OEFENEN met ECONOMISCH rekenen en tabellen/grafieken

 

terug naar EcoVaardig      

De volgende opgaven zijn gebaseerd op examenopgaven van de afgelopen jaren. 
Bij haast elke opgave wordt met procenten gerekend dus deze vaardigheid staat niet apart vermeld in de kolom omschrijving.

 

OPGAVE
 

       Omschrijving onderwerp

1

Staatsschuld, tekort/overschot en grafieken
 

2

Conjunctuur, inkomensverdeling en informatieverwerking uit een tekst
 

3

CPI, budgetonderzoek, nominaal en reëel
 

4

Werkloosheid, seizoen gecorrigeerd, arbeidsjaren en P/A ratio
 

5

Inflatie, werkloosheid en CPI
 

6

Vraag en aanbod,  valuta koersen en indexcijfers
 

7

BTW, heffingen, grote getallen en tabellen
 

8

Elasticiteiten, verbanden, grafieken en tabellen
 

9

Procenten, procentpunten, procentueel aandeel en grafieken
 

10

Beroepsgeschikte bevolking en interpretatie diagram
 

11

Werkloosheid, arbeidskosten, seizoen gecorrigeerd en indexcijfers
 

12

Betalingsbalans, wisselkoers, renteberekening en grafiekvorm
 

13

Concurrentiepositie, ruilvoet en indexcijfers
 

14

Macro-economische voorspellingen en interpretatie tabel
 

15

Inflatie, arbeidsmarkt, gewogen gemiddelde, CPI en nominaal/reëel
 

16

Werkloosheid, conjunctuur en grafieken
 

17

Recessie, reële rente en grafieken  
 

18

Overheidsbegroting, nivellering, procentueel aandeel en grote getallen
 

19

CAO, arbeidsvoorwaarden en indexcijfers
 

20

Wisselkoersen en valutaberekeningen
 

21

Wereldhandel, volume ontwikkeling, nominaal en reëel  
 

22

Welvaartsvast pensioen, pensioenstelsel en progressieve premies
 

23

Werkloosheid en interpretatie grafieken
 

24

Loonkosten, arbeidsproductiviteit en loonkosten per eenheid product
 

25

Conjunctuur, rente en groeipercentages
 

26

Het CPI, wegingsfactoren en indexcijfers 
 

27

Schaarste, break-even berekening en prijselasticiteit
 

28

Belastingsysteem, gemiddelde- en marginale druk
 

29

Concurrentiepositie en interpretatie grafieken
 

30

Conjunctuur, groei, volume en nominaal
 

31

Chartaal geld, geldfuncties en rekenen met grote getallen
 

32

Illegale economie, toegevoegde waarde en procentueel aandeel
 

33

Werkloosheid, conjunctuur en indexcijfers

 

 

 

2004

 OPGAVE 1   Staatsschuld, tekort/overschot en grafieken

Nederlandse staatsschuld op de helling

Na vele jaren met een financieringstekort had de Nederlandse overheid in 2000 voor het eerst een financieringsoverschot. Volgens de Miljoenennota ging het om een bedrag van € 3 miljard. Naast dit positieve financieringssaldo had Nederland in 2000 te maken met een sterke economische groei en een daling van de staatsschuldquote.
Figuur 1 geeft informatie over de overheidsfinanciën in enkele Europese landen in het jaar 2000. Het financieringssaldo is uitgedrukt in procenten van het Bruto Binnenlands Product (BBP). De staatsschuldquote is de staatsschuld aan het einde van 2000 uitgedrukt in procenten van het BBP.

 

Jos ziet in figuur 1 de bevestiging van zijn stelling dat een daling van de staatsschuld een bijdrage kan leveren aan een positief financieringssaldo. Bas kijkt anders tegen figuur 1 aan. Volgens Bas is de sterke economische groei in een land er de oorzaak van dat een positief financieringssaldo samenvalt met een dalende staatsschuldquote. Bas zegt: “Door economische groei stijgen de belastingontvangsten van de overheid. Deze extra ontvangsten kunnen worden gebruikt voor extra aflossing op de staatsschuld.” Carina gaat verder dan Bas. Carina beweert: “Zelfs als de staatsschuld gelijk blijft, daalt de staatsschuldquote door economische groei.”

 REKENEN

1.  a.  Hoeveel procentpunt is het financieringssaldo van Finland groter dan
         dat van Nederland ?
     b.  Hoeveel procent is het financieringssaldo van Finland groter dan
         dat van Nederland ?
2.  Italië heeft een staatsschuldquote van 100.  Wat betekent dat ?
3.  Is de stelling van Jos gebaseerd op een positief of negatief verband tussen 
    staatsschuldquote en financieringssaldo ?  Leg uit.
4.  Stel dat Finland in 2000 een financieringssaldo had van € 9,6 mld. 
     Bereken het BBP van Finland in 1999 als er sprake was van een BBP-groei van 2% 
     in 2000.  Rond af op mld euro’s
5.  Bereken de omvang van de Nederlandse staatsschuld aan het einde van
     het jaar 2000.

 THEORIE

6.  Leidt een positief financieringssaldo van de overheid van een land tot afname of 
      tot toename van de staatsschuld van dat land? Verklaar het antwoord.
7.  Leg uit dat door economische groei de belastingontvangsten van de overheid kunnen
     toenemen. Betrek in het antwoord zowel de directe als de indirecte belastingen.
8.  Leg de stelling van Jos uit.
9.  Leg de bewering van Carina uit.

naar boven

OPGAVE 2   Conjunctuur, inkomensverdeling en 
                                      informatieverwerking uit een tekst

 Profiteren alleen de hoge inkomens?
De Senaat van de Verenigde Staten van Amerika (VS) heeft het plan van president Bush goedgekeurd om in de periode tot 2011 de belastingen te verlagen met $ 1.700 miljard.  Dit belastingvoordeel wordt als volgt verdeeld over de 180 miljoen inkomenstrekkers in de VS.  Eenderde van de $ 1.700 miljard belastingverlaging gaat naar inkomenstrekkers met een bruto jaarinkomen van meer dan $ 375.000. Deze groep topinkomens omvat 1 procent van de inkomenstrekkers. Ook de inkomenstrekkers met een bruto jaarinkomen tussen $ 72.000 en $ 375.000 krijgen eenderde deel van de belastingverlaging. Deze groep middeninkomens omvat 19 procent van de inkomenstrekkers. De rest van de belastingverlaging is voor de inkomenstrekkers
met de laagste inkomens.
Vooraanstaande economen reageren verdeeld op de plannen tot belastingverlaging van Bush.   Voorstanders beweren dat het plan van Bush in de periode tot 2011 maar liefst 1,6 miljoen banen zal scheppen, waardoor de werkloosheid daalt tot 4,6 procent van de beroepsbevolking.  Tegenstanders beweren dat het plan van Bush tot vergroting van de inkomensverschillen leidt en te laat komt om een recessie te voorkomen.
Deze economen vrezen dat de conjuncturele gevolgen van het belastingplan van Bush te lang op zich laten wachten. Daardoor kan het anti-cyclische begrotingsbeleid dat zij wensen, zelfs worden tegengewerkt.

REKENEN

1.  Noteer de veelheid aan gegevens op een overzichtelijke manier.
2.  Bereken de totale belastingverlaging tot 2011 per inkomenstrekker uit de groep met 
    de laagste inkomens volgens het plan van Bush (afgerond op hele dollars).
3.  Bereken de totale belastingverlaging tot 2011 per inkomenstrekker uit de groep met 
    de hoogste inkomens volgens het plan van Bush (afgerond op hele dollars).
4.  a.  Bereken de verhouding tussen hoogste en laagste inkomen van het 
          belastingvoordeel per inkomenstrekker.
     b.  Leg uit of deze maatregel nivellerend of denivellerend werkt.
5.  a.  Bereken de kosten van het plan Bush in termen van gederfde belastinginkomsten 
         voor de staat per geschapen baan.
     b.  Als de werkgelegenheid inderdaad stijgt zullen de kosten echter lager uitvallen. 
          Dit wordt een inverdieneffect genoemd.  Leg uit.

THEORIE

6.  Leg uit hoe een belastingverlaging tot daling van de conjunctuurwerkloosheid
     kan leiden.
7.  Leg uit hoe een belastingverlaging tot daling van de structuurwerkloosheid
     kan leiden.
8.  Werkt het plan van Bush anti-cyclisch voor de conjunctuur, als de conjuncturele
     gevolgen merkbaar worden tijdens een hoogconjunctuur? Verklaar het antwoord.
 

naar boven

OPGAVE 3   CPI, budgetonderzoek, nominaal en reëel

 uit een krant:
Inflatie door de telefoon
In de eerste maanden van 2001 is de inflatie in Nederland gestegen. President Wellink van De Nederlandsche Bank (DNB) verwachtte al in het begin van 2001 dat de stijging van de consumentenprijsindex (CPI) in 2001 boven de 4,5% zou uitkomen.
Een van de oorzaken van de toenemende inflatie is de stijging van de tarieven voor mobiele telefonie.  De grote telecombedrijven hebben begin 2001 hun tarieven fors verhoogd, voor bepaalde diensten zelfs met tientallen procenten. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn in 2001 de telecommunicatiediensten 18% duurder geworden en de overige goederen en diensten 4,2%. Ook heeft het CBS naar aanleiding van een nieuw budgetonderzoek de wegingsfactor van telecommunicatiediensten bij de berekening van de consumentenprijsindex(CPI)
in 2001 verhoogd tot 3%.

REKENEN

1.  Leg uit hoe het resultaat van een budgetonderzoek voor het CBS aanleiding kan
     zijn de wegingsfactor van telecommunicatiediensten te verhogen.
2.  Toon met behulp van een berekening aan dat de stijging van de CPI in 2001 volgens
     het CBS ook boven de 4,5% ligt.
3.  Stel dat de wegingsfactor van jongeren voor telecommunicatiediensten 15% was.
     De overige gegevens blijven onveranderd.  Bereken het CPI voor jongeren en trek
     daaruit een conclusie.  Zie ook vraag 2.
4.  Het nominaal modaal inkomen in 2001 was € 26.000,-.  Bereken het reëel modaal 
     inkomen in 2001 (dus eigenlijk in euro’s van 2000).
5.  Stel dat het nominaal inkomen in 2001 gestegen is met 2,5%. 
     Bereken de procentuele verandering van het reëel in komen in 2001.
6.  Verricht een kort budgetonderzoek bij jezelf.  Vermeld de uitgavencategorieën en de
     wegingsfactoren.

