Prostaatkanker Artikelen

In blessuretijd.

 

Dagelijks sneed Rob Wesdorp als oncologisch chirurg kankergezwellen weg. Zijn leven veranderde drastisch toen hij zelf kanker kreeg. Na ingrijpende behandelingen ontdekte hij de alternatieve geneeskunde. De kanker is weg en zijn vroegere collega’s zijn verbijsterd. In hun ogen is Wesdorp een ‘een zwever’ geworden, maar hij wil hen overtuigen van zijn opvattingen.

 

Dat hij ooit nog eens met zijn tumor zou praten, had Rob Wesdorp jaren geleden nooit geloofd. ‘Dat kwam helemaal niet in mijn wereld voor’, zegt de emeritus hoogleraar, die tot juni 1994 hoofd was van de afdeling chirurgie in het Amsterdamse VU Ziekenhuis. Maar hij práátte met zijn tumor. ‘Wat doe je daar?, vroeg Wesdorp hem. ‘Ik ben hier om je te beschermen’, antwoordde de tumor.

In die tijd droomde hij vaak over iets zwarts dat hem bedreigde. Hij kon niet zien wat het was, het leek een bewegende doek. Toen hij via meditatie in zijn onderbewustzijn was afgedaald, riep hij het spookachtige wezen op. ‘Wie ben je?’, vroeg hij. Het antwoord kwam uit hem zelf. De tumor zat in zijn lichaam om hem te beschermen tegen het leven dat hij tot dan toe had geleid.

‘Bizar toch?’, besluit Wesdorp (54) zijn verhaal. ‘Ik was altijd behoorlijk nuchter’. Zoals dat gebruikelijk is in de medische wereld, waarin hij ooit 60 – 80 uur per week maakte. Op een enkeling na, hoort hij nooit meer iets van de chirurgen met wie hij werkte. In hun ogen is Wesdorp ‘een zwever’ geworden. ‘Dat is logisch als je kanker krijgt, dan gaat iedereen raar doen’, vermoedt hij dat ze denken.

De kanker, non-Hodgkin lymfoom, werd in 1988 ontdekt. Zes jaar later zocht hij zijn heil buiten de reguliere medische wetenschap. Voor die tijd had hij die behoefte nooit gehad. Alternatieve geneeskunde bestond voor hem domweg niet. Maar zijn scepsis verdween toen hij terechtkwam bij het Helen Dowling Instituut in Rotterdam, gespecialiseerd in biopsychosociale geneeskunde. Hij leerde er leven met zijn ziekte en zijn leven veranderen.

Zijn ‘job’ in het VU Ziekenhuis, waar hij leiding gaf aan zeven hoogleraren en bijna veertig chirurgen annex chirurgen in opleiding, gaf hij er aan. Hij ging verstandiger eten, veel slapen en nooit meer dingen tegen zijn zin doen. In september 1995 stopte hij met een lichte chemokuur, en een half jaar later bleek hij vrij van tumoren. Dat was raar, meent Wesdorp. Hij zag het aan de gezichten van zijn artsen. ‘Hoe kan dat nou?’, vroeg hij. Jij begrijpt toch ook niet dat het weg is gegaan? Dat hoort toch niet? ‘Nee, was het antwoord, dat kunnen we niet verklaren’.

De chemokuur had de kanker eigenlijk niet kunnen vernietigen. Hij had het middel eerder geslikt. De kankercellen kenden het. Hoewel hij niet zal zeggen dat hij genezen is, zijn de tumoren toch tot op de dag van vandaag weggebleven. Wat Wesdorp betreft: mede dankzij het Helen Dowling Instituut, dat door de psychologische begeleiding het ‘zelfhelend vermogen’ van het lichaam probeert te stimuleren.

Hij volgt inmiddels een opleiding in deze richting. Samen met een andere hoogleraar die kanker kreeg, richtte hij de stichting Assagioli op die een Cd-rom gaat uitbrengen. Deze moet kankerpatiënten wijzen op de mogelijkheden die er zijn om zélf iets tegen de ziekte te doen. In Groningen hebben het ziekenfonds, het Martiniziekenhuis en het integrale kankercentrum al toegezegd de Cd-rom te helpen verspreiden.

