de columnist gaat ook niet altijd over rozen, maar tegelijkertijd is hij blij dat hij diezelfde rozen kan beschrijven als een fluweelachtig diepwarm liefdesteken die de kamer doen sfeerkleuren als was de bos zojuist gedoopt in rode neonverf met een flame-lampje erop gericht. Er bestaat een groep mensen die alles wat hierboven beschreven is bestempelen als onzin, stommigheid of zelfs fictie. Nu gaat uw columnist eens vreselijk generaliseren. Doet u mee? Die mensen die al het mooie om zich heen maar onzin vinden en doordeweeks alleen maar kunnen klagen dat ze moeten werken en te weinig verdienen vinden vaak ook dat ze in het weekend een borrel verdienen. Het moet GEZELLIG worden. Jawel, het ‘G-woord’ is gevallen. Vriend Van Dale noemt ook wel termen als ‘genoeglijk, gezellie, huiselijk, knus en sfeervol’. Maar hoe doe je dat nu, het GEZELLIG maken? Welnu, daar zijn de meningen over verdeeld. We kunnen de volgende categorieën onderscheiden: - - De mens die een ander mens opzoekt om het daarmee GEZELLIG te hebben. - - De mens die ander mens opzoekt en een drankje drinkt om het GEZELLIG te hebben. - - De mens die het sowieso wel GEZELLIG maakt ongeacht de mensen om hem heen. - - De mens die het niet uitmaakt waar hij is, als er maar drank in de buurt is om het GEZELLIG te maken en zo dronken mogelijk te worden (want dan wordt het vast nog GEZELLIGER). En het is deze laatste groep waar ik het over wil hebben in deze mei-column. Ik noem ze de Orde Der Gezellige Mensen. Ze hadden ook Vluchteling kunnen heten. ‘Wil je iets drinken? Nou, een Colaatje is wel lekker. Cola? Maar dat is toch niet GEZELLIG?’ Klinkklare onzin. Een weldenkend mens begrijpt dat sfeer niet gebonden is aan de hoeveelheid alcohol. Drank kan bijdragen aan het langzaam loslaten van remmingen en een versnelling van schakelen naar een andere (vaak leuke) sfeer. Dit natuurlijk alleen als de drank op een verantwoorde manier wordt geconsumeerd. En dat is nu precies waar de schoen wringt. Drankgebruik is geaccepteerd en is voor veel mensen een bron van ontspanning & ontsnapping (indien teveel gedronken kunt u nu ook spontnapping lezen). Teveel drinken is op z’n tijd ook leuk. ‘Spring eens uit de band!’ roept men dan. Welke band dit is heb ik nog steeds niet ontdekt, maar wellicht was dit een Urkse sport uit 1912 waarbij huisvrouwen met paarse sokjes aan uit autobanden sprongen die aan een touw boven het Urkermeer hingen. Een Urkerman kan deze uitspraak wellicht hebben gebruikt in de hoop dat zijn vrouw kampioen ‘bandspringen’ zou worden en hen eeuwige roem ten deel zou vallen. Maar dit terzijde. Kortom, drank kan leuk zijn maar is niet nodig of onmisbaar. Ik hoor mensen nu en dan zeggen dat ze het niet GEZELLIG vinden als ze niet kunnen drinken. Als ik dat zou ervaren zou het sowieso niet meer GEZELLIG zijn. Ik zou eerder een brief schrijven aan de AA in de hoop dat ze me kunnen helpen. Ook zou ik ‘Biertje!-Heineken’ aanschrijven om te vragen of ze op de flesjes, blikjes en vaten voortaan de tekst ‘Hier word u enorm GEZELLIG van’ willen afdrukken. Voor heel veel mensen is het weekend niet compleet als ze niet ladderzat zijn geweest. Durf je te zingen op straat of te dansen in de kroeg als je nuchter bent? Vervelend is het ook als je zelf niet dronken bent, maar de mensen om je heen wel. Deze mensen kijken hulpeloos uit de ogen en lachen wat af om niks. Of worden emotioneel. Of vertellen alles wat ze dwarszit. Of durven ineens wel met een vliegtuig. Of slagen ineens wel voor dat examen. Of ervaren minder ellende. En die kater, tja..’Ik weet toch waar het door komt?’ Moeilijk onderwerp, die drank. Vier keer per week zie ik dezelfde huisjes, weilandjes, vijvertjes, kerkhofjes, treintjes, pafpaaltjes en meer van dergelijke Hollandse tafereeltjes onder het spoor voorbij schieten. En ik geniet ervan. Ongeacht de dag, het tijdstip of met wie. Ik kijk door het ruitje naar de boze buitenwereld of geniet van het tikken van de regendruppels op de ramen. Het is gezellig in de trein. Colaatje? Uw Columnist in bange dagen. |
Naar boven
Kwetter, maar niet te hard 24 juni 2004 Het werd juni in het prachtjaar 2004. Op de vierentwintigste dag van deze maand werd hij er weer aan herinnerd. Het maandelijkse babbelmoment diende weer op een digitaal witvel te worden weggetikt. Hij ging er eens goed voor zitten en bedacht zich dat je het als columnist altijd kunt hebben over het dagelijks leven, een bepaalde situatie of over het collectief en dan met name het gedrag hiervan. Als ik dit laatste op dit moment zou doen, dan zou mijn witvel spontaan oranje kleuren, werd mijn oma ladderzat van Advocaat met slagroom en werden de handen nooit meer gewassen na het eten van een zak paprika-chips. Het EK is in volle gang, zoveel is duidelijk. Media, waar we er in Nederland nogal wat van hebben, schrijven en praten zich een -marga- bult aan het onderwerp. Edgar Davids en zijn bril, de bondscoach met zijn SWO (Slechtste Wissel Ooit), Johan Cruijff en zijn onnavolgbare appelflaptheorieën die altijd kloppen en natuurlijk het Oranjelegioen, inclusief "ietwat-corpulent-op-een-grote-trom-slaande-oranje-beschilderde-indiaan-met-heineken-uitstraling". Ook de "gaan-we-door-of-gaan-we-aan-de-prozac" praatjes doen het goed. Menig hartpatiënt houdt zijn hart vast. Letterlijk. Leuk, zoveel is ook duidelijk. Moet je dan als columnist meedoen met het onderwerp? Nee dus, maar eigenlijk heb ik het al gedaan. Het is hetzelfde dat je aan iemand vraagt: "mag ik je iets vragen?" en de persoon dient je van repliek met het antwoord: "dat doe je al". Eigenlijk wil ik iets heel anders. Ik ga een verhaaltje vertellen. Een verhaaltje dat qua moraal met oranje te maken heeft, maar tevens een heerlijk stukje filosofie teweeg kan brengen. Ga lekker zitten en zink weg in de speciaal voor u gerangschikte woordenbrij: "Er fietste eens een man door de polders. De weilanden zoefden aan hem voorbij en hij genoot duidelijk met volle teugen. Plotseling hoort hij een geluid. Een piepend geluid. De man stapt van zijn fiets af en kijkt rond. In het hoge gras ziet hij een jong vogeltje. Het kwettert dat het een lieve lust is. De man loopt op het vogeltje af en zegt: "och, lieve kleine vogel, het wordt een koude nacht. Ik zal je helpen." De man pakt de kleine vogel en duwt hem in een dampende koeienvlaai. Het vogeltje heeft het lekker warm en kwettert van genot. Na een uur komt er een andere man voorbij op een fiets. Ook hij hoort het kwetteren van het vogeltje. Hij stapt af. "Wie heeft jou hierin geduwd!" zegt de man, en hij haalt het vogeltje uit de warme stront. Hij stapt weer op de fiets en vervolgt zijn weg. Die nacht sterft het vogeltje door de kou." Moraal van dit verhaal: Zij die je in de stront duwen kunnen het beste met je voor hebben, en zij die je eruit trekken kunnen een hoop ellende tot gevolg hebben.’ Tsjechië Dick en media, Bedankt. Uw Columnist. |
Veilige Havens 03 juni 2004 De zomer schurkt zachtjes met zijn stralenkrans tegen de voordeur aan.
