De Markt
Start Reply and Ask Economie ? EcoVaardig EcoBegrippen EcoLinks De Markt New Economy Internet

De uitgebreide tekst hieronder behandelt de werking van het marktmechanisme.  Via het marktmechanisme worden allerlei beslissingen van consumenten en producenten met elkaar in overeenstemming gebracht.  

Lees rustig het geheel door of klik op een onderwerp.

Voor een schematisch overzicht van de plaats van het marktmechanisme binnen economische systemen zie de pagina Economie ? op deze website.

 

I     Het vervullen van wensen (behoeften)

II    Het allocatievraagstuk (definities)

III   Het marktmechanisme

IV   Samenvatting functies prijsmechanisme

V    Falen van het marktmechanisme (market failure)
       A.  Monopolies
       B.  Collectieve goederen
       C.  Quasi-collectieve goederen
       D.  Merit goods
       E.  Externe effecten
       F.  Risico en onzekerheid

VI  Andere redenen voor overheidsingrijpen
      A.  Een rechtvaardiger inkomensverdeling
      B.  Verstoringen van de economie
      C.  Duurzame groei

Bronvermelding

horizontal rule

 

I   Het vervullen van wensen (behoeften)

Wensen van consumenten Producenten voorzien in die wensen via goederen en diensten
 Ik wil de laatste CD van Rapper Joe  Ik koop bij Free Record Shop
 Ik heb een nieuwe Nike T-shirt nodig  Ik koop bij Blue Wave
 Het wordt tijd voor een mobieltje  Ik koop een Nokia bij MediaMarkt
 Honger (gezond)  ½ bruin bij Luyten
 Tijd voor een scooterhelm  Halford's
 Haal je nog een krop sla voor mama  AH
 Ik wil rechte tanden  Ortho
 Het stinkt niet  Riooldienst en 
 Hoogheemraadschap
 Wat moet ik met 100,- ?  ABN*AMRO
 Uh, oooh Brand !!!!  112

Hoe komt het dat in een economie de goederen en diensten die we willen hebben ook beschikbaar zijn en nog eens in de juiste maat, kleur, hoeveelheid, plaats ... ?
Is er dan een alwetend opperhoofd die opdracht geeft aan de producenten om de producten te maken die wij graag willen ?
                                                   NEE ! 

Hoe vindt dan de communicatie plaats tussen miljoenen consumenten en honderdduizenden producenten ?
                               
                             
Via het marktmechanisme.

Al in 1776 schreef de Schotse econoom Adam Smith in zijn boek Wealth of Nations over the invisible hand of the market: de onzichtbare hand van de (abstracte) markt.

                                      Adam Smith


Op een markt komen vraag en aanbod samen en ontstaat er een prijs.  De prijzen van goederen en diensten geven informatie aan de twee partijen op een markt: de vragers en de aanbieders.  De prijs geeft de waarde van een goede weer ten opzichte van andere goederen.  Zo kunnen vragers en aanbieders bepalen of ze het de moeite waard vinden om te kopen (vragers) of te verkopen (aanbieders), of om meer/minder te gaan kopen of verkopen.


Door dit samenspel van vraag en aanbod, met prijzen als communicatiemechanisme, worden producten gemaakt waaraan behoefte is.  Prijzen en prijsveranderingen geven richting aan het productieproces, zodat meer of minder van een product gemaakt gaat worden en ook geheel nieuwe producten op de markt komen.  Allerlei individueel te nemen beslissingen van vragers en aanbieders worden door het marktmechanisme  gecoördineerd, zodat goederen en diensten kunnen worden geproduceerd in overeenstemming met de wensen.

Om in economentaal te spreken: het marktmechanisme bepaalt de allocatie van middelen: wat wordt er geproduceerd in een economie.
De individuele consumenten en producenten worden gedreven door eigen belang.
De consument wil maximaal aan zijn behoeften voldoen en de producenten zijn uit op een zo groot mogelijke winst.  De schijnbare chaos van miljoenen consumenten en producenten die allemaal uit zijn op hun eigen belang belooft niet veel goeds voor de maatschappij.
Maar, concurrentie en het marktmechanisme zorgen ervoor dat alles zodanig wordt gecoördineerd dat de welvaart van de maatschappij als geheel wordt bevorderd.

