Lichaam, ziel en geest [1]
“Scheuring is, wanneer onder de
lidmaten van eene gemeente, in het stuk der leer en in de gronden derzelve eens
zijnde, om andere misverstanden, elke partij zijn hoofd en leidsman volgende,
waardoor de eenigheid des lichaams van Christus
gescheurd en verbroken wordt; hetwelk onder de werken des vleesches mede geteld
wordt; Gal. 5:
In 1992 verscheen een boek van de hand van ds. A.J. Moggré dat hij de titel “Kinderen van één Vader” meegaf. Het geschrift heeft als thema de onderlinge relatie van de Nederlands Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Met blijdschap stelt ds. Moggré vast, dat er op verschillende niveaus sprake is van toenadering tussen vrijgemaakt en nederlands gereformeerden. Eén van de onderwerpen die van vrijgemaakte zijde steeds weer ter sprake worden gebracht, is de kwestie van de tussentoestand (p. 86). In dit artikel wil ik proberen aan te geven, waar het volgens mij in de discussie over dit onderwerp verkeerd ging. Kort gezegd komt het hierop neer: er werd onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de betekenissen die woorden in verschillende talen kunnen hebben. Tevens werd er door de grote belangstelling voor het Hebreeuwse woord nephes te weinig aandacht besteed aan het woord ruah. Ik hoop dat de lezer de tijd wil nemen om hetgeen ik hier naar voren breng te overwegen. Moge dit artikel een middel zijn waardoor de toenadering tussen hen die één van geloof zijn, wordt bevorderd. En moge het lezen ervan geschieden in liefde, want alleen dan is heling van de breuk mogelijk. [3]
Als vertrekpunt neem ik het boek "De doden weten niets" van ds. Vonk. In dit boek zet ds. Vonk zich af tegen de opvattingen van de gnostieken [4]. Nu is het probleem dat met dit woord denkers met verschillende opvattingen worden aangeduid. De vroegere Schiedamse predikant kiest als voorbeeld de Manicheeërs, een secte die in de derde eeuw na Christus is ontstaan. Zij leerden dat er twee goden moesten worden onderscheiden: een goede god (d.w.z. de god van het licht) en een kwade god (d.w.z. de god van de duisternis). Deze dualistische opvatting (duo = twee) vinden we ook in hun mensbeeld terug. Het lichaam, gevormd uit (de boze) stof, zou afkomstig zijn van de boze god. Daarentegen zou de ziel van de mens uit een lichtdeeltje bestaan, dat, weggespat uit de goede god, in het lichaam van de mens zou zijn terechtgekomen [5]. (p. 8,9)
Gevolg van deze denkwijze was de achterstelling van het stoffelijke lichaam bij de verheven geestelijke ziel. Terecht wijst ds. Vonk in dit verband op de volmaaktheid van Gods schepping (1 Tim. 4: 4). Ook het stof dat wij zijn (Gen 3: 19) heeft God zonder enig gebrek geformeerd. Het is daarom niet juist, wanneer we spreken over het "stoffelijk overschot" van een overledene alsof het een minderwaardige, slechte rest zou betreffen. (p. 25,26) [6]
Voordat ik met de bespreking van het boek verder ga, wil ik eerst aandacht besteden aan betekenisveranderingen die woorden kunnen ondergaan. Als voorbeeld kies ik het woord "tuin" [7]. Dit woord is afgeleid van een woord dat "omheining" betekent. Deze betekenis zien we nog duidelijk in het Duitse woord "der Zaun" = omheining, haag, afrastering, schutting. Het Nederlandse woord "tuin" kan deze betekenis weliswaar ook hebben, maar meestal denken we bij tuin toch aan een omheind of afgeperkt stuk grond, of alleen aan het gebied binnen de omheining. Dit laatste geldt nog sterker voor het Engelse "town". Hoewel hierbij in eerste instantie aan een stad binnen een omwalling werd gedacht, is het oorspronkelijke element "omheining" op de achtergrond geraakt of zelfs geheel verdwenen. We zien dus duidelijk dat er een betekenisuitbreiding van een woord kan plaatsvinden, maar ook dat het zijn oorspronkelijke betekenis geheel of gedeeltelijk kan verliezen. Dit is een heel normaal verschijnsel dat niet alleen in het germaanse, maar ook in ieder ander taalgebied kan worden waargenomen.
Met
deze opmerking in het achterhoofd wil ik terugkeren naar het boek van ds. Vonk.
