De
massale consumptie van dierlijke vetten is een van de belangrijkste oorzaken van
prostaatkanker. Drastische inperking van de vetconsumptie is daarom als
preventieve maatregel zeer aan te bevelen. Ook voor mannen die al
prostaatkanker hebben is omschakeling naar andere voeding aan te raden. Zij
doen er goed aan over te stappen op een dieet dat rijk is aan vis, visolie,
vezels, soja, koolsoorten, tomaten en andere groenten en fruit. Ook de
vitaminen D en E zijn van belang.
Deze - voor een reguliere specialist nog altijd zeer
opzienbarende – boodschap is afkomstig van uroloog dr. G.A. Dijkman, verbonden
aan het Ignatiusziekenhuis in Breda. Nog niet alle collega-urologen zullen het
hem nazeggen, maar er zit beweging in het artsenfront.
“We kunnen er niet meer omheen gezien de resultaten van onderzoeken
waaruit blijkt hoe belangrijk de rol van voeding is, ten goede of ten kwade. In
urologische wetenschappelijke tijdschriften staat over zulke onderzoeken
nauwelijks iets vermeld. Urologen krijgen dit soort informatie dus meestal niet onder ogen. Die verkokering
proberen we in Nijmegen te doorbreken”, aldus Dijkman.
Zijn promotor, prof. Dr. M. Debruyne, heeft er volgens
Dijkman voor gezorgd dat het urologische research laboratorium van de
Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) “midden in de kliniek” staat.
De Bredase uroloog promoveerde afgelopen vrijdag aan de KUN
op een profschrift over “Vorderingen in de beheersing van prostaatkanker”
(Progress in the management of prostate cancer).
In een gesprek naar aanleiding van zijn proefschrift trekt
de promovendus ten strijde tegen de dierlijke vetten. “Die zijn heel slecht
voor ons. Zij verhogen het risico op prostaatkanker. En ook op borst-, baarmoeder- en
dikke-darmkanker, zo is uit diverse onderzoeken gebleken”.
In ons land worden jaarlijks een kleine 5000 nieuwe gevallen
van prostaatkanker ontdekt, zo blijkt uit de jongste cijfers (uit 1992) van de
Vereniging van integrale kankercentra. De meest recente opgave van het Centraal
Bureau voor de Statistiek vermeldt dat in 1995 zo’n 2400 mannen aan de gevolgen
van prostaatkanker overleden.
Prostaatkanker (14,1 procent van de kankerincidentie) komt
in Nederland na longkanker (24,3 procent) bij mannen op de tweede plaats, direct gevolgd door
diktedarmkanker (12,2 procent).
Goede voeding is volgens Dijkman niet alleen preventief van
belang, maar ook bij de behandeling van prostaatkanker. “Ik adviseer mijn
patiënten met prostaatkanker het Moerman-dieet te volgen. Moerman had een
juiste visie, maar zijn aanpak was verkeerd. Hij volgde een wetenschappelijk
gezien aanvechtbare weg. De hoeveelheid onderzoeksgegevens is de laatste jaren
echter zo toegenomen dat we eigelijk niet meer om e relatie voeding – kanker
geen kunnen”.
Dijkman wijst onder meer op onderzoek dat is uitgevoerd
onder auspiciën van het Amerikaanse National Cancer Institute waarin duidelijk
is aangetoond dat de tumorgroei kan worden geremd door de hoeveelheid dierlijk
vet drastisch te beperken.
“Bij ratten waar prostaatkankercellen weren geïmplanteerd,
zijn proeven gedaan met voeding die wisselende hoeveelheden dierlijke vetten
bevatten. Na een bepaalde periode zie je dan dat de rat die het meeste vet
heeft gegeten de grootste tumor heeft ontwikkeld. Als je ze vervolgens helemaal
geen vet meer geeft wordt de tumor kleiner.
Willen we het risico op prostaatkanker beperken, dan moet
volgens Dijkman het roer om, al hoeven we ook weer niet als vegetariër te gaan
leven. “Waarom moet we elke dag vlees eten? Eén of hoogstens twee keer in de
week zou voor onze gezondheid beter zijn”.
Uit (epidemiologisch) onderzoek is volgens Dijkman gebleken
dat een voeding die rijk is aan vis, plantaardige en visoliën, vezels (onder
andere uit volle-graanproducten), soja, koolsoorten, tomaten en andere groenten
en fruit kan leiden tot veel minder gevallen van prostaatkanker onder de bevolking.
“Als wij in Nederland massaal op zo’n voeding overstappen, mag je op grond van
de huidige wetenschappelijke gegevens verwachten dat het aantal gevallen van
prostaatkanker met zo’n 30 procent zal dalen”.
Voorbeelden vormen de Chinezen, Japanners en volkeren rond
de Middellandse Zee, die veel plantaardige en visoliën gebruiken.
“Prostaatkanker komt vanouds onder Chinezen en Japanners heel weinig voor. Maar
sinds Japanners meer en meer westerse voedingsgewoonten overnemen, zie je het
aantal gevallen van prostaatkanker toenemen. Dat is keihard aangetoond. En
onder de tweede generatie van Chinezen, Japanners en Polen die naar de VS
verhuisden, komt even vaak prostaatkanker voor dan onder de rest van de
Amerikanen”.
