REKENVAARDIGHEDEN

                                                                           
    terug naar EcoVaardig                                 

                                                                  

PROCENTEN en INDEXCIJFERS kom je regelmatig tegen in de economie.  Niet verwonderlijk, want economische data zijn de grondstoffen voor verklaringen van economische verschijnsels en voor voorspellingen.  De volgende opgaven trainen jouw rekenvaardigheid binnen een economische context. 
De antwoorden staan aan 't eind.

TIP !     Probeer echt een oplossing te vinden zonder direct
             naar het antwoord te kijken als je denkt het niet te 
             weten.  Het werken naar een oplossing is al een goede 
             training op zich !

 

I   Afronden     

Algemene regel:  Als het 2e cijfer groter of gelijk is aan 5, dan afronden naar boven. 

Rond de volgende getallen af op 1 decimaal nauwkeurig (= 1 cijfer achter de komma).
a.  102,44
b.   88,76
c.   25,449
d. 203,98


Rond de volgende bedragen af op honderden euro's nauwkeurig. 
Dus afronden naar de dichtstbijzijnde volle  100,-.

  4.680,-
f.  
52.523,-
g. 
8.750,-
h. 
108.349,99                                                                 
                                                                    
   ntwoorden                                                        

II   Procenten 

Een procent (of percentage) is een verhoudingsgetal dat aangeeft hoe groot iets is ten opzichte van iets anders.
Een percentage wordt genomen van een ander getal. Dat ander getal is het totaal (100%).

PERCENTAGE IS BEKEND, BEREKEN GETAL

Algemene regel: getal maal percentage (delen door 100 of 
                                komma twee plaatsen naar links)

 a.  Een vakkenvuller bij AaHa verdient 3,75 bruto per uur.
     
Ze werkt 4 uur per zaterdag gedurende 27 zaterdagen per  
      jaar. Van het bruto jaarinkomen wordt 36 % loonheffing 
      (= inkomstenbelasting + premies volksverzekeringen) 
      ingehouden.

 ¨     Bereken de totale loonheffing.

b.  Een detailhandelsonderneming (retailer) behaalde in 1999 een omzet van
570 mln.  De inkoopwaarde van de artikelen bedraagt 60% van de omzet. 
De overige kosten bedragen 25% van de omzet.

¨    Bereken de inkoopwaarde van de omzet.

¨    Bereken de nettowinst.

c. Een land had in 2000 een nationaal inkomen van $ 920 mld.  
  
Het NI werd besteed aan (C=consumptieve bestedingen; 
   I=investeringen; O=overheidsbestedingen):

      C  75%  
       I  15%  
      O  10%

¨     Bereken de bijbehorende bedragen.             Antwoorden                            
                                                                                                                       
 


GETALLEN BEKEND, BEREKEN HET PERCENTAGE    

Algemene regel:  Getallen op elkaar delen, dan maal 100 en 
                                 % teken vermelden 

 d.  Het NIBUD (Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting) 
      verricht jaarlijks onderzoek naar het bestedingspatroon van 
      scholieren.  Voor 1999 heeft ze de volgende maandelijkse  
     
gemiddelde uitgaven berekend (gefingeerde cijfers):  

 
                                                 

 Kleding  Uitgaan  Sport Overige
30,- 60,- 20,- 15,-

 ¨    Bereken de procentuele verdeling.
        TIP: Je moet de verschillende uitgaven berekenen in 
                 procenten van de totale uitgaven.

e.  In het jaarverslag van Philips 1997 staat o.a. een tabel met 
    de verdeling van de omzet over de verschillende divisies.
    De omzet is in miljarden euro's.

DIVISIE: Verlichting Consumentenproducten Componenten en halfgeleiders Professionele producten en systemen Diversen
Omzet: 5,0 10,8 6,8 6,0 0,8

¨       Bereken de procentuele verdeling van de omzet over de 
       divisies.

  f.  In de bibliotheek  staan de Economie boeken gerangschikt 
    onder SISO-code 300 en 330.  Daar vind je ook het 
    Statistisch Jaarboek 1997 van het CBS.  
    Op blz. 327  blijkt dat Nederland in 1995 voor 142,5 mld 
    heeft geëxporteerd aan goederen (exclusief diensten).
   
De belangrijkste exportcategorieën van goederen waren:
   
Voedingswaren:  21,1 mld, Chemische producten: 23,6 
    mld en Machines: 33,6 mld.

  ¨   Hoeveel procent van de totale goederenexport werd door 
      elk van de verschillende categorieën geëxporteerd ?

  ¨  In 1995 was het BBP (bruto binnenlands product van 
      Nederland 288,2 mld). Bereken de goederenuitvoerquote.  
       TIP: quote is gewoon een ander woord voor een 
                verhoudingsgetal; kennelijk moet je de totale 
                goederenuitvoer berekenen in procenten van ..........?
       
       Vraagje:
  De goederenuitvoerquote zegt iets over de 
                          openheid van de Nederlandse economie.
                          Wat denk je ?

                                                                                                                      Antwoorden                        

III   Procentuele veranderingen   

Algemene regel: Nieuw getal - Oud getal x 100
                                         Oud getal

 a.  Dirk Jones (voor vrienden DJ) heeft op de AEX (Amsterdam 
      Exchanges) een aandeel  Philips gekocht voor 
     
130 (=oud getal).  De koersen op de beurs staan
      sinds 1-1-99 genoteerd in euro's.  Een paar weken later kijkt 
      hij op de beurspagina van zijn krant en ziet dat de koers 
      inmiddels is gestegen naar
149,50 (=nieuw getal) .

 ¨     Bereken de procentuele stijging van de koers.  

b.  Als gevolg van concurrentie op de telecom-markt heeft KPN 
     haar telefoontarieven over de afgelopen jaren verlaagd van 
     6 eurocent per minuut naar 2,2 eurocent per minuut.

