OEFENEN met ECONOMISCH rekenen en tabellen/grafieken
![]()
De volgende
opgaven zijn gebaseerd op examenopgaven van de afgelopen jaren.
Bij haast elke opgave wordt met procenten gerekend dus deze vaardigheid staat
niet apart vermeld in de kolom omschrijving.
2004
OPGAVE 1 Staatsschuld, tekort/overschot en grafieken
Nederlandse staatsschuld op de helling
Na vele jaren met een
financieringstekort had de Nederlandse overheid in 2000 voor het eerst een
financieringsoverschot. Volgens de Miljoenennota ging het om een bedrag van € 3
miljard. Naast dit positieve financieringssaldo had Nederland in 2000 te maken
met een sterke economische groei en een daling van de staatsschuldquote.
Figuur 1 geeft informatie over de overheidsfinanciën in enkele Europese landen
in het jaar 2000. Het financieringssaldo is uitgedrukt in procenten van het
Bruto Binnenlands Product (BBP). De staatsschuldquote is de staatsschuld aan het
einde van 2000 uitgedrukt in procenten van het BBP.
Jos ziet in figuur 1 de bevestiging van zijn stelling dat een daling van de staatsschuld een bijdrage kan leveren aan een positief financieringssaldo. Bas kijkt anders tegen figuur 1 aan. Volgens Bas is de sterke economische groei in een land er de oorzaak van dat een positief financieringssaldo samenvalt met een dalende staatsschuldquote. Bas zegt: “Door economische groei stijgen de belastingontvangsten van de overheid. Deze extra ontvangsten kunnen worden gebruikt voor extra aflossing op de staatsschuld.” Carina gaat verder dan Bas. Carina beweert: “Zelfs als de staatsschuld gelijk blijft, daalt de staatsschuldquote door economische groei.”
REKENEN
1. a. Hoeveel procentpunt is
het financieringssaldo van Finland groter dan
dat van Nederland ?
b. Hoeveel procent is het financieringssaldo van Finland groter dan
dat van Nederland ?
2. Italië heeft een staatsschuldquote van 100. Wat betekent dat ?
3. Is de stelling van Jos gebaseerd op een positief of negatief verband tussen
staatsschuldquote en financieringssaldo ? Leg uit.
4. Stel dat Finland in 2000 een financieringssaldo had van € 9,6 mld.
Bereken het BBP van Finland in 1999 als er sprake was
van een BBP-groei van 2%
in 2000. Rond af op mld euro’s
5. Bereken de omvang van de Nederlandse staatsschuld aan het einde van
het jaar 2000.
THEORIE
6. Leidt een positief
financieringssaldo van de overheid van een land tot afname of
tot toename van de staatsschuld van dat land?
Verklaar het antwoord.
7. Leg uit dat door economische groei de belastingontvangsten van de overheid
kunnen
toenemen. Betrek in het antwoord zowel de directe als de indirecte
belastingen.
8. Leg de stelling van Jos uit.
9. Leg de bewering van Carina uit.
naar boven
OPGAVE 2
Conjunctuur,
inkomensverdeling en
informatieverwerking uit een tekst
Profiteren
alleen de hoge inkomens?
De Senaat van de Verenigde Staten van Amerika (VS) heeft het plan van president
Bush goedgekeurd om in de periode tot 2011 de belastingen te verlagen met $
1.700 miljard. Dit belastingvoordeel wordt als volgt verdeeld over de 180
miljoen inkomenstrekkers in de VS. Eenderde van de $ 1.700 miljard
belastingverlaging gaat naar inkomenstrekkers met een bruto jaarinkomen van meer
dan $ 375.000. Deze groep topinkomens omvat 1 procent van de inkomenstrekkers.
Ook de inkomenstrekkers met een bruto jaarinkomen tussen $ 72.000 en $ 375.000
krijgen eenderde deel van de belastingverlaging. Deze groep middeninkomens omvat
19 procent van de inkomenstrekkers. De rest van de belastingverlaging is voor de
inkomenstrekkers
met de laagste inkomens.
Vooraanstaande economen reageren verdeeld op de plannen tot belastingverlaging
van Bush. Voorstanders beweren dat het plan van Bush in de periode
tot 2011 maar liefst 1,6 miljoen banen zal scheppen, waardoor de werkloosheid
daalt tot 4,6 procent van de beroepsbevolking. Tegenstanders beweren dat
het plan van Bush tot vergroting van de inkomensverschillen leidt en te laat
komt om een recessie te voorkomen.
Deze economen vrezen dat de conjuncturele gevolgen van het belastingplan van
Bush te lang op zich laten wachten. Daardoor kan het anti-cyclische
begrotingsbeleid dat zij wensen, zelfs worden tegengewerkt.
REKENEN
1. Noteer de veelheid aan gegevens op een overzichtelijke manier.
2. Bereken de totale belastingverlaging tot 2011 per inkomenstrekker uit de
groep met
de laagste inkomens volgens het plan van Bush (afgerond op
hele dollars).
3. Bereken de totale belastingverlaging tot 2011 per inkomenstrekker uit de
groep met
de hoogste inkomens volgens het plan van Bush (afgerond op
hele dollars).
4. a. Bereken de verhouding tussen hoogste en laagste inkomen van het
belastingvoordeel per
inkomenstrekker.
b. Leg uit of deze maatregel nivellerend of denivellerend werkt.
5. a. Bereken de kosten van het plan Bush in termen van gederfde
belastinginkomsten
voor de staat per geschapen
baan.
b. Als de werkgelegenheid inderdaad stijgt zullen de kosten echter lager
uitvallen.
Dit wordt een
inverdieneffect genoemd. Leg uit.
THEORIE
6. Leg uit hoe een belastingverlaging tot daling van de conjunctuurwerkloosheid
kan leiden.
7. Leg uit hoe een belastingverlaging tot daling van de structuurwerkloosheid
kan leiden.
8. Werkt het plan van Bush anti-cyclisch voor de conjunctuur, als de
conjuncturele
gevolgen merkbaar worden tijdens een hoogconjunctuur?
Verklaar het antwoord.
OPGAVE 3 CPI, budgetonderzoek, nominaal en reëel
uit
een krant:
Inflatie door de telefoon
In de eerste
maanden van 2001 is de inflatie in Nederland gestegen. President Wellink van De
Nederlandsche Bank (DNB) verwachtte al in het begin van 2001 dat de stijging van
de consumentenprijsindex (CPI) in 2001 boven de 4,5% zou uitkomen.
Een van de oorzaken van de toenemende inflatie is de stijging van de tarieven
voor mobiele telefonie. De grote telecombedrijven hebben begin 2001 hun
tarieven fors verhoogd, voor bepaalde diensten zelfs met tientallen procenten.
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn in 2001 de
telecommunicatiediensten 18% duurder geworden en de overige goederen en diensten
4,2%. Ook heeft het CBS naar aanleiding van een nieuw budgetonderzoek de
wegingsfactor van telecommunicatiediensten bij de berekening van de
consumentenprijsindex(CPI)
in 2001 verhoogd tot 3%.
REKENEN
1. Leg uit hoe het resultaat
van een budgetonderzoek voor het CBS aanleiding kan
zijn de wegingsfactor van telecommunicatiediensten te
verhogen.
2. Toon met behulp van een berekening aan dat de stijging van de CPI in 2001
volgens
het CBS ook boven de 4,5% ligt.
3. Stel dat de wegingsfactor van jongeren voor telecommunicatiediensten 15%
was.
De overige gegevens blijven onveranderd. Bereken het CPI voor jongeren en
trek
daaruit een conclusie. Zie ook vraag 2.
4. Het nominaal modaal inkomen in 2001 was € 26.000,-. Bereken het reëel
modaal
inkomen in 2001 (dus eigenlijk in euro’s van 2000).
5. Stel dat het nominaal inkomen in 2001 gestegen is met 2,5%.
Bereken de procentuele verandering van het reëel in
komen in 2001.
6. Verricht een kort budgetonderzoek bij jezelf. Vermeld de
uitgavencategorieën en de
wegingsfactoren.
THEORIE
7. Welke
werkzaamheden verricht het CBS ?
8. Welke taak heeft een centrale bank ?
9. a. Wat verstaat men onder inflatie ?
b. Omschrijf twee oorzaken van inflatie.
c. Noem een nadeel van inflatie.
d. Omschrijf een manier waarop inflatie kan worden teruggedrongen.
OPGAVE 4
Werkloosheid, seizoen gecorrigeerd,
arbeidsjaren en P/A ratio
uit een krant (november 2000):
Werkloosheid blijft dalen
In de loop van
2000 publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gegevens
over ontwikkelingen op de
arbeidsmarkt in Nederland (zie tabel 1 en tabel 2). De minister
van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid was vooral verheugd over de relatief sterke daling
van de langdurige werkloosheid.
Een econoom merkte op dat de werkloosheidscijfers
enigszins vertekend zijn,
doordat er in 2000 sprake was van een zeer mooie zomer.
Bovendien zei deze econoom dat,
in personen gemeten, de werkloosheid hoger uitkomt dan de cijfers van het CBS.
De P/A ratio voor de werkloosheid en de werkgelegenheid hebben dezelfde waard.