Uitgebreid gaat de predikant in op de betekenis van het Hebreeuwse woord nephes. In het Bijbels-historisch
woordenboek [8] wordt onder het lemma "ziel"
vermeld, dat nephes eigenlijk
"keel" betekent. Vatten we dit woord vervolgens op als een deel
genoemd voor het geheel (→
pars pro toto) [9],
dan is het niet verwonderlijk, dat het ook de betekenis "lichaam" kan
hebben. Toen God het lichaam schiep, formeerde Hij stof. Dit lichaam was echter
levenloos. Om het aan zijn bestemming te laten beantwoorden, schonk God het
daarom de levendmakende geest. Lichaam en geest vormden vanaf dat moment één
naadloos geheel! [10] Over het woord "geest" schrijft het
genoemde woordenboek o.a.: "In het OT is ‘geest’ een ontoereikende
weergave van het Heb. woord, dat enerzijds meer, anderzijds minder betekent. Oorspr.
betekent ruah de levendmakende adem,
die in de natuur voorkomt als wind die beweegt van een bijna onmerkbaar ruisen
tot een storm, en tegelijk als levengevende ademtocht (levensadem) geschonken
is door God aan dieren en mensen (Ps. 104: 29; Pred 3: 19)." Door de
directe verbondenheid van nephes en ruah is het niet verwonderlijk dat nephes aanduiding kon worden voor de
mens als geheel. (vgl. Zaun →
tuin). Zo lezen we in Numeri 6: 6 dat een nazireeër geen dode nephes (= levenloos lichaam) mocht
aanraken. Maar als de dichter van Psalm
Met opzet heb ik nephes tot nu toe niet met "ziel" weergegeven. Het Nederlandse woord "ziel" kent namelijk een andere betekenisontwikkeling dan nephes: waar de betekenis van nephes een verschuiving van buiten naar binnen laat zien, daar is bij het woord “ziel” een omgekeerde beweging waarneembaar. Het duidt namelijk in eerste instantie iets in de mens aan, maar bij uitbreiding kan het ook de betekenis "mens als geheel" [14] krijgen. Denk bijv. aan een zin als: "Er was geen ziel te bekennen." [15] Het is in dit licht bezien dan ook niet verwonderlijk dat de Statenvertaling in Numeri 6: 6 "lichaam" en in Psalm 41: 5 "ziel" gebruikt. Beide vertalingen lijken mij verantwoord. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ds. Vonk de betekenisontwikkeling van het Nederlandse woord "ziel" en het Hebreeuwse nephes niet duidelijk genoeg heeft onderscheiden. Als hij zich namelijk wel goed bewust was geweest van dit verschil, dan had hij waarschijnlijk niet zo'n moeite gehad met de vertaling "lichaam" i.p.v. "ziel" in Numeri 6: 6 (Statenvertaling).
Laat ik nu eerst nog eens stilstaan bij de betekenis van het woord ruah. Zoals gezegd moet bij dit woord gedacht worden aan "adem" of "wind". Ik denk dat we deze betekenis goed moeten vasthouden. Het opvallende aan wind is namelijk dat je hem weliswaar niet met je ogen kunt waarnemen, maar dat zijn werking toch duidelijk merkbaar is: de wolken vliegen voorbij en als je de wind in je rug hebt dan hoef je je nauwelijks in te spannen om vooruit te komen. Wanneer we in Prediker 12: 7 lezen "dat het stof wederom tot aarde keert als het geweest is, en de geest weder tot God keert, die hem gegeven heeft" (SV), dan moeten we ervoor oppassen, dat we niet denken dat er iets wits (eventueel met vleugeltjes) ons lichaam verlaat. De levensadem keert, voor ons onzichtbaar, tot God terug. Laten we bij dit alles niet vergeten dat ons gezichtsvermogen maar heel beperkt is (vgl. 2 Kon. 6: 17). Maar, zou iemand kunnen vragen, is het dan slechts adem die tot onze Vader terugkeert? Op deze vraag zal ik verderop een antwoord geven.
Belangrijk is de vaststelling dat God het lichaam Zijn leven(skracht)gevende adem schenkt. Deze adem doortrekt het gehele lichaam. Het probleem voor ons mensen is echter dat we ons bij een woord iets willen voorstellen. Dit verschijnsel is niet uniek voor onze tijd, maar trad ook in vroegere tijden op. En dan ligt de oplossing voor de hand, want wat doorstroomt ons lichaam? Het bloed. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen, dat "bloed", als drager of zetel van de geest, zelf ten nauwste met de betekenis "geest" werd verbonden. De geest doet het lichaam leven, daarom is het ook niet verwonderlijk dat "bloed", als transporteur van de geest, aanduiding voor "het leven" kon worden (zie. bijv. Lev. 19: 16 en Deut. 32: 43). Een voorbeeld ter verduidelijking. Stel nu eens dat een bestuur van een vereniging uit drie personen bestaat. Eén bestuurslid, laten we hem Jan noemen, is superactief. Door zijn woorden en daden werkt hij inspirerend op de overige twee leden. Omdat Jan "de motor" binnen het bestuur is, kunnen we dan zeggen: "Jan is het bestuur." Niet dat de overige twee niet mede het bestuur zouden vormen, maar het is Jan die leven in de brouwerij brengt.