Met een ongeduldige theatrale zwaai doe ik hem open en verwelkom de zachte geur van droog gras, de olie-achtige lucht van stranderige zonnebrand en de blik van een klein meisje met lichtblauwe haarspeldjes dat een waterijsje steeds sneller ziet smelten. Beelden, wat moesten we zonder. Zoveel beelden, zoveel momenten. Zoveel momenten, zoveel mensen. Zoveel mensen, zoveel meningen. Zoveel meningen, zoveel reacties. Zoveel reacties, zoveel situaties. Situaties hebben we heel de dag en nacht door. Je zit altijd wel in een bepaalde situatie, alleen benoemen we pas iets als een situatie als je het idee hebt dat je jezelf in een situatie bevindt. Een situatie is eigenlijk een stukje tijd wat je opvalt. En iets wat opvalt is meestal bijzonder. Je zou dus kunnen zeggen dat situaties meestal bijzonder zijn omdat we ze herkennen als situatie (ben je er nog?). Is het dan zo dat iets pas bijzonder is als het je opvalt en dat we dus het grootste deel van onze tijd besteden aan routine en veilige havens? Mm, interessant. Tijd is iets wat je kan belemmeren in je drang dingen te doen. Ons leven is vaak ingedeeld naar tijd en uur. We plannen vaak activiteiten. Ergens staat een bepaalde tijd voor. Betekent dit dan dat je minder kunt doen in meer tijd? Of doe je door het plannen juist meer in minder tijd? Een complexe samenleving is misschien wel minder complex doordat de tijd de grenzen aangeeft. Burnout bestaat niet doordat mensen om stipt vijf uur naar huis gaan. Horloges herinneren ons aan het moment van de dag, aan de naderende zonsop- of ondergang. Klokken aan muren vertellen je hoelang je nog ergens kunt zijn. De tijd prijkt op tijdloze religieuze gebouwen als kerktorens. Tijd bestaat dus eigenlijk niet. We hebben het ooit zo bedacht. Of bestaat het juist wel en bestaat tijd altijd? Bestaat tijd juist door de aanwezigheid van afgebakende tijdslijnen? Nationale Held & Schuimkop André Hazes zong: "het is tijd, de hoogste tijd, u wordt bedankt voor weer een avond gezelligheid". Wat is de hoogste tijd? Die op de hoogste kerktoren? De tijd is hoog, is het dan laat en wordt de tijd langzaam lager? Vroeg en laat, ook al van die begrippen waar je niks mee kunt. Het is vroeg of laat als je dat uitkomt. Als je lichaam, geest of dagindeling denkt of vindt dat het vroeg of laat is. "Wat ben je vroeg!" Nee, ik ben Bart, uw columnist en ik ben er gewoon. Tijd is nodig, tijd is veilig, tijd is rot. En laat ik nu een hekel hebben aan rotsituaties. Is dat dan een bijzondere tijd? Hans Klok moet ongelukkig zijn. Illusie is zijn deel. Tijdloos en magisch. Die zomers met die lekkende ijsjes, ook die zijn tijdelijk. De fantasie erover is tijdloos. Toch gaat het over hetzelfde onderwerp. Prettig idee eigenlijk dat je van een onderwerp tijdloos kunt genieten. En als het regent nemen we het vliegtuig naar warmere oorden. Prettig idee. Een ander aspect van tijd is dat het ons bewust maakt van onze sterfelijkheid. Ik hoorde ooit dat mensen en olifanten de enige dieren zijn die zich als soort bewust is van zijn sterfelijkheid. Hoe kun je dan eigenlijk als diertje nog blij zijn als je weet dat je ooit sterft? Wellicht door het idee dat hierna alles tijdloos zal zijn. Maar hoe moet het dan met ons dure horloge? Waar moet die visualisatie van de tijdsgeest dan heen? Misschien is iemand met een duur horloge wel heel zuinig op de tijd. Alsof tijd beter besteed wordt als je hem kunt aflezen uit een uit goud vervaardigd uurwerk. Nu de zomer eenmaal door de voordeur is binnengekomen en ik me plotseling weer herinner hoe het is zomerse blijheidsdriften te ervaren begrijp ik ineens waarom het ijsje van dan meisje lekt en smelt. Het hoort gewoon zo. Een mooie situatie en een mooi beeld. Is dat nu niet bijzonder? Zomerse groet, Uw Columnist. |