Ook de rest van de ‘medische bunker’ wil hij bestoken. Ik wil het hun onder de neus wrijven zodat ze er niet omheen kunnen. Ze moeten wel naar me luisteren, want ik kan het vergelijken. Ik ben een betrekkelijk ideale zendeling’. Wesdorp was oncologisch chirurg, hij opereerde vooral kankerpatiënten.

Het voordeel van zijn beroep is dat hij altijd toegang heeft gehad tot alle informatie over zijn ziekte. Maar hij voelde zich tegelijkertijd patiënt. ‘Al die kankerboeken’ die hij onder ogen kreeg, kon hij amper bekijken. ‘Dan zie je bij je eigen ziekte zo’n overlevingstabel en die loopt gewoon af, na 8 jaar ongeveer. Dat is vreselijk om te zien. ‘Negen jaar zijn er nu verstreken. Ik zit in de blessuretijd’.

 

‘Mag er wat muziek bij?’, vraagt Wesdorp in zijn huis in Amsterdam Zuid. Hij staat bij de ingebouwde kast van de kamers en suite, waarin de Cd-speler is opgeborgen. Het wordt het Requiem van Faure. Wesdorp hoest uit de diepte van zijn longen. Fysiek is hij tachtig procent van wat hij was. ‘s Winters wordt hij steevast verkouden. ‘Ik laat het wel een keer door de longarts en een allergoloog uitzoeken’.

De vleugel die in de hoek van de kamer staat, is bedekt met foto’s van hem, zijn vrouw Sandra en zijn acht kinderen die hij kreeg uit drie relaties. In een stoel er voor gaat Wesdorp zitten. Hij praat kalm. Nooit gedacht dat hij kanker zou krijgen. Al heeft hij jarenlang bijna dagelijks kankergezwellen uit lichamen gesneden. ‘Als dokter voelde ik me onkwetsbaar. Jij krijgt niks, jij geneest alleen. Misschien vreselijk naïef, maar zo denkt het merendeel van de artsen.’

In Januari, februari van dat jaar, in 1988, was hij pas benoemd tot hoogleraar en hoofd van de afdeling chirurgie in de VU, toen het boordje van zijn overhemd begon te knellen. Beetje dikke klieren. ‘Zal wel de ziekte van Pfeiffer zijn’, dacht Wesdorp. ‘Gaat wel weer over’. Hij had het zo druk. Maar toen het toch niet over ging en de klieren groter werden, liet hij zich onderzoeken.

Op een woensdagmiddag in Mei, het was prachtig weer, Wesdorp zat achter zijn bureau, in de VU, hoorde hij via de telefoon dat ‘het toch niet zulk goed nieuws was’. Non-Hodgkin, werd er geconstateerd. ‘Ja, wat doe je dan, je moet het niet laten merken. Als je in dat ambitieuze academische wereldje vertelt dat je kanker hebt, beginnen ze gelijk je opvolgingsprocedure te regelen. Ogenblikkelijk gaan je aan je stoelpoten zagen. Dat bleek ook. Vanaf het moment dat ik het gezegd heb, is het zo gegaan. De academische wereld is echt een haaienvijver’.

Met opzet had hij zich al niet laten onderzoeken in de VU. Slechts twee medewerkers nam hij in vertrouwen. Zijn behandeling, een lichte chemokuur van twee tabletjes per dag, kreeg hij in het Antonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis. Maar ook daar wist vrijwel niemand waarvoor hij kwam. Als hij er collega’s ontmoette, liet hij hen in de waan dat hij wetenschappelijk onderzoek deed.

Een schizofreen leven, maar dat ging goed, zegt Wesdorp. Ook omdat hij de ziekte uit zijn gedachten bande. De behandelend arts had gezegd: ‘wat jij hebt, is een soort veenbrand. Soms laait hij op, en soms gaat hij uit, maar je kunt hem nooit blussen.’ Maar in de jaren er na leek het toch alsof het brandje uitging. De klieren in zijn nek waren soms dik, maar ze werden nooit groter. Wesdorp kon rustig doorwerken, twaalf, veertien uur per dag. Hele weken gingen voorbij zonder één gedachte aan zijn ziekte.

