Deze muziek is
echt niet zo plat en duf als je gewoonlijk hoort en beslist niet elitair. Ze is gevoelig,
triest,
vrolijk, kortom ze brengt alles wat ook een
mens van
nu zou moeten kunnen bekoren.
Ook staat ze
dichter bij de volksmuziek dan wordt gesuggereerd. Dat geldt niet alleen met
betrekking tot
de harmonie en de ritmiek,
maar ook voor de speelwijze.
Mocht
iemand dit betwisten, hij kan het bijvoorbeeld ten
eerste
gewoon vinden in het mooie
boek van Quantz
met zijn instructieve maar ook zeer
warm
menselijke uiteenzettingen
(Grondig
onderwijs
van den aardt en de regte behandeling der
dwarsfluit
door J.J. Quantz. Oosthoek.
Utrecht.) en ten tweede
in de duidelijke uitleg
van Hotteterre (Principes de
la flute traversiere, ou flute d'Allemagne; de la flute a bec,
ou flute douce, et du hautbois. Par le Sieur
Hotteterre-le Romain, ordinaire de la Musique |
|
du Roy.
1728. Amsterdam. Bärenreiter-Verlag.
Kassel 1973.
ISBN 3-7618-0074-6).
Het zou voor de
klassieke muziek gezonder
geweest zijn als de jazz vroeger niet
verguisd
en verboden geweest was, want de door de
ouden aangegeven
harmonisering, polyfonie
en speelwijze is juist zo mooi bewaard in de
oude jazz.
Heel graag zou ik deze muziek
willen samenspelen met een pianist(e). Het mooie van een
piano
vind ik niet alleen de klank maar ook dat
je hem
als een orkest kan laten klinken. Dus
niet alleen polyfoon maar je kan
de tonen net
zo laten klitten als b.v. zangstemmen,
strijkers
of blazers doen. O.a. Lipatti, Rachmaninoff en
Jelly Roll Morton
deden dat ook.
|