 THEORIE

7.  Welke werkzaamheden verricht het CBS ?
8.  Welke taak heeft een centrale bank ?
9.  a.  Wat verstaat men onder inflatie ?
     b.  Omschrijf twee oorzaken van inflatie.
     c.  Noem een nadeel van inflatie.
     d.  Omschrijf een manier waarop inflatie kan worden teruggedrongen.

naar boven 


OPGAVE 4   Werkloosheid, seizoen gecorrigeerd,                 
                   arbeidsjaren en P/A ratio

uit een krant (november 2000):
Werkloosheid blijft dalen
In de loop van 2000 publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gegevens
over ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in Nederland (zie tabel 1 en tabel 2). De minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid was vooral verheugd over de relatief sterke daling
van de langdurige werkloosheid. Een econoom merkte op dat de werkloosheidscijfers
enigszins vertekend zijn, doordat er in 2000 sprake was van een zeer mooie zomer.
Bovendien zei deze econoom dat, in personen gemeten, de werkloosheid hoger uitkomt dan de cijfers van het CBS.  De P/A ratio voor de werkloosheid en de werkgelegenheid hebben dezelfde waard. 

 

REKENEN

1.  a.  Hoeveel bedraagt de absolute (dus in aantallen) daling van de totale werkloosheid 
          in het 3e kwartaal van 2000 t.o.v. het 3e kwartaal van 1999 ?
     b.  Hoeveel bedraagt de relatieve (dus in procenten) daling van de totale werkloosheid 
          in het 3e kwartaal van 2000 t.o.v. het 3e kwartaal van 1999 ?
     c.  Toon met een berekening aan dat de langdurige werkloosheid in het 3e  kwartaal
          2000 vergeleken met het 3de kwartaal 1999 relatief sterker gedaald is dan de totale
          werkloosheid.

Een bedrijf heeft in 2000 1.200 personeelsleden, waarvan 80% fulltime werken.  Van de overige werknemers heeft de helft een deeltijdfactor van 0,50 werkuren per week; 30% werkt 10 van de
40 fulltime uren en het restant werkt slechts 8 uur per week.

2.  a.  Hoeveel arbeidsjaren werken de fulltime werknemers ?
     b.  Hoeveel arbeidsjaren werken de werknemers met een halve baan ?
     c.  Bereken de P/A ratio van dit bedrijf.
     d.  Werken er in dit bedrijf meer of minder mensen parttime dan gemiddeld in de
          gehele economie in 2000 (zie tabel 2) ?  Leg uit.

3.  Waardoor is de werkloosheid uitgedrukt in personen groter dan de werkloosheid
     uitgedrukt in arbeidsjaren? Verklaar het antwoord.
4.  Bereken de langdurige werkloosheid uitgedrukt in personen in het 3de kwartaal 2000.
5.  Wordt de totale werkloosheid in het 3de kwartaal 2000 hoger of lager dan 176.000 als
    dit getal wordt gecorrigeerd voor seizoeninvloeden? Verklaar het antwoord.
 

naar boven

OPGAVE 5   Inflatie, werkloosheid en CPI

uit een krant (januari 2001):
OESO waarschuwt voor inflatie
De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) schrijft in een
rapport dat in enkele Westerse landen de arbeidsmarkt in snel tempo krapper wordt.
Ook dreigt in enkele landen de economie door sterk groeiende bestedingen oververhit te raken.  De kans op inflatie neemt daardoor snel toe. De OESO waarschuwt dat deze inflatie de economie kan verstoren en dringt bij de regeringen aan op het nemen van maatregelen.

Tabel 3 geeft OESO-verwachtingen voor het jaar 2001.

 

REKENEN

1.  Het nationaal product in Nederland in 2002 was € 460 mld. 
     Bereken het nationaal product van 2001.
2.  In 2001 bedroeg de werkloosheid in Nederland 173.600 personen. 
     Bereken de omvang van de beroepsbevolking in 2001.
3.  Stel dat 1999 het basisjaar is voor het CPI.  In 2000 stegen de prijzen met 1,9%.
     Bereken het CPI voor 2001.
4.  In welk land in tabel 3 is volgens de OESO-verwachting in 2001 de inflatie het laagst?

THEORIE

5.  Leg uit hoe een krapper wordende arbeidsmarkt in een land kan leiden tot kosteninflatie
     in dat land.

Een OESO-econoom stelt dat de kans op oververhitting van de economie in Nederland
groter is dan in België.
6.  Geef op basis van tabel 3 een verklaring voor deze stelling.

Inflatie kan op allerlei manieren invloed op de economie hebben. Zo heeft inflatie gevolgenvoor de onderstaande economische grootheden:
• de besparingen;
• de schulden;
• de internationale concurrentiepositie. 

7.  Beschrijf welke gevolgen inflatie heeft voor deze economische grootheden. 

naar boven  

OPGAVE 6   Vraag en aanbod,  valuta koersen en indexcijfers

Olie en euro
De prijs van olie en de koers van de euro zijn beide het resultaat van de vraag- en
aanbodverhouding op de markt. In september 2000 bereikte de prijs van olie op de
wereldmarkt het hoogste niveau in tien jaar. Op hetzelfde moment liet de euro een
laagterecord zien. In figuur 2 zijn de prijsontwikkeling van olie en die van de euro in
beeld gebracht. Deskundigen zijn het niet eens over de vraag hoe deze markten zich
zullen ontwikkelen.

REKENEN

1.  a.  Bereken de procentuele verandering van het maandgemiddelde in de periode
          januari t/m september 2000.
     b.  Bereken de procentuele verandering van het maandgemiddelde in de periode
          maart t/m april 2000.
2.  a.  Bereken het ongewogen maandgemiddelde van de olieprijs in dollars per vat
          in de periode april t/m september 2000. 
     b.  Welke informatie ontbreekt als je het gewogen maandgemiddelde van de olieprijs
         (in dollars) zou willen berekenen ?
3.  a.  Bereken de indexcijfers van de olieprijs (maandgemiddelden) in dollars per vat
          met maart 2000 als basis.
     b.  Hoeveel bedraagt de procentuele verandering van de olieprijs in de periode
          januari t/m maart ?  Gebruik de indexcijfers die je hebt berekend.
     c.  Hoeveel bedraagt de procentuele verandering van de olieprijs in de periode
          juni t/m september ?  Gebruik de indexcijfers die je hebt berekend.
    d.  Herbereken de indexcijfers als de basis wordt verschoven naar mei.  Maak gebruik
         van de indexcijfers die je hebt berekend.
4.  Bereken de prijs in euro’s van een vat olie in juni 2000.
5.  Is de prijs van een vat olie in euro’s in september 2000 gestegen of gedaald t.o.v.
     januari 2000 ? Leg uit.
6.  Is in september 2000 vergeleken met januari 2000 de olieprijs in euro’s uitgedrukt meer  
     of minder gestegen dan de olieprijs in dollars uitgedrukt?
     Verklaar het antwoord zonder een berekening.
7.  Bereken de €/$ voor mei.

THEORIE 

Hieronder staan vijf ontwikkelingen die de vraag- en aanbodverhouding op de
wereldoliemarkt beïnvloeden: 

De olieproducerende landen verhogen de dagproductie met 500.000 vaten olie.
2  De economie van de VS groeit harder dan was voorspeld.
3  Europa verlaagt de strategische olievoorraad (die wordt aangehouden voor noodgevallen.
In Europa en de VS is er sprake van een ongekend strenge winter.
5  Er komen steeds meer substituten beschikbaar voor olie.

Drie van deze ontwikkelingen leiden tot een neerwaartse druk op de olieprijs.
8. Welke drie zijn dat? Geef bij elke van deze drie ontwikkelingen aan waardoor deze leidt
    tot een neerwaartse druk op de olieprijs.

naar boven


OPGAVE 7   BTW, heffingen, grote getallen en tabellen

Protest tegen BTW-verhoging op drinkwater
Op 1 januari 1999 werd de BTW op drinkwater verhoogd van 6% naar 17,5%.
Er ging een storm van protest door het land. De protesterende Nederlanders stelden dat drinkwater een eerste levensbehoefte is en dus onder het lage BTW-tarief moest blijven vallen. De kritiek had resultaat, want per 1 januari 2000 werd drinkwater weer onder
het 6% BTW-tarief gebracht. Wel voerde de overheid toen een speciale belasting in
van € 0,10 per kubieke meter (m3) drinkwater.

REKENEN

1.  a.  Bereken het vastrecht in 2000 inclusief BTW.
     b.  In 2001 is het vastrecht € 38,78 inclusief BTW.  Bereken het BTW bedrag.
2.  Bereken het jaarverbruik van een gemiddeld gezin in liters en cm3.
3.  Bereken het bedrag dat een gemiddeld gezin over 2000 voor het verbruik van
    drinkwater moest betalen.
4.  a.  Stel dat er 7,5 mln gezinnen zijn.  Bereken het totaal bedrag dat betaald is voor 
          drinkwaterverbruik over 2000.
     b.  Rond dit bedrag af op miljoenen euro’s.
     c.  Bereken het bedrag per inwoner bij een bevolking van 16,4 mln. 
         Gebruik het antwoord bij b.

De veranderingen van de belastingen in 2000 leverde een gemiddeld gezin voordeel op.

5.  Bereken het bedrag dat een gemiddeld gezin over 2000 voor het verbruik van 
     drinkwater had moeten betalen als in 2000 de belasting van 1999 van toepassing
     was geweest.
6.  Wordt het argument van de protesterende Nederlanders om drinkwater onder het lage   
     BTW-tarief te laten vallen door tabel 2 bevestigd of tegengesproken?
     Verklaar het antwoord.