Het is een heel makkelijke manier om er mee te leven. Het is een mechanisme dat je bij veel kankerpatiënten ziet. Zolang het goed gaat – je kunt alles doen en je ziet het niet – bestaat het niet.’ Alleen op vakanties kon hij zich niet goed houden, en werd hij depressief. Dan zat ik met mijn kinderen in Griekenland op het strand en zat ik te rekenen: die zie ik misschien acht jaar worden, die zes jaar. Vreselijk, vreselijk.’

Vanaf 1992 kon hij de ziekte niet langer ontkennen. In dat jaar trouwde hij met zijn derde vrouw Sandra, op Vlieland. Het was een geweldig, Mexicaans feest, en de huwelijksreis ging naar Mexico. Meteen daarna kwam hij voor een routinecontrole in het ziekenhuis – en bleek zijn buik vol tumoren te zitten. ‘Zó groot’, zegt Wesdorp met zijn handen minstens 20 centimeter van elkaar.

De volgende morgen moest hij zijn medewerkers op de VU inlichten: ‘niemand zei wat, wat ze dachten, weet ik niet.’ Nog diezelfde dag lag hij aan het infuus. Tussen de chemokuur door bleef hij werken, om de twee weken een week. ‘Helemaal gestoord, als ik er nu op terugkijk. Dan zat ik daar lijkbleek, met een hemoglobinegehalte van 5. Ambitie. Het was mijn tent. Alles moest over mijn bureau.’

Na de chemokuur was er geen kanker meer over. Maar omdat de verschijnselen vroeg of laat terug zouden komen, raadde zijn behandelend arts hem een beenmergtransplantatie aan voor een ‘genezing voor een langdurige periode’. Voor de transplantatie ging hij skiën met vrouw en kinderen. Ik was een beetje een uitgewrongen mannetje, ik zag groen en grijs, had weinig haar, zo’n typische kankerpatiënt. Dat kan niet als je zo’n vreselijke behandeling moet ondergaan.

Maar dat was ook omdat hij voor het eerst was gaan nadenken over doodgaan. Tien à twintig procent overleeft een beenmergtransplantatie niet. ‘Wat tot gevolg had dat ik vreselijk veel geld ging uitgeven. Met alle kinderen zes weken skiën, met het vliegtuig er heen, prachtige huizen, het kón niet op. Nieuwe auto gekocht vlak voordat ik het ziekenhuis inging. Ik heb daarna tijden op de blaren moeten zitten, maar het was allemaal met het idee; misschien is het wel over voor mij’.

Wat hij vooral wilde, was zijn familie om zich heen, ‘zo dicht en zo vaak mogelijk. Ik heb zo hard gewerkt en ik ben zo vaak niet thuis geweest, ik heb mijn kinderen in tijd verwaarloosd, misschien ook wel in liefde, maar dat probeer je goed te maken als je er wél bent. Je kunt zeggen: het is de bedoeling dat je je er van bewust wordt wie belangrijk voor je zijn. Waarom krijg je anders die ziekte? Dat is één van de belangrijkste vragen waar je voortdurend mee rond loopt. Waarom ik? Waar heb ik dat aan verdiend? Wat heb ik fout gedaan? Je wilt een antwoord’.

 

Uit de kast haalt Wesdorp het dagboek dat hij tijdens de beenmergtransplantatie bijhield. Per dag een verslagje en hier en daar een polaroid van zijn vrouw of van hem, bleek en met weinig haar, of in de foetushouding op bed. Het grijpt hem aan, zegt hij, als hij het boek teruglegt. ‘Het was een vreselijke deuk in mijn leven, een vreselijk dal’. Hij kan dat nu zeggen: ‘sinds ik niet meer werk, ben ik veel gevoeliger geworden, ik sta helemaal open’.

Acht weken lag hij in de Daniël den Hoed Kliniek in Rotterdam in één en dezelfde steriele kamer. Ze haalden beenmerg uit hem, dat met zes soorten antilichamen werd gewassen. Daarna kreeg hij een bijna dodelijke bestraling en een bijna dodelijke hoeveelheid chemotherapie. ‘Dan ben je op sterven na dood. Zo voelt dat.’ Toen kreeg hij zijn beenmerg terug.

Een mens zonder beenmerg heeft geen afweer. Elke bacterie die langs komt kan dodelijk zijn. In de periode dat hij in het ziekenhuis lag, stierven twee van de vijf mensen die een beenmergtransplantatie kregen. Wesdorp zoekt naar woorden. ‘Het is iets ongelooflijks, hoe zwaar dat was. De angsten…nou goed’, besluit hij, ‘ik heb het overleefd’.