REKENEN
1. a. Hoeveel bedraagt de
absolute (dus in aantallen) daling van de totale werkloosheid
in het 3e
kwartaal van 2000 t.o.v. het 3e kwartaal van 1999 ?
b. Hoeveel bedraagt de
relatieve (dus in procenten) daling van de totale werkloosheid
in het 3e kwartaal van 2000 t.o.v. het 3e kwartaal
van 1999 ?
c. Toon met een berekening
aan dat de langdurige werkloosheid in het 3e kwartaal
2000 vergeleken met het 3de
kwartaal 1999 relatief sterker gedaald is dan de totale
werkloosheid.
Een bedrijf heeft in 2000 1.200
personeelsleden, waarvan 80% fulltime werken. Van de overige werknemers heeft
de helft een deeltijdfactor van 0,50 werkuren per week; 30% werkt 10 van de
40 fulltime uren en het restant werkt slechts 8 uur per week.
2. a. Hoeveel arbeidsjaren
werken de fulltime werknemers ?
b. Hoeveel arbeidsjaren
werken de werknemers met een halve baan ?
c. Bereken de P/A ratio
van dit bedrijf.
d. Werken er in dit
bedrijf meer of minder mensen parttime dan gemiddeld in de
gehele economie in 2000 (zie tabel 2) ? Leg uit.
3. Waardoor is de werkloosheid
uitgedrukt in personen groter dan de werkloosheid
uitgedrukt in arbeidsjaren? Verklaar
het antwoord.
4. Bereken de langdurige
werkloosheid uitgedrukt in personen in het 3de kwartaal 2000.
5. Wordt de totale werkloosheid
in het 3de kwartaal 2000 hoger of lager dan 176.000 als
dit getal wordt gecorrigeerd
voor seizoeninvloeden? Verklaar het antwoord.
OPGAVE 5 Inflatie, werkloosheid en CPI
uit een krant (januari 2001):
OESO waarschuwt voor inflatie
De Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) schrijft in een
rapport dat in enkele Westerse
landen de arbeidsmarkt in snel tempo krapper wordt.
Ook dreigt in enkele landen de
economie door sterk groeiende bestedingen oververhit te raken. De kans op inflatie neemt
daardoor snel toe. De OESO waarschuwt dat deze inflatie de economie kan verstoren en dringt
bij de regeringen aan op het nemen van maatregelen.
Tabel 3 geeft OESO-verwachtingen voor het jaar 2001.

REKENEN
1. Het
nationaal product in Nederland in 2002 was € 460 mld.
Bereken het nationaal product van 2001.
2. In 2001
bedroeg de werkloosheid in Nederland 173.600 personen.
Bereken de omvang van de
beroepsbevolking in 2001.
3. Stel
dat 1999 het basisjaar is voor het CPI. In 2000 stegen de prijzen met 1,9%.
Bereken het CPI voor 2001.
4. In welk land in tabel 3 is
volgens de OESO-verwachting in 2001 de inflatie het laagst?
THEORIE
5. Leg uit hoe een krapper
wordende arbeidsmarkt in een land kan leiden tot kosteninflatie
in dat land.
Een OESO-econoom stelt dat de
kans op oververhitting van de economie in Nederland
groter is dan in België.
6. Geef op basis van tabel 3
een verklaring voor deze stelling.
Inflatie kan op allerlei
manieren invloed op de economie hebben. Zo heeft inflatie gevolgenvoor de onderstaande economische
grootheden:
• de besparingen;
• de schulden;
• de internationale
concurrentiepositie.
7. Beschrijf welke gevolgen inflatie heeft voor deze economische grootheden.
OPGAVE 6 Vraag en aanbod, valuta koersen en indexcijfers
Olie en euro
De prijs van olie en de koers
van de euro zijn beide het resultaat van de vraag- en
aanbodverhouding op de markt. In
september 2000 bereikte de prijs van olie op de
wereldmarkt het hoogste niveau
in tien jaar. Op hetzelfde moment liet de euro een
laagterecord zien. In figuur 2
zijn de prijsontwikkeling van olie en die van de euro in
beeld gebracht. Deskundigen zijn het
niet eens over de vraag hoe deze markten zich
zullen ontwikkelen.

REKENEN
1. a.
Bereken de procentuele verandering van het maandgemiddelde in de periode
januari t/m september 2000.
b.
Bereken de procentuele verandering van het maandgemiddelde in de periode
maart t/m april 2000.
2. a.
Bereken het ongewogen maandgemiddelde van de olieprijs in dollars per vat
in de periode april t/m september 2000.
b.
Welke informatie ontbreekt als je het gewogen maandgemiddelde van de
olieprijs
(in dollars) zou willen berekenen ?
3. a.
Bereken de indexcijfers van de olieprijs (maandgemiddelden) in dollars per vat
met maart 2000 als basis.
b.
Hoeveel bedraagt de procentuele verandering van de olieprijs in de periode
januari t/m maart ? Gebruik de indexcijfers die je hebt berekend.
c.
Hoeveel bedraagt de procentuele verandering van de olieprijs in de periode
juni t/m september ? Gebruik de indexcijfers die je hebt berekend.
d.
Herbereken de indexcijfers als de basis wordt verschoven naar mei. Maak gebruik
van de indexcijfers die je hebt berekend.
4. Bereken
de prijs in euro’s van een vat olie in juni 2000.
5. Is de
prijs van een vat olie in euro’s in september 2000 gestegen of gedaald t.o.v.
januari 2000 ? Leg uit.
6. Is in september 2000
vergeleken met januari 2000 de olieprijs in euro’s uitgedrukt meer
of minder
gestegen dan de olieprijs in dollars uitgedrukt?
Verklaar het antwoord zonder
een berekening.
7. Bereken
de €/$ voor mei.
THEORIE
Hieronder staan vijf
ontwikkelingen die de vraag- en aanbodverhouding op de
wereldoliemarkt beïnvloeden:
1
De olieproducerende landen
verhogen de dagproductie met 500.000 vaten olie.
2
De economie van de VS groeit
harder dan was voorspeld.
3
Europa verlaagt de strategische
olievoorraad (die wordt aangehouden voor noodgevallen.
4
In Europa en de VS is er sprake
van een ongekend strenge winter.
5
Er komen steeds meer substituten
beschikbaar voor olie.
Drie van deze ontwikkelingen
leiden tot een neerwaartse druk op de olieprijs.
8. Welke drie zijn dat? Geef
bij elke van deze drie ontwikkelingen aan waardoor deze leidt
tot een neerwaartse druk op de
olieprijs.
OPGAVE
7 BTW, heffingen, grote getallen en tabellen
Protest tegen BTW-verhoging op
drinkwater
Op 1 januari 1999 werd de BTW op
drinkwater verhoogd van 6% naar 17,5%.
Er ging een storm van protest door het land.
De protesterende Nederlanders stelden dat drinkwater een eerste levensbehoefte is en dus
onder het lage BTW-tarief moest blijven vallen. De kritiek had resultaat, want per 1
januari 2000 werd drinkwater weer onder
het 6% BTW-tarief gebracht. Wel voerde de overheid
toen een speciale belasting in
van € 0,10 per kubieke meter (m3) drinkwater.

REKENEN
1. a.
Bereken het vastrecht in 2000 inclusief BTW.
b. In
2001 is het vastrecht € 38,78 inclusief BTW. Bereken het BTW bedrag.
2. Bereken
het jaarverbruik van een gemiddeld gezin in liters en cm3.
3. Bereken het bedrag dat een
gemiddeld gezin over 2000 voor het verbruik van
drinkwater moest
betalen.
4. a.
Stel dat er 7,5 mln gezinnen zijn. Bereken het totaal bedrag dat betaald is
voor
drinkwaterverbruik over 2000.
b.
Rond dit bedrag af op miljoenen euro’s.
c.
Bereken het bedrag per inwoner bij een bevolking van 16,4 mln.
Gebruik het antwoord bij b.
De veranderingen van de belastingen in 2000 leverde een gemiddeld gezin voordeel op.
5. Bereken het bedrag dat een
gemiddeld gezin over 2000 voor het verbruik van
drinkwater had moeten betalen als in
2000 de belasting van 1999 van toepassing
was geweest.
6. Wordt het argument van de
protesterende Nederlanders om drinkwater onder het lage
BTW-tarief te laten vallen
door tabel 2 bevestigd of tegengesproken?
Verklaar het antwoord.
THEORIE
7. Wat zijn de huidige BTW
tarieven ?
8. Is de heffingsgrondslag van
de waterbelasting een waarde of een hoeveelheid ?
OPGAVE 8 Elasticiteiten, verbanden, grafieken en tabellen
Tollen op de weg
Op een autoweg ontstaan
voortdurend files voor een brug. De beheerder van de weg,
de provinciale overheid, overweegt
voor het gebruik van de brug tol te gaan heffen.
De bedoeling van de tol is, de
lengte van de file met 75% te verminderen.
Een onderzoeksbureau verstrekt de
wegbeheerder de gegevens in tabel 4 en figuur 4.
De daarin beschreven situatie heeft
betrekking op een normale werkdag.
De opbrengst van de tol is juist voldoende om alle kosten
in verband met
de tolheffing te dekken.