THEORIE

7.  Wat zijn de huidige BTW tarieven ?
8.  Is de heffingsgrondslag van de waterbelasting een waarde of een hoeveelheid ?

 naar boven

OPGAVE 8   Elasticiteiten, verbanden, grafieken en tabellen

Tollen op de weg
Op een autoweg ontstaan voortdurend files voor een brug. De beheerder van de weg,
de provinciale overheid, overweegt voor het gebruik van de brug tol te gaan heffen.
De bedoeling van de tol is, de lengte van de file met 75% te verminderen.
Een onderzoeksbureau verstrekt de wegbeheerder de gegevens in tabel 4 en figuur 4.
De daarin beschreven situatie heeft betrekking op een normale werkdag.
De opbrengst van de tol is juist voldoende om alle kosten in verband met
de tolheffing te dekken.

 

REKENEN

1.  a.  Toon aan dat bij een verdubbeling van het aantal auto’s dat de brug gebruikt,
          de lengte van de file meer dan verdubbelt.

     b.
  Is hier sprake van een positief of negatief verband ?  Leg uit.
     c.
  Is het verband progressief, degressief of proportioneel ?  Leg uit.
2.  Bereken de totale tolopbrengst bij een toltarief van € 2,50. 

Zonder tolheffing zou de lengte van de file 8 kilometer zijn.

3.  Welk toltarief zou de wegbeheerder moeten vaststellen om zijn doel te bereiken?
     Verklaar het antwoord.
4.  Teken de vraagcurve voor het bruggebruik.
5.  a.  Bereken de prijselasticiteit van de vraag bij een verhoging van het toltarief
          van € 2,50 naar € 3,50.
          De formule is:
procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid  x 100
                                                    procentuele verandering van de prijs.

   b.  Is de vraag naar het bruggebruik elastisch of inelastisch ?  Leg uit.
   c.  Wat kun je op grond van het antwoord bij b zeggen over de verandering van de omzet ?

THEORIE

Hieronder staan enkele uitspraken in verband met de tol:

uitspraak 1
Bij tolheffing betaalt de automobilist voor het gebruik van de brug, wat voor de
automobilist een negatief extern effect oplevert.
uitspraak 2
Bij een toltarief van € 4,0 is er bij de brug geen file meer, waardoor de brug niet langer
een schaars goed is.

uitspraak 3
Door de invoering van de tolheffing wordt het gebruik van de brug een collectief goed. 

6.  Leg voor elke uitspraak uit of deze juist of onjuist is.

 naar boven

OPGAVE 9   Procenten, procentpunten, procentueel aandeel
                       en grafieken

 Blijft geld wel rollen?
In 1960 bedroeg de totale geldhoeveelheid in Nederland € 5,129 miljard. In de jaren
zeventig van de vorige eeuw gingen overheid en bedrijfsleven er massaal toe over de
salarissen giraal te betalen. De Nederlandsche Bank (DNB) juichte dat toe:
het betalingsverkeer zou goedkoper en veiliger worden. DNB vond dat belangrijk, omdat het
betalingsverkeer een steeds grotere omvang kreeg: in 2000 was de totale geldhoeveelheid in Nederland 24 keer zo groot als in 1960. Volgens DNB zal dankzij de ontwikkeling van decomputertechniek de opmars van moderne betaalvormen zoals chippen en pinnen de komende jaren verder doorgaan.
De totale geldhoeveelheid bestaat uit het chartale en girale geld in handen van het publiek.

                   

 REKENEN

1.  Figuur 5 is een voorbeeld van twee soorten diagrammen.  Welke twee worden gebruikt ?2.  Bedenk een betere titel voor figuur 5.
3.  Hoe blijkt uit figuur 5 dat overheid en bedrijfsleven in de jaren zeventig de salarissen
     massaal giraal gingen betalen?
4.  a.  Bereken de procentuele stijging van het aandeel van giraal geld in de
          periode 1980 t/m 2000.
     b.  Met hoeveel procentpunt is dit aandeel gestegen ?
5.  Bereken de girale geldhoeveelheid in 2000.
6.  In 2001 is de totale geldhoeveelheid gegroeid met 4% en de chartale geldhoeveelheid  
     met 1,5%.  Bereken het procentueel aandeel van de girale geldhoeveelheid in 2001.

THEORIE

7.  Wat zal er in de toekomst volgens DNB gebeuren met het aandeel van het girale geld in 
     de totale geldhoeveelheid? Verklaar het antwoord.
 

naar boven

OPGAVE 10   Beroepsgeschikte bevolking en interpretatie 
                        diagram

uit een krant (maart 2002):
Vrouwen kom terug!
“Werkt u? Nee? En zou u willen werken?”, vraagt Tanja aan de winkelende Els.
“Jawel, maar ik dacht, dat ze me na al die jaren toch niet meer konden gebruiken en
dus heb ik geen moeite gedaan een baan te krijgen”, antwoordt de 52-jarige huisvrouw Els. Nu de kinderen de deur uit zijn, heeft Els tijd over. Voordat ze kinderen kreeg, heeft Els alsverpleegkundige gewerkt. Volgens Tanja zou Els zo weer aan de slag kunnen, als ze dat zou willen.Tanja maakt deel uit van een Kom terug!-wervingsteam. Met deze teams, die naar markten en winkelcentra gaan om vrouwen aan te spreken, probeert de overheid vrouwen zoals Els te bewegen weer te gaan werken. De arbeidsmarkt is krap en ondanks de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen bestaan er met name in de zorg en in het onderwijs grote personeelstekorten.
 

                                 

                                 

De beroepsgeschikte bevolking (potentiële beroepsbevolking) bestaat uit iedereen van 15 t/m 64 jaar.

REKENEN

1.  a.  Bereken de totale beroepsgeschikte bevolking in 1994 en in 2001.
     b.  Bereken de procentuele stijging van de totale beroepsgeschikte bevolking in de
         periode 1999 t/m 2001.
     c.  1.  Bereken de procentuele stijging van de mannelijke beroepsbevolking in de periode
              1999 t/m 2001.
          2.  Bereken de procentuele stijging van het aandeel van de mannelijke
               beroepsbevolking in de totale mannelijke bevolking van 15-64 jaar in
               de periode 1999 t/m 2001.
          3.  Verklaar het verschil in antwoord tussen vraag c1 en c2.

2.  Is volgens figuur 6 tussen 1999 en 2001 de vrouwelijke beroepsbevolking in personen
     groter of kleiner geworden? Verklaar het antwoord.
3.  Bereken het werkloosheidspercentage voor 2001. 
     De formule is:  aantal werklozen x 100                                                                        
                             beroepsbevolking 

Volgens tabel 5 is het aantal werkloze mannen in 2001 groter dan het aantal
werkloze vrouwen.
4.  Is het werkloosheidspercentage bij mannen in 2001 groter of kleiner dan dat bij vrouwen?     Verklaar het antwoord zonder een berekening.

THEORIE

Met de Kom terug!-wervingsteams richt de overheid zich op de ...(1)... van de arbeidsmarkt.  Als Els weer als verpleegkundige aan de slag gaat, neemt de ...(2)... af en groeit de ...(3)...in Nederland.

5.  Wat moet in plaats van de cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
     te krijgen?
bij (1) aanbodzijde / vraagzijde
bij (2) frictiewerkloosheid / structuurwerkloosheid / verborgen werkloosheid
bij (3) beroepsgeschikte bevolking / beroepsbevolking

 naar boven

OPGAVE 11   Werkloosheid, arbeidskosten,
                      seizoen gecorrigeerd en indexcijfers

Sein op rood
Na jaren van dalende werkloosheid kwam in maart 2002 de kentering: de voor het seizoen gecorrigeerde werkloosheid begon weer te groeien. Economen waren het er over eens, dat die groei voor een deel werd verklaard door een toename van de beroepsbevolking en voor een deel door een afname van de vraag naar arbeid. Zij waren het echter niet helemaal eens over de oorzaken van die afnemende vraag naar arbeid. Een econoom van de werkgeversorganisatie stelde, dat die afname vooral structurele oorzaken had.
Een econoom van de vakbond was van mening, dat die afname vooral conjuncturele oorzaken had.

REKENEN

1.  Bereken de omvang van de beroepsbevolking in 2002.
2.  Met hoeveel procentpunt is de gemiddelde werkloosheid veranderd in 2002 ten opzichte
     van 2000 ?  En met hoeveel procent ?
3.  a.  Wat zegt het indexcijfer van de arbeidskosten per eenheid product van 99,3 voor
          Nederland (2000) ?
     b.  Met hoeveel procent is de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van de EU
          veranderd in de periode 2000-2002 ?
     c.  Stel dat de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit in 2002 in Nederland gelijk is aan
          die van de EU.  Met hoeveel procent zijn de arbeidskosten in Nederland harder
          gestegen dan in de EU ?
4.  De werkloosheidscijfers in tabel 6 zijn niet voor het seizoen gecorrigeerd. Toch kan uit
    die tabel worden geconcludeerd dat de voor het seizoen gecorrigeerde werkloosheid in
    maart 2002 weer begint te groeien.

Welke van de onderstaande uitspraken is in dit verband juist?

uitspraak 1
De voor het seizoen gecorrigeerde werkloosheid begint in maart 2002 weer te groeien want
de werkloosheid in maart 2002 is hoger dan in januari en februari 2002.

uitspraak 2
De voor het seizoen gecorrigeerde werkloosheid begint in maart 2002 weer te groeien want
de werkloosheid in maart 2002 is hoger dan in maart een jaar eerder, terwijl die in februari
en januari nog lager lag dan een jaar eerder.

THEORIE

5.  Welke tabel zal de econoom van de werkgeversorganisatie gebruiken om zijn stelling
     te ondersteunen? Beschrijf de redenering van deze econoom.
6.  Welke tabel zal de econoom van de vakbonden gebruiken om zijn mening te 
     ondersteunen?  Beschrijf de redenering van deze econoom.
7.  Leg uit of de geregistreerde werkloosheid in arbeidsjaren hoger of lager ligt
    dan in personen.
 

naar boven

OPGAVE 12   Betalingsbalans, wisselkoers, renteberekening en 
                      grafiekvorm

Zorgen om de dollarkoers
De familie Dijkstra is van plan een vakantie te boeken in de Verenigde Staten van Amerika
(VS). Zo’n vakantie kost veel geld en daarom volgt de familie met grote belangstelling de
ontwikkeling van de dollarkoers. In een krant staan op een dag de onderstaande berichten en de familie vraagt zich bezorgd af wat die voor gevolgen hebben voor de dollarkoers.