Al een half jaar later, in oktober 1993, ging hij weer aan het werk. ‘Ook belachelijk eigenlijk, dat ik zo graag terug wilde.’ Toen hij nog doodziek op bed lag in de Daniël den Hoed Kliniek, had hij er fantasieën over. Hij bedacht hoe hij de communicatie tussen arts en patiënt op zijn afdeling zou verbeteren. Hoe belangrijk dat was, had hij aan den lijve ondervonden. Hij was zieker dan ooit en voelde zich niet langer arts, maar volledig patiënt.

Hij merkte hoe irritant het is als een dokter die een patiënt aan bed bezoekt, staat te ginnegappen met verpleegsters of assistenten. Een arts moet alleen aandacht voor jou hebben. Hij moet eerlijk zijn en hij moet zich aan de afspraak houden: als hij zegt dat hij om drie uur komt, moet hij niet tien minuten later komen. Een patiënt wacht de hele dag. Toen Wesdorp terugkwam op zijn werk, kon hij zijn ervaringen kwijt. Maar hij ging ook voor zich zelf zo snel mogelijk weer aan de slag. ‘Dan was alles weer normaal, alles weer bij het oude. Ik had grotendeels een managementfunctie en die power vond ik geweldig.’

Eind december van datzelfde jaar, 1993, zat hij tijdens een bespreking achteloos met zijn hand in de nek, na te denken, en pók, daar zat er weer één. Weer een opgezette klier, weer kanker, iets meer dan een half jaar na de beenmergtransplantatie. Hij dacht: ‘nou is het klaar. Als de kanker zo’n klap heeft doorstaan, dan is het zo’n wildgroei.’

Hij praatte met artsen. Een nieuwe chemokuur was niet onmiddellijk nodig. Maar, meende Wesdorp: ‘Ze kunnen zeggen wat ze willen, het is goed mis,’ De dood kwam dichterbij dan ooit, hij had behoefte erover te praten. Hij werd getipt over het Helen Dowling Instituut. Het ‘spirituele’ waarmee hij daar in aanraking kwam, sprak hem al snel aan.

Mensen met kanker of aids komen meestal psychisch in nood, en het instituut leert hun die crisis te verwerken. Je praat er over de dood die zo dichtbij komt. Vervolgens moet je je leven veranderen, want vaak zitten mensen die kanker krijgen in een patroon dat hen ziek heeft gemaakt, zo luidt de theorie. Mensen met kanker hebben in veel gevallen ‘het lichaam uitgewoond’, door jaar in jaar uit keihard te werken, doordat ze te veel stress hebben, doordat ze hun emoties nooit de vrije loop laten. ‘Vaak broeierige persoonlijkheden’, vat Wesdorp samen.

Het is niet te bewijzen, erkent hij. Voor jonge kinderen met kanker heeft hij geen verklaring en kanker veroorzaakt door bijvoorbeeld asbest, is ook een ander verhaal. Het is evenmin zo dat iedereen die hard werkt of onder spanning staat, kanker krijgt. Maar dat stress en depressiviteit een vermindering van de afweercellen in de hand werken, is te meten, zo heeft hij inmiddels geleerd. Lichaam en geest zijn één, is zijn overtuiging, de afweer kan zowel positief als negatief worden beïnvloed door de geest.

Een vriendje van hem dat zichzelf ‘uitwoonde’ door alleen maar met werk bezig te zijn, kreeg een virusontsteking van de hartspier, wat zeer zeldzaam is. ‘En ik denk dat mijn moeder Altzheimer heeft gekregen doordat ze zichzelf altijd heeft weggestopt, nooit haar eigen leven heeft geleid, alles ter wille van het gezin. Dat viel helemaal uit elkaar toen de kinderen het huis uit gingen.’

Wesdorp herkende zichzelf in de karakterschets van kankerpatiënten die het Helen Dowling Instituut hem voorhield. Ook hij stopte veel weg, wilde dingen niet weten. Ook hij stond jaren bol van de stress. In het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG) in Amsterdam, waar hij vier jaar voordat hij bij de VU kwam, hoofd van de afdeling chirurgie was, praatte hij met de chirurgen op het laatst alleen nog via advocaten. De geschillen gingen meestal om geld.