 ¨     Bereken de procentuele daling van het tarief.
 ¨    Stel dat je een telefoongesprek voert van 3 minuten en 12 
        seconden. KPN berekent een starttarief van 5 eurocent en  
        je betaalt per seconde. Hoeveel procent goedkoper is dit 
        gesprek geworden ?

 c.  Volgens het CBS is de geregistreerde werkloosheid in 
      Nederland gedaald van 475.000 in 1995 naar 220.000 in 
      1999.

¨     Bereken de procentuele daling.

d.  Door de toegenomen wereldhandel zijn steeds meer landen lid geworden
van de WTO  (World Trade Organization).  Uit een publicatie van dit
VN-orgaan waren er in 1980 85 landen lid en in 1999 134 landen.

¨     Hoeveel procent meer landen zijn lid in 1999 dan 1980 ?                  
                                                                                                                 
 
                                                               Antwoorden  
        
                              
 
IV   Groeifactoren  

 Algemene regelAls iets stijgt met bijvoorbeeld 4%, dan is 
                                  de groeifactor 1,04.

 a.  Claudia S. heeft door haar modellenwerk een flink 
      vermogen van 
720.000,- opgebouwd.  Als ze dit bedrag 
      op een bankrekening zet, ontvangt ze 4% intrest per jaar.

¨     Hoeveel rente ontvangt ze ná een jaar en welk bedrag staat  
 op haar rekening als ze de rente niet opneemt ?

¨     Bereken dit totaalbedrag m.b.v. de groeifactor.

¨     Gebruik de groeifactor om uit te rekenen hoeveel vermogen 
       ze heeft ná 3 jaar (ze neemt de rente niet op).  

b.  Met een agressief marketingbeleid verwacht een nieuwe 
     toetreder op de telecom-markt haar huidige omzet van 
    
260 mln in de komende 4 jaar jaarlijks te kunnen laten 
     groeien met 12%.

¨     Bereken de verwachte omzet over 4 jaar.  Gebruik de 
 groeifactor.

c.  Veronderstel de volgende gegevens:
      § Totale wereldhandel:  1.000 geldeenheden
      § Aandeel Land X in wereldhandel: 4%
      § Jaarlijkse groei wereldhandel in de komende 10 jaar: 8%
      § Jaarlijkse groei van handel van Land X met de wereld in  
         de komende 10 jaar: 5%

 ¨  Bereken het procentueel aandeel van Land X in de wereldhandel over 10 jaar.  Gebruik groeifactoren.  
         TIP:  Dit is een voorbeeld van een opgave die je niet 
                   zomaar in één keer kan oplossen.  Probeer eens 
                  een boomdiagram te maken: bovenaan schrijf  je
                   op wat je wil berekenen:

 Procentueel aandeel van Land X in wereldhandel ná 10 jaar. 

                  Dan schrijf je op welke gegevens je nodig hebt voor 
                  de twee onderdelen van de breuk:

 (Handel Land X met de wereld ná 10jaar/Wereldhandel ná 10 jaar) x 100

           en zo splits je de gewenste informatie steeds verder uit.

 

Dezelfde rekentechniek kan worden toegepast als een getal toeneemt (stijgt) of afneemt (daalt) met een bepaald percentage.

d.  De prijs van een artikel ( 8,-) neemt toe met 0,5%.

¨ Bereken de nieuwe prijs.

e.  De koers van een aandeel ( 54,-) is gedaald met 10%.

¨  Bereken de nieuwe koers.  Let op !  Maak ook nu gebruik 
     van slechts één rekenkundige bewerking.
 

                                                                                                            Antwoorden                                       

 

V   Procenten boven en onder 't honderd  

a.  Een PC kost 1.200,- exclusief 19% BTW.
     Bereken de prijs inclusief BTW.

 LET OP !

b.  Een ander model PC kost  1.520,- inclusief 19%.
     Bereken de prijs exclusief BTW.  
      TIP:  Je mag niet 19% nemen van 
1.520,- en dat eraf 
              halen.  Die 19% zit er al in en dan zou je dus 19% 
              nemen van 19%: dubbel op.
              Een percentage zoals 19% wordt altijd ergens van  
              genomen; dat getal is dan altijd 100%.  Hier is dat het 
              bedrag exclusief.  Het bedrag inclusief is dan             
              gelijk te stellen aan 119%. 
 Zie antwoord voor bijbehorend schema.
    Antwoorden

c.  Een walkman kost  95,20 incl. 19% BTW.  Bereken de  
     BTW.

d.  Op een lening is na vijftien jaar 40% afgelost.  Van het 
     geleende bedrag moet dan nog 
90.000,- worden afgelost.
     Bereken het oorspronkelijke bedrag van de lening.

e.  Bij de productie van zonnecellen voor zonnecollectoren 
     wordt gemiddeld 10% van de cellen afgekeurd.
     Hoeveel cellen moeten gemiddeld geproduceerd worden  
     voor een productie van 315.000 goedgekeurde cellen ?

f.  Bij het maken van een galajurk vindt gemiddeld 6% 
    snijverlies plaats.  In de jurk zit 3 m3 stof verwerkt.
    Bereken het snijverlies

g.  De winst van NS Reizigers is in 1999 met 20% 
     afgenomen tot  
132 mln. Met hoeveel euro is de winst 
     afgenomen ?

f.  De totale consumptie in Nederland steeg in 1996 met 5,6%  
    ten opzichte van 1995 tot
154,5 mld.  Bereken de totale 
    consumptie in 1995.
                                                                               Antwoorden                    
 

VI   Percentages en procentpunten  

Procentpunten zijn de stappen tussen twee percentages.
Voorbeeld:  Bij een aankondiging van een rente verandering zie je vaak in de krant staan dat de rente verhoogd is met 1% van 4% naar 5%.  Dit is 1 procentpunt stijging en 25 procent stijging.

 a.  De inkomsten van een middelbare scholier stegen in 1998 
      met 8% en in 1999 met 12%.