Met deze kennis uitgerust willen we Genesis 9: 4 bekijken. In de Statenvertaling luidt dit vers: "Doch het vleesch met zijn ziel, [dat is] zijn bloed, zult gij niet eten." Ik denk dat we deze zin als volgt zouden kunnen weergeven: "Maar het lichaam [= vlees] dat nog leeft [= met zijn geest], mag u niet eten." Omdat nephes hier de ongebruikelijke betekenis "geest" heeft (vgl. ook (SV) Gen. 35: 18 en 1 Kon. 17: 21), werkt de toelichting "het bloed" zeer verhelderend. Wat het eten van dieren betreft, zij verwezen naar de regel, dat het lichaam van dieren wel mocht worden gegeten, als het bloed er maar uit was. Deuteronomium 12: 16 formuleert deze regel zo: "Alleenlijk het bloed zult gijlieden niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water." (SV) Was dit laatste misschien bedoeld om symbolisch aan te geven, dat de geest de gelegenheid kreeg om het bloed te verlaten? Ik weet het niet, maar het is wel opvallend dat we na Kaïns broedermoord eerst lezen dat Abels bloed [letterlijk: de stem van het bloed van Abel] tot God roept van de aardbodem en dat pas daarna de aarde Abels bloed ontvangt. (Gen. 4: 10 en 11, SV)
Deze
constatering brengt me bij de openstaande vraag terug: "Maar, is het dan slechts adem die tot onze Vader
terugkeert?" Volgens mij is het antwoord: nee. Er staat immers dat het bloed
van Abel tot God roept en niet dat Abel zijn stem tot God verheft. Abel was
immers al gestorven! Blijkbaar is het bewustzijn gekoppeld aan de geest en niet
aan het lichaam. Ik word in deze overtuiging gesterkt door een aantal andere
teksten. Als de Prediker in hoofdstuk 12 zo'n duidelijk onderscheid maakt
tussen "stof" en "geest" dan zullen we Prediker 9:
Overigens, omdat iemand die slaapt ook niet weet wat er rondom hem/haar gebeurt, is het niet verwonderlijk dat van een dode gezegd wordt dat hij/zij slaapt (Job 14: 21 en 3: 13). Wanneer ds. Vonk Prediker 12: 7 als een dichterlijke woordspeling ziet waarvan de bedoeling slechts is te zeggen, dat God ophield langer de geest van het leven aan de mens te verlenen (p. 14), dan vergeet hij dat deze tekst meer informatie bevat. Er is hier namelijk duidelijk sprake van een tweedeling: het uit stof geformeerde lichaam keert terug tot stof (Gen. 3: 19) en de levensadem keert weer tot Hem die de adem aan het lichaam had geschonken om het tot leven te brengen (Gen. 2: 7). Welnu, God is in de hemel en het stof is aarde (Prediker 5:1). Geest en lichaam gaan een tegengestelde richting uit. Het stof wordt tot stof en de geest keert weer tot Hem bij Wie de bron van het leven is (Ps. 36: 10 vgl. p. 11) [17]. Let in dit verband tevens op hetgeen het Bijbels-historisch woordenboek schrijft over het woord “geest”. Daar lezen we o.a.: “In het jodendom was de geest enerzijds de levenskracht van ieder mens, die van God afkomstig is (Wijsh 15: 11 - 16), anderzijds de vertegenwoordiger van de gestorven rechtvaardige, die terugkeert naar God (Jub 23: 31).” Ook in Prediker 12 betekent ruah beslist meer dan “adem”. Trouwens, wanneer "geest" slechts "(levens)adem" zou kunnen betekenen, hoe kan er dan in Gen. 41: 8 sprake zijn van een verslagen geest? Verder lezen we dat David bidt om de vernieuwing van een vaste geest in zijn binnenste (Ps. 51: 12, SV). En in Jes. 26: 9 staat geschreven (SV): “[Met] mijne ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik [met] mijnen geest, [die] in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; ...” Wie zou hier "geest" slechts door "adem" willen vervangen? [18] Als we sterven wordt ons lichaam in het graf gelegd: het wordt gezaaid in verderfelijkheid (1 Cor. 15: 42). Op de jongste dag zal het echter in onverderfelijkheid en in heerlijkheid worden opgewekt (1 Cor. 15: 43)! Dit nieuwe "pneumatische" lichaam zal een lichaam zijn dat "geheel door het pneuma, de Geest is bepaald." (NIF, p. 107)
In zijn boek gaat ds. Vonk meer of minder uitgebreid in op een aantal schriftplaatsen. Omdat hij veel aandacht aan Filippenzen 1 besteedt, is het misschien goed eerst naar dit hoofdstuk te kijken. Ds. Vonk schrijft dat Paulus alles om Christus wil had prijsgegeven en dat hij zich daarom niet voor kan stellen dat de apostel in vers 21 e.v. zich druk zou maken om eigen profijt (p. 63). Filippenzen 1: 21 dat in de SV als volgt luidt: "Want het leven is mij Christus, en het sterven is [mij] gewin." parafraseert hij daarom met de volgende woorden: "Want voor mij is het zo gelegen: (blijven) leven betekent Christus (d.w.z. doorwerken voor Christus) en sterven (d.w.z. terechtgesteld worden met de marteldood) betekent (dan voor Christus zelfs nog) een vóórdeel. Omdat de mensen dan zullen zeggen: 'Heb je dàt gehoord? '" (p. 65,66).
