![]()
I
Op zoek naar de KERN van een tekst
Wat vind je van de volgende stellingen ?
A. Om een stuk
tekst te begrijpen of leren moet je alles van
boven tot beneden goed lezen.
B. Uittreksels maken door verkort
de belangrijkste woorden uit
een zin over te nemen zorgt voor een beter begrip van de
tekst.
Vraag:
Hoe zou je een tekst grondig kunnen bestuderen
zonder te veel
te leren en zonder alles door elkaar te
halen ?
Antwoord:
Door de hoofdzaken te scheiden
van de
bijzaken en
door te zoeken naar de
samenhang
in de informatie.
Stap
1
OPSPOREN VAN HOOFDZAKEN
Belangrijke informatie in teksten (de hoofdzaken) staat
vaak vervat in structuren, zoals:
- een nadere uitwerking van
een begrip of een verband tussen
begrippen.
- oorzaak en gevolg
- een opsomming van kenmerken,
voor- en nadelen en
verschillen
- tegenstellingen
- een belangrijk gegeven (feit,
eigenschap, mening) met de
bijbehorende toelichting
(Je hebt bij Nederlands geleerd dat je structuren ontdekt
via signaalwoorden.)
Van de informatie vervat in de hoofdzaken kun je tekstschema's
maken door de belangrijkste woorden in de tekst, de kernwoorden,
eruit te lichten (0nderstreep ze in de tekst). Door verbindingen
te leggen tussen de kernwoorden wordt de samenhang
in de informatie zichtbaar.
Stap
2
EEN TEKSTSCHEMA MAKEN
Als je eenmaal belangrijke informatie hebt herkend (stap
1), kun je de kernwoorden daaruit overnemen in een schema met de volgende
onderdelen:
1. Schrijf het
onderwerp van de tekst op.
2. Noteer de
kernwoorden (zet de gegevens die met elkaar te
maken hebben bij elkaar).
3. Maak
verbindingen tussen de informatie m.b.v. streepjes,
pijlen, cijfers en letters om op
die manier de samenhang
(verbanden) in de informatie zichtbaar te maken.
Als je een goed schema hebt opgesteld, zou je aan de hand daarvan
de tekst in grote lijnen moeten kunnen navertellen.
Doe dit als controle.
In plaats van met schema's te werken, kun je ook een
samenvatting maken waarin de kern van de tekst (de hoofdzaken en de bijbehorende
verbanden) in zinnen staat opgeschreven.
Stap
3
DE HOOFDGEDACHTE VAN DE TEKST NOTEREN
Zet in eigen woorden neer wat de schrijver van de tekst heeft proberen duidelijk te maken. Maak daarbij gebruik van het tekstschema.
![]()
II
Een uitgewerkt voorbeeld
1.
Lees de volgende tekst overgenomen uit een economieboek:
(Schöndorff, R, Economie
zonder franje 1, 1990, van
Mantgem & de Does BV, Leiden, blz 18)
De VS en Canada Tip: print de tekst even uit.
Jarenlang
zijn we eraan gewend dat de Verenigde Staten de economische supermacht in de
wereld is. Met Canada samen gaat het om een markt van 270 miljoen mensen
met een gemiddeld inkomen van 18.000 dollar. Dat betekent dat het totale
nationale inkomen van de VS en Canada samen ongeveer 4.800 miljard dollar
bedraagt.
Behalve de grens tussen de VS en Canada is er sprake van één markt, waar
producten, mensen en geldstromen zich vrij kunnen bewegen.
Sinds het midden van de jaren tachtig wordt de Amerikaanse economie geplaagd
door een tekort op de overheidsbegroting ( de overheid geeft meer geld
uit dan hij binnenkrijgt) en een tekort in het handelsverkeer met het
buitenland. In de VS zelf is niet genoeg vermogen aanwezig om die tekorten
te kunnen financieren. Daarvoor spaart de gemiddelde Amerikaan
onvoldoende. Om de tekorten te kunnen financieren moeten de VS dus geld
lenen bij andere landen. Vooral Japan leent aan de VS grote sommen geld.
Door de ontspanning tussen Oost en West leek het in de jaren negentig mogelijk
drastisch te bezuinigen op de defensiebegroting, waardoor het overheidstekort
zou kunnen worden verminderd. Eind 1990 vereist de situatie in de Golf
juist weer enorme defensie-uitgaven.
2.
Bekijk het tekstschema hieronder en let daarbij op:
- de schematische opbouw
- het gebruik van kernwoorden voor de hoofdzaken
- het gebruik van verschillende soorten tekens en lijnen om
samenhang en verbanden aan te geven.

3.
Probeer
aan de hand van het schema de tekst na te
vertellen.
![]()
III Zelf toepassen: Op zoek naar de kern
1.
Lees de volgende tekst overgenomen uit een economieboek:
(Schöndorff, R, Economie
zonder franje 1, 1990, van Mantgem & de
Does BV, Leiden, blz 83)
Verklaring van de productiegroei
Economen houden zich al heel lang bezig met de vraag hoe
het komt dat het ene land erin slaagt de productie per inwoner te vergroten,
terwijl dit in sommige andere landen niet lukt.
We verdelen de groeifactoren in drie groepen: ten eerste de
niet-economische factoren, ten tweede de vraagfactoren en ten derde de
aanbodfactoren.
Bij de niet-economische factoren kun je denken aan zaken als
godsdienstige opvattingen, de cultuur en de manier waarop de maatschappij is
ingericht. Elk van die factoren kan invloed hebben op de activiteiten en
motivatie van de mensen. In sommige culturen worden werken, presteren,
competitie en toenemende rijkdom positief gewaardeerd. In andere culturen
staan de mensen er juist afwijzend tegenover.
Wat de vraagfactoren betreft: er moet natuurlijk voldoende vraag naar
goederen zijn. Anders hebben de producenten geen reden om hun aanbod uit
te breiden. Wanneer van de kant van de kopers geen belangstelling bestaat
voor de producten van de producenten, zullen deze hun productie niet uitbreiden,
geen nieuwe machines kopen en geen nieuwe arbeidskrachten aantrekken.
In dit hoofdstuk krijgt de verklaring van de groei door de ontwikkeling van de aanbodfactoren
alle aandacht. We zullen de vergroting van de productiecapaciteit bekijken
onder invloed van:
- vergroting van de investeringen;
- scholing van de mensen;
- ontwikkeling van de techniek
Deze benadering, waarbij de productiecapaciteit variabel is, noemen we
een lange-termijnbeschouwing. Wanneer de omvang en de kwaliteit van
de productiecapaciteit als een gegeven wordt beschouwd dan is sprake van een korte-termijnbeschouwing.
(Zie voor een analyse van de rol van de
ontwikkeling van de
techniek ook de pagina: New Economy op deze website.)
2. Maak een tekstschema
3. - Ter controle: maak een
samenvatting van de tekst aan
de hand van je
tekstschema.
- Is het een logisch verhaal
geworden: dus zou iemand die
de tekst niet heeft
gelezen, kunnen begrijpen waarover
het gaat ?
- Heb je een goed schema
gemaakt ? Hoe weet je dat ?