¨     Met hoeveel procent zijn de inkomsten in 1999 meer 
 gestegen dan in 1998 ?

¨    Met hoeveel procentpunten  zijn de inkomsten in 1999 
       meer gestegen dan in 1998 ?

b.  De stijging van de koers van een aandeel vertoont het 
     volgende beeld: in 1998 een stijging van 20% en in 1999 een 
     stijging van 25%.
     Met hoeveel procent is de koers meer gestegen in 1999 ? 
     En met hoeveel procentpunten ?

c.  In een land was de inflatie vorig jaar 15% en dit jaar 25%.
     Met hoeveel procent is de inflatie gestegen ?
    
En met hoeveel procentpunten ?
 
                                                                                                                  
                                                                                                                         
Antwoorden          
                               
 

VII   De EURO  

Op 1 januari 1999 werd de euro de officiële munt in de 11 lidstaten van de EMU (Economische en Monetaire Unie). 
De vaste omrekenkoersen van de euro ten opzichte van de valuta  van de EMU-landen werden toen vastgesteld.
Voor Nederland is deze koers:  1 euro = 2,20371 gulden.
De nationale munten zijn "verschijningsvormen" van de euro. 

Op die datum werd de girale euro ingevoerd, vooral voor het zakelijk en interbancair verkeer.  Ook de koersen op de effectenbeurzen zijn toen omgezet in euro's.

Vanaf 1 januari 2002 werden in alle EMU-landen
(nu 12 landen) eurobankbiljetten en euromunten in omloop gebracht (E-day). 
Dat was de start van de duale fase, waarin zowel met de euro als de nationale munt kon worden betaald.  De EMU-landen streefden naar een zo kort mogelijke duale fase:
in Nederland 4 weken (tot 28 januari).

Op 1 juli 2002 waren de EMU-valuta niet langer wettig betaalmiddel.

 

VAN EURO NAAR GULDEN

-  Vermenigvuldig met de officiële koers
-  Om een schatting te maken kunnen we ook: maal 2 plus 10%

Bereken de bijbehorende guldensbedragen.  Schrijf eerst je schatting op.

a.  10,-
b. 
75,-
c. 
4.500,-
d.  0,25

VAN GULDEN NAAR EURO

-  Delen door de officiële koers.

Bereken de bijbehorende eurobedragen.

e.  f 12,- 
f.   f 150,-
g.  f 3.750,-
h.  f 0,50

i.  Stel dat de /$ koers is: 0,9875.  Dus 1 euro = 0,9875 dollar. 
    De import prijs van een Jeep Cherokee is $ 35,500.-.  
   
Hoeveel kost deze auto omgerekend in "oude" guldens ?  

TIP:  de koers van valuta 1 (de ) staat vermeld in termen van 
          valuta 2 (de $).  Als je zo als hier, valuta 2 (de $) eerst  
          moet omrekenen in valuta 1 dan ga je delen.  
          Vervolgens moet je werken met een bedrag in valuta 1 
          (de ) om aan het guldens  antwoord te komen; dan moet 
          je vermenigvuldigen met de koers.

j.  Jan-Jaap spaart voor een vakantie in de VS.  Hij heeft 
    inmiddels
€ 2.250,- staan op zijn spaarrekening.
   
Hoeveel dollars kan hij daarvoor kopen ?  Koers
/$ = 1,08.  

    Bij terugkomst wisselt hij de overgebleven $ 220,- om in euro's
    tegen een koers van
€/$ = 1,12.  Hoeveel euro's ontvangt hij ?

                                                                                                              Antwoorden                                            

VIII  INDEXCIJFERS   

Indexcijfers,  waarom al die moeite ?
(Naar een idee van M. Borghols)

Indexcijfers zijn verhoudingsgetallen, net als percentages; alleen wordt een indexcijfer geschreven zonder %-teken.  Getallen hebben op zich vaak geen betekenis; pas als we ze kunnen vergelijken met andere getallen kunnen ze informatie geven.

Bijvoorbeeld:
De omzet van een groot bedrijf is gestegen met
30 mln van
300 mln naar 330 mln.  De omzet van een fitnesscentrum is met 50.000,- gestegen, van 100.000,- naar 150.000,-. 
De omzetcijfers uitgedrukt in indexcijfers zijn respectievelijk 110 en 150. We zien dan direct dat de omzet van het fitnesscentrum eigenlijk meer is gestegen dan de omzet van het grote bedrijf: 50% versus 10%.

HET BEREKENEN VAN INDEXCIJFERS

Formule:  Indexcijfer jaar x  =  getal jaar x       . 100
                                               getal basisjaar  

Het indexcijfer van het basisjaar is 100.  We drukken dus alle andere getallen uit in procenten van het basisjaar. 
(In plaats van een jaar kan ook een ander gegeven als basis   
  dienen.)

a.  Het volgende overzicht toont de ontwikkeling van het BBP 
     (bruto binnenlands product) van Nederland voor de jaren 
     1995 t/m 1998 in miljarden guldens.
     (Het BBP is de optelsom van de waarde van alle goederen  
      en diensten die in Nederland worden geproduceerd.)

Jaar

1995

1996

1997

1998

BBP

302

315

330

352

Index

 

100

 

 

*  Bereken de ontbrekende indexcijfers (1996=100).  Rond af op 1 decimaal.

*  Met hoeveel procent is het BBP gestegen in 1998 t.o.v. 1996 ?

*  Met hoeveel procent is het BBP gestegen in 1998 t.o.v. 1997 ?  
    Let op !  Je mag nu niet de twee indexcijfers van elkaar 
    afhalen !  Probeer eens de formule voor een procentuele 
    verandering.

b.  Stel dat het basisjaar wordt verlegd naar 1995.  Dus nu is 
     1995 = 100. Herberekenen wordt vaak gedaan als het 
     basisjaar te ver in het verleden ligt.