Kartonjargon 06 april 2004  Men neme een willekeurig kantoor ergens in Nederland. Men neme vervolgens een manager met een snufje kennis en een handjevol computers. Dan licht aanbakken met wat status-uitjes en op smaak brengen met wat licht gerulde interessant-doenerij. Een heerlijk recept voor een dag cabaret op, in en rondom onze Nederlandse kantoren. Ga lekker zitten, neem een kop koffie en misschien zelfs een door de overheid zo verfoeide, maar staatskas-spekkende sigaret en geniet mee met een paar regels comedy van de bovenste plank! Uw Columnist Presenteert: ‘De Grote Jargonshow’ Met hoofdrollen voor: Otto (manager) Nico (manager) Zoë (manager) Irma (manager) Nico (manager) ? Irma: Otto: Ik heb gisteren toch zo heerlijk geshopped met de kids! Nico: Fijn is dat ja, heb je nog gesnacked? Irma: Nee joh, ik zit ben al hartstikke oversized man! Zoë: Gelukkig draait die Toko hier gewoon door met al dat geshop. Nick: Heb jij je targets trouwens nog gehaald? Irma: Nee, ik heb verschillende speerpunten willen afstemmen, maar met die gasten van Finance valt niet te levellen. Otto: ja, na die rebranding heb ik alles nog eens nagecheckt, maar die service-points zijn wel wat overserviced. Zoë: Human Resources? Irma: Het lijkt me geen issue voor HR hoor Otto. Otto: Jij oppert dat wel, maar er is voldoende commitment vanuit het MT. Die meeting van vorige week was vanuit mijn point of view gewoon verkeerd gescheduled. Nick: Ja, maar wacht even, die reports voldeden niet aan de KPI’s. Daarnaast waren de requirements niet up to date en ook de impactscan was niet aangeleverd door Marketing. Dat zegt toch genoeg? Allen: Eureka! Rollen de tranen over uw gezicht? Bij mij wel. Ik noem dit Kartonjargon. Onzinnig Engels dat totaal niet ter zake doet bij dagelijkse vergaderingen of andere kantoormomenten.Men gebruikt dit omdat het nu eenmaal is ingeburgerd en je er automatisch inrolt op het moment dat je een (nieuwe) organisatie binnenkomt. En oh ja, het staat erg interessant. Volwassen mannen die het hebben over hun "speerpunten".Wat moet je daar nu van denken?En denkt u dat bovenstaand cabaretmoment niet bestaat? Loopt maar eens een dagje mee in de wondere wereld van de kantoorbaantjes en haantjes.U zult versteld staan over de bonte mengeling van volièrevogels welke u hier te zien krijgt. Ieder zijn habitat zeg ik altijd maar. Lieve Managers van Nederland, spreek je eigen taal en wees authentiek als je in een zuiver Hollandse organisatie werkt. Amerika komt, Europa groeit, dat is bekend, maar moeten we nu al af van onze taal? Of op z’n Brabants: Jullie mauwen ammel wel, moar ge doe gin moer! En als het dan toch in het Pinokkio-engels moet, doe het dan goed en maak geen vreemde taalverbasteringen of contaminates als "nagecheckt" of het foeilelijke "escalatie-issues". Graag sluit ik de april-column af met een heerlijke zin om even terug te keren naar ons aller Hollands Gloren (‘Gloren’ staat volgens Van Dale voor "zacht, glanzend schijnen", is dat niet heerlijk?): "Er vlogen IJsvogels langs de begroeide Hollandse oevers, op zoek naar verse, frisse vis." Mooi? Aap mij maar na. Dank u. Uw Columnist. |