Tekort lopende rekening VS
De lopende rekening van de betalingsbalans van de Verenigde Staten van Amerika laat al jaren een fors en groeiend tekort zien.
Afnemende groei VS
De Amerikaanse overheid maakt zich zorgen over de afnemende economische groei in het land. 

                                  

REKENEN

1.  Met hoeveel procentpunt is de rente gedaald in de periode januari – oktober ?
2.  Bereken het verschil in rente opbrengst bij een belegging in de VS van $ 4 mln 
    gedurende de maand januari en dezelfde belegging in de maand oktober.  De rente staat
    vermeld op jaarbasis.
3.  Voor welke grafiekvorm is hier gekozen ?  Waarom ?

THEORIE

Het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans van de VS kan tot gevolg
hebben dat op de valutamarkt het aanbod van dollars ...(1)... is dan de vraag naar dollars waardoor de koers van de dollar ten opzichte van de euro zal ...(2)... en een vakantie in de VS ...(3)...zal worden.

1.  Wat moet in plaats van de cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
     tekrijgen?
bij (1) groter / kleiner
bij (2) dalen / stijgen
bij (3) duurder / goedkoper

De ontwikkeling van de rente in de VS leidt via een kleinere ...(1)... door de VS tot een
daling van de dollarkoers. De lagere dollarkoers maakt de export van de VS ...(2)..., zodat
de Amerikaanse bedrijven ...(3)... kunnen exporteren, waardoor de daling van de dollarkoers wordt ...(4)....

2.  Wat moet in plaats van de cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
     te krijgen?
bij (1) kapitaalexport / kapitaalimport
bij (2) duurder / goedkoper
bij (3) meer / minder
bij (4) afgeremd / versterkt

naar boven

 2005

OPGAVE 13   Concurrentiepositie, ruilvoet en indexcijfers

Nederland handelsland

De concurrentiepositie van een land in het internationale handelsverkeer wordt onder
andere beïnvloed door de ontwikkeling van het prijspeil en de wisselkoers van de valuta
van dat land.

 


 

 

 

 

 

 

 

REKENEN 

1.  a.  Bereken de consumentenprijsindexcijfers voor de jaren 1997 t/m 2001 met 1996
          als basis.
     b.  Met hoeveel procent zijn de prijzen veranderd in de periode 1997 – 2001 ?
2.  Met hoeveel procent is de waarde van de euro t.o.v. de dollar veranderd in de
     periode 1997 – 2001 ?
3.   Bekijk jouw antwoorden bij 1.a en 2 en beredeneer of de concurrentiepositie van 
      Nederland t.o.v. de VS is verbeterd of verslechterd ?
4.  Bereken of er in de periode 1997 – 2001 sprake is van een ruilvoetverbetering of een
     ruilvoetverslechtering.

THEORIE

5.  Leg uit hoe een stijging van het invoerprijspeil van een land kan leiden tot een stijging
    van het uitvoerprijspeil van dat land.
6.  Worden de invoerprijzen in euro’s in Nederland hoger of lager door een koersdaling van  
     de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar? Verklaar het antwoord. 

In 2000 hebben de Verenigde Staten van Amerika (VS) voor import uit Nederland
€ 11,5 miljard betaald. Omgerekend in dollars was met deze import $ 10,58 miljard gemoeid. Stel dat de VS in 2001 hetzelfde importpakket uit Nederland koopt.

7.  Bereken hoeveel Amerikaanse dollars de VS voor dit importpakket in 2001 moet betalen.

 

OPGAVE 14   Macro-economische voorspellingen en 
                      interpretatie tabel

De glazen bol van het CPB
Het Centraal Planbureau (CPB) heeft in het kader van de Macro Economische Verkenningonderzoek gedaan naar de economische ontwikkelingen voor het volgende jaar. Voor volgend jaar wordt een voorzichtig herstel van de economische groei verwacht,
onder andere omdat een einde van de daling van de bedrijfsinvesteringen wordt verwacht.De resultaten van het onderzoek van het CPB zijn samengevat in tabel 1.
In de kolom “centrale voorspelling voor volgend jaar” staat de voorspelling voor volgend jaar. In deze voorspelling is uitgegaan van: € 1 = $ 1,15. Omdat de hoogte van deze wisselkoers erg onzeker is, is alternatief A opgenomen, waarin is uitgegaan van een andere wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar.  Een andere onzekere factor in de centrale voorspelling voor volgend jaar is de groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP) van de handelspartners van Nederland. Daarom is alternatief B opgenomen, waarin is uitgegaan van een lagere groei van het BBP van de handelspartners dan in de centrale voorspelling.

Uit tabel 1 is bijvoorbeeld af te lezen dat de bedrijfsinvesteringen volgens de centralevoorspelling van het CPB volgend jaar ten opzichte van dit jaar met 0,3% groeien. Mocht de groei van het BBP van de handelspartners van Nederland tegenvallen, dan wordt een daling van de bedrijfsinvesteringen met 0,6% verwacht.

REKENEN

1.  Hoe komt men in bovenstaande tekst aan een daling van de investeringen met 0,6%
     bij alternatief B ?
2.  Met hoeveel procent verandert het BBP bij alternatief A ?
3.  Stel dat de bevolking volgend jaar groeit met 0,8%.  Bereken de procentuele
     verandering van het BBP per hoofd bij de centrale voorspelling.
4.  Hoe blijkt uit tabel 1 dat in de centrale voorspelling voor volgend jaar een stijging van
    de arbeidsproductiviteit wordt verwacht?
5.  Gaat het CPB bij alternatief A uit van een hogere of van een lagere wisselkoers van de
     euro dan $ 1,15? Verklaar het antwoord aan de hand van één regel uit tabel 1.

THEORIE

Bij alternatief B is de stijging van de consumentenprijsindex kleiner dan in de centrale voorspelling.
6.  Geef daarvoor een verklaring.
7.  Noem twee bestedingscategorieën die in tabel 1 ontbreken.
8.  Leg uit dat alternatief B een negatieve invloed heeft op de werkgelegenheid.
 

naar boven

OPGAVE 15   Inflatie, arbeidsmarkt, gewogen gemiddelde, CPI 
                      en nominaal/reëel

Economisch onderzoek
Nederland heeft, vergeleken met de andere landen van het eurogebied, in 2000 een
hoge inflatie gehad. Een oorzaak van deze hoge inflatie was volgens sommige economen
de in vergelijking met andere landen krappe arbeidsmarkt in Nederland.
Op de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) staat het
macro-economisch overzicht uit de publicatie ‘De Nederlandse economie in 2000’ met onder andere de onderstaande gegevens over inflatie en werkloosheid in een aantal landen.

REKENEN

1.  Omschrijf hoe het CBS het consumentenprijsindexcijfer (CPI) berekent.
2.  Geef aan hoe je het gewogen gemiddeld inflatiepercentage voor het eurogebied
     zou kunnen berekenen.
3.  Kan men uit de cijfers in tabel 3 de conclusie trekken dat Nederland in 2000 de
     hoogste inflatie van alle landen in het eurogebied had? Verklaar het antwoord.
4.  Stel dat het CPI voor 2000 in Nederland 112 bedraagt.  Bereken het CPI voor 1999,
     uitgaande van hetzelfde basisjaar.
5.  Stel dat het nominaal inkomen in Nederland is gestegen met 4,1% in 2000.
     Bereken de stijging van het reëel inkomen in 2000.

THEORIE

6.  Wijzen de cijfers in tabel 3 op een verbetering of op een verslechtering van de
     concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk?
     Verklaar het  antwoord.
7.  Welk gegeven in de tabel geeft aan dat Nederland een krappe arbeidsmarkt heeft. 
     Leg uit.
8.  Leg uit hoe een krappe arbeidsmarkt kan leiden tot een hoge inflatie in een land.

naar boven

OPGAVE 16   Werkloosheid, conjunctuur en grafieken

Werklozen stromen in en uit
In een land bestaat werkloosheid. Dat betreft echter niet steeds dezelfde mensen.
Zoals figuur 1 laat zien vindt een deel van de werklozen werk (de uitstroom), terwijl andere mensen juist werkloos worden (de instroom).

In figuur 2 zijn cijfers betreffende de instroom en uitstroom in dit land weergegeven.
Deze cijfers geven informatie over de conjuncturele situatie in dit land.

REKENEN

1.  Wat voor soort grafiek wordt getoond in figuur 2 ?  Waarom is voor deze vorm gekozen ?
2.  Bereken de verandering in werkloosheid in 2002.
3.  Met hoeveel procent is de uitstroom in 2003 toegenomen t.o.v. 2002 ?
4.  Was eind 2001 de werkloosheid groter dan, kleiner dan of gelijk aan de werkloosheid
     begin 2001? Verklaar het antwoord.
5.  Kan uit figuur 2 worden afgeleid hoeveel personen eind 2003 werkloos waren?
     Verklaar het antwoord. 

THEORIE

6.  Leg uit of de in- en uitstroom gevolgen hebben voor de omvang van de beroepsbevolking.
7.  Wijzen de cijfers in figuur 2 voor de jaren 2001 tot en met 2003 op een economische
     opleving of op een economische neergang? Verklaar het antwoord.
8.  Waardoor wordt de conjunctuur beïnvloed ?
9.  Een deel van de instroom kan door structurele oorzaken worden verklaard. 
     Geef een omschrijving van één van die oorzaken.

naar boven

OPGAVE 17   Recessie, reële rente en grafieken  

Herleefde spaarzin
In een land was in 2000 sprake van een bestedingsgolf waardoor de particuliere besparingen inzakten.  In 2001 sloeg het economische klimaat om en dreigde er zelfs een recessie te ontstaan. Ondanks de lage economische groei nam de inflatie toe.
Deze ontwikkeling stelde het consumentenvertrouwen* zwaar op de proef.
De particuliere besparingen namen in 2001 toe, ondanks de lage rente op spaarrekeningen van gemiddeld 3,2%.
*) het vertrouwen van consumenten in de toekomst dat invloed heeft op de bereidheid van consumenten om bestedingen te doen

REKENEN

 1.  Met hoeveel procent is het particuliere spaarsaldo veranderd in het derde kwartaal
      van 2001 ?
2.  Met welk bedrag is het tegoed op particuliere spaarrekeningen per saldo toegenomen
     in 2001 ?