*  Herbereken de indexcijfers door gebruik te maken van de 
    indexcijfers die je hebt berekend bij vraag a.  (1996=100). 
    TIP:  het berekenen van indexcijfers van indexcijfers is 
              precies hetzelfde als het berekenen van bedragen.
*  Controleer of de nieuwe reeks indexcijfers kloppen door ze te 
    berekenen aan de hand van de BBP cijfers.

VAN INDEXCIJFER NAAR GETAL

c.  De volgende tabel toont de ontwikkeling van de Nederlandse 
     goederenuitvoer in indexcijfers.  Het basisjaar is 1995.
     Toen bedroeg de goederenuitvoer
127,7 mld.

Jaar 1990 1995 1996 1997 1998
Index 84 100 105 116 121
Goederenuitvoer in mld euro's   127,7       

*  Bereken de bedragen van de goederenuitvoer.
*  De uitvoer van diensten bedroeg in 1998 € 47,7 mld.
    Het indexcijfer voor dat jaar is 136.  Bereken de waarde van 
    de dienstenuitvoer voor 1997 (index 131).
 
                                                                                                                
Antwoorden                                             

IX  DE CONSUMENTENPRIJSINDEX  (CPI)   

Net als voor het BBP en de uitvoer, kunnen we ook indexcijfers berekenen voor prijzen van goederen en diensten.

a.  In de volgende tabel zien we de prijsontwikkeling van een 
     spijkerbroek.

Jaar 1996 1997 1998 1999
Prijs spijkerbroek € 25,- € 26,- € 28,- € 30,-
Prijsindex 100      

*  Bereken de prijsindexcijfers.
*  Met hoeveel procent is het artikel in prijs gestegen in de 
    periode 1996 t/m 1999 ?
    Maak gebruik van de indexcijfers.

 

Het CBS berekent elk jaar de gemiddelde prijsverandering van alle goederen en diensten die huishoudens aanschaffen.
Dit cijfer heet de consumentenprijsindex (CPI).  De CPI geeft een goed beeld van de inflatie.  Om de CPI te berekenen maakt het CBS gebruik van wegingsfactoren.  Om de gemiddelde prijsstijging te berekenen kun je namelijk niet de prijsstijging van alle goederen optellen en dan delen door het aantal goederensoorten. 
De prijsstijging van sommige goederen is belangrijker dan van andere goederen.
We geven van ons inkomen namelijk meer uit aan bepaalde goederen; een prijsstijging komt dan veel harder aan.  De volgende opdrachten laten zien hoe het wel moet worden berekend.

b. 

Artikelgroep: Prijsindex 1985 Prijsindex 1995
Voeding 100 120
Kranten. boeken e.d. 100 180


*  Leg uit waarom het gemiddelde prijsindexcijfer NIET is:
                                                                                                                 
120 + 180
= 150
 2       
                                                                                                  

c.  Stel dat de bevolking voor 90 mln aan voedsel uitgeeft en
    10 mln aan kranten. De totale uitgaven bedragen dus
    100 mln.
*  Bereken de procentuele aandelen van de twee uitgaven 
    categorieën.

De procentuele aandelen die je hebt berekend noemen we wegingsfactoren.  Ze geven aan hoe zwaar een bepaald artikelgroep meeweegt in de totale uitgaven.

*  Gebruik nu de twee wegingsfactoren om het gemiddelde 
    prijsindexcijfer op een juiste manier te berekenen.

   
TIP: plak de wegingsfactoren aan de indexcijfers; zet de 
            percentages eventueel om in decimale getallen.                 Antwoorden

Het prijsindexcijfer dat je hebt berekend is een samengesteld gewogen   prijsindexcijfer.
Samengesteld:  meerdere uitgaven categorieën
Gewogen: elke categorie krijgt een eigen weging

d. Nu aan de slag met echte cijfers.  Bekijk de volgende tabel uit 
    het Statistisch Jaarboek van het CBS.

Prijsindexcijfers Nederland voor 1997 en 1998

Artikelgroep

Wegingsfactor1.

Prijsindex 1997 2

Prijsindex 1998 2

Procentuele mutatie

 

Voedingsmiddelen en alcoholvrije dranken

 

13,7

 

101,5

 

103,7

 

Alcoholhoudende dranken en tabak

4,0

104,4

108,1

 

Kleding en schoeisel

6,1

101,2

104

 

Huisvesting, water, elektriciteit, gas

26,8

109,3

112,7

 

Stoffering, huis- houdelijke apparaten 

8,0

100

101,4

 

Gezondheid

0,5

103,8

104,2

 

Vervoer

 

10,7

103,2

103,5

 

Communicatie

 

1,9

109,1

110,1

 

Recreatie en cultuur

 

11,3

101,1

102,1

 

Onderwijs

 

0,4

104,8

107,8

 

Hotels, café's, restaurants

5,5

104,9

106,8

 

Diverse goederen en diensten

6,3

101,2

102,4

 

Consumptiegebonden belastingen en overheidsdiensten

4,8

105,2

106,8

 

TOTAAL

100

 

 

 

1.  Wegingsfactoren in procenten van de totale consumptieve     
     gezinsuitgaven in 1995 (exclusief uitgaven voor 
     ziektekostenverzekeringen).
2. 1995 = 100

*  Bereken het CPI voor 1997 en 1998 en schrijf op in rij totaal.
*  Met hoeveel procent zijn de prijzen in 1998 gestegen t.o.v. 
    1997 ?  Schrijf op in rij totaal, laatste kolom.
*  Bereken per artikelgroep de procentuele prijsmutatie 
    (=verandering) in 1998 t.o.v. 1997 en noteer in laatste kolom.
*  Hoeveel bedraagt de gemiddelde prijsmutatie van de 
    artikelgroepen ?
*  Welk artikelgroep vertoont de hoogste prijsstijging in 1998 ?  
    En de laagste ?
*  Leg uit of deze artikelgroepen veel  invloed hebben gehad op 
    het CPI van 1998.           
                                                                    
                                                                             Antwoorden    
                           

X  OVER NOMINAAL EN REËEL 

a.  Zet de volgende woorden in de tekst:

     reëel, prijsinflatie, nominale, goederen, rijker, 
     prijzen

Iedereen weet dat de koopkracht van het inkomen daalt als er _a___  is.  Met 100,- kun je nu veel minder  __b___en diensten kopen dan 50 jaar geleden.  Er is dus sprake van geldontwaarding.  Toch zijn we allemaal "__c__" dan 50 jaar terug.  De inkomens zijn nog meer gestegen dan de __d___.  Maar hoeveel zijn we er nou  __e__      (in echte goederen en diensten = koopkracht) op vooruit gegaan?  Dat kunnen we berekenen door de   __f__ inkomens (in geldbedragen) te corrigeren voor prijsinflatie.
 

b.  Nu volgt een uitgewerkt voorbeeld.