|
Het spoor bijster 09 maart 2004  "Er was eens een man. Een man met een gezin. Iedere ochtend deed de man zijn attachékoffertje open en wierp met een theatrale zwieper de door zijn vrouw gesmeerde boterhammetjes, in voornoemd opbergsysteem. Vervolgens kuste de man zijn vrouw, gaf de kinderen een aai over de bol met een kus, nam het koffertje stevig in de rechterhand en wandelde rustig naar de ultieme-gezins-auto om vervolgens kalm naar het Centraal Station te rijden alwaar hij een blauw-gele rups zou treffen die hem naar de Rotterdam zou vervoeren, waar hij zijn administratieve functie vol overgave zou gaan vervullen. Tot zover niets vreemds. Maar dan..... De man nadert het perron. De grijze betonnen trappen geven doffe ritmische dreunen onder zijn gepoetste bordeelsluipers. Tree na tree. Eindelijk boven, gelukkig! Dan direct positie innemen, strategisch denken en kijken. Links druk, rechts druk..... Bij de pafpaal staan de verslaafden, daar is het minder druk. In een straal van tien meter rondom de nicotine-zuil is er plaats om strategisch te wachten op wat komen gaat. Mensen houden niet van rokers. Die zijn vies, zo weet de man volgens de media. De klok tikt. Beheerst en dwingend. Het is donker op het perron. Het spant erom. Ieder moment kan het gaan gebeuren. Zoals iedere ochtend. De spanning stijgt, een groep dicht bij de rand van het perron, begint nerveus heen en weer te schuifelen. Zou het al zover zijn? De klok tikt, het zou zomaar kunnen. Het horloge geeft dezelfde tijd. En dan, het is zover! Twee gele duivelsogen doemen op vanuit de weilanden. Collectieve chaos borrelt omhoog in vele lijven. Het spoor trilt en een zacht gebrom wordt hoorbaar voor iedereen onder de centrale overkapping van het station. Volwassen mannen pakken hun koffertjes op. Deze groep krijgt de dierlijke instincten voor enkele minuten terug. De ogen rood-geaderd, de vuisten gespannen samengebald. De geel-blauwe duivel nadert. De mannen kiezen positie en bakenen hun territorium af door naar aanleiding van de snelheid van de trein hun positie te kiezen. Er blijken al mensen te staan op de plaats waar de regenjassen hadden ingeschat een geopende deur voor hun neus te hebben. Dan maar rennen. Wapperende regenjassen, klappende zolen op het perron, zelfs vallende attachékoffertjes en zo nu en dan een struikelpartij of botsing. De trein begint af te remmen. De chaos is te omschrijven als een mierenhoop waar een gordeldier op afkomt. De trein stopt. De deuren openen zich met een hard gesis. Er blijkt een andere mierenkolonie uit te willen voor een andere gordeldier dat zich in de trein lijkt te bevinden. Afkeurende geluiden, gebrom, gesis en gekreun. Mensen eruit en anderen erin . Het lukt! De man met zijn boterhammenkoffertje zit hijgend, maar tevreden voor zich uit te kijken. Hij heeft een plekje op een klapstoel in de hal bemachtigd. Een schouderklopje waard. De trein komt in beweging. Het is stil op het perron. De laatste rookpluimen stijgen op uit de pafpalen. Zou iemand beseffen wat hier zojuist heeft plaatsgevonden? En dat dit iedere ochtend gebeurt? Let er maar eens op. De mannen met de koffertjes en de regenjassen. Maar pas op. U bent gewaarschuwd. ‘ Bart. Uw Columnist. |
|
Naar boven |
| | 
|