REKENEN
1. a. Toon aan dat bij een
verdubbeling van het aantal auto’s dat de brug gebruikt,
de lengte van de file
meer dan verdubbelt.
b.
Is hier sprake van
een positief of negatief verband ? Leg uit.
c.
Is het verband
progressief, degressief of proportioneel ? Leg uit.
2. Bereken de totale
tolopbrengst bij een toltarief van € 2,50.
Zonder tolheffing zou de lengte van de file 8 kilometer zijn.
3. Welk toltarief zou de
wegbeheerder moeten vaststellen om zijn doel te bereiken?
Verklaar het antwoord.
4. Teken de vraagcurve voor het
bruggebruik.
5. a. Bereken de
prijselasticiteit van de vraag bij een verhoging van het toltarief
van € 2,50 naar €
3,50.
De formule is:
procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid x 100
procentuele verandering van de prijs.
b. Is de vraag naar het
bruggebruik elastisch of inelastisch ? Leg uit.
c. Wat kun je op grond van
het antwoord bij b zeggen over de verandering van de omzet ?
THEORIE
Hieronder staan enkele uitspraken in verband met de tol:
uitspraak 1
Bij tolheffing betaalt de
automobilist voor het gebruik van de brug, wat voor de
automobilist een negatief extern
effect oplevert.
uitspraak 2
Bij een toltarief van € 4,0 is
er bij de brug geen file meer, waardoor de brug niet langer
een schaars goed is.
uitspraak 3
Door de
invoering van de tolheffing wordt het gebruik van de brug een collectief goed.
6. Leg voor elke uitspraak uit of deze juist of onjuist is.
OPGAVE
9 Procenten, procentpunten, procentueel aandeel
en grafieken
Blijft geld wel rollen?
In 1960 bedroeg de totale
geldhoeveelheid in Nederland € 5,129 miljard. In de jaren
zeventig van de vorige eeuw
gingen overheid en bedrijfsleven er massaal toe over de
salarissen giraal te betalen. De
Nederlandsche Bank (DNB) juichte dat toe:
het betalingsverkeer zou goedkoper
en veiliger worden. DNB vond dat belangrijk, omdat het
betalingsverkeer een steeds
grotere omvang kreeg: in 2000 was de totale geldhoeveelheid in Nederland 24 keer zo groot als
in 1960. Volgens DNB zal dankzij de ontwikkeling van decomputertechniek de opmars van
moderne betaalvormen zoals chippen en pinnen de komende jaren verder doorgaan.
De totale geldhoeveelheid
bestaat uit het chartale en girale geld in handen van het publiek.

REKENEN
1. Figuur
5 is een voorbeeld van twee soorten diagrammen. Welke twee worden gebruikt ?2. Bedenk
een betere titel voor figuur 5.
3. Hoe blijkt uit figuur 5 dat
overheid en bedrijfsleven in de jaren zeventig de salarissen
massaal giraal gingen
betalen?
4. a. Bereken de procentuele
stijging van het aandeel van giraal geld in de
periode 1980 t/m 2000.
b. Met hoeveel procentpunt
is dit aandeel gestegen ?
5. Bereken de girale
geldhoeveelheid in 2000.
6. In 2001 is de totale
geldhoeveelheid gegroeid met 4% en de chartale geldhoeveelheid
met 1,5%. Bereken het procentueel aandeel van de girale geldhoeveelheid in 2001.
THEORIE
7. Wat zal er in de toekomst
volgens DNB gebeuren met het aandeel van het girale geld in
de totale geldhoeveelheid?
Verklaar het antwoord.
OPGAVE
10 Beroepsgeschikte bevolking en interpretatie
diagram
uit een krant (maart 2002):
Vrouwen kom terug!
“Werkt u? Nee? En zou u willen
werken?”, vraagt Tanja aan de winkelende Els.
“Jawel, maar ik dacht, dat ze me na al
die jaren toch niet meer konden gebruiken en
dus heb ik geen moeite gedaan een baan te
krijgen”, antwoordt de 52-jarige huisvrouw Els. Nu de kinderen de deur uit zijn, heeft Els tijd
over. Voordat ze kinderen kreeg, heeft Els alsverpleegkundige gewerkt. Volgens
Tanja zou Els zo weer aan de slag kunnen, als ze dat zou willen.Tanja maakt deel uit van een Kom
terug!-wervingsteam. Met deze teams, die naar markten en winkelcentra gaan om vrouwen
aan te spreken, probeert de overheid vrouwen zoals Els te bewegen weer te gaan werken.
De arbeidsmarkt is krap en ondanks de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen
bestaan er met name in de zorg en in het onderwijs grote personeelstekorten.


De beroepsgeschikte bevolking (potentiële beroepsbevolking) bestaat uit iedereen van 15 t/m 64 jaar.
REKENEN
1. a. Bereken de totale
beroepsgeschikte bevolking in 1994 en in 2001.
b. Bereken de procentuele
stijging van de totale beroepsgeschikte bevolking in de
periode 1999 t/m 2001.
c. 1. Bereken de
procentuele stijging van de mannelijke beroepsbevolking in de periode
1999 t/m 2001.
2. Bereken de
procentuele stijging van het aandeel van de mannelijke
beroepsbevolking in de totale mannelijke bevolking van 15-64 jaar in
de periode 1999 t/m
2001.
3. Verklaar het
verschil in antwoord tussen vraag c1 en c2.
2. Is volgens figuur 6 tussen
1999 en 2001 de vrouwelijke beroepsbevolking in personen
groter of kleiner geworden?
Verklaar het antwoord.
3. Bereken het
werkloosheidspercentage voor 2001.
De formule is: aantal werklozen x 100
beroepsbevolking
Volgens tabel 5 is het aantal
werkloze mannen in 2001 groter dan het aantal
werkloze vrouwen.
4. Is het werkloosheidspercentage
bij mannen in 2001 groter of kleiner dan dat bij vrouwen? Verklaar het antwoord
zonder een berekening.
THEORIE
Met de Kom terug!-wervingsteams richt de overheid zich op de ...(1)... van de arbeidsmarkt. Als Els weer als verpleegkundige aan de slag gaat, neemt de ...(2)... af en groeit de ...(3)...in Nederland.
5. Wat moet in plaats van de
cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
te krijgen?
bij (1) aanbodzijde / vraagzijde
bij (2) frictiewerkloosheid /
structuurwerkloosheid / verborgen werkloosheid
bij (3) beroepsgeschikte
bevolking / beroepsbevolking
OPGAVE 11 Werkloosheid,
arbeidskosten,
seizoen gecorrigeerd en indexcijfers
Sein op rood
Na jaren van dalende
werkloosheid kwam in maart 2002 de kentering: de voor het seizoen gecorrigeerde werkloosheid begon
weer te groeien. Economen waren het er over eens, dat die groei voor een deel werd
verklaard door een toename van de beroepsbevolking en voor een deel door een afname van de
vraag naar arbeid. Zij waren het echter niet helemaal eens over de oorzaken van die
afnemende vraag naar arbeid. Een econoom van de werkgeversorganisatie stelde,
dat die afname vooral structurele oorzaken had.
Een econoom van de vakbond was van mening,
dat die afname vooral conjuncturele oorzaken had.

REKENEN
1. Bereken
de omvang van de beroepsbevolking in 2002.
2. Met
hoeveel procentpunt is de gemiddelde werkloosheid veranderd in 2002 ten opzichte
van 2000 ? En met hoeveel procent ?
3. a. Wat
zegt het indexcijfer van de arbeidskosten per eenheid product van 99,3 voor
Nederland (2000) ?
b.
Met hoeveel procent is de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van de
EU
veranderd in de periode 2000-2002 ?
c.
Stel dat de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit in 2002 in Nederland
gelijk is aan
die van de EU. Met hoeveel procent zijn de arbeidskosten in Nederland
harder
gestegen dan in de EU
?
4. De werkloosheidscijfers in
tabel 6 zijn niet voor het seizoen gecorrigeerd. Toch kan uit
die tabel worden geconcludeerd
dat de voor het seizoen gecorrigeerde werkloosheid in
maart 2002 weer begint te
groeien.
Welke van de onderstaande uitspraken is in dit verband juist?
uitspraak 1
De voor het seizoen
gecorrigeerde werkloosheid begint in maart 2002 weer te groeien want
de werkloosheid in maart 2002 is
hoger dan in januari en februari 2002.
uitspraak 2
De voor het seizoen
gecorrigeerde werkloosheid begint in maart 2002 weer te groeien want
de werkloosheid in maart 2002 is
hoger dan in maart een jaar eerder, terwijl die in februari
en januari nog lager lag dan een
jaar eerder.
THEORIE
5. Welke tabel zal de econoom
van de werkgeversorganisatie gebruiken om zijn stelling
te ondersteunen? Beschrijf de
redenering van deze econoom.
6. Welke tabel zal de econoom van de vakbonden gebruiken om zijn mening te
ondersteunen? Beschrijf de redenering van
deze econoom.
7. Leg uit of de geregistreerde
werkloosheid in arbeidsjaren hoger of lager ligt
dan in personen.
OPGAVE
12 Betalingsbalans, wisselkoers, renteberekening en
grafiekvorm
Zorgen om de dollarkoers
De familie Dijkstra is van plan
een vakantie te boeken in de Verenigde Staten van Amerika
(VS). Zo’n vakantie kost veel
geld en daarom volgt de familie met grote belangstelling de
ontwikkeling van de dollarkoers.
In een krant staan op een dag de onderstaande berichten en de familie vraagt zich
bezorgd af wat die voor gevolgen hebben voor de dollarkoers.
Tekort lopende rekening VS
De lopende rekening van de
betalingsbalans van de Verenigde Staten van Amerika laat al jaren een fors en groeiend tekort zien.
Afnemende groei VS
De Amerikaanse overheid maakt
zich zorgen over de afnemende economische groei in het land.