Bij mij roept deze verklaring twee vragen op. In de eerste plaats vraag ik me af waarom we niet zouden mogen geloven dat Paulus bij Christus wilde zijn. Ds. Vonk geeft zelf al aan, dat Paulus eens in het paradijs is geweest (2 Cor. 12: 4, vgl. p. 59) [19]. De woorden die hij daar gehoord heeft, kon hij niet met het hem ter beschikking staande idioom weergeven. De kanttekenaren geven als mogelijke verklaring voor dit feit dat die woorden "het begrip des menschen in dit leven teboven gaan". Het moet een fantastische ervaring zijn geweest. En wie zou Paulus van egoïsme kunnen beschuldigen als hij naar dit paradijs (terug)verlangt? Overigens moet het besef van de ontoereikendheid van onze woordenschat ons ervoor behoeden, een concrete voorstelling van het paradijs te maken, dat zo groots en indrukwekkend is, dat onze woorden tekortschieten. Het is daarom toch ook volkomen logisch dat Paulus zich los zou willen maken van zijn lichaam (p. 69) om "bij den Heere in te wonen" (2 Cor. 5: 8)!
Vervolgens blijf ik bij de interpretatie van ds. Vonk met het woord "verkiezen" in vers 22 zitten. Kiezen betekent een beslissing nemen ten gunste van het een en daarmee het ander afwijzend of een lagere plaats gevend (Rom. 9: 13). Anders gezegd: of het één of het ander en niet en het één en het ander. Als leven en sterven beide voordeel voor Christus opleverden, waarom zou Paulus het dan zo moeilijk met het maken van een keuze hebben gehad?
Ds. Vonk staat ook stil bij de woorden die onze Heiland aan het kruis sprak tegen de moordenaar (Luk.23: 43): "Voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij in het paradijs zijn." Bij deze woorden plaatst hij dan het volgende commentaar (p. 58): "Dit is de gewone indeling van Luc. 23: 43. Zij werd echter in de oude handschriften nog niet aangegeven. Men zou derhalve ook aldus kunnen indelen: En Hij zeide tot hem: 'Voorwaar, tot u zeg Ik heden: Met Mij zult ge in het paradijs zijn'. Het woordje 'heden' slaat dan niet op de inhoud van Jezus' belofte (vandaag nog met Hem in het paradijs te zullen zijn) maar op de dag van Jezus' belofte (Ik verklaar heden plechtig, dat gij met Mij in het paradijs zult zijn). Of deze indeling echter taalkundig geoorloofd is, kan ik niet beoordelen. Wel komt inderdaad in de Heilige Schrift, die onze Heiland gekend heeft, het woordje 'heden' meermalen in plechtige verklaringen voor, vooral in Deuteronomium, 4: 26, 39, 11: 26, 26: 3, 30: 19, een boek, dat op onze Zaligmaker diepe indruk gemaakt zal hebben, Matth. 4: 4, 7, 10. En de Heere gàf inderdaad een plechtige verzekering ('voorwaar'). Wanneer andere Christenen deze indeling van Luc. 23: 43 menen te moeten inachtnemen, wil ik hen dus vooral niet voor het hoofd stoten. Maar ik houd me maar aan de gangbare indeling."
Bij
het lezen van de genoemde teksten uit het vijfde boek van Mozes viel me
inderdaad op dat het steeds om uitdrukkelijke verklaringen gaat, die voorzien
zijn van de tijdsaanduiding "heden", terwijl die aanduiding in mijn
ogen overbodig is. Toch neem ook ik de alternatieve interpunctie niet over. Ter
verklaring verwijs ik naar Joh. 19: 30. Daar lezen we (SV): "Toen Jezus
dan den edik genomen had, zeide hij: Het is volbracht. En het hoofd buigende
gaf den geest." [20] Nadat onze Heiland Zijn verzoenend lijden
volbracht had, beval Hij Zijn geest in de handen van Zijn Vader en Hij stierf
(Luc. 23: 46). De geest gaf Hij over in de handen van de Vader [21].
Laten deze woorden niet heel duidelijk zien, dat het hier niet slechts om de
adem gaat? Gods hand, die ons geschapen heeft (Ps. 119: 73 ), is tevens Zijn
vaderhand, waarmee Hij ons beschermt (vgl. bijv. Ps. 31: 6; 119: 173, 144: 7,
Klaagl. 2: 3 en Joh.10: 28). En in die hand keert de geest na het overlijden
terug. Wat voor zin zou het hebben om van deze beschuttende hand te spreken als
het "slechts" om de adem zou gaan zonder dat hieraan het bewustzijn
is gekoppeld? [22] En hoe had Paulus in zijn brief aan de
gemeente van Corinthe dan kunnen schrijven dat niemand weet wat in de mens is
dan alleen de eigen geest (1Cor. 2: 11)? Denk ook aan een tekst als Romeinen 8:
Is het nu op zich verkeerd dat er vragen gesteld worden bij datgene wat de kerk leert en belijdt? Nee, wanneer het gaat om een beter verstaan van de Schrift is dit op zich niet verkeerd. Wel zal grote voorzichtigheid in acht moeten worden genomen, omdat de belijdenisgeschriften zeer zorgvuldig en door diepgelovige mannen zijn opgesteld. Maar dit neemt niet weg dat hun werk "slechts" een samenvatting van de hoofdpunten uit de Bijbel is. Nu dient een samenvatting om het grote geheel in herinnering te brengen en niet om dit te vervangen. Zo heb ik op de boekenplank een verkorte weergave door dr. B. Wielenga van Calvijns Institutie staan. In dit boek geeft dr. Wielenga van elk hoofdstuk van de omvangrijke Institutie de hoofdgedachte weer. Vervangt Wielenga's werk nu dat van Calvijn? Absoluut niet, maar het helpt de hoofdlijn van Calvijns werk op te sporen en vast te houden. En als een leerling een samenvatting van een boek voor zijn literatuurlijst maakt, dan doet hij dat om kort voor het tentamen z'n kennis van het boek op te frissen. Door het lezen van het uittreksel wordt hij, als het goed is, herinnerd aan de inhoud van het complete boek. Welnu, zo is het ook met de belijdenisgeschriften. Zij willen de hoofdboodschap van de Bijbel weergeven om ons zo de weg naar de Schrift te wijzen. Het is dan ook een goede zaak dat in het "Gereformeerd Kerkboek" van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zoveel tekstverwijzingen zijn opgenomen bij de belijdenisgeschriften. Immers, onze eerste vraag dient niet te zijn: wat zegt de belijdenis, maar: wat zegt God zelf in Zijn Woord?