Stel dat we een eenvoudige economie hebben waarin slechts 1 soort artikel X wordt gemaakt.  De prijs hiervan is 2,-.  Het inkomen dat we hebben te besteden bedraagt 100,-  Hoeveel artikelen kan ik dan kopen ? 
Eenvoudig: 100,- = 50 stuks.
                   2
De koopkracht van mijn nominaal inkomen komt overeen met 50 stuks X.
Stel dat de prijs van artikel X met 25% stijgt, terwijl mijn inkomen nominaal hetzelfde blijft
( 100,-). 
Reëel
(in koopkracht) ben ik er dan op achteruit gegaan.

Bekijk de volgende symbolen en de bijbehorende tabel gebaseerd op het 
voorbeeld hierboven:           

Yn   = nominaal inkomen
Yr   = reëel inkomen
p    = prijs van artikel X
q    = aantal gekochte stuks X

Jaar Yn   p q Yr
1 100,- 2,- 50 100,-
2 100,- 2,50 40 80,-

€ 80,- reëel inkomen in jaar 2 is berekend door de 40 stuks die je nog maar kan kopen in jaar 2  te vermenigvuldigen met de prijs uit jaar 1: 40 x € 2,- = € 80,-. Dit is het inkomen uitgedrukt in koopkracht guldens van jaar 1. 

 ¨     Vul in:

 In jaar 2 kan ik __a___ stuks X minder kopen, terwijl  
 mijn_b___ inkomen (    c         ) hetzelfde is gebleven. 
Het __d___ inkomen in jaar 2 is dus minder dan in jaar 1.  Als ik mijn inkomen van jaar 2 zou uitrekenen in
koopkracht euro's van jaar 1 dan is mijn __e____ inkomen dus eigenlijk maar 
___f____.


                                                                                             Antwoorden

Het reëel inkomen kan ook worden uitgerekend via het prijsindexcijfer.  In het vorige voorbeeld zijn de prijzen gestegen met 25% : ( 2,50- - 2,-)/ 2,- x 100.  Het prijsindexcijfer met het vorige jaar (= jaar 1) als basis is 125:   2,50 x 100.
 
                                                                                                        2,-
Het reëel inkomen is dan:
100,- x 100 = 80,-
                                            125                                                    

 Algemene regel:            Yn          x  100  = Yr
                                             
prijsindex                                           

of als alle gegevens in indexcijfers staan: 
          

    Indexcijfer nominaal inkomen  x  100  =  Index reëel inkomen
                     Prijsindex 

¨     Stel het nominaal inkomen bedraagt 38.000,-, terwijl  
 de prijzen met 4% zijn gestegen.  Bereken het   
 bijbehorende reëel inkomen.

    ¨    Vul de volgende tabel in:  

Jaar 1 2 3
Prijsindex 100 110 115
Index nominaal inkomen 100 107 120
Index reëel inkomen 100    

 ¨     Met hoeveel procent is het nominaal inkomen in totaal 
        gestegen ? En hoeveel is het gestegen van jaar 1 op
        jaar 2 ?
        En van jaar 2 op jaar 3 ? 

 ¨   Met hoeveel procent is het reëel inkomen in totaal 
       gestegen ? En hoeveel is het veranderd van jaar 1 op
       jaar 2?
      
En van jaar 2 op jaar 3 ?

 ¨     Stel dat het nominaal inkomen stijgt met 4% terwijl de 
       prijzen stijgen met 8%.   
       
Hoeveel procent is men er dan reëel op achteruit gegaan ? 
        TIP: zet de percentages om in indexcijfers en zie dat het 
       antwoord niet 4% is.

¨    
Geef zelf een definitie van de begrippen nominaal en reëel.

                                                                            Antwoorden                                     
 

XI  BEREKENINGEN MET TWEE PROCENTUELE VERANDERINGEN

De omzet van een bedrijf is te berekenen door de prijs te vermenigvuldigen met de afzet: p x q.  Omzetveranderingen kunnen dus veroorzaakt worden door zowel een prijs- als een afzetverandering.

a.  Prijs, afzet en omzet    

*  Vul de volgende tabel in:

periode prijs afzet omzet
1 2,- 5  
2   € 2,20 5  
3 2,- 5,50  
4  € 2,20 5,50  

*  Als de prijs en de afzet beide met 10% stijgen, met hoeveel 
    procent denk je dat de  omzet dan stijgt ? 
    Klopt dat met de procentuele stijging van de omzet in 
    periode 4  t.o.v.  periode 1. ?

*  Vul nu de volgende tabel in.  Bereken de procentuele 
    veranderingen telkens ten opzichte van de prijs, afzet en 
    omzet van periode 1.

periode procentuele prijsverandering procentuele hoeveelheidsverandering procentuele omzetverandering
2      
3      
4      

Kennelijk leidt dus een prijsstijging van 10% en een afzetstijging van 10% NIET tot een omzetstijging van 20% !

Als we de procentuele veranderingen in indexcijfers noteren kunnen we op een eenvoudige manier toch de juiste totale procentuele verandering berekenen.