Als ander frappant voorbeeld noemt Dijkman Amerikaanse
negers in de steden Los Angeles en San Francisco en de omringende regio’s in
Californië. Onder hen komt prostaatkanker 120 keer vaker voor dan onder
Chinezen in Sjanghai en twee keer zo vaak als onder blanke Amerikanen. De
oorzaak is volgens de Bredase uroloog voor een zeer belangrijk deel terug te
voeren op de voeding. Daarnaast speelt ook de erfelijke component een rol, zij
het een minder belangrijke.
Dijkman maakt zich zorgen over de voedingsgewoonten van de
gemiddelde Nederlander. “Als je die analyseert, valt het op hoe weinig
gevarieerd mensen vaak eten. Dat moet leiden tot suboptimale niveaus van
waardevolle voedingsstoffen en vitaminen. Kijk eens wat er zoal op zondag wordt
gegeten. De consumptie van frites, frikadellen en andere vette snacks ligt
enorm hoog. Wil je de gevolgen van de vergrijzing met de daarbij verwachte
toename van het aantal kankergevallen kunnen opvangen, dan is het nodig dat de
voedingsgewoonten worden aangepast. Anders rijzen de kosten van de zorg straks
de pan uit”, aldus Dijkman.
De Bredase uroloog bezocht vorige week, voorafgaande aan
zijn promotie, een internationaal urologiecongres dat in Parijs werd gehouden.
Daar hield hij een voordracht samen met o.a. prof. Dr. L.M. de Luca. Deze
toponderzoeker van het National Cancer Institute is verbonden aan het
laboratorium voor cellulaire carciogenese en tumorpromotie in het Bethesda
Hospital in Maryland. De Luca is onder meer betrokken bij onderzoek naar de rol
van stoffen (retinoïden) die zijn afgeleid van vitamine A. bij de behandeling
van prostaatkanker. “Ook De Luca bevestigde dat voeding een belangrijke rol kan
spelen bij de preventie en behandeling van prostaatkanker”m aldus Dijkman.
Zelf besteedt Dijkman in zijn proefschrift aandacht aan een Nijmeegs
onderzoek onder 55 patiënten met een voortgeschreden en uitgezaaide
prostaatkanker die niet meer reageerden op de gebruikelijke behandeling met
mannelijk-hormoonremmende middelen.Zij kregen het middel Liarozole
hydrochloride (Liazal) toegediend. Deze stof remt de afbraak van ritineenzuur
in de celkern, waardoor de concentratie ervan wordt verhoogd. Dit geeft een
versterkte antitumorale werking. Prostaatkankercellen die zijn uitgerust met
ontvangers (receptoren) voor retineenzuur, gaan zich minder ongecoördineerd
gedragen als zij de stof krijgen aangeboden, aldus prof. Dr. J. Schalken,
biochemicus en hoofd van het urologisch research laboratorium van de Katholieke
Universiteit Nijmegen, als copromotor betrokken bij het onderzoek van Dijkman.
Bij de helft van de patiënten die deze zogenaamde
differentiatietherapie volgen, trad verbetering op van de symptomen. De tumor
nam echter niet af in omvang en ook de verwachte overlevingsduur van de
patiënten werd niet verlengd. Het gehalte van een zogenaamde tumormarker in het
bloed, het prostaatspecifiek antigeen (PSA), daalde wel. Dit PSA is een maat
voor de tumoractiviteit.
Deze onderzoeksresultaten zijn volgens Dijkman en Schalken
toch dermate interessant dat inmiddels is besloten om de komende maanden in 20 à
25 Nederlandse ziekenhuizen een vervolgonderzoek op te zetten onder andere
groepen met prostaatkanker. Dijkman noemt onder ander mannen bij wie de tumor
inmiddels lokaal is voortgeschreden al of niet met uitzaaiingen naar de
lymfeklieren en patiënten die niet goed reageren op bestraling.
Een andere mogelijkheid betreft mannen die bekend zijn met
een lokale, niet voortgeschreden en niet uitgezaaide prostaattumor die hiervoor
al dan niet chirurgisch worden behandeld.
Als de tumor rustig lijkt, wordt tegenwoordig namelijk nogal
eens afgezien van een totale verwijdering van de prostaat. Lang niet alle
prostaattumoren zijn namelijk even gevaarlijk. In plaats van als een roofdier,
kunnen ze zich ook als huisdier gedragen Dijkman: “De uitspraak dat er meer mannen
sterven mét dan áán prostaatkanker is inmiddels bij velen bekend”. Chirurgische
behandeling is ingrijpend en kan bovendien leiden tot ongewenste complicaties
(impotentie en incontinentie). Niet opereren maar bewaken (“watchfull waiting”)
lijkt in deze gevallen de aangewezen weg. Een inmiddels twee jaar lopende
studie in het Rotterdamse Academisch Ziekenhuis Dijkzigt en in diverse andere
Europese ziekenhuizen moet hiervoor het bewijs leveren. Aan de hand van het
PSA-gehalte in het bloed wordt bij deze categorie patiënten wel de
tumoractiviteit in de gaten gehouden. Als het PSA plotseling stijgt is dit een
reden voor nader onderzoek.
Rond het onderzoek naar de effecten van retineen en andere
“retinoïden” zal, gezien de nieuwe studies in Nederland en de VU, in de
toekomst ongetwijfeld meer worden vernomen. Prof. Schalken is daarover
enigszins hoopvol maar doet aan het slot van het gesprek toch ook een ferme
uitspraak ten gunste van de voedingsaanpak: “Een goed dieet heeft meer effect
dan alles wat het fundamentele kankeronderzoek van de laatste tien jaar heeft
opgeleverd”.
Uit Reformatorisch Dagblad / Gezondheidszorg sept./96.
|
|
|
||