Hieronder staan vier uitspraken over de reële rente in 2001:

uitspraak 1
De reële rente is positief want het rentepercentage is groter dan nul.
uitspraak 2
De reële rente is positief want de particuliere besparingen nemen toe.
uitspraak 3
De reële rente is negatief want er is sprake van een lage rentevergoeding.
uitspraak 4
De reële rente is negatief want het rentepercentage is lager dan de inflatie. 

3.  Welke uitspraak is juist?
4.  Bereken de reële rente op spaarrekeningen in 2001 uitgaande van een inflatie van 4,7%
     over heel 2001.
5.  Welke conclusie kan men trekken op basis van figuur 3?
     Kies één van de onderstaande antwoorden.

• In het kwartaal 2001-4 is 8 miljard euro op spaarrekeningen gestort.
• In het kwartaal 2001-4 is 8 miljard euro van spaarrekeningen opgenomen.
• In het kwartaal 2001-4 is 8 miljard euro meer op spaarrekeningen gestort dan opgenomen.
• In het kwartaal 2001-4 is 8 miljard euro minder op spaarrekeningen gestort dan
  opgenomen.

THEORIE

6.  Wat verstaat men onder een recessie ?
7.  Leg uit hoe een afnemend consumentenvertrouwen kan leiden tot een toenemend
     spaartegoed van particulieren.
8.  Noem drie redenen voor het berekenen van rente.
 

naar boven

OPGAVE 18   Overheidsbegroting, nivellering, procentueel 
                       aandeel en grote getallen

Terugtredende overheid speelt andere rol
De Nederlandse overheid is de laatste decennia een andere rol gaan spelen in het economische proces.  Lag vroeger de nadruk op de inkomensherverdelende functie van de overheid, tegenwoordig ligt die meer op de sturing van de consumptie en de productie in ons land. Die rolverandering heeft  invloed gehad op de overheidsfinanciën (zie tabel 4). Zo is er een verschuiving opgetreden van directe belastingen (in 1991 nog bijna 53% van de overheidsontvangsten)  naar indirecte belastingen.
Sommige politici betreuren deze ontwikkeling. Zij stellen dat de overheid in haar nieuwe rol minder aandacht besteedt aan inkomensbeleid waardoor de inkomensverschillen na belasting groter worden.

REKENEN

1.  Bereken het nationale product voor 2002.

2.  Bereken het nationale product per hoofd voor 2002 uitgaande van een bevolking
     van 16,2 mln.
3.  Met hoeveel procent is het nationaal product gestegen in de periode 1991– 2002.
4.  Bereken hoeveel procent van de totale rijksinkomsten in 2002 bestond uit directe
     belastingen.
5.  Bereken het procentueel aandeel BTW in de totale rijksinkomsten in 2002.

THEORIE

In de periode 1991-2002 is er economisch gezien sprake van een terugtredende overheid.

6.  Hoe blijkt dat uit tabel 4?
Kies één van de onderstaande antwoorden.
• uit het feit dat de loon- en inkomstenbelasting relatief het minst is toegenomen
• uit het feit dat het verschil tussen rijksuitgaven en rijksinkomsten is afgenomen
• uit het feit dat het aandeel van de rijksuitgaven in het nationale product is afgenomen 

7.  Leg uit dat de overheid met behulp van indirecte belastingen de consumptie kan sturen.

Bij ...(1)... belastingen wordt geen rekening gehouden worden met verschillen in inkomen. Door een verschuiving van directe naar indirecte belastingen worden mensen met een laag inkomen relatief ...(2)... belast dan mensen met een hoog inkomen.
Dit heeft een ...(3)... invloed op de inkomensverdeling na belasting.

8.  Wat moet in plaats van de cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
     te krijgen?
bij (1) directe / indirecte
bij (2) minder zwaar / zwaarder
bij (3) denivellerende / nivellerende

9.  Geef een voorbeeld van niet-belastinginkomsten.

naar boven

OPGAVE 19   CAO, arbeidsvoorwaarden en indexcijfers

Kortere carrièrelijnen in het onderwijs
Henk van Vlessen is al jarenlang werkzaam als docent economie aan het Blijstein College
in Udel. Hij leest met instemming de nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst (CAO).
De onderhandelaars hebben namelijk afgesproken om in de nieuwe CAO iets te doen aan de
lange carrièrelijnen. Nu doet een docent er 21 jaar over om het maximale salaris te
bereiken. In de nieuwe CAO is dat verkort tot 18 jaar. De onderhandelaars verwachten dat
de situatie op de arbeidsmarkt een verdere verkorting in de toekomst noodzakelijk maakt.
In tabel 1 staan gegevens volgens de oude en de nieuwe CAO. Henk heeft in juli een bruto
maandsalaris van € 3.014. De nieuwe CAO gaat per 1 augustus in.

REKENEN

1.  Bereken hoeveel euro het bruto maandsalaris van Henk in augustus hoger is dan in juli.
2.  Met hoeveel procent is het salaris bij regel 19 gestegen ?

3.  Bereken de salarisbedragen volgens de nieuwe CAO in indexcijfers met salarisregel
    16 als basis.
4.  Bereken aan de hand van jouw indexcijfers het procentueel verschil tussen salarisregel
    19 en 18.

THEORIE

5.  Welke partijen onderhandelen over een CAO?
6.  Geef een voorbeeld van primaire arbeidsvoorwaarden en een voorbeeld van
     secundaire arbeidsvoorwaarden.
7.  Wat is het verschil tussen een CAO en een individuele arbeidsovereenkomst ?
8.  Is er volgens de onderhandelaars sprake van een krappe of van een ruime arbeidsmarkt?     Verklaar het antwoord.

Hieronder staan twee uitspraken.
uitspraak 1
Het verkorten van de carrièrelijnen is een aanpassing van de secundaire arbeidsvoorwaarden.
uitspraak 2
Een CAO is een arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een werknemer 

9.  Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.

naar boven

OPGAVE 20   Wisselkoersen en valutaberekeningen

De dolende dollar
“In januari 2003 bereikte de koers van de euro ten opzichte van de dollar een niveau dat
sinds twee jaar niet meer was voorgekomen”, aldus de opening van een artikel in een
Nederlands dagblad. “In september 2001 was de euro nog maar 0,86 dollar waard, maar nu
piekt hij op 1,08 dollar”, vervolgt het artikel. Ter illustratie staat bij het artikel de grafiek in
figuur 2 afgedrukt.

REKENEN

1.  Bereken met hoeveel procent de waarde van de dollar ten opzichte van de euro is
    gedaald tussen september 2001 en januari 2003.
2.  Een Nederlands bedrijf heeft in september 2001 voor $ 2,7 mln tulpenbollen verkocht aan
     een buitenlands bedrijf.  De betaling vindt plaats in januari 2003. 
     Bereken het koersverlies in euro’s op deze transactie. 
3.  Bereken de $/€ koers voor januari 2003.
4.  Herteken deze grafiek als op de y-as de $/€ koers wordt weergegeven. 

THEORIE

Uit het krantenartikel zijn ook de onderstaande citaten afkomstig.
citaat 1
“De Russische regering heeft laten weten dat zij haar financiële reserves die tot
 vorig jaar overwegend uit dollars bestonden, in 2002 heeft omgezet in euro’s.”
citaat 2
“De Verenigde Staten van Amerika (VS) kampen met een groeiend tekort op de
 lopende rekening van de betalingsbalans dat in 2002 opliep tot bijna 5 procent van
 het nationale product.”
citaat 3
“De Amerikaanse centrale bank heeft in 2002 de rente regelmatig verlaagd om zo
 de Amerikaanse economie te stimuleren.”

5.  Welk(e) van de citaten zou(den) een oorzaak kunnen aangeven voor de waardedaling
     van de dollar in 2002?

In een economiegroep van havo 5 wordt aan de hand van het krantenartikel gediscussieerd
over de gevolgen van de koersdaling van de dollar voor een aantal belanghebbenden.

belanghebbende 1
Onderneming ASRO, gevestigd in Nederland, heeft ook een vestiging in de VS.
Deze vestiging maakte in 2002 een winst in dollars die gelijk is aan die in 2001.
ASRO verwerkt de winst van die vestiging in het jaarverslag dat in euro’s luidt.

uitspraak 1
De in het jaarverslag vermelde winst van de Amerikaanse vestiging van ASRO zal door
de koersdaling van de dollar in 2002 hoger uitvallen dan in 2001.

belanghebbende 2
Onderneming BOTAK, gevestigd in Nederland, exporteert in Nederland geproduceerde halffabrikaten naar de VS en stelt de rekening daarvoor op in euro’s.
uitspraak 2
De concurrentiepositie van BOTAK op de Amerikaanse markt is door de koersdaling
van de dollar in 2002 verslechterd.

belanghebbende 3
De heer Versluys uit Schiedam heeft in november 2001 plannen gemaakt voor een
vakantie en vertrok in maart 2002 voor een trektocht van enkele maanden door de VS.
uitspraak 3
De vakantie van de heer Versluys werd door de koersdaling van de dollar duurder dan hij
in november had verwacht.

belanghebbende 4
De Nederlandse financieringsmaatschappij CREDO heeft in januari 2001 een bedrag in
euro’s omgezet in dollars en uitgeleend aan een bedrijf in de VS. Tussen oktober 2001
en oktober 2002 is deze lening afgelost en is het bedrag weer omgezet in euro’s.
uitspraak 4
CREDO heeft op de lening aan het Amerikaanse bedrijf door de koersdaling
van de dollar koerswinst gemaakt.

6.  Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.

naar boven 

OPGAVE 21   Wereldhandel, volume ontwikkeling, nominaal
                      en reëel
 

Kommer en kwel
De economie van een land is sterk afhankelijk van geïmporteerde olie.
Begin 2004 publiceerde het planbureau een voorspelling van de economische ontwikkeling in dat land voor 2005. In de loop van 2004 stegen de olieprijzen zo fors dat de economie er door werd beïnvloed. Het planbureau kwam daarom eind 2004 met een aangepaste voorspelling voor 2005 (tabel 4). De cijfers betreffen de procentuele verandering in 2005 ten opzichte van 2004.