Het is in dit
verband misschien goed te verwijzen naar de acta van de Synode van Dordrecht
1618 - 1619. Hierin is namelijk een opvallende opmerking te vinden over het
onderzoek van de credentiebrieven [23]:
"In de geloofsbrieven van Overijsel is opgemerkt,
dat hun belast werd, dat zij niet alleenlijk naar Gods Woord, maar ook naar de
gelijkvormigheid des geloofs, in de Confessie [= Nederlandse Geloofsbelijdenis,
Vl] en Catechismus dezer Kerken begrepen [= samengevat, Vl], zouden oordelen.
Daarop, alzoo het schijnen mocht, dat ook de Confessie en Catechismus gesteld
werden tot een richtsnoer om te oordelen over de waarheid der leer, en in
gelijken graad, en autoriteit met het Woord Gods, zoo hebben die van Overijsel
verklaard, dat zij en de broeders, die
hen gezonden hadden, het eenige Woord Gods alleen erkenden voor den eenigen
regel, naar welken men over de waarheid der leer moest oordelen, en dat zij ook
alleenlijk naar denzelven zouden oordelen [cursivering van mij, Vl]. Doch
dat in de geloofsbrieven ook melding gemaakt is van de Confessie en
Catechismus, dat daarmee de Overijselsche broeders niet hadden willen te kennen
geven, dat zij deze schriften in éénen graad van autoriteit stelden met de
Heilige Schriftuur; maar alleenlijk, dat zij ze voor schriftmatig en
formulieren van eenigheid in de oprechte leer hielden. Over welke eenigheid
moest zoo er eenige quaestie gemaakt werd, uit deze formulieren geoordeeld
worden." De synode nam genoegen met deze toelichting.
Zij liet er evenwel geen onduidelijkheid over bestaan, wat het enige richtsnoer diende te zijn. Zo bepaalde zij tijdens haar vierde zitting, dat "wanneer er quaestie valt [= onenigheid ontstaat, Vl] over de waarheid der leer, de Gecommitteerden zorgdragen, dat met behoorlijk en nauwkeurig onderzoek, Gods Woord alleen, en niet eenige menschelijke schriften tot een zekeren en ongetwijfelden regel der waarheid gebruikt worde. Opdat dit nu geschieden moge, en klaarlijk blijke, dat zij anders niet voor hebben, dan alleen de eere Gods, en de rust der Kerk, zullen zij zich hiertoe in deze Synode of vergadering bij eede verbinden."
Dit wil overigens niet zeggen dat de synode de Nederlandse Geloofsbelijdenis als onbelangrijk ter zijde wilde schuiven. Beslist niet! Zij gaf opdracht dit geschrift aan de Bijbel te toetsen. Het resultaat van dit onderzoek vinden we in het verslag van de 146ste zitting: "Zijn afgevraagd de oordelen van de anderen, zoo uitheemsche als inlandsche Theologen, over de leer, in de Nederlandsche Belijdenis begrepen; en is door allen en een ieder verklaard met eenstemmige adviezen, dat zij oordeelden, dat in deze Belijdenis geen leerstuk begrepen was, 'twelk met de waarheid in de heilige Schriftuur uitgedrukt, was strijdende; maar integendeel, dat alles met dezelve waarheid, en met de Belijdenissen van andere Gereformeerde Kerken wel overeenstemde."
