Kanker aan de prostaat is, na longkanker, bij mannen de meest
voorkomende kanker. Per jaar wordt de ziekte (volgens cijfers uit 1990) bij
4000 mannen vastgesteld en 2000 mannen gaan er per jaar aan dood. Nu zou je
denken dat dokters het roerend met elkaar eens zijn om prostaatkanker zo snel
mogelijk op te sporen en te behandelen. Want hoe eerder je er bij bent, hoe
beter de vooruitzichten. Niets is minder waar.
Over het nut van het vroegtijdig opsporen en snel behandelen van prostaatkanker
bestaat een voortdurende ‘medische controverse’, een felle discussie tussen
voor- en tegenstanders. Een bevolkingsonderzoek naar een bepaalde ziekte moet
namelijk aan een aantal voorwaarden voldoen. Op de eerste plaats moet er een
eenvoudige en vooral betrouwbare test zijn om de ziekte op te sporen. Een
bevolkingsonderzoek naar longkanker bijvoorbeeld valt dan onmiddellijk af, want
die tumor groeit zo snel dat iedereen zich bij wijze van spreken tien maal per
jaar zou moeten laten onderzoeken. Een beruchte moeilijkheid is dat geen enkele
test honderd procent betrouwbaar is: altijd zal een aantal mensen ten onrechte
worden gerustgesteld en anderen ten onrechte niet.
Dit probleem speelt met name bij het bevolkingsonderzoek naar relatief
zeldzame ziekten zoals baarmoederhalskanker. Gerda Feijen, huisarts en
onderzoeker in het Academisch Ziekenhuis van Maastricht, rekende in 1990 voor
dat, als alle vrouwen boven de 25 elk jaar een uitstrijkje zouden laten maken,
twintig- tot veertigduizend vrouwen ten onrechte te horen krijgen dat ze
mogelijk een voorstadium van deze weinig voorkomende kanker hebben. De ten
onrechte veroorzaakte angst voor kanker is dan ook een nadelig effect van zo’n
onderzoek.
Tenslotte moet er een effectieve therapie bestaan. Want het zou aan
geestelijke wreedheid grenzen om eerst een ziekte op te sporen en dan tegen de
patiënt te zeggen: maar we kunnen er helaas niets tegen doen. Welnu, een
simpele, waterdichte test om prostaatkanker op te sporen ontbreekt. De prostaat
is een klier ter grootte van een kastanje die de urineleider als een manchet
omgeeft, daar waar die de blaas verlaat op weg naar buiten. Bij voldoende
zwelling van de prostaat wordt de urineweg afgeknepen met blijvend moeizaam
plassen en nadruppelen tot gevolg. Bijna altijd is dat goedaardig, soms
kwaadaardig.
Nu zijn er drie manieren om routinematig prostaatkanker op te sporen:
1. het rectaal toucher, 2. het meten van prostaat specifiek antigeen in het
bloed, (PSA-test) en 3. een echo van de prostaat. Het rectaal betasten van
prostaat kan tussen die goedaardige en kwaadaardige vorm niet altijd een goed
onderscheid maken, en bovendien worden nogal wat kwaadaardige tumoren
gemist.Ook het meten van het PSA is geen waterdichte test, net zo min als de
echo. ‘Het gebruik van iedere test op zich zou leiden tot veel onterechte
ongerustheid en nodeloze prostaatbiopsieën’, schreef de Rotterdamse uroloog
prof. Frits Schröder vorig jaar in de British Medical Journal, en ‘ongelukkig
genoeg kennen we ook niet de betrouwbaarheid als de drie testen tegelijkertijd
worden uitgevoerd.’
De operatie van een niet uitgezaaide tumor is niet niks: het
sterftecijfer is 1 procent. Vier procent van de patiënten tussen de 65 en 69
jaar krijgt problemen met zijn hart. Bij 34 procent volgt impotentie en 4
procent wordt incontinent. Als de verschijnselen van prostaatkanker zich
manifesteren, dan is de ziekte in de helft van de gevallen uitgezaaid en niet
meer met een operatie te stoppen. Dus zou je zeggen, moet je er eerder bij
zijn. Maar ook bij een vroeg opgespoorde en nog te opereren prostaatkanker is
niet duidelijk of opereren beter is dan afwachten. Dat komt omdat de tumor
meestal zeer traag groeit en vooral voorkomt op gevorderde leeftijd. Dat heeft
tot gevolg dat meer mensen dood gaan met prostaatkanker dan door
prostaatkanker.
‘Als alle kankers die bij sectie worden ontdekt bij leven waren
behandeld, dan zouden 26 van de 27 patiënten onnodig zijn behandeld’, schreef
prof. Schröder. ‘De kunst is nu om de poesjes van de tijgers te onderscheiden
en de agressieve tumoren te identificeren.’
Dit, en de bruikbaarheid van de drie testen, wordt nu in Rotterdam
uitgezocht in samenwerking met medische centra in Antwerpen, Newport, Milaan,
Madrid en Lissabon. Het zal minstens tien jaar duren voordat dit onderzoek een
Salomonsoordeel zal kunnen vellen, en tot zolang zit de medische wereld met een
medisch probleem.
En wij ook.
Bron: De
Limburger, 12-11-‘94.
|
|
|
||