 

II   Het Allocatievraagstuk (definities)

 

Schaarste:

in de economie houdt dit begrip in dat de productiefactoren (natuur, arbeid en kapitaal) die tot onze beschikking staan niet kunnen voorzien in al onze behoeften.  Dit dwingt ons tot het maken van keuzes bij het samenstellen van het gewenste pakket goederen en diensten: meer van het één betekent immers automatisch minder van het ander.

 

Welvaart:

de mate waarin we kunnen voorzien in onze behoeften met behulp van schaarse productiefactoren.

 

Prijs:

 

 

een graadmeter voor de relatieve schaarste van een goed (of productiefactor) ten opzichte van alle andere goederen.

 

Producten:

 

voortbrengselen van het productieproces; zowel goederen als diensten.  Soms wordt alleen het woord goederen of goed gebruikt.

 

Vragers:

(potentiële) kopers op een markt.  Zowel consumenten als producenten zijn vragers; producenten kopen immers ook van elkaar.

 

Aanbieders:

(potentiële) verkopers op een markt.  Haast altijd producenten zoals ondernemingen en overheid.  Soms treden individuele particulieren op als aanbieders, zoals op de tweedehands markt of op financiële markten (spaargeld, aandelen).

 

Allocatie:

de inzet van productiefactoren (natuur, arbeid en kapitaal) in een economie voor verschillende productiemogelijkheden
(CD's, voedsel, vliegtuigen, bloemen, politie enz.)
 Dus: wat wordt er gemaakt ?

Optimale allocatie:

de samenstelling van de productie komt overeen met de wensen.

 

Allocatiemechanisme:

de manier waarop in een economie richting wordt gegeven aan de allocatie: hoe komt de allocatie tot stand ?
We onderscheiden daarbij het marktmechanisme en het budgetmechanisme.

 

Marktmechanisme:

een allocatiesysteem waarbij vraag en aanbod op een markt en de daarbij behorende prijs richting geven aan het
productieproces (the invisible hand).       
     

 

Markt:

het totaal van vraag en aanbod voor een bepaald goed of dienst.

 

Budgetmechanisme:

een allocatiesysteem waarbij via een politiek proces (stemmen in het parlement)  geld wordt toegewezen voor de productie van bepaalde goederen en diensten.

 

Gemengde economie:

een economisch systeem, zoals in Nederland en vele andere landen in de wereld, waarbij de allocatie grotendeels bepaald wordt door het marktmechanisme, maar in meer of mindere mate ook door het budgetmechanisme.

 III   Het marktmechanisme 

Hoe leidt het marktmechanisme tot optimale allocatie en dus tot maximale welvaart ?

De vraag 1.

1.  De consument kan alleen invloed uitoefenen op wat er wordt
     geproduceerd, als hij met producenten communiceert.

2.  Het communiceren verloopt via het marktmechanisme.

3.  De markt confronteert de consument met prijzen van   
     goederen en diensten, die hij moet betalen uit zijn beperkte 
     inkomen.

4.  De consument moet dus kiezen.  Op grond van een 
     vergelijking van prijzen van verschillende goederen met zijn 
     wensen, koopt hij een pakket goederen en diensten dat het 
     beste aansluit bij zijn wensen.

     Voorbeeld:  -  een Rolls-Royce wil ik wel, maar de prijs is te 
                             hoog gezien mijn andere behoeften en de 
                             prijzen van daarbij behorende goederen en  
                            
diensten.
                          -  Als cola relatief duurder wordt dan Lipton Ice, 
                             dan koop ik minder cola en meer Lipton Ice.

 
Het aanbod

5.  Door een bepaalde hoeveelheid van een goed te willen 
     kopen bij een bepaalde prijs, worden de individuele behoeften 
     van alle consumenten dus zichtbaar voor de producenten.