REKENEN
1. Met
hoeveel procentpunt is de rente gedaald in de periode januari – oktober ?
2. Bereken
het verschil in rente opbrengst bij een belegging in de VS van $ 4 mln
gedurende
de maand januari en dezelfde belegging in de maand oktober. De rente staat
vermeld op jaarbasis.
3. Voor
welke grafiekvorm is hier gekozen ? Waarom ?
THEORIE
Het tekort op de lopende
rekening van de betalingsbalans van de VS kan tot gevolg
hebben dat op de valutamarkt het aanbod
van dollars ...(1)... is dan de vraag naar dollars waardoor de koers van de dollar ten
opzichte van de euro zal ...(2)... en een vakantie in de VS ...(3)...zal worden.
1. Wat moet in plaats van de
cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
tekrijgen?
bij (1) groter / kleiner
bij (2) dalen / stijgen
bij (3) duurder / goedkoper
De ontwikkeling van de rente in
de VS leidt via een kleinere ...(1)... door de VS tot een
daling van de dollarkoers. De
lagere dollarkoers maakt de export van de VS ...(2)..., zodat
de Amerikaanse bedrijven
...(3)... kunnen exporteren, waardoor de daling van de dollarkoers wordt ...(4)....
2. Wat moet in plaats van de
cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
te krijgen?
bij (1) kapitaalexport /
kapitaalimport
bij (2) duurder / goedkoper
bij (3) meer / minder
bij (4) afgeremd / versterkt
2005
OPGAVE 13 Concurrentiepositie, ruilvoet en indexcijfers
Nederland handelsland
De concurrentiepositie van een
land in het internationale handelsverkeer wordt onder
andere beïnvloed door de
ontwikkeling van het prijspeil en de wisselkoers van de valuta
van dat land.

REKENEN
1. a.
Bereken de consumentenprijsindexcijfers voor de jaren 1997 t/m 2001 met 1996
als
basis.
b.
Met hoeveel procent zijn de prijzen veranderd in de periode 1997 – 2001 ?
2. Met
hoeveel procent is de waarde van de euro t.o.v. de dollar veranderd in de
periode 1997 – 2001 ?
3. Bekijk
jouw antwoorden bij 1.a en 2 en beredeneer of de concurrentiepositie van
Nederland t.o.v. de VS is verbeterd of verslechterd ?
4. Bereken
of er in de periode 1997 – 2001 sprake is van een ruilvoetverbetering of een
ruilvoetverslechtering.
THEORIE
5. Leg uit hoe een stijging van
het invoerprijspeil van een land kan leiden tot een stijging
van het uitvoerprijspeil van
dat land.
6. Worden de invoerprijzen in
euro’s in Nederland hoger of lager door een koersdaling van
de euro ten opzichte van de
Amerikaanse dollar? Verklaar het antwoord.
In 2000 hebben de Verenigde
Staten van Amerika (VS) voor import uit Nederland
€ 11,5 miljard betaald.
Omgerekend in dollars was met deze import $ 10,58 miljard gemoeid. Stel dat de VS in 2001
hetzelfde importpakket uit Nederland koopt.
7. Bereken hoeveel Amerikaanse dollars de VS voor dit importpakket in 2001 moet
betalen.
OPGAVE
14 Macro-economische voorspellingen en
interpretatie tabel
De glazen bol van het CPB
Het Centraal Planbureau (CPB)
heeft in het kader van de Macro Economische Verkenningonderzoek gedaan naar de
economische ontwikkelingen voor het volgende jaar. Voor volgend jaar wordt een
voorzichtig herstel van de economische groei verwacht,
onder andere omdat een einde van de
daling van de bedrijfsinvesteringen wordt verwacht.De resultaten van het onderzoek
van het CPB zijn samengevat in tabel 1.
In de kolom “centrale voorspelling voor
volgend jaar” staat de voorspelling voor volgend jaar. In deze voorspelling is uitgegaan van: €
1 = $ 1,15. Omdat de hoogte van deze wisselkoers erg onzeker is, is alternatief A
opgenomen, waarin is uitgegaan van een andere wisselkoers van de euro ten opzichte van de
dollar. Een andere onzekere factor in de
centrale voorspelling voor volgend jaar is de groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP)
van de handelspartners van Nederland. Daarom is alternatief B opgenomen, waarin
is uitgegaan van een lagere groei van het BBP van de handelspartners dan in de
centrale voorspelling.

Uit tabel 1 is bijvoorbeeld af te lezen dat de bedrijfsinvesteringen volgens de centralevoorspelling van het CPB volgend jaar ten opzichte van dit jaar met 0,3% groeien. Mocht de groei van het BBP van de handelspartners van Nederland tegenvallen, dan wordt een daling van de bedrijfsinvesteringen met 0,6% verwacht.
REKENEN
1. Hoe
komt men in bovenstaande tekst aan een daling van de investeringen met 0,6%
bij alternatief B ?
2. Met
hoeveel procent verandert het BBP bij alternatief A ?
3. Stel
dat de bevolking volgend jaar groeit met 0,8%. Bereken de procentuele
verandering van
het BBP per hoofd bij de centrale voorspelling.
4. Hoe blijkt uit tabel 1 dat
in de centrale voorspelling voor volgend jaar een stijging van
de arbeidsproductiviteit wordt
verwacht?
5. Gaat het CPB bij alternatief
A uit van een hogere of van een lagere wisselkoers van de
euro dan $ 1,15? Verklaar het
antwoord aan de hand van één regel uit tabel 1.
THEORIE
Bij alternatief B is de stijging
van de consumentenprijsindex kleiner dan in de centrale voorspelling.
6. Geef daarvoor een
verklaring.
7. Noem twee
bestedingscategorieën die in tabel 1 ontbreken.
8. Leg uit
dat alternatief B een negatieve invloed heeft op de werkgelegenheid.
OPGAVE
15 Inflatie, arbeidsmarkt, gewogen gemiddelde, CPI
en nominaal/reëel
Economisch onderzoek
Nederland heeft, vergeleken met
de andere landen van het eurogebied, in 2000 een
hoge inflatie gehad. Een oorzaak van deze hoge inflatie was volgens sommige
economen
de in vergelijking met andere landen krappe arbeidsmarkt in Nederland.
Op de website van het Centraal
Bureau voor de Statistiek (CBS) staat het
macro-economisch overzicht uit
de publicatie ‘De Nederlandse economie in 2000’ met onder andere de
onderstaande gegevens over inflatie en werkloosheid in een aantal landen.

REKENEN
1. Omschrijf hoe het CBS het
consumentenprijsindexcijfer (CPI) berekent.
2. Geef aan hoe je het gewogen
gemiddeld inflatiepercentage voor het eurogebied
zou kunnen berekenen.
3. Kan men uit de cijfers in
tabel 3 de conclusie trekken dat Nederland in 2000 de
hoogste inflatie van alle landen in
het eurogebied had? Verklaar het antwoord.
4. Stel dat het CPI voor 2000
in Nederland 112 bedraagt. Bereken het CPI voor 1999,
uitgaande van hetzelfde
basisjaar.
5. Stel dat het nominaal
inkomen in Nederland is gestegen met 4,1% in 2000.
Bereken de stijging van het
reëel inkomen in 2000.
THEORIE
6. Wijzen de cijfers in tabel 3
op een verbetering of op een verslechtering van de
concurrentiepositie van
Nederland ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk?
Verklaar het antwoord.
7. Welk gegeven in de tabel
geeft aan dat Nederland een krappe arbeidsmarkt heeft.
Leg uit.
8. Leg uit hoe een krappe
arbeidsmarkt kan leiden tot een hoge inflatie in een land.
OPGAVE 16 Werkloosheid, conjunctuur en grafieken
Werklozen stromen in en uit
In een land bestaat
werkloosheid. Dat betreft echter niet steeds dezelfde mensen.
Zoals figuur 1 laat zien vindt
een deel van de werklozen werk (de uitstroom), terwijl andere mensen juist werkloos worden (de
instroom).

In figuur 2 zijn cijfers
betreffende de instroom en uitstroom in dit land weergegeven.
Deze cijfers geven informatie over de conjuncturele situatie in dit land.

REKENEN
1. Wat voor soort grafiek wordt
getoond in figuur 2 ? Waarom is voor deze vorm gekozen ?
2. Bereken de verandering in
werkloosheid in 2002.
3. Met hoeveel procent is de
uitstroom in 2003 toegenomen t.o.v. 2002 ?
4. Was eind 2001 de
werkloosheid groter dan, kleiner dan of gelijk aan de werkloosheid
begin 2001? Verklaar het antwoord.
5. Kan uit figuur 2 worden
afgeleid hoeveel personen eind 2003 werkloos waren?
Verklaar het antwoord.
THEORIE
6. Leg uit of de in- en
uitstroom gevolgen hebben voor de omvang van de beroepsbevolking.
7. Wijzen de cijfers in figuur
2 voor de jaren 2001 tot en met 2003 op een economische
opleving of op een economische neergang? Verklaar het antwoord.
8. Waardoor wordt de
conjunctuur beïnvloed ?
9. Een deel van de instroom kan
door structurele oorzaken worden verklaard.
Geef een omschrijving van één van die oorzaken.
OPGAVE 17 Recessie, reële rente en grafieken
Herleefde spaarzin
In een land was in 2000 sprake
van een bestedingsgolf waardoor de particuliere besparingen inzakten. In 2001
sloeg het economische klimaat om en dreigde er zelfs een recessie te ontstaan.
Ondanks de lage economische groei nam de inflatie toe.
Deze ontwikkeling stelde
het consumentenvertrouwen* zwaar op de proef.
De particuliere besparingen namen
in 2001 toe,
ondanks de lage rente op spaarrekeningen van gemiddeld 3,2%.
*) het vertrouwen van
consumenten in de toekomst dat invloed heeft op de bereidheid van consumenten om
bestedingen te doen