Eenzelfde beoordeling vond plaats met betrekking tot de Heidelbergse Catechismus. En ook in dit geval was het oordeel zonder meer positief: "Is met eendrachtige en overeenstemmende adviezen, zoo der uitheemsche als der inlandsche Theologen verklaard, dat de leer, in den Catechismus van den Paltz begrepen, in alles met Gods Woord was overeenstemmende, en dat in denzelven niets was begrepen, 'twelk zoude schijnen, als daarmede niet overeenkomende, te moeten veranderd of verbeterd worden; en dat deze Catechismus een zeer wel gesteld kort begrip [= korte samenvatting, Vl] was der rechtzinnige Christelijke leer, zeer wijselijk in orde gebracht, niet alleenlijk naar 't begrip der teedere jonkheid, maar ook tot bekwame onderwijzing dergenen, die tot hunne jaren waren gekomen. En dat dezelve derhalve met groote stichting in de Nederlandsche Kerken mocht geleerd, en in alle manieren behoorde gehouden te worden." (148ste zitting)
Tot slot nog een paar samenvattende opmerkingen. Terecht heeft ds. Vonk benadrukt dat het lichaam niet slechts een stoffelijk overschot is. God heeft alles goed en waardevol geschapen en dat geldt dus ook voor het lichaam. En het is dit lichaam dat op de jongste dag in onverderfelijkheid en heerlijkheid zal worden opgewekt. Om het waardevolle van het lichaam te benadrukken besteedt ds. Vonk in zijn boek veel aandacht aan het Hebreeuwse woord nephes dat in de Statenvertaling vaak d.m.v. "ziel" wordt weergegeven. Hij laat duidelijk zien dat nephes dikwijls de aanduiding is voor de mens als geheel. Vervolgens concludeert hij dat de gehele mens na zijn/haar overlijden in de aarde ligt, totdat hij/zij zal worden opgewekt. Door de sterke nadruk die ds. Vonk op de nephes legt, komt hij tot een onderbelichting van de ruah, die in zijn optiek niet meer is dan “de geest des levens” (blz. 14). Deze laatste opvatting nu lijkt mij te beperkt [24]. Zeker, de ruah is de levendmakende adem, maar hij is tevens het geestelijke centrum van de mens, dat hem/haar na het overlijden verlaat. Daarmee is beslist niet gezegd dat de ruah (of Grieks: pneuma) het verheven goddelijke deel van de mens zou zijn, dat zich na het overlijden zou afscheiden van het boze aardse lichaam.
Laten we in de discussie over het onderhavige onderwerp voorzichtig zijn met het gebruik van het woord “ziel”, omdat dit in het verleden voortdurend tot misverstanden heeft geleid. Misschien dat het woord “geest” minder problemen oplevert. We zouden dan in artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en in Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus voortaan kunnen spreken over de vereniging van geest [25] en lichaam (waarmee we dan bedoelen: ruah en nephes).
G.J. van der Vlis
[1] Graag wil ik hier wijlen ds. Moggré bedanken. Toen ik hem mijn gedachten over het in de titel genoemde onderwerp uiteenzette, verklaarde hij zich onmiddellijk bereid, in het “Theol. Wörterbuch zum Alten Testament” (Verlag W. Kohlhammer) [verder door mij geciteerd als TWA] na te gaan, welke betekenissen de woorden nephes en ruah kunnen hebben. Zijn bevindingen heb ik in de voetnoten opgenomen.
[2] Kanttekening Statenvertaling bij 1 Cor. 11: 18.
[3] Vgl. 1 Cor. 16: 14 waarbij de kanttekenaren schreven: “Deze vermaning heeft de apostel tevoren in het breede voorgesteld, hfst. 13, en hij verhaalt dezelve hier wederom in het besluit van den brief, overmits zij zeer noodig is om alle tweespalt en scheuring weg te nemen, die gemeenlijk ontstaan uit gebrek aan liefde.”
[4] Het woord "gnostiek" is afgeleid van het Griekse woord "gnosis" dat "kennis" betekent. Vergelijk 1 Tim. 6: 20 (p. 8).
[5] Op grond van 1 Thess 5: 23 maken sommigen zelfs een driedeling: geest, ziel en lichaam. Zo schrijft Jessie Penn-Lewis in haar boek “Ziel en Geest” (p. 11): “Kortom, we zien dat al deze schrijvers [o.a. de kerkvader Tertullianus, Vl] de ‘ziel’ praktisch definiëren als de zetel van de persoonlijkheid, bestaande uit de wil en het intellect of verstand; een persoonlijke entiteit (wezen) staande tussen de ‘geest’ met zijn openheid naar de geestelijke wereld, en het ‘lichaam’ - open naar de buitenwereld van natuur en zinnen - met de macht om te kiezen welke wereld de gehele mens zal overheersen of in bedwang houden.”
En bij Watchman Nee lezen we (“Het behoud van de ziel”, p. 9): “De geest is , kort gezegd, dat talent, waardoor de mens in staat is met God om te gaan, [...]. Aan de andere kant is de ziel het orgaan in de mens voor het verstand, de wil en het gevoel [...]. Tenslotte is het lichaam dat deel van de mens, waardoor hij in verbinding staat met de stoffelijke wereld.” Door deze driedeling komt Watchman Nee echter tot conclusies waarbij ik grote vraagtekens plaats. Een enkel voorbeeld (p. 17): “De geest wordt gered, omdat Christus Zijn leven voor mij afgelegd heeft, de ziel wordt gered, omdat ik mij zelf verloochen en de Here volg.”
Vgl. ook de Bijbelse Encyclopedie (Kok-Kampen) onder "ziel": "Veel is er te doen geweest over 1 Ts. 5, 23, waar geest, ziel en lichaam naast elkaar worden genoemd. Men moet daar echter niet een soort trichotomie vinden, alsof de mens uit drie delen zou bestaan of drie functies zou hebben. Paulus wil door zijn opsomming de mens aanduiden naar zijn volle bestaan en al zijn uitingen, vgl. Mt. 22, 37."
