Zoek...

Uitgebreid zoeken...
Plattegrond | Gastenboek | Home |

De fret als huisdier

Uit het woordenboek der Nederlandsche Taal

Titel: Het woordenboek der Nederlandsche Taal : 1851-1995 = WNT
Uitgave: Rotterdam : AND Electronic Publishing, 1995
Medium: CD-ROM, handleiding (64 p.)
ISBN / ISSN: 9056490281
Inhoud: Bevat het Woordenboek der Nederlandse Taal : 1851-1995.



FRET (I) - vroeger ook FORET en FURET -, znw. onz. Mnl. foret. Ontleend aan fr. furet.

1) Naam van een albinovorm van den bunsing, Mustela putorius, die alleen in gevangen staat bekend is en voor de konijnenjacht wordt gebruikt. || Dat soo wie ... onheusselicken jaechden nae Conijnen ..., die sal ... verbeuren ... de boete van thien ponden ... ende daer-en-boven die Honden ..., Netten, Vogelen of Feretten daer sy 't selve mede gedaen sullen hebben, Gr. Placaatb. 1, 1318 (a°. 1517). Of schoon het gau Furet gaet woelen in der aerden, Een, die maer sat en keeck, die komt het wilt aenvaerden, CATS 1, 60 b. Heb tot verscheiden plaetsen huissoeckinge gedaen: maer nocht fretten, nocht ander suspect gereedschap konnen bevinden, HOOFT, Br. 1, 102. Den Voss op de jacht synde, soeckt den Neck, den grooten jachthondt de kele, het Fret de Lever van de dieren, SPRANKHUISEN 3, 4 a. 't Foret ..., waar mee ... Het knyn werd, sonder hond, g vangen, SIX V. CHAND. 549. De vyand, die 't konyn het allermeest ontrust, Is 't witte fret, geteeld aan de Afrikaansche kust ...; Gemuil band, uit de korf de holen ingevlogen, Valt deeze vyand fluks ... aan Op 't blô gedierte enz., V. WINTER, Jaarg. 135. Vergeefs zoeken zij hunne veiligheid, voor den loerenden jager, in een bedekt leger, of slingerend hol; de fijnruikende brak, of de doorsnuffelende fret, sporen hen op, OVERDORP-POST, Het Land 300. De Conyntjes te belaagen, door een bloedgierig Foret, BERKHEY, N. H. 3, 10. Het vangen ... van konijnen door middel van fretten en buidels, Wet v. 13 Juni 1857 (Stbl. 87), a. 28. Het fret moet met de volle hand van voren bij den nek dicht bij de voorloopertjes worden opgevat, Ned. Jager 1918, 339.

- Als voorbeeld van magerheid. || Die kat is persies 'en fret. Hij is zoo mager as 'en fret, CORN.-VERVL.

2) In toepassing op personen. - a) Op een mager persoon. || Dat meisken is 'en eerste fret, CORN.-VERVL.

b) In de aanhaling blijkbaar in toepassing op een vlug en levendig persoon. || Een kint na volle wensch, een gaeu, een aerdig fret, En niet te byster schrael, en niet te lydig vet, CATS 1, 387 b.

Afl. Fretteeren, met fretten jagen („Dat niemant en jaghe, rottere, ofte forettere op hasen, conynen” enz., bij STALLAERT (a°. 1526); „Eenen yegelicken ... (is) gheinterdiceert ende verboden, eenichsints inde Capittels-Duynen te Jagen, te fretteren ofte te vangen eenige Conynen”, Gr. Placaatb. 1, 1394 (a°. 1555); „De beste tijd voor het fretteren is van October tot het eind van Februarij”, BURGERSDIJK, Dieren 1, 181); fretten, hetzelfde, vroeger ook in den zin van: speuren, snuffelen („Dus doende zal hy wel raken te met Reyn midden in't net van 'thelsch parcket, Is't qualijck ghefret, hy macht niet ontvichten”, Rotterd. Sp. 118; „Ja hoe ick fret na yets, hoe dat mijn Musa streeft Om vinden yets waer door men voor u mochte spreken, 't Is ydelijck ghezocht”, RODENBURGH, Landsatenskl. 8; „H. is ten laste gelegd dat hij den 1sten October aan 't fretten is geweest op het jachtterrein van graaf V. L.”, Uit een dagblad (a°. 1912).

Samenst. Frettenmand, mand waarin fretten worden meegenomen („De jagtstoet ..., Met wild en looi en net en frettemand belaaden,” V. WINTER, Jaarg. 135).

Het fret?

Hoewel de fret heel vaak voorkomt, is het toch heus het fret. Alle woordenboeken en spellinglijsten vermelden dat fret ('albinobunzing die gebruikt wordt om op konijnen te jagen') onzijdig is. Waarom dit zo is, weten we niet; we troffen er nergens informatie over aan. Het Middelnederlandsch handwoordenboek (1981) verwijst bij fret naar foret, furet, dat ook onzijdig is. Het etymologisch woordenboek van Van Dale (1997) vermeldt dat foret, fret via het Frans in het Middelnederlands terechtgekomen is en dat het Frans het ontleend heeft aan het middeleeuws-Latijnse furet(t)us; het Latijnse fur betekent 'dief'.

In Nederlandsche spraakleer van W.G. Brill (1860) staat na een aantal algemene opmerkingen over het geslacht van diernamen het volgende: "Onzijdig zijn: genet, fret, kameleon, haft (...) konijn en kapoen, alsmede in de jachttaal haas." Genet ('vlug Spaans rijpaard'), fret, haft ('eendagsvlieg'), konijn en haas (bij jagers) zijn volgens Van Dale (1999) nog steeds onzijdig; kameleon is volgens Van Dale onzijdig én mannelijk, en kapoen mannelijk. Het Groene Boekje, Verschueren (1996) en Koenen (1999) kennen aan deze woorden precies dezelfde geslachten toe als Van Dale. Koenen vermeldt dat met het kameleon het dier bedoeld wordt, en met de kameleon (m., v.) 'iemand die telkens van partij wisselt; politieke weerhaan'. Uit Van Dale en Verschueren valt dit onderscheid tussen de regels door af te leiden.

bronnen:
   Onze taal

Naar vorige pagina
Creative Commons Licentie
Creative Commons Licentie

http://defret.onshuisdier.nl