6.  Tegelijkertijd bepalen de producenten hoeveel ze tegen 
     welke prijs willen aanbieden.  Is de prijs gunstig en kunnen 
     ze (veel) winst maken, dan zullen ze die hoeveelheid of zelfs 
     meer willen aanbieden. 
     Is de prijs ongunstig en maken ze weinig winst of zelfs 
     verlies, dan zullen ze minder gaan aanbieden of zelfs  
    
ophouden met de productie van het goed.

7.  De winst wordt bepaald door het verschil tussen de 
     opbrengstprijzen en de prijzen van de benodigde 
     productiefactoren : loon (arbeid), pacht en grondstofprijzen  
    
(natuur) en rente (kapitaal).

8.  Concurrentie tussen aanbieders zorgt ervoor dat de 
     productie zo efficiënt mogelijk plaatsvindt (tegen de laagste 
     kosten). 
    
Overmatige winst is een signaal dat vragers veel behoefte 
     hebben aan het product.  De winst trekt nog meer 
     concurrenten aan, waardoor het aanbod toeneemt.

 De markt

9.  Op de markt wordt dus aan de ene kant zichtbaar welke prijs 
     en hoeveelheid combinaties in overeenstemming zijn met de 
     wensen van consumenten: de vraag.  Aan de andere kant 
     gaat het om de prijs/hoeveelheidscombinaties waarvoor 
     producenten  willen leveren:
het aanbod.

10.  Als de gevraagde hoeveelheid en de aangeboden 
       hoeveelheid bij een bepaalde prijs aan elkaar gelijk zijn, 
       dan is voldaan aan zowel de wensen van de consumenten 
       als  aan die van de producenten: de markt is in evenwicht
       Als dit geldt voor alle markten, dan is er sprake van 
       optimale allocatie. Op alle  markten wordt aan de 
       wensen van de consument voldaan.
      
De welvaart is optimaal.

11.  Als de vraag >aanbod (tekort) of als de vraag<aanbod 
      (overschot), dan is de markt niet in evenwicht.  De wensen 
      van consumenten en producenten komen niet overeen.
     
De prijs gaat dan stijgen of dalen en consumenten en 
      producenten passen hun gevraagde en aangeboden 
      hoeveelheid aan, waardoor de prijzen ook zullen 
      veranderen.

 12.  Deze aanpassing op de markt gaat net zo lang door totdat 
        er weer marktevenwicht  is.

Samenvattend:

13.  In de markt geven prijzen en veranderingen daarin aan 
       producenten door wat de wensen zijn van consumenten.  
      
Het marktmechanisme is dus een 
       communicatiesysteem.  Doordat consumenten en
       producenten reageren op prijzen komt een bepaalde 
       productie tot stand bestaande uit miljoenen goederen en 
       diensten.  Er komt dus een specifieke allocatie tot stand 
       zonder dat daarvoor uitdrukkelijk opdracht voor is gegeven.
       Het marktmechanisme is dus ook een
coördinatiesysteem,
       waarbij op onzichtbare wijze de productiefactoren worden 
       ingezet voor die producten waarvoor de meeste behoefte 
       bestaat. 
      
Zie hier the invisible hand of the market van Adam 
       Smith.
Laat het marktmechanisme z'n gang gaan en we 
       krijgen een optimale welvaart.

 

IV   Samenvatting functies prijsmechanisme

Omdat prijzen zo'n belangrijke rol spelen in het marktmechanisme, volgt hier een opsomming van hun functies:

1.  Aangeven via prijzen wat de schaarsteverhoudingen zijn 
     tussen producten onderling en van de productiefactoren 
     nodig om de producten te maken.

2.  Coördinatie van het economisch proces, zowel op 
     deelmarkten als tussen deelmarkten en op internationaal 
     niveau. Het prijsmechanisme verzorgt de allocatie en de 
     primaire verdeling van het inkomen van 
     productiefactoren.