De procentuele omzetverandering van periode 4 wordt dan als volgt berekend:

   prijsindexcijfer   indexcijfer afzet   indexcijfer omzet 
                       
                  
\              /             /         
              
110 x 110   =    121     --  (121 - 100 = 21)
                  100

De omzet is gestegen met 21% en niet met 10% + 10% = 20% !
Dezelfde rekentechniek kan worden toegepast als twee procentuele veranderingen op elkaar moeten worden gedeeld.
                                                                                                                                  Antwoorden

b.  De Arbeidsproductiviteit     

De apt is de productie per werknemer per tijdseenheid:          
         productie              
        aantal werknemers

*  Vul de volgende tabel in.

Periode Totale productie Aantal werknemers apt
1 100,- 10  
2 110,- 11  
3 125,- 12  
4 120,- 13  

*  Vul nu de volgende tabel in.  Bereken de procentuele 
    veranderingen telkens ten opzichte van de productie, aantal 
    werknemers en apt van periode 1.

Periode Procentuele productie verandering Procentuele verandering aantal werknemers Procentuele verandering apt
2      
3      
4      


*  Bereken de indexcijfers voor de productie, aantal werknemers 
    en apt met periode 1 als basis (=100).  Maak gebruik van de 
    vorige tabel.

Periode  Indexcijfer 
  productie
 Indexcijfer aantal   
  werknemers
   Indexcijfer apt
1 100 100 100
2      
3      
4      

*  Bereken nu het indexcijfer voor de apt aan de hand van de 
    indexcijfers van de productie en het aantal werknemers uit 
   de vorige tabel.  Maak gebruik van de formule bovenaan.  
   Vermeld de berekening.

Periode Berekening Indexcijfer apt
2    
3    
4    


¨   Vul in:  als de productie procentueel meer stijgt dan het aantal werknemers, dan______  de apt.

¨  Leg uit zonder berekening wat er met de werkgelegenheid 
     gebeurt als de apt met 10% stijgt, terwijl de productie 
     constant blijft.
                                                                                                                  

                                                                                                                                                Antwoorden

c.  De loonkosten per eenheid product. 

¨     Schrijf de algemene berekening op voor de loonkosten per 
      eenheid product. Maak gebruik van de begrippen:
      totale loonkosten en totale productie in stuks.

¨    Stel dat zowel de totale loonkosten als de totale productie 
       met 10% stijgen.  Met hoeveel procent stijgen dan de 
       loonkosten per eenheid product ?

¨    Schrijf de algemene berekening op voor de loonkosten per 
       eenheid product, maar maak  nu gebruik van de begrippen: 
       loonkosten per werknemer en apt.

¨    Stel dat de loonkosten per werknemer stijgen met 10% en 
       de apt met 20%.  Bereken de procentuele verandering van 
       de loonkosten per eenheid product.
        Tip:  gebruik indexcijfers, net als in de oefeningen bij 
                  onderdeel b.
  

¨    
De loonkosten per eenheid product zijn van invloed op de 
        concurrentiepositie van Nederland t.o.v. het buitenland.  
       
Leg uit.

¨     Heeft een stijging van de loonkosten per werknemer altijd 
        een nadelige invloed op de Nederlandse concurrentie- 
        positie ?  Leg uit.

¨     De lonen zijn nu vele malen hoger dan 50 jaar geleden.
        Welke oorzaken kun je daarvoor bedenken ?

                                                                                                                Antwoorden                                      

 

 

 

 

 

 




 

 

 

 

ANTWOORDEN  

I  Afronden  

a.  102,4  
b.    88,8  
c.    25,4
(dus alleen naar het 2e cijfer achter de komma kijken) 
d.  204,0 (op 1 decimaal nauwkeurig: dus ook de 0 opschrijven)
e.
4.700,-  
f. 
52.500,-
g. 
8.800,-  
h. 
108.300,-                                                                                 terug naar opgave

II  Procenten                                                                                                

a.  (€ 3,75 x 4 uur x 27) x 36% = € 145,80

b.  Inkoopwaarde omzet:  570 mln x 60% = 342,- 
     
     Overige kosten:  570 mln x 25% = 142,5 mln
    
      Totale opbrengst - Totale kosten = Nettowinst
    
      570 mln - ( 342 mln + 142,5 mln) = 85,5 mln

 

c.  C:  $ 920 mld x 75% = $ 690 mld  I: $ 138 mld 
                 O: $ 92 mld   
                                                   
                      
                                                                                                                               
terug naar opgave

d. Kleding: € 30,-/€ 125,- x 100 = 24%  
            /  betekent delen door                                                                                    

     Uitgaan:  48%
     Sport:     16%
     Overige: 12%                 Het totaal moet weer 100% zijn.

e.  Totale omzet van alle divisies: € 29,4 mld
     
     Verlichting: 5 mld/f 29,4 mld x 100 = 17%
     
     Consumentenproducten:  36,7%
     Componenten: 23,1%
     Prof. producten:  20,4%
     Diversen:  2,7%

f.  Totale goederenexport = 142,5 mld
    
    Voeding:  21,1 mld/€ 142,5 mld x 100 = 14,8%
    
    Chemie:  16,6%
    Machines:  23,6%

     Goederenuitvoerquote: 
                   € 142,5 mld/
€ 288,2 mld x 100 = 49,4%
    
    Een hoge uitvoer- en invoerquote geven aan dat er relatief 
    (t.o.v. de totale productie) veel transacties zijn met het 
    buitenland: dus een open economie.                       
      terug naar opgave

III  Procentuele veranderingen 

a. ( 149,50 - 130,-)/ 130,-  x 100 = 15%   Wat je ook kan 
    doen is het nieuwe getal in procenten van het oude getal 
    uitrekenen; het oude getal is dan het basisgegeven(100).
  
