Dit is een nieuwe
Ford GT 40, chassis nr 1088, één van de drie overgebleven chassis die men nu,
na bijna 20 jaar, toch nog in mekaar heeft gezet. Op zich al opmerkelijk genoeg,
maar er is meer. Deze drie wagens zijn gebouwd volgens de Le Mans 1969 -
specificaties: Ze zijn virtueel identiek aan de dubbele Le Mans-winnaar, want ze
bezitten alle speciale onderdelen, waaronder de beroemde "Gurney-Eagie"
motor. Deze evolutie van de standaard "small block"-V8 was het
eindpunt van een lange strijd om een goede motor. De Amerikanen zo geliefde big
block-V8 goed te kunnen doorstaan. Deze motor bracht de GT 40 eindelijk waar bij
thuishoorde: op het podium in Le Mans
December 1964: staatsgreep in Dearborn
Dit verhaal begint in het najaar van 1964, na een seizoen dat
voor de Ford GT 40 desastreus was verlopen. De wagens hadden geen enkele keer de
finish gehaald en het was voor de Amerikanen duidelijk dat er iets moest
gebeuren. Ze haalden het GT40-programma weg uit Engeland en gaven het aan Shelby
American. Leo Beebe kersverse 'director of racing: verklaarde de actie: "We
willen alle race-activiteiten met GT's onderbrengen onder één dak. John Wyer,
de oorspronkelijke manager, zal zich verder bezighouden met de serieproductie
van de GT 40 in Engeland, plus ondersteuning van privéteams. Dat leek allemaal
logisch, want Caroll Sheiby was met zijn Cobra's heel succesvol geweest in 1964
én hij was beste maatjes met Ford. John Wyer bleef achter om Ford Advanced
Vehicles in Engeland verder te runnen. Het leek erop dat Wyer op een zijspoor
was gezet. De wagens ondergingen talloze wijzigingen, met als belangrijkste de
motor shelby verving de Aluminium lndy-V8 definitief door de gietijzeren
"289 " -V8, de zogenaamde small block Deze motor putte 385pk uit
4,7135pk meer dan de lndy. Ondanks de goede resultaten in Daytona en Sebring
koos men in het hoofdkwartier in Dearborn voor een ingreep die nog veel
drastischer was: er werd een prototype gebouwd met een 7L "big block",
de zogenaamde "427". Deze motor was ontwikkeld voor stock-car racing
en leverde 500 pk, gekoppeld aan een fenomenaal hoog koppel van 644nm (ter
vergelijking: de Ferrari F40 heeft 478PK en 575Nm). Er was maar één groot
nadeel: de motor woog 273 kg, 80 kg méér dan de 4,7 V8! Dit zorgde voor wagen
die 1200 kg woog. Ongehoord veel voor een racewagen. Maar toen bleek hoe snel
het prototype was, besliste men om met deze wagen naar Le Mans te gaan. Gauw
werd er nog een tweede prototype in mekaar gegooid. Dat was net op tijd klaar om
naar Frankrijk verscheept te worden.
Le Mans 1965. verraad in eigen rangen
Ford trok met man en macht naar Le Mans. Maar het was
andermaal met een wagen die nauwelijks getest en ontwikkeld was. Zoals verwacht
staken de 7L-protos er tijdens de trainingen met kop en schouders bovenuit. Bij
de start namen de Fords onmiddellijk de leiding, maar lang zou het niet duren.
Na 7u koers hadden ze beiden opgegeven met kapotte transmissie. Maar er was
meer, Op vraag van Ford had John Wyer vier privé-teams overhaald om een GT 40
in te zetten, kwestie van zeker te spelen. Na 5u racen stonden de wagens
allemaal aan de kant, waarvan drie met doorgeblazen cilinderkop-pakking. Een van
deze wagens had het tijdens de trainingen erg goed gedaan: de wagen van Rob
Walker had de derde tijd gehaald, 5 luttele seconden trager dan de supersnelle
prototypes. De wagen was voorzien van de 5.31-versie van de small block-V8, maar
de avond voor de race werden De monteurs verplicht om een standaard 4.71 motor
te monteren. De 5.31 was zogezegd niet betrouwbaar genoeg. Onzin natuurlijk,
want deze motor liep als een trein en de 4.71 zelf was helemaal niet
betrouwbaar. Het lijkt erop dat de Ford-mensen geschrokken waren van de
prestaties van de "small-block"-GT40's
Kapers op de kust
Hoe dan ook, er kwam toch nog iets goeds uit het Le
Mans-débacle. Ford had eindelijk zijn lesje geleerd. Racing director Leo Beebe
startte een uitgebreid testprogramma om de 71- wagens, nu Mk2 genoemd, door te
ontwikkelen. Na een half jaar hard werk en duizenden testkilometers was de Mk2
klaar voor de strijd. De 24u van Daytona was meteen een succes, maar voor de 12
u van Sebring leken er kapers op de kust te zijn. Er was een tegenstander
verschenen die de aandacht trok: Alan Mann. Alan Mann Racing moest voor Ford
Engeland de "Mkl " GT 40 doorontwikkelen en racen. Hij pakte de
problemen van de GT 40 bij de wortel aan: hij gebruikte Aluminium voor chassis
en body en bouwde zo twee wagens die beduidend lichter waren dan de
productieversie.