Zie verder A. Janse "Om 'de levende ziel' " (blz. 29): "In de oude Christelijke kerk hebben enkele schrijvers [...] het trichotomisme verdedigd. Met een beroep op Hebr. 4: 12 en 1 Thess. 5: 23 waar de Schrift spreekt van geest en ziel en lichaam, sprak men van drie substanties (zie voor de discussie over dit woord blz. 129 en 130 van Janses boek). Dat is de bekende trichotomistische zielsleer, die evenmin te handhaven is als de dichotomie. Maar wanneer iemand zou willen spreken van "een" driedeeling, dan is daar wat mij betreft geen bezwaar tegen. De Schrift noemt drie deelen van den mensch achter elkaar (niet drie substanties!). ..... Uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard tot den dag van onzen Heere Jezus Christus. Zie Kantt., waar 1 geest, 2 ziel en 3 lichaam respectievelijk aangeduid worden als: 1 verstand, 2 wil en genegenheden, 3 de leden. In deze driedeeling is evenmin het traditioneele trichotomisme te vinden als in de bovengenoemde tweedeelingen het traditioneele dichotomisme."
[6] Denk in dit verband ook aan de toelichting van de Korte Verklaring bij Lucas 23 vers 53: "Ook voor des Heeren dode lichaam droeg de Vader zorg, waaraan Hij een eervolle begrafenis deed geven,"
[7] Bron: J. de Vries/F. de Tollenaere: Etymologisch Woordenboek, Aula, Utrecht/Antwerpen, dertien-de druk, 1983 Een dergelijke ontwikkeling kunnen we ook vaststellen bij woorden als gebied, perk / park en bureau.
[8] Aula-pocket
nr.391 t/m 396 Vgl. TWA onder
“nèfesh”: “Als konkrete Grundbedeutung wird meist Schlund, Rachen, Kehle (als
Sättigungs- und Atemorgan) angenommen.”
[9] Het komt in de Bijbel wel vaker voor dat een deel voor het geheel wordt gebruikt. Dr. G.C. van Niftrik laat dit in zijn boek "Waar zijn onze doden?" (verder geciteerd als NIF) bijv. zien aan de hand van het woord "gebeente" (blz. 130 t/m 138). Als bewijsteksten noemt hij o.a. Ps. 35: 9 en 10, Ps. 51: 10, Ps. 139: 15 en Jes. 66: 14. Het gebeente is daar de persoon zelf! Vgl. kanttekening nr. 3 bij Romeinen 12: 1.
[10] Vgl.
TWA onder “nèfesh”: “Abschließend sei nachdrücklich daran erinnert, das nach Gen.
2: 7 der Mensch nicht ein vitales Selbst hat,
sondern dieses ist [...]. Es
empfiehlt sich daher nicht, das Haben bei irgendeiner der Bedeutungen von
nèfesh anzunehmen [...], da dies zu einem Mißverständnis des anthropologischen
Wesens von nèfesh führen würde.”
[11] Trouwens, bij mijn aantekeningen van het vak
Middelhoogduits kwam ik de volgende opmerking tegen: "Statt der
Personalformen ich, du, er gebraucht der mhd. Dichter gerne die Umschreibung mîn lîp, dîn lîp, sîn lîp."
[12] Vgl.
TWA: “Die Bedeutung ‘Leben’ wird allgemein angenommen. Ergänzt wird hier nur in
Verfeinerung der bisherigen Arbeiten, daß nicht das Leben allgemein, sondern
eben das in Individuen (Tier oder Mensch) vorkommende gemeint ist. 2. Sam. 23:
17 erzählt, daß David Wasser nicht trinken wollte, das seine Leute unter
Einsatz ihres Lebens (nèfesh) geholt hatten.” Van belang lijkt mij ook het
volgende citaat: “Bei der überaus reichen Verwendung von nèfesh für Leben
bleibt zu beobachten, daß der nèfesh nie die Bedeutung eines im Unterschied zum
leiblichen Leben unzerstörbaren Daseinskerns zukommt, der auch getrennt von ihm
existieren könnte.”
[13] Vgl. blz. 58: “Op verschillende plaatsen waar de Statenvertaling adem, begeerte, lust, leven, persoon, mensch, gemoed, hart, en dergelijke gewone practische woorden uit het volle leven gebruikt, staat in den grondtekst ook meermalen ‘ziel’.” (A. Janse bedoelt natuurlijk nephes, Vl)
[14] Let in dit verband ook op datgene wat Duden,
Das große Wörterbuch der deutschen Sprache, onder het lemma "Seele"
vermeldt: "[... wahrsch. eigtl. = die zum See Gehörende; nach germ. Vorstellung wohnten die Seelen der
Ungeborenen u. Toten im Wasser]: 1. das, was das Fühlen, Empfinden, Denken
eines Menschen ausmacht; Gesamtheit der Bewußtseinsvorgänge; Psyche (...) 2.
(Rel.) substanz-, körperloser Teil des Menschen, der nach religiösem Glauben
unsterblich ist, nach dem Tode weiterlebt (...) 3. Mensch (...) 4. die
wichtigste Person für das Gelingen, den Erfolg von etw. sein; die Person sein,
die dafür sorgt, daß alles funktioniert, die alles lenkt ..."