Hij denk dat in die tijd het begin van zijn kanker ligt. ‘Het is nooit precies na te gaan, maar ik kan het me wel voorstellen.’ De agressie die dat opriep, is pas jaren later naar boven gekomen. ‘Ik kan met mijn therapeut heen en weer in mijn onderbewustzijn, dat is volledig toegankelijk. En het is vreselijk wat daar zit. Ik sla kussens doormidden.’

Door te praten en te mediteren moet alle ‘negatieve energie’ uit het lichaam worden weggewerkt om het ‘zelfhelend vermogen’ te stimuleren. Drie huwelijken, acht kinderen, alle schuldgevoelens daarover kwamen bij hem boven. ‘Dat leer je accepteren. Het is zonde om daar steeds van wakker te liggen. Het hoort bij mij, bij mijn partnerkeuze.’

Zijn jongste drie kinderen kreeg hij met zijn huidige vrouw in 1994, het jaar na zijn beenmergtransplantatie. Een drieling. Hij wilde geen kinderen meer, hij had er al vijf, en hij was ziek. Sandra en hij hebben er eindeloos over gepraat. ‘Je kun je voorstellen dat we niet over één nacht ijs zijn gegaan.’ Zij zei: ‘als je doodgaat heb ik tenminste nog een kind van je.’ Hij: ‘ik vond dat zo emotioneel en mooi, dat ik het ook graag wilde.’

Het werden er drie. Door IVF. Door alle chemokuren kon Wesdorp geen kinderen meer verwekken, maar uit voorzorg had hij in 1988 al sperma laten invriezen. Dat was hem geadviseerd, want je wist maar nooit. ‘En dan leer je het weer accepteren, een drieling, en dan is het grappig dat het bij je hoort. God, wat een leven zeg. Ik zou die kinderen van mijn leven niet meer willen missen.’

Elke dag geniet hij van die ‘kwetsbare oogjes’. Op de benedenverdieping van het huis is de kamer van de drieling volgestouwd met speelgoed en bedjes. In de keuken staat een tafel van drie meter lang, die Wesdorp speciaal heeft laten maken voor als alle acht kinderen thuis zijn, de oudste n inmiddels al  weer met hún kinderen. ‘Het is een feest, echt een feest,’

 

In juni 1994 besloot Wesdorp van de ene op de andere dag te stoppen met werken. De radicaliteit van die beslissing vond hij ‘een lekker idee’, maar daarna volgde nog een jaar van rouwverwerking. Hij was toch dertig jaar bezig geweest met bereiken wat hij had bereikt. Maar hij kon niets anders, hij wilde alleen nog dingen doen die echt bij hem pasten om zijn afweer tegen de kanker te verhogen.

De onrust die hij een leven lang had gehad, raakte hij kwijt. ‘Al die kicks, al die vrouwen, het is toch allemaal hetzelfde. Maar dat zag ik toen niet. Ik was waarschijnlijk een vreselijk macho-mannetje. Het kon me niet wild genoeg zijn. Ik heb intens geleefd, ik heb nooit iets gelaten. Misschien is dit wel de prijs.’

Hij laat de schilderijen zien die hij heeft gemaakt, van zijn vrouw en kinderen. Hij begon te schilderen, hij leest veel en zorgt voor de drieling. En hij wil zijn ex-collega’s overtuigen van zijn opvattingen. ‘Er is toch een blinde vlek in de medische zorg. Je komt daar voor een zieke lever, of een zieke long, maar niet als zieke patiënt met al je angsten en pijnen. Mensen zijn vaak gedesoriënteerd, maar er is geen tijd om te praten.’

Hij zal het hun onder de neus wrijven, ook al verslijten ze hem voor gek. ‘Interesseert me echt helemaal niks. Ik vind het een beetje lachwekkend. Alleen maar snijen de hele dag. Er is zoveel onder de zon. Dat is het positieve van deze ziekte, je herrangschikt je prioriteiten en je beleeft je emoties intensiever. Maar je moet wel lang genoeg leven om ervan te kunnen genieten.’

Het klinkt alsof hij blij is dat hij kanker kreeg. ‘Bijna wel. Ik zie nu dat ik een heel beperkt leven heb geleid. Ook omdat het nu goed gaat’.

 

Bron: de Volkskrant – 15 november 1997.