3.  Communicatiesysteem tussen vragers en aanbieders.
     De informatie over relatieve schaarste die prijzen geven, 
     maakt optimale vraag- en aanbodbeslissingen mogelijk.  

4.  Stimulans tot aanpassing van de productie aan 
     veranderingen in vraag en aanbod.

 

V   Falen van het marktmechanisme (market failure)

Als het marktmechanisme zoals hierboven omschreven feilloos werkt, zou er sprake zijn van een perfecte economie.  Volgens de theorie zal het marktmechanisme immers  leiden tot een optimale allocatie waarbij de wensen van de vragers overeenkomen met de wensen van de aanbieders.  Maar zoals elke theorie, is de theorie van de optimale werking van het marktmechanisme een gedeeltelijke abstractie van de economische werkelijkheid om ons heen.  Het is een manier om de ingewikkelde economie van alledag in een begrijpelijke vorm te gieten.  Een theorie is een soort tekening van de werkelijkheid en wijkt soms af van wat er echt te zien is.

Het blijkt namelijk dat het marktmechanisme op een aantal punten faalt.  Dan is er dus geen optimale welvaart meer.  In die gevallen is er een taak weggelegd voor de overheid.  Zij moet ingrijpen in het vrije marktmechanisme door regels op te stellen of zelf richting te geven aan de allocatie.  Dit doet ze door wetten aan te nemen, heffingen op te leggen, subsidies te verstrekken of zelf de productie van goederen en diensten ter hand te nemen of aan te besteden.
Een ander allocatiesysteem komt nu in werking:
het budgetmechanisme.
Onze volksvertegenwoordigers in het parlement bepalen dan gedeeltelijk welke goederen en diensten tot onze beschikking komen.

We zullen nu nader kijken naar de redenen voor overheidsingrijpen en het gebruik van het budgetmechanisme.

A.   Monopolies

Een gezonde concurrentie tussen aanbieders op de markt is nodig om de juiste producten tegen de laagst mogelijke prijs en voor de gewenste hoeveelheid en kwaliteit voor de consument beschikbaar te stellen.  Afwezigheid van concurrentie kan leiden tot een afwijking van het allocatie optimum (te hoge prijzen, te weinig aanbod en beperkte kwaliteit).
Maar, bij de productie van sommige goederen en diensten is een monopoliepositie wenselijk. "De productie van goederen zoals aardgas, elektriciteit, telefonie, spoorwegvervoer en medicijnen (patentbescherming) vinden plaats in grote productie eenheden en vergen enorme investeringen." 3.
Bijvoorbeeld: twee spoorlijnen van verschillende maatschappijen tussen Rotterdam en Amsterdam is economisch gezien niet efficiënt.  In zo'n situatie kan de overheid de productie zelf ter hand nemen of ze kan ingrijpen in de prijsvorming.
Tegenwoordig zien we echter dat op monopolie markten, concurrentie ontstaat (bijvoorbeeld, de telecommarkt).  Dit is vaak het gevolg van technologische ontwikkelingen.  Ook blijkt het mogelijk concurrentie op het netwerk van een monopolist mogelijk te maken.  De infrastructuur van het netwerk blijft dan in handen van 1 aanbieder, maar de producten die via het netwerk worden vervoerd, worden aangeboden door concurrerende aanbieders (bijvoorbeeld: elektriciteit en gas).  Wanneer er in zo'n situatie weer concurrentie mogelijk is kan de overheid zich weer terugtrekken uit de allocatie.

B.   Collectieve goederen

Een andere reden voor overheidsingrijpen in het marktmechanisme is het bestaan van collectieve goederen en diensten.  Voorbeelden hiervan zijn: defensie, dijkaanleg, preventieve gezondheidszorg, rechtspraak, politie, straatverlichting en bescherming van natuurwaarden.

Gewone private goederen komen voor jezelf ter beschikking als je ze koopt:  geen geld,  dan ook geen milkshake.  Een broodje tank uit de muur lukt niet.  Hoe koop je nou 10 seconden straatverlichting of een stuk dijk ?  Economen zeggen dan dat deze goederen niet individueel leverbaar zijn. 