[15] Vgl. Hermann Paul "Deutsches Wörterbuch" (derde druk 1921) onder "Seele" waar we o.a. lezen dat dit woord in het Middelhoogduits op een enkele uitzondering na alleen maar werd gebruikt voor "das vom Körper unabhängig existierende Wesen, namentlich also, wo es sich um das Schicksal im Jenseits handelt. [...] Erst allmählich ist S. mehr in Gebrauch gekommen, den Sitz der inneren Vorgänge im lebenden Menschen und weiterhin auch im Tiere zu bezeichnen. Luthers Bibelübersetzung ist dabei wohl von großem Einfluß gewesen. Es werden nun Leib und Seele häufig als Gegensätze gegenübergestellt [...] und beides verbunden als Ausdruck für den ganzen Menschen gebraucht. [...] Bei Zählungen wird S. verwendet: die Stadt hat 3000 Seelen (biblisch). In der Bibel erscheint S. auch sonst (nach dem Grundtext) = "Person", vgl. wenn eine S. durch Unwissenheit sündigen wird - wenn eine S. aus Frevel etwas tut." Merk op welke invloed er vanuit het Hebreeuws op de betekenis van het germaanse woord "ziel" (Seele, soul) is uitgeoefend. Ik vraag me af of Luthers keuze voor het woord "ziel" wel een erg gelukkige is geweest.
[16] Vgl. 1 Samuël 30: 12: "Zij gaven hem ook een stuk van een klomp vijgen en twee stukken rozijnen; en hij at, en zijn geest kwam weder in hem; want hij had [in] drie dagen en drie nachten geen brood gegeten noch water gedronken." (SV) De Egyptenaar kreeg de levensadem en daarmee het bewustzijn terug. Vgl. in het Nieuwe Testament Lukas 8: 55.
[17] A. Janse heeft overigens terecht opgemerkt dat
we zorgvuldig in ons spreken moeten zijn. In het artikel “Reformatorische
Opleving” dat is opgenomen in de bundel “Begeleidend Schrijven, 25 jaar
Theologische Studie Begeleiding” geeft drs. H. Smit Janses opvatting als volgt
weer (blz.125): “In de mens mag men onderscheiden, maar niet dualistisch: de ene mens fungeert in diverse
levenssferen ... organisch ... analytisch ... sociaal ... godsdienstig-kultisch
(om er enkele te noemen). Die ene
mens leeft en hij sterft. En hij woont in bij de Here. En hij mag straks opstaan uit de dood.” (Vgl. Ps. 146: 4)
[18] Vgl.
TWA onder “rûah”: “ ...; kann die ganze Person als nèfesh bezeichnet werden, so
wird dagegen von rûah immer nur gesagt, daß sie im Menschen ist (Jes. 19: 3, 14; 26: 9; 63:11; Ez. 11: 19, 36:
[19] Merk op dat Paulus in vers 3 een bewuste waarneming buiten (of: zonder) het lichaam als een reële mogelijkheid noemt. Vgl. Ezechiël 37: 1.
[20] In de Griekse grondtekst staat hier het woord pneuma dat volgens het Bijbels-historisch woordenboek vanuit de betekenis “wind” via “(levens)adem” een verdere betekenisuitbreiding heeft ondergaan.
Merk op dat de uitdrukking “de geest geven” ook regelmatig in het OT voorkomt. Zie bijv. Gen. 25: 8; Gen. 35: 29 en Job 14: 10.
[21] Vgl. de laatste woorden van Stefanus (Hand. 7: 59): "Heere Jezus, ontvang mijnen geest!" (SV)
[22] We lezen in Joh 12 dat Christus Lazarus uit het graf heeft opgewekt, opdat de schare zou geloven dat Hij door de Vader was gezonden (vs. 42). Hoe Lazarus zijn terugkeer heeft ervaren, weten we niet. Ik zou me voor kunnen stellen dat hij blij was voor zijn zussen, maar bedroefd omdat hij de directe nabijheid van God moest missen. Zijn hemelse Vader had blijkbaar nog een taak voor hem op deze aarde.
[23] bron: Acta of Handelingen der Nationale Synode te Dordrecht 1618 - 1619, Naar de oorspronke-lijke Nederduitsche uitgave onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn, Den Hertog B.V. / Houten 1987
[24] Let in dit verband ook op de opmerking van
prof. Ridderbos over pneuma: “Het
verdient zeker de opmerkzaamheid, dat in het Nieuwe Testament het object der
inwendige genadewerkingen en de drager van het nieuwe leven doorgaans niet
‘ziel’, maar ‘geest’ genoemd worden”. (A. Janse, Om “de levende ziel”, blz. 87)
[25] Vgl.
de Engelse Westminster Confessie die o.a. naar Prediker 12: 7 [“and the spirit
shall return unto God who gave it.”] verwijst als zij spreekt over de ziel die
na het sterven onmiddellijk tot God weerkeert: “The bodies of men after death
return to dust, and see corruption; but their souls, (which neither die nor
sleep,) having an immortal subsistence, immediately return to God who gave
them.”