REKENEN
1. Met hoeveel procent is het
particuliere spaarsaldo veranderd in het derde kwartaal
van 2001 ?
2. Met welk bedrag is het
tegoed op particuliere spaarrekeningen per saldo toegenomen
in 2001 ?
Hieronder staan vier uitspraken over de reële rente in 2001:
uitspraak 1
De reële rente is positief want
het rentepercentage is groter dan nul.
uitspraak 2
De reële rente is positief want
de particuliere besparingen nemen toe.
uitspraak 3
De reële rente is negatief want
er is sprake van een lage rentevergoeding.
uitspraak 4
De reële rente
is negatief want het rentepercentage is lager dan de inflatie.
3. Welke uitspraak is juist?
4. Bereken de reële rente op
spaarrekeningen in 2001 uitgaande van een inflatie van 4,7%
over heel 2001.
5. Welke conclusie kan men
trekken op basis van figuur 3?
Kies één van de
onderstaande antwoorden.
• In het kwartaal 2001-4 is 8
miljard euro op spaarrekeningen gestort.
• In het kwartaal 2001-4 is 8
miljard euro van spaarrekeningen opgenomen.
• In het kwartaal 2001-4 is 8
miljard euro meer op spaarrekeningen gestort dan opgenomen.
• In het kwartaal 2001-4 is 8
miljard euro minder op spaarrekeningen gestort dan
opgenomen.
THEORIE
6. Wat verstaat men onder een
recessie ?
7. Leg uit hoe een afnemend
consumentenvertrouwen kan leiden tot een toenemend
spaartegoed van particulieren.
8. Noem drie redenen voor het
berekenen van rente.
OPGAVE
18 Overheidsbegroting, nivellering, procentueel
aandeel en grote getallen
Terugtredende overheid speelt
andere rol
De Nederlandse overheid is de
laatste decennia een andere rol gaan spelen in het economische proces. Lag
vroeger de nadruk op de inkomensherverdelende functie van de overheid,
tegenwoordig ligt die meer op de sturing van de consumptie en de productie in
ons land. Die rolverandering heeft invloed gehad op de overheidsfinanciën (zie
tabel 4). Zo is er een verschuiving opgetreden van directe belastingen (in 1991 nog bijna
53% van de overheidsontvangsten) naar indirecte belastingen.
Sommige politici betreuren deze
ontwikkeling. Zij stellen dat de overheid in haar nieuwe rol minder aandacht besteedt aan
inkomensbeleid waardoor de inkomensverschillen na belasting groter worden.

REKENEN
1. Bereken het nationale product voor 2002.
2. Bereken
het nationale product per hoofd voor 2002 uitgaande van een bevolking
van 16,2 mln.
3. Met hoeveel procent is het
nationaal product gestegen in de periode 1991– 2002.
4. Bereken hoeveel procent van
de totale rijksinkomsten in 2002 bestond uit directe
belastingen.
5. Bereken het procentueel
aandeel BTW in de totale rijksinkomsten in 2002.
THEORIE
In de periode 1991-2002 is er economisch gezien sprake van een terugtredende overheid.
6. Hoe blijkt dat uit tabel 4?
Kies één van de onderstaande
antwoorden.
• uit het feit dat de loon- en
inkomstenbelasting relatief het minst is toegenomen
• uit het feit dat het verschil
tussen rijksuitgaven en rijksinkomsten is afgenomen
• uit het feit dat het aandeel
van de rijksuitgaven in het nationale product is afgenomen
7. Leg uit dat de overheid met behulp van indirecte belastingen de consumptie kan sturen.
Bij ...(1)... belastingen wordt
geen rekening gehouden worden met verschillen in inkomen. Door een verschuiving van directe naar
indirecte belastingen worden mensen met een laag inkomen relatief ...(2)... belast dan mensen met
een hoog inkomen.
Dit heeft een ...(3)... invloed op de inkomensverdeling na belasting.
8. Wat moet in plaats van de
cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
te krijgen?
bij (1) directe / indirecte
bij (2) minder zwaar / zwaarder
bij (3) denivellerende /
nivellerende
9. Geef een voorbeeld van niet-belastinginkomsten.
OPGAVE 19 CAO, arbeidsvoorwaarden en indexcijfers
Kortere carrièrelijnen in het
onderwijs
Henk van Vlessen is al jarenlang
werkzaam als docent economie aan het Blijstein College
in Udel. Hij leest met
instemming de nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst (CAO).
De onderhandelaars hebben
namelijk afgesproken om in de nieuwe CAO iets te doen aan de
lange carrièrelijnen. Nu doet
een docent er 21 jaar over om het maximale salaris te
bereiken. In de nieuwe CAO is
dat verkort tot 18 jaar. De onderhandelaars verwachten dat
de situatie op de arbeidsmarkt
een verdere verkorting in de toekomst noodzakelijk maakt.
In tabel 1 staan gegevens
volgens de oude en de nieuwe CAO. Henk heeft in juli een bruto
maandsalaris van € 3.014. De
nieuwe CAO gaat per 1 augustus in.

REKENEN
1. Bereken hoeveel euro het
bruto maandsalaris van Henk in augustus hoger is dan in juli.
2. Met hoeveel procent is het
salaris bij regel 19 gestegen ?
3. Bereken de salarisbedragen
volgens de nieuwe CAO in indexcijfers met salarisregel
16 als basis.
4. Bereken aan de hand van jouw
indexcijfers het procentueel verschil tussen salarisregel
19 en 18.
THEORIE
5. Welke partijen onderhandelen
over een CAO?
6. Geef een voorbeeld van
primaire arbeidsvoorwaarden en een voorbeeld van
secundaire
arbeidsvoorwaarden.
7. Wat is het verschil tussen
een CAO en een individuele arbeidsovereenkomst ?
8. Is er volgens de
onderhandelaars sprake van een krappe of van een ruime arbeidsmarkt? Verklaar het antwoord.
Hieronder staan twee uitspraken.
uitspraak 1
Het verkorten van de
carrièrelijnen is een aanpassing van de secundaire arbeidsvoorwaarden.
uitspraak 2
Een CAO is een
arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een werknemer
9. Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.
OPGAVE 20 Wisselkoersen en valutaberekeningen
De dolende dollar
“In januari 2003 bereikte de
koers van de euro ten opzichte van de dollar een niveau dat
sinds twee jaar niet meer was
voorgekomen”, aldus de opening van een artikel in een
Nederlands dagblad. “In
september 2001 was de euro nog maar 0,86 dollar waard, maar nu
piekt hij op 1,08 dollar”,
vervolgt het artikel. Ter illustratie staat bij het artikel de grafiek in
figuur 2 afgedrukt.

REKENEN
1. Bereken met hoeveel procent
de waarde van de dollar ten opzichte van de euro is
gedaald tussen september 2001 en
januari 2003.
2. Een Nederlands bedrijf heeft
in september 2001 voor $ 2,7 mln tulpenbollen verkocht aan
een buitenlands bedrijf. De betaling vindt plaats in januari 2003.
Bereken
het koersverlies in euro’s op deze transactie.
3. Bereken de $/€ koers voor
januari 2003.
4. Herteken deze grafiek als op
de y-as de $/€ koers wordt weergegeven.
THEORIE
Uit het krantenartikel zijn ook
de onderstaande citaten afkomstig.
citaat 1
“De Russische regering heeft
laten weten dat zij haar financiële reserves die tot
vorig jaar overwegend uit
dollars bestonden, in 2002 heeft omgezet in euro’s.”
citaat 2
“De Verenigde Staten van Amerika
(VS) kampen met een groeiend tekort op de
lopende rekening van de
betalingsbalans dat in 2002 opliep tot bijna 5 procent van
het nationale product.”
citaat 3
“De Amerikaanse centrale bank
heeft in 2002 de rente regelmatig verlaagd om zo
de Amerikaanse economie te
stimuleren.”
5. Welk(e) van de citaten
zou(den) een oorzaak kunnen aangeven voor de waardedaling
van de dollar in 2002?
In een economiegroep van havo 5
wordt aan de hand van het krantenartikel gediscussieerd
over de gevolgen van de
koersdaling van de dollar voor een aantal belanghebbenden.
belanghebbende 1
Onderneming ASRO, gevestigd in
Nederland, heeft ook een vestiging in de VS.
Deze vestiging maakte in 2002
een winst in dollars die gelijk is aan die in 2001.
ASRO verwerkt de winst van die vestiging in het jaarverslag dat in euro’s luidt.
uitspraak 1
De in het jaarverslag vermelde
winst van de Amerikaanse vestiging van ASRO zal door
de koersdaling van de dollar in
2002 hoger uitvallen dan in 2001.
belanghebbende 2
Onderneming BOTAK, gevestigd in
Nederland, exporteert in Nederland geproduceerde halffabrikaten naar de VS en
stelt de rekening daarvoor op in euro’s.
uitspraak 2
De concurrentiepositie van BOTAK
op de Amerikaanse markt is door de koersdaling
van de dollar in 2002
verslechterd.
belanghebbende 3
De heer Versluys uit Schiedam
heeft in november 2001 plannen gemaakt voor een
vakantie en vertrok in maart
2002 voor een trektocht van enkele maanden door de VS.
uitspraak 3
De vakantie van de heer Versluys
werd door de koersdaling van de dollar duurder dan hij
in november had verwacht.
belanghebbende 4
De Nederlandse
financieringsmaatschappij CREDO heeft in januari 2001 een bedrag in
euro’s omgezet in dollars en
uitgeleend aan een bedrijf in de VS. Tussen oktober 2001
en oktober 2002 is deze lening
afgelost en is het bedrag weer omgezet in euro’s.
uitspraak 4
CREDO heeft op de lening aan het
Amerikaanse bedrijf door de koersdaling
van de dollar koerswinst
gemaakt.
6. Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.
OPGAVE
21 Wereldhandel, volume ontwikkeling, nominaal
en
reëel
Kommer en kwel
De economie van een land is
sterk afhankelijk van geïmporteerde olie.
Begin 2004 publiceerde het planbureau een
voorspelling van de economische ontwikkeling in dat land voor 2005. In de loop van 2004
stegen de olieprijzen zo fors dat de economie er door werd beïnvloed. Het planbureau kwam
daarom eind 2004 met een aangepaste voorspelling voor 2005 (tabel 4). De cijfers
betreffen de procentuele verandering in 2005 ten opzichte van 2004.