Een politieke partij reageerde op de aangepaste voorspelling met de stelling dat debelastingopbrengsten in 2005 zouden gaan tegenvallen. De partij vindt een stijging van de
staatsschuld ontoelaatbaar en wil dat elke tegenvaller bij de overheidsinkomsten leidt tot
een bezuiniging op de overheidsuitgaven.

REKENEN

1.  a.  Wat verstaat men onder de volume van de wereldhandel ?
     b.  Stel dat het gemiddeld prijsniveau van de wereldhandel stijgt met 1,5%.
     c.  Bereken de waarde verandering van de wereldhandel bij de aangepaste voorspelling.
2.  Is de reële CAO-loonstijging in de aangepaste voorspelling groter dan, gelijk aan of
     kleiner dan in de oorspronkelijke voorspelling?
     Verklaar het antwoord met een berekening.
3.  Leg uit of de arbeidsproductiviteit bij de aangepaste voorspelling is gestegen of gedaald.
4.  Bereken de procentuele verandering in de verhouding exportvolume/importvolume.
5.  Een journalist doet aan de hand van tabel 4 de volgende uitspraken.
    uitspraak 1
    In beide voorspellingen wordt het aandeel van dit land in de wereldhandel kleiner.
    uitspraak 2
    In beide voorspellingen stijgt het bedrag van de particuliere consumptie.

 Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is. 

THEORIE

6.  Leg met behulp van een regel in tabel 4 uit waarom de politieke partij tegenvallende
     belastingopbrengsten verwacht.
7.  Leg uit hoe een bezuiniging van de overheid op de overdrachtsuitgaven de
     werkgelegenheid kan aantasten.
8.  Welke invloed heeft de ontwikkeling van de wereldhandel op de Nederlandse economie ?9.  Omschrijf het verschil in taak tussen het CBS en het CPB.

naar boven

2006

OPGAVE 22   Welvaartsvast pensioen, pensioenstelsel en
                       progressieve premies

Pensioenpremies omhoog
Pensioenfonds Alto verzorgt ouderdomspensioenen en uitkeringen bij vervroegde
pensionering voor de werknemers in een bepaalde bedrijfstak. Het ouderdomspensioen is
bedoeld om de AOW-uitkering van 65-plussers aan te vullen tot 70% van het
laatstverdiende loon. Daarnaast voorziet Alto in een inkomen voor werknemers die stoppen
met werken voordat zij 65 jaar zijn (vervroegde pensionering). De werknemers en
werkgevers betalen ieder een bepaald percentage van het brutoloon als premie.
De premiepercentages voor 2002 staan in tabel 1.

Eind 2002 constateert pensioenfonds Alto dat verslechtering van de conjunctuur tot
problemen leidt. Door tegenvallende beleggingsresultaten op de ingelegde premies komt de
uitbetaling van de pensioenen in gevaar. Daarom wordt met ingang van 2003 de totale
premie voor het ouderdomspensioen met 2 procentpunten verhoogd. De werknemers betalen zowel in 2002 als in 2003 een kwart van de totale premie voor het ouderdomspensioen. Daarnaast constateert pensioenfonds Alto dat de uitbetaling van welvaartsvaste pensioenen in gevaar kan komen als de lonen sterk stijgen.

REKENEN

1.  Bereken het totale premiebedrag dat in 2002 aan Alto wordt betaald voor iemand met een
     brutoloon van € 30.000.
2 .  Bereken in één decimaal nauwkeurig hoe hoog het tarief werkgeverspremie voor het
      ouderdomspensioen in 2003 wordt.
3.  Toon aan dat de ouderdomspensioenpremie (vóór verhoging met 2 procentpunten) een 
     progressief verloop vertoont.  Vergelijk daarbij de premiedruk bij een brutoloon van
     € 25.000,- en een brutoloon van € 60.000,-

THEORIE

4.  Citeer de zin waaruit blijkt dat het ouderdomspensioen wordt gefinancierd via het
     kapitaaldekkingsstelsel. Verklaar het antwoord.
5.  Leg uit hoe verhoging van de pensioenpremies kan leiden tot verdere verslechtering van
    de conjuncturele situatie.

Een welvaartsvast ouderdomspensioen wordt volgens pensioenfonds Alto moeilijkerbetaalbaar als de lonen sterk stijgen.
6.  Geef daarvoor de verklaring.

Het Nederlandse pensioensysteem kent drie pijlers:
-  AOW uitkering (financiering via omslagstelsel)
-  Aanvullend pensioen georganiseerd per bedrijf of bedrijfstak (kapitaaldekkingsstelsel,
   waarbij de premies collectief worden belegd via een pensioenfonds)
-  Individuele besparingen  (kapitaaldekkingsstelsel waarbij inleg zelfstandig of via
   institutionele beleggers wordt belegd).  De levensloopregeling is hier een voorbeeld van.

7.  Leg uit om welke pijler het gaat in bovenstaand voorbeeld.
 

naar boven

OPGAVE 23   Werkloosheid en interpretatie grafieken

Doorleren, werken of (frictie)werkloos?
De meeste examenkandidaten op de havo kiezen, nadat ze geslaagd zijn, voor een
vervolgopleiding. Sommige geslaagde examenkandidaten besluiten echter niet door te leren.
Zij maken deel uit van de groep van gemiddeld ruim 220.000 leerlingen die jaarlijks met of
zonder diploma het voltijdonderwijs verlaat. In figuur 1 is voor de periode 1991-2001 het
aantal schoolverlaters in beeld gebracht. Zo is de relatief hoge uitstroom in de periode
1996-2000 onder meer het gevolg van de aanzuigende werking van de krappe arbeidsmarkt
in deze periode.

Van de 223.000 schoolverlaters in 2001 gingen 178.400 schoolverlaters op zoek naar een
baan. Figuur 2 brengt in beeld welke kans actief zoekende schoolverlaters in 2001 hadden
binnen een bepaald aantal maanden een baan te vinden. Uit figuur 2 kan bijvoorbeeld
worden afgelezen dat 16% van deze groep schoolverlaters zonder werkloos te zijn geweest direct na school een baan had gevonden.

REKENEN

1.  Welk verband bestaat er tussen figuur 1 en figuur 2 ?  Ga daarbij uit van het jaar 2001.
2.  Wat betekent in figuur 2 het getal 73 ?

Werkloosheid van 3 maanden of korter wordt beschouwd als frictiewerkloosheid. 

3.  Bereken hoeveel schoolverlater in 2001 achteraf beschouwd kunnen worden
     als frictiewerkloos.

In 2002 viel de economische groei, vergeleken met 2001, nog verder terug.  Hierdoor werd de arbeidsmarkt in 2002 ruimer.  Stel dat de tegenvallende economische groei de enige factor is de de verandering in het aantal schoolverlaters in 2002 ten opzichte van 2001 kan verklaren.

4.  Zal het aantal schoolverlaters in 2002 dan hoger of lager zijn dan in 2001 ?
     Verklaar het antwoord.
5.  Ligt de lijn voor 2002 in figuur 2 door verruiming van arbeidsmarkt linksboven of
     rechtsonder de lijn voor 2001 ?  Verklaar het antwoord.

THEORIE

6.  Wat verstaat men onder frictiewerkloosheid ?
7.  Noem een maatregel van de overheid om frictiewerkloosheid onder schoolverlaters te
    verminderen.  Licht het antwoord toe.
8.  Noem een ander voorbeeld van structurele werkloosheid.
9.  Wat is de oorzaak van conjuncturele werkloosheid ?
 

naar boven

OPGAVE 24   Loonkosten, arbeidsproductiviteit en loonkosten
                      per eenheid product

Loonmatiging en werkloosheid
Als in Nederland een lage economische groei leidt tot stijgende werkloosheid, pleiten veel politici voor loonmatiging. Dat leidt vaak tot discussies. Het is namelijk niet altijd duidelijk wat onder loonmatiging wordt verstaan. Bovendien wordt verschillend gedacht over de gevolgen van loonmatiging voor de werkloosheid.
Van de Nederlandse economie over een bepaald jaar zijn de gegevens in tabel 1 bekend.

TABEL 1

procentuele stijging

ten opzichte van voorafgaand jaar

reëel nationaal product

0,25

prijspeil

2,50

arbeidsproductiviteit

1,25

nominaal loon werknemers

......*

* niet ingevuld



 

 

 

 

 

REKENEN

Onder loonmatiging kan worden verstaan een loonontwikkeling waarbij de loonkosten per eenheid product dalen.  Stel dat in het betreffende jaar het ‘nominaal loon werknemers’ stijgt met 1,00%.

1.  Is er in het betreffende jaar dan sprake van loonmatiging? Verklaar het antwoord.

Onder loonmatiging kan ook worden verstaan een loonontwikkeling waarbij de koopkracht van werknemers gelijk blijft.

2.  Met welk percentage moet het ‘nominaal loon werknemers’ in het betreffende jaar dan
     stijgen om van loonmatiging te kunnen spreken? Verklaar het antwoord.
3.  Als vakbonden niet uitgaan van loonmatiging dan zullen zij een prijscompensatie
    van ____ %  en een initiële loonstijging van ____ % eisen.  Vul in.
4.  Als de procentuele stijging van de lonen groter is dan de procentuele stijging van de  
     arbeidsproductiviteit dan zullen de loonkosten per eenheid product dalen/stijgen/gelijk
     blijven.
  Kies het juiste antwoord.

THEORIE

5.  Leg uit welke gevolgen loonmatiging heeft voor de Nederlandse concurrentiepositie.
6.  Leg uit welke gevolgen loonmatiging kan hebben voor de Nederlandse export en import. 

Sommige economen twijfelen aan de positieve gevolgen van loonmatiging voor de werkgelegenheid.  Volgens hen spelen de ontwikkeling van de binnenlandse koopkracht en de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit (via modernisering van de productiecapaciteit) ook een belangrijke rol bij de werkgelegenheid. 