Als het stuk dijk er ligt, wordt iedereen er door beschermd.  Het is bij dit soort goederen onmogelijk iemand van het gebruik ervan uit te sluiten, ook niet degene die denkt: laat iemand anders er maar voor betalen.

Toch voorzien deze collectieve goederen in behoeften, maar zonder ingrijpen van de overheid zou de productie niet plaatsvinden.  De overheid produceert deze goederen zelf of verleent opdracht daartoe.  De betaling verloopt via belastingen.

"Het kenmerk van collectieve goederen is de onmogelijkheid van uitsluiting van consumenten die niet voor de voorziening willen betalen of deze niet willen ontvangen." 4. 

C.   Quasi-collectieve goederen

Quasi betekent net als of.  Bij quasi-collectieve goederen is uitsluiting wel mogelijk. Productie via de markt zou dus kunnen.  Om de volgende redenen echter, neemt de overheid de productie zelf ter hand:

-   uitsluiting gaat gepaard met hoge uitsluitingkosten: bijvoorbeeld, tolpoorten bij elke op- en afrit van het wegennet.

-   uit oogpunt van een rechtvaardige inkomensverdeling 
    worden goederen aangeboden onder de kostprijs: 
    bijvoorbeeld, onderwijs, musea, bibliotheek, sociale 
    woningbouw, openbare zwembaden en speeltuinen, 
    kinderopvang, openbaar vervoer en huursubsidie.

-   sommige goederen bieden ook voordelen aan anderen dan de
    eigenlijke consument.  Deze voordelen komen niet tot 
    uitdrukking in het marktmechanisme. De consumptie ervan 
    moet dan extra worden gestimuleerd: bijvoorbeeld, onderwijs  
   
en kinderopvang.
  
(Zie ook E. Externe effecten)

D.   Merit goods

Merit goods zijn een aparte categorie in het pakket van goederen en diensten die de overheid voor ons regelt.  Eigenlijk is hier geen sprake van market failure, maar eerder van door de overheid gewenste goederen en diensten, de zogenaamde collectieve preferenties.  "Het gaat dan om de best mogelijke interpretatie van de preferenties van individuele burgers door volksvertegenwoordigers.  Het zijn behoeften waarin op basis van individuele voorkeuren alleen, in onvoldoende mate kan worden voorzien." 5.

Te denken valt aan: de schouwburg, musea,  onderwijs, schoolmelk, schoolzwemmen en behoud van biodiversiteit (hier is sprake van een collectief goed waarvan nuttigheid ten dele wordt opgelegd).

Het bestaan van collectieve preferenties  wordt verklaard in de economische theorie door de kennis- en informatievoorsprong van de overheid.  De overheid kan sommige van onze eigen behoeften beter inschatten dan wijzelf.  Na een leerproces zouden we de nuttigheid gaan waarderen en het goed zelf aanschaffen.

Ook kan de overheid het gebruik van goederen en diensten verbieden of afremmen d.m.v. wetgeving, heffingen en belastingen.  Denk aan drank, tabak, drugs en de verplichte bromfietshelm.

De grens met bemoeizucht is echter niet altijd scherp te trekken.

E.   Externe effecten

Bij een goede marktwerking geven prijzen richting aan de allocatie.  Het prijsmechanisme zorgt ervoor dat de gewenste goederen tegen de laagst mogelijke kosten worden voorgebracht.  Prijzen moeten dan wel een juist beeld geven van de bijbehorende kosten en opbrengsten.  Anders worden er onjuiste consumptie- en productiebeslissingen genomen.

Voorbeeld:   Het Milieu

Een papierfabrikant loost haar afvalwater in een rivier.  Stroomafwaarts pompt een tuinder water uit de rivier voor de bevloeiing van zijn tomatenteelt.  De tuinder heeft wel kostbare filters moeten installeren om het vervuilde water te schonen.
Wie betaalt nu eigenlijk voor de vervuiling ?  Precies, ....  de consument van de tomaten, en niet de consument van het papier.  Eigenlijk zijn de tomaten relatief te duur en het papier te goedkoop. 