Een politieke partij reageerde
op de aangepaste voorspelling met de stelling dat debelastingopbrengsten in 2005
zouden gaan tegenvallen. De partij vindt een stijging van de
staatsschuld ontoelaatbaar en
wil dat elke tegenvaller bij de overheidsinkomsten leidt tot
een bezuiniging op de
overheidsuitgaven.
REKENEN
1. a. Wat verstaat men onder
de volume van de wereldhandel ?
b. Stel dat het gemiddeld
prijsniveau van de wereldhandel stijgt met 1,5%.
c. Bereken de waarde
verandering van de wereldhandel bij de aangepaste voorspelling.
2. Is de reële CAO-loonstijging
in de aangepaste voorspelling groter dan, gelijk aan of
kleiner dan in de oorspronkelijke
voorspelling?
Verklaar het antwoord met een berekening.
3. Leg uit of de
arbeidsproductiviteit bij de aangepaste voorspelling is gestegen of gedaald.
4. Bereken de procentuele
verandering in de verhouding exportvolume/importvolume.
5. Een journalist doet aan de
hand van tabel 4 de volgende uitspraken.
uitspraak 1
In beide voorspellingen
wordt het aandeel van dit land in de wereldhandel kleiner.
uitspraak 2
In beide voorspellingen
stijgt het bedrag van de particuliere consumptie.
Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.
THEORIE
6. Leg met behulp van een regel
in tabel 4 uit waarom de politieke partij tegenvallende
belastingopbrengsten
verwacht.
7. Leg uit hoe een bezuiniging
van de overheid op de overdrachtsuitgaven de
werkgelegenheid kan aantasten.
8. Welke invloed heeft de
ontwikkeling van de wereldhandel op de Nederlandse economie ?9. Omschrijf het verschil in
taak tussen het CBS en het CPB.
2006
OPGAVE 22 Welvaartsvast
pensioen, pensioenstelsel en
progressieve premies
Pensioenpremies omhoog
Pensioenfonds Alto verzorgt
ouderdomspensioenen en uitkeringen bij vervroegde
pensionering voor de werknemers
in een bepaalde bedrijfstak. Het ouderdomspensioen is
bedoeld om de AOW-uitkering van
65-plussers aan te vullen tot 70% van het
laatstverdiende loon. Daarnaast
voorziet Alto in een inkomen voor werknemers die stoppen
met werken voordat zij 65 jaar
zijn (vervroegde pensionering). De werknemers en
werkgevers betalen ieder een
bepaald percentage van het brutoloon als premie.
De premiepercentages voor 2002
staan in tabel 1.

Eind 2002 constateert
pensioenfonds Alto dat verslechtering van de conjunctuur tot
problemen leidt. Door
tegenvallende beleggingsresultaten op de ingelegde premies komt de
uitbetaling van de pensioenen in
gevaar. Daarom wordt met ingang van 2003 de totale
premie voor het
ouderdomspensioen met 2 procentpunten verhoogd. De werknemers betalen zowel in 2002 als in 2003 een
kwart van de totale premie voor het ouderdomspensioen. Daarnaast constateert
pensioenfonds Alto dat de uitbetaling van welvaartsvaste pensioenen in gevaar kan komen als de lonen
sterk stijgen.
REKENEN
1. Bereken het totale
premiebedrag dat in 2002 aan Alto wordt betaald voor iemand met een
brutoloon van € 30.000.
2 . Bereken in één decimaal
nauwkeurig hoe hoog het tarief werkgeverspremie voor het
ouderdomspensioen in 2003
wordt.
3. Toon aan dat de
ouderdomspensioenpremie (vóór verhoging met 2 procentpunten) een
progressief verloop vertoont. Vergelijk daarbij de premiedruk bij een brutoloon van
€
25.000,- en een brutoloon van € 60.000,-
THEORIE
4. Citeer de zin waaruit blijkt
dat het ouderdomspensioen wordt gefinancierd via het
kapitaaldekkingsstelsel.
Verklaar het antwoord.
5. Leg uit hoe verhoging van de
pensioenpremies kan leiden tot verdere verslechtering van
de conjuncturele situatie.
Een welvaartsvast
ouderdomspensioen wordt volgens pensioenfonds Alto moeilijkerbetaalbaar als de lonen sterk
stijgen.
6. Geef daarvoor de verklaring.
Het
Nederlandse pensioensysteem kent drie pijlers:
- AOW
uitkering (financiering via omslagstelsel)
-
Aanvullend pensioen georganiseerd per bedrijf of bedrijfstak
(kapitaaldekkingsstelsel,
waarbij de premies collectief worden belegd via een pensioenfonds)
-
Individuele besparingen (kapitaaldekkingsstelsel waarbij inleg zelfstandig of
via
institutionele beleggers wordt belegd). De levensloopregeling is hier een voorbeeld van.
7. Leg uit om welke pijler het gaat in bovenstaand voorbeeld.
OPGAVE 23 Werkloosheid en interpretatie grafieken
Doorleren, werken of
(frictie)werkloos?
De meeste examenkandidaten op de
havo kiezen, nadat ze geslaagd zijn, voor een
vervolgopleiding. Sommige
geslaagde examenkandidaten besluiten echter niet door te leren.
Zij maken deel uit van de groep
van gemiddeld ruim 220.000 leerlingen die jaarlijks met of
zonder diploma het
voltijdonderwijs verlaat. In figuur 1 is voor de periode 1991-2001 het
aantal schoolverlaters in beeld
gebracht. Zo is de relatief hoge uitstroom in de periode
1996-2000 onder meer het gevolg
van de aanzuigende werking van de krappe arbeidsmarkt
in deze periode.

Van de 223.000 schoolverlaters
in 2001 gingen 178.400 schoolverlaters op zoek naar een
baan. Figuur 2 brengt in beeld
welke kans actief zoekende schoolverlaters in 2001 hadden
binnen een bepaald aantal
maanden een baan te vinden. Uit figuur 2 kan bijvoorbeeld
worden afgelezen dat 16% van
deze groep schoolverlaters zonder werkloos te zijn geweest direct na school een
baan had gevonden.

REKENEN
1. Welk verband bestaat er
tussen figuur 1 en figuur 2 ? Ga daarbij uit van het jaar 2001.
2. Wat betekent in figuur 2 het
getal 73 ?
Werkloosheid van 3 maanden of
korter wordt beschouwd als frictiewerkloosheid.
3. Bereken hoeveel
schoolverlater in 2001 achteraf beschouwd kunnen worden
als frictiewerkloos.
In 2002 viel de economische groei, vergeleken met 2001, nog verder terug. Hierdoor werd de arbeidsmarkt in 2002 ruimer. Stel dat de tegenvallende economische groei de enige factor is de de verandering in het aantal schoolverlaters in 2002 ten opzichte van 2001 kan verklaren.
4. Zal het
aantal schoolverlaters in 2002 dan hoger of lager zijn dan in 2001 ?
Verklaar
het antwoord.
5. Ligt de
lijn voor 2002 in figuur 2 door verruiming van arbeidsmarkt linksboven of
rechtsonder de lijn voor 2001 ? Verklaar het antwoord.
THEORIE
6. Wat verstaat men onder
frictiewerkloosheid ?
7. Noem een maatregel van de
overheid om frictiewerkloosheid onder schoolverlaters te
verminderen. Licht het antwoord toe.
8. Noem een ander voorbeeld van
structurele werkloosheid.
9. Wat is de oorzaak van
conjuncturele werkloosheid ?
OPGAVE 24 Loonkosten,
arbeidsproductiviteit en loonkosten
per eenheid product
Loonmatiging en
werkloosheid
Als in Nederland
een lage economische groei leidt tot stijgende werkloosheid, pleiten veel
politici voor loonmatiging. Dat leidt vaak tot discussies. Het is namelijk niet
altijd duidelijk wat onder loonmatiging wordt verstaan. Bovendien wordt
verschillend gedacht over de gevolgen van loonmatiging voor de werkloosheid.
Van de Nederlandse economie over een bepaald jaar zijn de gegevens in tabel 1
bekend.
|
TABEL 1 procentuele stijging ten opzichte van voorafgaand jaar |
|
|
reëel nationaal product |
0,25 |
|
prijspeil |
2,50 |
|
arbeidsproductiviteit |
1,25 |
|
nominaal loon werknemers |
......* |
|
* niet ingevuld |
|
REKENEN
Onder loonmatiging kan worden
verstaan een loonontwikkeling waarbij de loonkosten per eenheid product dalen.
Stel dat in het betreffende jaar het ‘nominaal loon werknemers’ stijgt met
1,00%.
1. Is er in het
betreffende jaar dan sprake van loonmatiging? Verklaar het antwoord.
Onder loonmatiging kan ook
worden verstaan een loonontwikkeling waarbij de koopkracht van werknemers gelijk
blijft.
2. Met welk percentage moet het ‘nominaal loon werknemers’ in het betreffende
jaar dan
stijgen om van loonmatiging te kunnen spreken? Verklaar het antwoord.
3. Als vakbonden niet uitgaan
van loonmatiging dan zullen zij een prijscompensatie
van ____ % en een initiële loonstijging van ____ % eisen. Vul in.
4. Als de procentuele stijging
van de lonen groter is dan de procentuele stijging van de
arbeidsproductiviteit dan zullen de loonkosten per eenheid product
dalen/stijgen/gelijk
blijven.
Kies het juiste antwoord.
THEORIE
5. Leg uit welke gevolgen
loonmatiging heeft voor de Nederlandse concurrentiepositie.
6. Leg uit welke gevolgen loonmatiging kan hebben voor de Nederlandse
export en import.
Sommige economen twijfelen aan de positieve gevolgen van loonmatiging voor de werkgelegenheid. Volgens hen spelen de ontwikkeling van de binnenlandse koopkracht en de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit (via modernisering van de productiecapaciteit) ook een belangrijke rol bij de werkgelegenheid.
7. Probeer de redeneringen van
deze economen uit te leggen.
OPGAVE 25 Conjunctuur, rente en groeipercentages
uit een krant (mei 2003):
Centrale banken
gooien rente in de strijd
De Amerikaanse
centrale bank verlaagde sinds 2000 herhaaldelijk haar rentetarieven. Dat
gebeurde met het oog op de tegenvallende groei van het nationale product in de
Verenigde Staten van Amerika (VS). De Europese centrale bank verlaagde ook haar
rentetarieven. Midden 2001 werd de rente in de VS lager dan die in de EMU
(Economische en Monetaire Unie). Dat liet de koers van de euro niet ongemoeid.