7.  Probeer de redeneringen van deze economen uit te leggen.
 

naar boven

OPGAVE 25   Conjunctuur, rente en groeipercentages

uit een krant (mei 2003):

Centrale banken gooien rente in de strijd
De Amerikaanse centrale bank verlaagde sinds 2000 herhaaldelijk haar rentetarieven. Dat gebeurde met het oog op de tegenvallende groei van het nationale product in de Verenigde Staten van Amerika (VS). De Europese centrale bank verlaagde ook haar rentetarieven. Midden 2001 werd de rente in de VS lager dan die in de EMU (Economische en Monetaire Unie). Dat liet de koers van de euro niet ongemoeid.

 

REKENEN

1.  In welk kwartaal of in welke kwartalen daalde volgens figuur 1 het nationale product
     in de VS?

2.  Bereken de economische groei voor het gehele jaar 2002.  Let op: je kan niet de
     kwartaal groeipercentages bij elkaar optellen, omdat hier sprake is van groei over groei.

3.  Bereken de procentuele stijging van de kwartaalgroei in 2002-I ten opzichte van 2001-IV.
4.  Stel dat het indexcijfer van het nationaal product van de VS voor 2002 (basisjaar 1998)
     105,2 is.  Bereken het indexcijfer aan het einde van 2003-I.

                THEORIE

                6.  Geef een korte omschrijving van de conjuncturele situatie in de VS in 2001.
    7.  Leg uit hoe een renteverlaging in een land de groei van het nationale product van dat
         land kan stimuleren.

                Als de rente in de VS lager is dan die in de EMU, kan het voor internationale beleggers …
   (1)…  worden om in de EMU te beleggen. Daardoor zal op de valutamarkten …(2)… euro’s
    toenemen,  waardoor de koers van de euro zal ...(3)....

                 8.  Wat moet in plaats van de cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
          te krijgen?

   
bij (1) aantrekkelijker / minder aantrekkelijk
    bij (2) de vraag naar / het aanbod van
    bij (3) dalen / stijgen

naar boven

OPGAVE 26   Het CPI, wegingsfactoren en indexcijfers 

Het ene basisjaar is het andere niet
Op de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) staat het volgende:
Na jaren met het basisjaar 1995 gerekend te hebben, is het CBS overgegaan op het
basisjaar 2000 met nieuwe wegingsfactoren. De CPI is daardoor wat lager geworden.
In tabel 3 staat een overzicht van de oude en de nieuwe wegingsfactoren.


 

 

 

 

 

 


REKENEN
 

1.  Wat verstaat men onder een basisjaar ?
2.  a.  Hoe berekent het CBS de wegingsfactoren ?
    
b.  Wat betekent in dit verband een wegingsfactor van 11.082 voor voeding in 2000 ?
     c.  Vermeld de bijbehorende wegingsfactor in procenten.
     d.  Geef aan bij elk van de artikelgroepen in tabel 3 of de wegingsfactoren van de groep
          jongeren onder de 25 hoger of lager zou zijn.
3.  Stel dat de prijzen van voeding in 2001 met 2,8% zijn gestegen.  Bereken de bijdrage
     van voeding aan het CPI van 2001.
4.  Met hoeveel procent zijn de bestedingen aan computers en communicatie gestegen
     in de periode 1995-2000 ?
 

                THEORIE

Het bestedingspatroon kan door diverse oorzaken veranderen.

             5.  Noem een van die oorzaken. Verklaar het antwoord.  

Een CPI zal lager worden als goederen die veel in prijs zijn gestegen een …(1)… wegingsfactor krijgen en goederen die weinig in prijs zijn gestegen een …(2)… wegingsfactor krijgen.

6.  Wat moet in plaats van de cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
     te krijgen?
     bij (1) grotere / kleinere
     bij (2) grotere / kleinere
 

7.  Leg uit voor welk doel het CPI door vakbonden en pensioenfondsen wordt gebruikt.

naar boven

OPGAVE 27   Schaarste, break-even berekening en
                      prijselasticiteit

 uit een krant:

Visser Bruinsma in de problemen
Bruinsma ving en verkocht vóór de vangstbeperking
100.000 kilogram (kg) kabeljauw per jaar.  Zijn constante kosten bedroegen € 300.000 per jaar en zijn variabele kosten € 1,50 per kg kabeljauw.  Bruinsma moet zijn vangst en verkoop gaan beperken tot 40.000 kg kabeljauw per jaar. Hij kan daarbij zijn constante kosten terugbrengen tot € 250.000 per jaar en zijn variabele kosten tot € 1,25 per kg.
De verkoopprijs van kabeljauw vóór de vangstbeperking
is € 5,- per kg.  Ná de vangstbeperking stijgt de verkoopprijs naar € 8,- per kg.

Tekstvak: Visser Bruinsma in de problemen
Bruinsma ving en verkocht vóór de vangstbeperking 100.000 kilogram (kg) kabeljauw per jaar.  Zijn constante kosten bedroegen € 300.000 per jaar en zijn variabele kosten € 1,50 per kg kabeljauw.  Bruinsma moet zijn vangst en verkoop gaan beperken tot 40.000 kg kabeljauw per jaar. Hij kan daarbij zijn constante kosten terugbrengen tot € 250.000 per jaar en zijn variabele kosten tot € 1,25 per kg.
De verkoopprijs van kabeljauw vóór de vangstbeperking
is € 5,- per kg.  Ná de vangstbeperking stijgt de verkoopprijs naar € 8,- per kg.

Kabeljauw wordt schaars
Om het uitsterven van kabeljauw te voorkomen, heeft de Europese Commissie besloten de vangst te
beperken. De Nederlandse
kabeljauwvissers moeten
daartoe een aantal schepen uit de vaart nemen.

Tekstvak: Kabeljauw wordt schaars
Om het uitsterven van kabeljauw te voorkomen, heeft de Europese Commissie besloten de vangst te
beperken. De Nederlandse
kabeljauwvissers moeten daartoe een aantal schepen uit de vaart nemen.

 

 

REKENEN

 

 

 

 

 

1.  Bereken de omzet en afzet van Bruinsma vóór de vangstbeperking.
2.  Bereken de totale winst van Bruinsma vóór de vangstbeperking.
3.  Bereken de break-even afzet van Bruinsma ná de vangstbeperking.
4.  a.  Hoe zou je deze praktijksituatie kunnen gebruiken om de prijselasticiteit van de
         gevraagde hoeveelheid kabeljauw ui te rekenen ?
     b.  Denk je dat de prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid kabeljauw prijselastisch
          of prijsinelastisch is ?  Leg uit.

THEORIE

Hieronder staan twee uitspraken:
uitspraak 1
Het uitsterven van kabeljauw is een voorbeeld van een negatief extern effect van de visserij.
uitspraak 2
Door schepen uit de vaart te nemen bezuinigen vissers op zowel totale constante als totale
variabele kosten.

5.  Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.

De verwachting is dat de vangstbeperking van kabeljauw tot gevolg heeft dat  
er andere vissoorten op de Nederlandse markt zullen worden aangeboden. Die andere vissoorten  zullen voor veel consumenten een substituut zijn voor kabeljauw.

Door het aanbod van de andere vissoorten zal de prijs van kabeljauw ...(1)... waardoor de
break-even afzet van Bruinsma zal ...(2).... 

6.  Wat moet in plaats van de cijfers worden ingevuld om een economisch correcte tekst
     te krijgen?
bij (1) dalen / stijgen
bij (2) dalen / stijgen 

7.  Leg uit dat op de markt voor kabeljauw zowel de vraagcurve als de aanbodcurve
    verschuiven.

8.  In de titel van het eerste bericht wordt het begrip schaars gebruikt.  Wordt dit begrip
    gehanteerd op de manier economen het begrip schaarste gebruiken ?  Leg uit
 

naar boven

OPGAVE 28   Belastingsysteem, gemiddelde- en marginale druk

De belastingen
Van enkele personen zijn de gegevens over hun inkomen en de inkomensheffing verzameld (tabel 1).

REKENEN

1.  Bereken het getal dat in tabel 1 bij (a) moet staan.  Vergeet de heffingskorting niet aan
     het eind van de berekening.
2.  Laat zien aan de hand van de gemiddelde belastingdruk dat hier sprake is van een
     progressief belastingstelsel.
3.  Hoeveel bedraagt het marginaal tarief bij een belastbaar inkomen van € 34.000,- ?
4.  a.  Stel dat zowel persoon A als persoon B een rente-aftrek hebben van € 2.000,-.
          Met welk bedrag wordt hun inkomensheffing verminderd door deze aftrekpost.
     b.  Werken aftrekposten nivellerend of niet-nivellerend ?  Leg uit.

THEORIE

Het verschil tussen bruto inkomen en belastbaar inkomen bestaat uit diverse elementen.
5.  Noem één zo’n element. 

Bekijk de volgende twee uitspraken.
uitspraak 1
Als de eerste schijf wordt verlengd, heeft de persoon met het belastbaar inkomen van
€ 15.400 daarvan meer voordeel dan die met het belastbaar inkomen van € 90.000.
uitspraak 2
Als aftrekposten worden afgeschaft, hebben personen met een hoog inkomen daarvan in
euro’s uitgedrukt een groter nadeel dan personen met een laag inkomen.

6. Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.
7.  Vermeld twee doelen waarvoor belastingen kunnen worden gebruikt.
 

naar boven

OPGAVE 29   Concurrentiepositie en interpretatie grafieken

uit een krant:
Banenmachine hapert
Rond de laatste eeuwwisseling stagneerde in Nederland de groei van de werkgelegenheid.
De wereldhandel liep terug, de consumenten hielden hun hand op de knip en de overheid
bezuinigde op haar uitgaven. In 2003 telde Nederland 415.000 werklozen, hetgeen betekent dat 5,25% van de beroepsbevolking werkloos was.

REKENEN

1.  Bereken de werkloosheid in 1999.
2.  Bereken de procentuele verandering van de werkloosheid in 2004.
3.  Bereken de omvang van de werkzame beroepsbevolking in Nederland in 2003. 

Hieronder staan drie uitspraken:
uitspraak 1
In 1998 bedroeg de werkloosheid 90.000 personen.
uitspraak 2
In de jaren 1998 tot en met 2003 steeg de werkloosheid in Nederland.
uitspraak 3
In 2004 bedroeg de werkloosheid 490.000 personen.