De prijzen weerspiegelen niet de juiste kosten want ze zijn doorgeschoven naar een ander product.  In dit voorbeeld van market failure is de allocatie niet optimaal: er worden eigenlijk te weinig tomaten geteeld en er wordt te veel papier geproduceerd.  Immers, als de prijzen echt alle kosten hadden weergegeven, dan waren de tomaten lager geprijsd en het papier was duurder geworden.

Dit is een voorbeeld van een negatief extern effect bij de productie.

Voorbeeld:   Stilte

Jan-Jaap reist veel per spoor naar zijn vrienden.  Hij heeft immers een OV-jaarkaart.  Om de tijd te doden op de ellenlange, saaie trajecten heeft hij een walkman gekocht.
(JJ is niet zo'n lezer en het voorbijvliegend natuurschoon interesseert hem ook niets.) 
Hij heeft weer eens het apparaat keihard aan staan.  De medereizigers kunnen ook meegenieten.  Probleem is echter dat ze zijn 160 beats per minute niet kunnen waarderen en niet tot lezen komen.  De welvaart van de medereizigers wordt beïnvloed door de consumptie (walkman) van JJ.  Als de NS in haar treinen een walkman verbod had ingesteld, dan had JJ de walkman niet gekocht.

Kennelijk komt de prijs van de walkman niet overeen met de (immateriële) kosten die het veroorzaakt voor anderen.  De allocatie is dus weer niet optimaal: er worden eigenlijk teveel walkman's geproduceerd.

Dit is een voorbeeld van een negatief extern effect bij de consumptie.

Voorbeeld:   Het Onderwijs

Het volgen van onderwijs heeft niet alleen voordelen voor de individuele leerling, maar ook voor andere leden van de samenleving.  In een ingewikkelde maatschappij moeten mensen met elkaar samenwerken: niet alleen op economisch terrein maar ook op sociaal, politiek en cultureel gebied.  De samenwerking verloopt voor iedereen beter als de individu onderwijs heeft gevolgd.

Als onderwijs uitsluitend via privé-scholen zou worden aangeboden, dan zou de prijs eigenlijk te hoog zijn, economisch gezien.  Een deel van de "opbrengst" van het volgen van onderwijs belandt bij anderen, die jou er niet voor compenseren.  Een te hoge prijs betekent dat de vraag en de productie ten onrechte worden afgeremd: de allocatie is niet optimaal.

Het positieve extern effect van onderwijs is één van de redenen dat de overheid het onderwijs subsidieert.

Samenvattend:

"Het individuele optreden van consumenten en producenten heeft vaak gevolgen voor de welvaartspositie van anderen, waardoor hun kosten of opbrengsten beïnvloed kunnen worden.  De individuele kosten en opbrengsten wijken dan af van de maatschappelijke kosten en opbrengsten." 6.

In het geval van negatieve externe effecten bij de productie, brengt de prijs van een goed niet alle kosten tot uitdrukking.  De productie brengt kosten met zich mee die extern zijn.  Ze worden niet door de ondernemer als kosten ervaren en daardoor niet aan afnemers in rekening gebracht via de prijs.  Het zijn kosten die door derden worden gedragen. Omdat de prijs  niet alle kosten tot uitdrukking brengt is het dus te laag.  De consument betaalt niet alle kosten die hij, maatschappelijk gezien, met zijn vraag veroorzaakt.  Uit oogpunt van optimale allocatie wordt van het goed teveel geproduceerd en geconsumeerd want de consument denkt dat het goed goedkoper is dan het in werkelijkheid is.

Ook nu is het noodzakelijk dat de overheid ingrijpt.  Dat doet ze via: verboden, richtlijnen, vergunningen, heffingen, belastingen en convenanten.  Dan worden de echte kosten zichtbaar.

Dezelfde uitleg is ook van toepassing op positieve externe effecten als je kosten vervangt door opbrengsten en nog wat andere woorden vervangt.