REKENEN
1.
In welk kwartaal of in welke kwartalen daalde
volgens figuur 1 het nationale product
in de VS?
2. Bereken de
economische groei voor het gehele jaar 2002. Let op: je kan niet de
kwartaal groeipercentages bij elkaar optellen, omdat hier sprake is van groei over
groei.
3. Bereken de procentuele stijging van de kwartaalgroei in 2002-I ten
opzichte van 2001-IV.
4. Stel dat het indexcijfer van het nationaal product van de VS voor 2002
(basisjaar 1998)
105,2 is. Bereken het indexcijfer aan het einde van 2003-I.
THEORIE
6. Geef een korte omschrijving van de conjuncturele situatie in de VS in 2001.
7. Leg uit hoe een renteverlaging in een land de groei van het nationale
product van dat
land kan stimuleren.
Als de rente in
de VS lager is dan die in de EMU, kan het voor internationale beleggers …
(1)…
worden om in de EMU te beleggen. Daardoor zal op de valutamarkten …(2)… euro’s
toenemen,
waardoor de koers van de euro zal ...(3)....
8. Wat moet in plaats van de cijfers worden ingevuld om een economisch
correcte tekst
te krijgen?
bij (1)
aantrekkelijker / minder aantrekkelijk
bij (2) de
vraag naar / het aanbod van
bij (3)
dalen / stijgen
OPGAVE 26 Het CPI, wegingsfactoren en indexcijfers
Het ene
basisjaar is het andere niet
Op de website
van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) staat het volgende:
Na jaren met het
basisjaar 1995 gerekend te hebben, is het CBS overgegaan op het
basisjaar 2000 met nieuwe wegingsfactoren. De CPI is daardoor wat lager
geworden.
In tabel 3 staat een overzicht
van de oude en de nieuwe wegingsfactoren.

REKENEN
1. Wat verstaat
men onder een basisjaar ?
2. a. Hoe
berekent het CBS de wegingsfactoren ?
b. Wat betekent in dit
verband een wegingsfactor van 11.082 voor voeding in 2000 ?
c. Vermeld
de bijbehorende wegingsfactor in procenten.
d. Geef
aan bij elk van de artikelgroepen in tabel 3 of de wegingsfactoren van de groep
jongeren onder de 25 hoger of lager zou zijn.
3. Stel dat de
prijzen van voeding in 2001 met 2,8% zijn gestegen. Bereken de bijdrage
van voeding aan het CPI van 2001.
4. Met hoeveel
procent zijn de bestedingen aan computers en communicatie gestegen
in de periode 1995-2000 ?
THEORIE
Het bestedingspatroon kan door diverse oorzaken veranderen.
5. Noem een van die oorzaken. Verklaar het antwoord.
Een CPI zal
lager worden als goederen die veel in prijs zijn gestegen een …(1)…
wegingsfactor krijgen en goederen die weinig in prijs zijn gestegen een …(2)…
wegingsfactor krijgen.
6. Wat moet in plaats van de cijfers worden ingevuld om een economisch correcte
tekst
te krijgen?
bij (1)
grotere / kleinere
bij (2)
grotere / kleinere
7. Leg uit voor welk doel het CPI door vakbonden en pensioenfondsen wordt gebruikt.
OPGAVE
27 Schaarste, break-even berekening en
prijselasticiteit
uit een krant:
|
Visser Bruinsma
in de problemen |
|
Kabeljauw wordt
schaars |
REKENEN
1. Bereken de omzet en afzet
van Bruinsma vóór de vangstbeperking.
2. Bereken de totale winst van
Bruinsma vóór de vangstbeperking.
3. Bereken de break-even afzet
van Bruinsma ná de vangstbeperking.
4. a. Hoe zou je deze
praktijksituatie kunnen gebruiken om de prijselasticiteit van de
gevraagde hoeveelheid kabeljauw ui te rekenen ?
b. Denk je dat de
prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid kabeljauw prijselastisch
of prijsinelastisch is ?
Leg uit.
THEORIE
Hieronder staan twee uitspraken:
uitspraak 1
Het uitsterven van kabeljauw is
een voorbeeld van een negatief extern effect van de visserij.
uitspraak 2
Door schepen uit de vaart te
nemen bezuinigen vissers op zowel totale constante als totale
variabele kosten.
5. Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.
De verwachting is dat de
vangstbeperking van kabeljauw tot gevolg heeft dat
er andere vissoorten op de Nederlandse markt zullen worden aangeboden. Die
andere vissoorten zullen voor veel consumenten
een substituut zijn voor kabeljauw.
Door het aanbod van de andere
vissoorten zal de prijs van kabeljauw ...(1)... waardoor de
break-even afzet van Bruinsma
zal ...(2)....
6. Wat moet in plaats van de
cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
te krijgen?
bij (1) dalen / stijgen
bij (2) dalen / stijgen
7. Leg uit dat op de markt voor
kabeljauw zowel de vraagcurve als de aanbodcurve
verschuiven.
8. In de titel van het eerste
bericht wordt het begrip schaars gebruikt. Wordt dit begrip
gehanteerd op de manier economen het begrip schaarste gebruiken ? Leg uit
OPGAVE 28 Belastingsysteem, gemiddelde- en marginale druk
De belastingen
Van enkele personen zijn de
gegevens over hun inkomen en de inkomensheffing verzameld (tabel 1).

REKENEN
1. Bereken het getal dat in
tabel 1 bij (a) moet staan. Vergeet de heffingskorting niet aan
het eind van de berekening.
2. Laat
zien aan de hand van de gemiddelde belastingdruk dat hier sprake is van een
progressief belastingstelsel.
3. Hoeveel
bedraagt het marginaal tarief bij een belastbaar inkomen van € 34.000,- ?
4. a.
Stel dat zowel persoon A als persoon B een rente-aftrek hebben van € 2.000,-.
Met welk bedrag wordt hun inkomensheffing verminderd door deze aftrekpost.
b.
Werken aftrekposten nivellerend of niet-nivellerend ? Leg uit.
THEORIE
Het verschil tussen bruto
inkomen en belastbaar inkomen bestaat uit diverse elementen.
5. Noem één zo’n element.
Bekijk de volgende twee
uitspraken.
uitspraak 1
Als de eerste schijf wordt
verlengd, heeft de persoon met het belastbaar inkomen van
€ 15.400 daarvan meer voordeel
dan die met het belastbaar inkomen van € 90.000.
uitspraak 2
Als aftrekposten worden
afgeschaft, hebben personen met een hoog inkomen daarvan in
euro’s uitgedrukt een groter
nadeel dan personen met een laag inkomen.
6. Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.
7. Vermeld
twee doelen waarvoor belastingen kunnen worden gebruikt.
OPGAVE 29 Concurrentiepositie en interpretatie grafieken
uit een krant:
Banenmachine hapert
Rond de laatste eeuwwisseling
stagneerde in Nederland de groei van de werkgelegenheid.
De wereldhandel liep terug, de
consumenten hielden hun hand op de knip en de overheid
bezuinigde op haar uitgaven. In
2003 telde Nederland 415.000 werklozen, hetgeen betekent dat 5,25% van de
beroepsbevolking werkloos was.

REKENEN
1. Bereken de werkloosheid in
1999.
2. Bereken de procentuele
verandering van de werkloosheid in 2004.
3. Bereken de omvang van de
werkzame beroepsbevolking in Nederland in 2003.
Hieronder staan drie uitspraken:
uitspraak 1
In 1998 bedroeg de werkloosheid
90.000 personen.
uitspraak 2
In de jaren 1998 tot en met 2003
steeg de werkloosheid in Nederland.
uitspraak 3
In 2004 bedroeg de werkloosheid
490.000 personen.
4. Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.