       149,50/ 130,- x 100 = 115%      115% - 100% = 15%.

b.  (2,2 - 6)/6 x 100 = - 63,3%         Zie wat concurrentie teweeg  
                               kan brengen op een markt waar KPN   
                               voorheen een monopolist was. 

     Oud:  5 cent + (3 x 6 cent) + (12/60 seconden per minuut) 
                         maal 6 cent = 24,2 cent

   Nieuw:  5 cent + (3 x 2,2 cent) + (12/60 x 2,2 cent) = 12 cent

    (12 cent - 24,2 cent)/24,2 cent x 100 = - 50,4%

c.  (220.000 - 475.000)/475.000 x 100 = - 53,7%

d.  (134 - 85)/85 x 100 = 57,6%                                                                   terug naar opgave

 

IV  Groeifactoren   

a. * Rente:  720.000,- x 4% = 28.800,-
Totaal bedrag op rekening:  720.000,- + 28.800,- = 748.800,-

 *   720.000,- x 1,04 = 748.800,-

 *   720.000,- x 1,04 x 1,04 x 1,04 =  720.000,- x 1,043  = 809.902,08

b.  260 mln x 1,124 = 409,1 mln

c.  Boomdiagram om uit te zoeken welke berekeningen je moet 
     uitvoeren.

 

Het boomdiagram stel je op van boven naar beneden.
Invullen met gegevens gaat net anders om: van benden naar boven:
Handel Land X nu: 1.000 x 4% = 40  Ná 10 jaar: 40 x 1,0510 = 65,2
Wereldhandel ná 10 jaar: 1.000 x 1,0810 = 2.158,9
Aandeel Land X in wereldhandel ná 10 jaar:  65,2/2.158,9 x 100 = 3%

Kennelijk is het aandeel van Land X gedaald, ondanks de groei van 5%.  Maar de totale wereldhandel is nog sneller gegroeid met 8%.  Land X heeft deze groei niet kunnen bijbenen en heeft daardoor marktaandeel verloren. Haar producten waren kennelijk niet concurrerend genoeg.  

d.  € 8,- x 1,005 = € 8,04

e.  € 54,- x 0,90 = € 48,60  (Er is hier sprake van een daling van 10%: van 100% naar 90%.) 

                                                                                                                                        terug naar opgave

V  PROCENTEN BOVEN EN ONDER 't HONDERD   

a.  1.200,- x 1,19 = € 1.428,-

b.  Schema:      Exclusief        ?                 100  %
                        BTW                     +        19%   +
                        Inclusief    1.520,-           119%        
  
 
Koppel bekend bedrag en percentage aan elkaar.
                                                                                             

    
Berekening:  € 1.520,-  x 100 = 1.277,31             
terug naar opgave
                             119

c.  Schema:      Exclusief                            100  %         
                        BTW          ?           +        19%   +
                        Inclusief      95,20             119% 

   Berekening:  € 95,20-  x 19 = 15,20
                             119

d.  Schema:       Lening           ?                100  %
                        Aflossing               -         40  % -
                        Restant       90.000,-         60  %  

     Berekening:  € 90.000,- x 100 = 150.000,-
                                60

e.  Schema:       Geproduceerd       ?                 100  %
                        Afgekeurd        -                -        10   %  
                        Goedgekeurd     315.000          90  %

      Berekening:  315.000 x 100 = 350.000
                               90

      Als je had moeten uitrekenen hoeveel afgekeurde producten 
    er waren dan:
                              315.000 x 10 = 35.000
                                   90

     CONCLUSIE:  koppel bedrag aan percentage ernaast 
   en dan maal het percentage waar het vraagteken bij 
   staat.

 

f.  Schema:    Benodigde stof                          100%
                       Snijverlies    -           ?        -       6% -
                      Stof in jurk               3m2           94% 

     Berekening:  3m2     x 6 = 0,19 m2
                          94

g.  Schema:      Winst '98                    100  %
                        Afname     ?      -       20%   -
                        Winst '99  132             80 %  

     Berekening:  € 132 mln x 20 = € 33 mln
                                80

h.  Schema:       C '95               ?                 100  %
                        Toename                +          5,6 %   +
                        C '96           € 154,5             105,6 % 

Berekening:  € 154,5 mld  x 100 =  € 146,3 mld
                             105,6
                                                                                              

                                                                                                                             terug naar opgave
                                

VI  PERCENTAGES EN PROCENTPUNTEN 

a.  12 - 8 x 100 = 50%     Dus gewoon nieuw - oud x 100
          8                                                oud
     12% - 8% = 4 procentpunten

b.  25 - 20 x 100 = 25%
           20
      25% - 20% = 5 procentpunten

c.  25 - 15 x 100 = 66,67%
        15
     25% - 15% = 10 procentpunten 
                                                                terug naar opgave

VII  DE EURO 

a.  € 10,- x 2,20371 = f 22,04   b.  f 165,28  c.  f 9.916,70 

d.  f 0,55
  e.  f 12,-/2,20371 = € 5,45  f.  € 68,07  g.  € 1.701,68  

h. € 0,23
  

i.  $ 35,500.-/0,9875 = € 35.949,37 ...x 2,20371 = f 79.221,99

j.  € 2.250,- x 1,08 = $ 2.430,-  en $ 220,-/1,12 = € 196,43  

                                                                                                                                                                     
                                                                                                         
 
terug naar opgave

VIII   INDEXCIJFERS 

a.  * 1995:  302/315 x 100 = 95,9 
        1997
:  330/315 x 100 = 104,8  
        1998: 352/315 x 100 = 111,7

    

     *  (111,7 - 100)/100 x 100 = 11,7% 
         Alleen t.o.v. het basisjaar (=100) zouden we ook:
                              111,7 - 100 = 11,7%
     
    *  (111,7 - 104,8)/104,8 x 100 = 6,6%

b.  1996:  100/95,9 x 100 = 104,3 
     1997: 104,8/95,9 x 100 = 109,3  
     1998: 111,7/95,9 x 100 = 116,5

c.  *  1990: 84% x  127,7 mld = 107,3 mld  
        1996
105% x
127,7 mld = 134,1 mld
        1997:
148,1 mld
        1998:
154,5 mld