4.  Geef voor elke uitspraak aan of deze juist of onjuist is.

5.  a.  Met hoeveel procent zijn de arbeidskosten per product in Nederland gestegen
          in de periode 1997-2004 ?
     b.  Met hoeveel procent zijn de arbeidskosten per product bij de concurrenten buiten
          het eurogebied gebied gestegen in de periode 1999-2000 ?
6.  a.  Welke gebied heeft zijn concurrentiepositie ten opzichte van de andere gebieden
          verbeterd als je de gehele periode 1997-2004 bekijkt ?
     b.  Welke gebied heeft zijn concurrentiepositie ten opzichte van de andere gebieden 
          verbeterd in de periode 1999-2000 ?

De minister van Economische Zaken stelde dat de stagnerende groei van de
werkgelegenheid structurele oorzaken had. Hij wees daarbij naar figuur 4.
De voorzitter van een vakcentrale stelde echter dat er ook conjuncturele oorzaken waren. Hij wees daarbij naar het krantenbericht.

7.  Leg uit dat figuur 4 de stelling van de minister ondersteunt.
8.  Leg uit dat het krantenbericht de stelling van de voorzitter ondersteunt.
 

naar boven

OPGAVE 30   Conjunctuur, groei, volume en nominaal

Recessie geen ramp?
In figuur 5 is de groei van het nationale product van Nederland in beeld gebracht.

REKENEN

1.  In welk jaar of in welke jaren is het nationale product van Nederland gedaald?
2.  Met hoeveel procent is het nationaal product in totaal gestegen in de
     periode 1996-1998 ?
3.  Stel dat de het prijspeil in 2004 gestegen is met 3,8%.  Bereken de nominale groei van
     het nationaal product in 2004.
4.  Bereken het indexcijfer voor het nationaal product in 2004 (2002=100).

THEORIE

Na een periode van hoogconjunctuur belandt een economie vaak in een recessie.
Volgens een econoom is zo’n recessie nodig om de nadelige gevolgen van hoogconjunctuurongedaan te maken.

5.  Wat verstaat men onder hoogconjunctuur ?

Volgens deze econoom zal in een recessie de krapte op de arbeidsmarkt …(1)…, waardoor het voor bedrijven …(2)… wordt om personeel te vinden. Veel bedrijven zullen hun prijzen…(3)…, waardoor de inflatie ...(4)…. Het begrotingstekort van de overheid zal …(5)…,doordat de belastingontvangsten …(6)…, terwijl de uitgaven moeilijk kunnen worden aangepast.

6.  Wat moet in plaats van de cijfers worden ingevuld om een economisch correcte
     tekst te krijgen?

bij (1) afnemen / toenemen
bij (2) makkelijker / moeilijker
bij (3) verhogen / verlagen
bij (4) afneemt / toeneemt
bij (5) afnemen / toenemen
bij (6) dalen / stijgen 

Hieronder staan enkele economische ontwikkelingen:
1
In Duitsland worden de belastingen voor de burgers verlaagd.
2 De koers van de euro stijgt ten opzichte van de Amerikaanse dollar.
3 De rentevoet in Nederland daalt.
4 In de Verenigde Staten van Amerika neemt het consumentenvertrouwen toe.
5 De Nederlandse overheid gaat bezuinigen op haar uitgaven. 

Drie van deze ontwikkelingen kunnen bijdragen aan conjunctureel herstel in Nederland.
7.  Welke drie ontwikkelingen zijn dat?
 

naar boven

OPGAVE 31   Chartaal geld, geldfuncties en rekenen met grote
                       getallen

uit een krant (augustus 2003):
Sombere toekomst bankbiljet
In 2002 waren in de eurolanden meer dan 8 miljard eurobiljetten in omloop met een
gezamenlijke waarde van bijna € 400 miljard. Er komen steeds meer valse eurobiljetten in
omloop. In de eerste zes maanden van 2003 zijn in de eurolanden 60% meer valse
eurobiljetten uit omloop gehaald dan in de eerste zes maanden van 2002. Omdat elk vals
biljet er een teveel is, gaat De Nederlandsche Bank (DNB) publiek en winkeliers
voorlichten over de veiligheidskenmerken van de bankbiljetten.
Vanwege het risico accepteren veel winkeliers biljetten van € 500 en € 200 niet. Volgens
sommige economen zal het niet lang duren voordat ook de biljetten van € 100 en € 50 niet
meer algemeen geaccepteerd worden. De groei van het aantal vervalsingen zal het gebruik
van pinpassen, internetbankieren en chipknip stimuleren.

REKENEN

1.  Bereken de gemiddelde nominale waarde van de in omloop zijnde eurobiljetten in 2003.
2.  a.  Bereken het totale aantal valse eurobiljetten dat in de eerste zes maanden van 2003
          uit omloop werd gehaald.
     b.  Bereken het totale aantal valse eurobiljetten dat in de eerste zes maanden van 2002
         uit omloop werd gehaald.
     c.  Bereken de totale nominale waarde van de valse € 50,- eurobiljetten die uit omloop
         zijn genomen.
 3.  Waarom vertonen de staven van de € 20,- en € 50,- biljetten een witte balk ? 

We maken onderscheid tussen chartaal en giraal geld. Op dit moment is de verhouding
15% chartaal en 85% giraal.

4.  Zal het aandeel van giraal geld toenemen, afnemen of gelijk blijven als er steeds
     meer vals geld in omloop komt? Verklaar het antwoord met behulp van de tekst.

THEORIE

5.  Welke geldfunctie dreigen de biljetten van € 500 en € 200 volgens de tekst te verliezen?

We maken onderscheid tussen de nominale en de reële waarde van geld.
Hieronder staan drie uitspraken: 

uitspraak 1
Op biljetten en munten staat de waarde van het biljet respectievelijk de munt aangegeven.
uitspraak 2
Op een biljet van € 200 komt het cijfer 200 op de voorzijde vier keer voor.
uitspraak 3
In 2003 kende Nederland een inflatie van 1,4%, waardoor de koopkracht van de euro daalde.

6.  Geef voor elke uitspraak aan op welke waarde de uitspraak betrekking heeft.
 

naar boven

OPGAVE 32   Illegale economie, toegevoegde waarde en 
                      procentueel aandeel

De illegale economie: meer lawaai dan inhoud?
Naast de officieel gemeten productie via het bruto binnenlands product (BBP) bestaat in
Nederland een omvangrijke informele economie. Activiteiten die tot de informele economie
worden gerekend, zijn bijvoorbeeld betaald werk verrichten zonder belasting en premies te
betalen en activiteiten in het grijze circuit. Een opvallend onderdeel van de informele
economie is de illegale economie. Activiteiten als drugshandel en gedwongen prostitutie
eisen in de nieuwsmedia veel aandacht op.
Voor 2001 wordt de toegevoegde waarde van activiteiten in de illegale economie (tabel 1)
geschat op 0,9% van het officiële BBP. Deze schatting moet met de nodige voorzichtigheid
worden gebruikt omdat de illegale economie zich zeer moeilijk laat meten. Als rekening zou
worden gehouden met de negatieve externe effecten van de productie in de illegale economie, zou dit percentage lager worden.

REKENEN

       1.  Bereken het procentueel aandeel van de toegevoegde waarde van de drugshandel 
            in de toegevoegde waarde van de totale illegale economie. 
       2.  Bereken het officiële BBP in 2001.
       3.  Bereken in tenminste twee decimalen nauwkeurig de toegevoegde waarde van
            illegale activiteiten in de gokbedrijven als percentage van het officiële BBP in 2001.
       4.  Is de omzet in 2001 in de illegale handel in drugs groter, kleiner of gelijk aan
           1.960 miljoen euro?  Verklaar het antwoord.

 THEORIE

       5.  Geef een voorbeeld van een negatief extern effect van een activiteit die
            in tabel 1 staat.  Licht toe waardoor dit effect negatief is.
       6.  Noem twee nadelen voor de overheidsfinanciën van het bestaan van
            een illegale economie.
       7.  Geef een voorbeeld van een activiteit in het grijze circuit.

naar boven


OPGAVE 33   Werkloosheid, conjunctuur en indexcijfers

uit een krant:
Langdurig werklozen zorgenkindjes?
Personen die een jaar of langer werkloos zijn, de langdurig werklozen, maken zelfs bij
een krappe arbeidsmarkt weinig kans op een betaalde baan. De overheid streeft ernaar
de kansen van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt te vergroten. Daarom heeft de
overheid enige jaren geleden een loonkostensubsidie ingesteld in de vorm van een
vrijstelling van het betalen van het werkgeversaandeel in de sociale premies.
Het grootste deel van de langdurig werklozen is laaggeschoold. Ook door scholing
aan te bieden, probeert de overheid de drempel voor langdurig werklozen naar een
baan te verlagen.

REKENEN

1.  Bereken de procentuele verandering in de totale werkloosheid van 2001 op 2002.
2.  a.  Bereken de werkloosheid korter dan een jaar in indexcijfers voor de
          periode 1998 – 2002  (1999=100).
     b.  Bereken de procentuele verandering van de korte werkloosheid in 2001 ten opzichte
          van 2000.  Maak daarbij gebruik van de indexcijfers berekend bij 2a.
3.  Bereken het procentueel aandeel van de lange werkloosheid in de totale werkloosheid
     in 2002.

THEORIE

4.  a.  Leidt het instellen van een loonkostensubsidie tot vergroting of verkleining
          van de wig? Verklaar het antwoord.
     b.  Is dit een voorbeeld van een conjuncturele maatregel of structurele maatregel
          van de overheid ?  Leg uit.
5.  Is het correct dat uit tabel 2 kan worden afgeleid dat het aandeel van de langdurige
     werkloosheid in de totale werkloosheid daalt als de arbeidsmarkt krapper wordt.
     Verklaar het antwoord zonder berekening.
6.  Leg uit waarom er sprake is van een negatief verband tussen werkloosheid en
     openstaande vacatures.
7.  Geef aan welke fases van de conjunctuurgolf zijn af te lezen uit de tabel voor de
     periode 1996-2002.

 naar boven