5. a. Met
hoeveel procent zijn de arbeidskosten per product in Nederland gestegen
in de periode 1997-2004 ?
b. Met
hoeveel procent zijn de arbeidskosten per product bij de concurrenten buiten
het eurogebied gebied gestegen in de periode 1999-2000 ?
6. a.
Welke gebied heeft zijn concurrentiepositie ten opzichte van de andere gebieden
verbeterd als je de gehele periode 1997-2004 bekijkt ?
b.
Welke gebied heeft zijn concurrentiepositie ten opzichte van de andere gebieden
verbeterd in de periode 1999-2000 ?
De minister van Economische
Zaken stelde dat de stagnerende groei van de
werkgelegenheid structurele
oorzaken had. Hij wees daarbij naar figuur 4.
De voorzitter van een vakcentrale stelde echter
dat er ook conjuncturele oorzaken waren. Hij wees daarbij naar het krantenbericht.
7. Leg uit dat figuur 4 de
stelling van de minister ondersteunt.
8. Leg uit dat het
krantenbericht de stelling van de voorzitter ondersteunt.
OPGAVE 30 Conjunctuur, groei, volume en nominaal
Recessie geen ramp?
In figuur 5 is de groei van het
nationale product van Nederland in beeld gebracht.

REKENEN
1. In welk jaar of in welke
jaren is het nationale product van Nederland gedaald?
2. Met hoeveel procent is het
nationaal product in totaal gestegen in de
periode 1996-1998 ?
3. Stel dat de het prijspeil in
2004 gestegen is met 3,8%. Bereken de nominale groei van
het nationaal product in 2004.
4. Bereken het indexcijfer voor
het nationaal product in 2004 (2002=100).
THEORIE
Na een periode van
hoogconjunctuur belandt een economie vaak in een recessie.
Volgens een econoom is zo’n recessie
nodig om de nadelige gevolgen van hoogconjunctuurongedaan te maken.
5. Wat verstaat men onder hoogconjunctuur ?
Volgens deze econoom zal in een recessie de krapte op de arbeidsmarkt …(1)…, waardoor het voor bedrijven …(2)… wordt om personeel te vinden. Veel bedrijven zullen hun prijzen…(3)…, waardoor de inflatie ...(4)…. Het begrotingstekort van de overheid zal …(5)…,doordat de belastingontvangsten …(6)…, terwijl de uitgaven moeilijk kunnen worden aangepast.
6. Wat moet in plaats van de
cijfers worden ingevuld om een economisch correcte
tekst te krijgen?
bij (1) afnemen / toenemen
bij (2) makkelijker / moeilijker
bij (3) verhogen / verlagen
bij (4) afneemt / toeneemt
bij (5) afnemen / toenemen
bij (6) dalen / stijgen
Hieronder staan enkele
economische ontwikkelingen:
1
In Duitsland worden de
belastingen voor de burgers verlaagd.
2
De koers van de euro stijgt ten
opzichte van de Amerikaanse dollar.
3
De rentevoet in Nederland daalt.
4
In de Verenigde Staten van
Amerika neemt het consumentenvertrouwen toe.
5
De Nederlandse overheid gaat
bezuinigen op haar uitgaven.
Drie van deze ontwikkelingen
kunnen bijdragen aan conjunctureel herstel in Nederland.
7. Welke drie ontwikkelingen
zijn dat?
OPGAVE
31 Chartaal geld, geldfuncties en rekenen met grote
getallen
uit een krant (augustus 2003):
Sombere toekomst bankbiljet
In 2002 waren in de eurolanden
meer dan 8 miljard eurobiljetten in omloop met een
gezamenlijke waarde van bijna €
400 miljard. Er komen steeds meer valse eurobiljetten in
omloop. In de eerste zes maanden
van 2003 zijn in de eurolanden 60% meer valse
eurobiljetten uit omloop gehaald
dan in de eerste zes maanden van 2002. Omdat elk vals
biljet er een teveel is, gaat De
Nederlandsche Bank (DNB) publiek en winkeliers
voorlichten over de
veiligheidskenmerken van de bankbiljetten.
Vanwege het risico accepteren
veel winkeliers biljetten van € 500 en € 200 niet. Volgens
sommige economen zal het niet
lang duren voordat ook de biljetten van € 100 en € 50 niet
meer algemeen geaccepteerd
worden. De groei van het aantal vervalsingen zal het gebruik
van pinpassen, internetbankieren
en chipknip stimuleren.

REKENEN
1. Bereken de gemiddelde
nominale waarde van de in omloop zijnde eurobiljetten in 2003.
2. a. Bereken het totale
aantal valse eurobiljetten dat in de eerste zes maanden van 2003
uit omloop werd gehaald.
b. Bereken het totale
aantal valse eurobiljetten dat in de eerste zes maanden van 2002
uit omloop werd gehaald.
c. Bereken de totale
nominale waarde van de valse € 50,- eurobiljetten die uit omloop
zijn genomen.
3. Waarom vertonen de staven
van de € 20,- en € 50,- biljetten een witte balk ?
We maken onderscheid tussen
chartaal en giraal geld. Op dit moment is de verhouding
15% chartaal en 85% giraal.
4. Zal het aandeel van giraal
geld toenemen, afnemen of gelijk blijven als er steeds
meer vals geld in omloop
komt? Verklaar het antwoord met behulp van de tekst.
THEORIE
5. Welke geldfunctie dreigen de biljetten van € 500 en € 200 volgens de tekst te verliezen?
We maken onderscheid tussen de
nominale en de reële waarde van geld.
Hieronder staan drie uitspraken:
uitspraak 1
Op biljetten en munten staat de
waarde van het biljet respectievelijk de munt aangegeven.
uitspraak 2
Op een biljet van € 200 komt het
cijfer 200 op de voorzijde vier keer voor.
uitspraak 3
In 2003 kende Nederland een
inflatie van 1,4%, waardoor de koopkracht van de euro daalde.
6. Geef voor elke uitspraak aan
op welke waarde de uitspraak betrekking heeft.
OPGAVE
32 Illegale economie, toegevoegde waarde en
procentueel aandeel
De illegale economie: meer
lawaai dan inhoud?
Naast de officieel gemeten
productie via het bruto binnenlands product (BBP) bestaat in
Nederland een omvangrijke
informele economie. Activiteiten die tot de informele economie
worden gerekend, zijn
bijvoorbeeld betaald werk verrichten zonder belasting en premies te
betalen en activiteiten in het
grijze circuit. Een opvallend onderdeel van de informele
economie is de illegale
economie. Activiteiten als drugshandel en gedwongen prostitutie
eisen in de nieuwsmedia veel
aandacht op.
Voor 2001 wordt de toegevoegde
waarde van activiteiten in de illegale economie (tabel 1)
geschat op 0,9% van het
officiële BBP. Deze schatting moet met de nodige voorzichtigheid
worden gebruikt omdat de
illegale economie zich zeer moeilijk laat meten. Als rekening zou
worden gehouden met de negatieve
externe effecten van de productie in de illegale economie, zou dit percentage lager worden.

REKENEN
1.
Bereken het procentueel aandeel van de toegevoegde waarde van de drugshandel
in
de toegevoegde waarde van de totale illegale economie.
2. Bereken het officiële BBP in 2001.
3. Bereken in tenminste twee decimalen nauwkeurig de toegevoegde waarde
van
illegale activiteiten in de gokbedrijven als percentage van het officiële BBP
in 2001.
4. Is de omzet in 2001
in de illegale handel in drugs groter, kleiner of gelijk aan
1.960 miljoen euro? Verklaar het antwoord.
THEORIE
5.
Geef een voorbeeld van een negatief extern effect van een activiteit die
in
tabel 1 staat. Licht toe waardoor dit effect
negatief is.
6. Noem twee nadelen
voor de overheidsfinanciën van het bestaan van
een illegale economie.
7. Geef een voorbeeld
van een activiteit in het grijze circuit.
naar boven
OPGAVE 33 Werkloosheid, conjunctuur en indexcijfers
uit een krant:
Langdurig werklozen
zorgenkindjes?
Personen die een jaar of langer
werkloos zijn, de langdurig werklozen, maken zelfs bij
een krappe arbeidsmarkt weinig
kans op een betaalde baan. De overheid streeft ernaar
de kansen van langdurig
werklozen op de arbeidsmarkt te vergroten. Daarom heeft de
overheid enige jaren geleden een
loonkostensubsidie ingesteld in de vorm van een
vrijstelling van het betalen van
het werkgeversaandeel in de sociale premies.
Het grootste deel van de
langdurig werklozen is laaggeschoold. Ook door scholing
aan te bieden, probeert de overheid de
drempel voor langdurig werklozen naar een
baan te verlagen.

REKENEN
1. Bereken
de procentuele verandering in de totale werkloosheid van 2001 op 2002.
2. a.
Bereken de werkloosheid korter dan een jaar in indexcijfers voor de
periode 1998 – 2002 (1999=100).
b.
Bereken de procentuele verandering van de korte werkloosheid in 2001 ten
opzichte
van 2000.
Maak daarbij gebruik van de indexcijfers berekend bij 2a.
3. Bereken
het procentueel aandeel van de lange werkloosheid in de totale werkloosheid
in
2002.
THEORIE
4. a. Leidt het instellen van
een loonkostensubsidie tot vergroting of verkleining
van de wig? Verklaar het antwoord.
b. Is dit een voorbeeld
van een conjuncturele maatregel of structurele maatregel
van de overheid ? Leg uit.
5. Is het correct dat uit tabel
2 kan worden afgeleid dat het aandeel van de langdurige
werkloosheid in de totale
werkloosheid daalt als de arbeidsmarkt krapper wordt.
Verklaar het antwoord
zonder berekening.
6. Leg uit waarom er sprake is
van een negatief verband tussen werkloosheid en
openstaande vacatures.
7. Geef
aan welke fases van de conjunctuurgolf zijn af te lezen uit de tabel voor de
periode 1996-2002.