Externe effecten worden veroorzaakt door wat economen noemen:  ongeprijsde schaarste.  Er zijn goederen die nuttig zijn, maar geen prijs hebben.   Dit komt omdat ze niet eenvoudig verhandelbaar zijn op een markt.  Vergeet daarbij niet, dat in de economie goederen alle "dingen" zijn waaraan behoefte bestaat en schaars zijn; bijvoorbeeld het milieu, stilte en slimme medeburgers.

F   Risico en onzekerheid

Sommige maatschappelijk gewenste investeringen brengen grote risico's en onzekerheden met zich mee t.a.v. de kosten en opbrengsten.  Particuliere bedrijven durven dan niet zelf de stap te zetten naar productie.  De overheid kan dan de productie zelf verrichten of het subsidiëren.  Voorbeelden hiervan zijn: de kanaaltunnel, de Betuwelijn, de Maasvlakte en wetenschappelijk onderzoek.

 

VI   Andere redenen voor overheidsingrijpen

A.   Een rechtvaardiger inkomensverdeling

Het vrije marktmechanisme leidt automatisch tot een bepaalde inkomensverdeling.  Net als de prijzen van goederen, worden de prijzen van productiefactoren zoals het loon bepaald door vraag en aanbod.

De samenleving vindt deze inkomensverdeling vaak niet rechtvaardig.  Daarom grijpt de overheid in via belastingen, uitkeringen en regelgeving (bijvoorbeeld: minimumloon).
Ook hebben we al eerder gezien dat de overheid bepaalde quasi-collectieve goederen gratis of onder de kostprijs levert vanwege een rechtvaardiger inkomensverdeling.

B.   Verstoringen van de economie

De theorie van de vrije markteconomie gaat er vanuit dat een economie in staat is zichzelf te herstellen als het niet in evenwicht is.  Een tegenvallende totale vraag van consumenten zou dus niet leiden tot langdurige werkloosheid en depressie. Prijzen passen zich aan en binnen de kortste keren draait de economie weer op volle toeren. 
In werkelijkheid leiden deze verstoringen in de economische kringloop niet of niet snel tot aanpassingen.  De overheid moet dan ingrijpen met conjunctuurbeleid.

Ook veranderingen in de vraag of het aanbod zouden soepel moeten leiden tot een andere allocatie van middelen.  Is er minder vraag naar leerkrachten, zoals in de jaren '70, dan kunnen die zo ingezet worden voor iets anders.  Gaan de scheepswerven dicht door felle concurrentie uit het buitenland, dan ontstaat er wel vervangende productie in een andere sector.
In de praktijk zijn deze structurele problemen in een economie niet snel oplosbaar.  De overheid moet dan ingrijpen met structuurbeleid.

C.   Duurzame groei

Economische beslissingen van consumenten en producenten zijn vaak gebaseerd op een korte tijdshorizon.  Maar de gevolgen van die beslissingen kunnen gevolgen hebben tot ver in de toekomst.  Het kappen van het tropisch regenwoud voldoet bijvoorbeeld aan onze huidige wensen voor teakhouten tuinmeubels.  Maar dan is het hout voor toekomstige generaties niet meer beschikbaar.  En dan zijn er ook nog de toekomstige milieu gevolgen.

Omdat de overheid een langere tijdshorizon heeft kan zijn ingrijpen om duurzame groei te bevorderen.

 

BRONVERMELDING 

1.  De nummers 1 t/m 11 zijn gebaseerd op:
     Koopmans, L., Overheidsfinanciën, Amsterdam, De Erven Bohn BV,
     1974

2.  De nummers 1 t/m 4 zijn ontleend aan:
     Wolfson, D.J., Leer der Openbare Financiën, Rotterdam,
     Erasmus Universiteit 1976

3.  Koopmans, L., blz. 15

4.  Wolfson, D.J., blz. 22

5.  Wolfson, D.J., blz. 49

6.  Wolfson, D.J., blz. 37  

                                                                                         naar boven