De onderstaande overdenking in dichtvorm schreef Constantijn Huygens in het jaar 1645. Het gedicht is opgenomen in de bundel "Heilighe Daghen".

 

 

                                            Sondagh

 

Is 'tSabbath dag, mijn Ziel, of Sondagh? geen van tween.

De Sabbath is voorbij met sijne dienstbaerheden:

En de sonn die ick sie scheen gisteren als heden.

Maer die ick niet en sie en schijnt niet soo se scheen.

Son, die ick niet en sie als door mijn' sonden heen,

Soon Gods, die desen dagh het aerdrijck weer betreedden,

Fier als een Bruijdegom ter loop-baen ingereden,

'Ksie Sondagh sonder end, door dijne Wonden heen.

'tZij dan oock Sondagh nu, men magh't Gods Soon-dagh noemen,

Ia, en Gods Soen-dagh toe. Maer laet ick ons verdoemen,

Waer ick van drijen gae ick vind ons inde Schuld.

God Son, God Soon, God Soen, hoe langh duert dijn geduld?

Hoe langhe lijdt ghij, Heer, dijn' Soondagh, Soendagh, Son­dagh,

Ondanckbaerlick verspilt, verspeelt, verspelt in Sond-dagh?

 

 

Vanwege de ouderwetse en gecompliceerde taal een korte toe­lichting:

 

 Is het sabbatdag of zondag? Geen van tweeën. De sabbat met zijn verplichtingen is voorbij en de zon schijnt niet alleen op zondag. Maar Christus, de onzichtbare zon (vgl. Mal. 4:2), schijnt anders dan tevoren. Hij, die ik alleen door de sluier van mijn zonden zie, is op de zondag uit het graf opge­staan (Joh. 20:1)! Als een bruidegom is Hij Zijn rondgang begonnen (Ps. 19:6). Door Zijn lijden en sterven mag ik Zijn eeuwige rust binnengaan (Hebr.4). De zondag mag daarom ook "dag van Gods Zoon" alsmede "dag van verzoening" genoemd worden! Maar, laat ik onszelf veroordelen, want van welke van de drie kanten ik het ook bekijk, steeds kom ik tot de conclu­sie, dat wij zondig zijn.

 

God, U die Zon, Zoon en Verzoening bent, hoe lang hebt U nog geduld? Hoe lang verdraagt U het nog, dat Uw Zoon-dag, Verzoenings-dag en Zon-dag ondankdaar wordt verspild, verspeeld en verspeld (= verkeerd gespeld) in Zonde-dag?

 

De toelichting is een samenvatting van de interpretatie van wijlen Prof. Dr. L. Strengholt.