     * 
€ 47,7 mld x 131 = 45,9 mld
           136           
                                                             
terug naar opgave                         

IX  DE CONSUMENTENPRIJSINDEX  (CPI) 

a.  *  1997: 104   1998: 112   1999: 120
     *  (120 - 100)/100 = 20%
     * (120 - 112)/112 = 7,1%

b.     Je hebt dan een ongewogen gemiddelde berekend.
        Dan zou de prijsstijging van voeding even hard meetellen 
        in de berekening als kranten, terwijl een prijsstijging 
        van voeding voor de consument natuurlijk veel 
        belangrijker is dan een prijsstijging van kranten.

c.  * Voedsel:  90 mln/f 100 mln x 100 = 90% 
        Kranten e.d.:  10%

     *  (0,90 x 120) + (0,10 x 180) = 126    terug naar opgave

d.  * 1997:  (0,137 x 101,5) + (0,04 x 104,4) + ... = 104,2
         1998: (0,137 x 103,7) + (0,04 x 108,1)  +... = 106,3

     *  (106,3 - 104,2)/104,2 x 100 = 2%

     * Voeding: (103,7 - 101,5)/101,5 x 100 = 2,2%
        Alcohol:  (108,1 - 104,4)/104,4 x 100 = 3,5%       enz.

      *  Moet ook 2% bedragen.  Controle: Tel de rechter kolom 
         met procentuele mutaties bij elkaar op, maar vergeet niet 
         te wegen met de wegingsfactoren.  
      *  Drank en tabak met 3,5% en Vervoer met 0,3%.
      *  Niet echt: Drank heeft een kleine wegingsfactor en de 
          prijsstijging bij Vervoer is relatief beperkt.
                                                                        
          
terug naar opgave

X   OVER NOMINAAL EN REËEL  

a.  a. prijsinflatie  b. goederen  c. rijker  d. prijzen 
     e. reëel  f. nominale

b. *  a. 10  b. nominaal  c. 100,-  d. reëel  e. reëel  f. 80,-    terug naar opgave

     * 38.000,- x 100 = 36.538,46  (in koopkracht guldens van  
          104                                                              het jaar ervoor)

              
     * Jaar 2:  107/110 x 100 = 97,3  
       Jaar 3:  120/115 x 100 = 104,3

     * 120 - 100 = 20%  ...    107 - 100 = 7% ...
        Let op! (120 - 107)/107 x 100 = 12,1%

     * 104,3 - 100 = 4,3% 
        Kennelijk kunnen we NIET: 120 - 115 = 5% ...

       97,3 - 100 = - 2,7% ...    (104,3 - 97,3)/97,3 x 100 = 7,2% 

     * 104 x 100 = 96,3  ...     100 - 96,3 = 3,7%   
        108 

       Kennelijk kunnen we NIET: 8 - 4 = 4%

                                                                                                                                    
  terug naar opgave

XI  BEREKENINGEN MET TWEE PROC. VERANDERINGEN   

a.  *  Omzet periode 1:  2,- x 5 = 10,-   P2: 11,-  P3: 11,- 
         P4:
12,10

     *  

periode procentuele prijsverandering procentuele hoeveelheidsverandering procentuele omzetverandering
2 10% 0% 10%
3 0% 10% 10%
4 10% 10% 21%

b. *                                                                                                                        terug naar opgave

Periode Totale productie Aantal werknemers apt
1 100,- 10 10,-
2 110,- 11 10,-
3 125,- 12   € 10,42
4 120,- 13   €   9,23

*

Periode Procentuele productie verandering Procentuele verandering aantal werknemers Procentuele verandering apt
2 10% 10% 0%
3 25% 20%   4,2%
4 20% 30%  -7,7%

*

Periode Indexcijfer productie Indexcijfer aantal werknemers    Indexcijfer apt
1 100 100 100
2 110 110 100
3 125 120 104,2
4 120 130 92,3

 *  

Periode Berekening Indexcijfer apt
2 110/110 x 100  100
3 125/120 x100 104,2
4 120/130 x 100 92,3

 *  stijgt

*  Als de productie per werknemer toeneemt terwijl er niet  
    meer wordt geproduceerd, dan kan een bedrijf volstaan met 
    minder werknemers.  De werkgelegenheid daalt.

c. *  Totale loonkosten/Totale productie                        terug naar opgave                        

    *  0%   In indexcijfers: 110/110 x 100 = 100  Er vindt dus 
                geen verandering plaats.

    *  Loonkosten per werknemer/apt

    *  110/120 x 100 = 91,7    Een daling met 8,3%

    *  Een groot deel van onze productie wordt geëxporteerd  
        naar het buitenland.  Als de loonkosten per eenheid 
        product stijgen zal een onderneming haar verkoopprijzen 
        moeten verhogen als ze eenzelfde winstmarge wil 
        behouden.  Hogere verkoopprijzen betekenen een 
        verslechtering van onze concurrentiepositie t.o.v. 
        andere buitenlandse aanbieders.

   *  Hoeft niet.  Als de stijging van de apt maar gelijk op gaat 
       met de stijging van de lonen dan veranderen de loonkosten 
       per eenheid product niet.  Ook zouden producenten 
       (tijdelijk) genoegen kunnen nemen met een lagere 
       winstmarge.

   * Waarschijnlijk heb je in jouw antwoord gewezen op de 
      gevolgen van de prijsinflatie over de afgelopen 50 jaar.
      Dat klopt.  Maar evenzo belangrijk is de stijging van de 
      arbeidsproductiviteit geweest.  Daardoor zijn we, ondanks 
      de prijsinflatie, er toch reëel (dus in koopkracht) er op 
      vooruit gegaan.

                      

                                                                                                                                  terug naar opgave

terug naar EcoVaardig            naar boven