door dhr. Dr. G.A. Dijkman,
uroloog
Grondgedachte
bij de behandeling met hormoonpreparaten is dat je het mannelijk hormoon
wegvangt.
Dat kun je doen
door het geven van vrouwelijke hormonen.
Een andere
mogelijkheid is om de zaadballen, de testikels te verwijderen, hetgeen
natuurlijk voor de man een enorme mutilerende ingreep is. Het is ook mogelijk
om dat op een wat charmantere manier te doen, zodat de testikel niet totaal
hoeft te worden verwijderd. Hierbij wordt het kapsel opengesneden en het
weefsel er uitgehaald zodat het scrotum, de zak, toch nog eniger mate gevuld
is. Dit functioneert goed. Het testosteron, dat hier geproduceerd wordt, wordt
dan weggevangen.
Begin
zeventiger jaren al zijn door de chemische en de farmaceutische industrie
middelen ontwikkeld om de stimulatie van de hypotamus naar de hypofyse te
blokkeren. Deze stoffen, LH RH antochonisten, remmen dat. Heuchst Roussel
Marion is begonnen met iets wat je moest opsnuiven. Weldra zijn anderen
begonnen met ééndags-doseringen en daarna met maanddoseringen. Nu bestaat er
inmiddels een driemaands en zelfs een viermaands dosering. Dit betekent dus
geen chirurgische maar een chemische castratie.
Daarnaast
draagt ook de bijnier voor een bepaald gedeelte van het mannelijk hormoon bij.
De vraag rijst
of chemische castratie helemaal gelijk is aan chirurgische castratie. In het
psychologische impact is operatie aan de testikels voor een man redelijk ideaal
te noemen, ook al is daar een korte ziekenhuisopname aan verbonden.
Bij de keuze
van een depotpreparaat moet je zorgen dat je die niet vergeet. Je wordt toch
iedere 1, 2, 3 of 4 maanden aan je ziekte herinnerd. Dat is één.
Ten tweede
hebben deze medicijnen bijwerkingen. Deze zijn misschien vergelijkbaar met die
van castratie, maar wellicht toch een ietsje meer. Mannen hebben dan last van
opvliegers, van hot-flushes, transpiratie, en dat is vervelend.
Er zijn vrij
uitvoerige onderzoeken geweest "in quality of life", naar de
kwaliteit van leven, met de vraag: zijn die mannen depressief, moe of
geagiteerd, en hebben ze nog wel lol in het leven? Middels vragenlijsten
probeerde men het ene te vergelijken met het andere, maar daar kwam geen echt
verschil uit. Soms krijgt men de indruk dat hormoonpreparaten wat meer neiging
tot stemmingsveranderingen geven dan een castratie.
De hypothalamus
scheidt een aantal stoffen uit. Een gedeelte gaat naar de bijnier (die boven op
de nier is gelegen) toe, het andere gedeelte gaat naar de testikels. Het
grootste deel van het mannelijk hormoon, afkomstig van de testikels, gaat naar
de prostaat toe. Het andere gedeelte komt van de bijnier.
Zoladex is
begonnen met een maandelijkse injectie, daarna kwam de 3-maands spuit. Hoechst
levert Suprefact als 2-maands depot. Abbot heeft Lucrin, eerst als 1-maands en
nu als 4-maands depot. Er zijn dus verschillende leveranciers van dit soort
depots. De werkzame stoffen zijn in principe allemaal gelijk.
Deze stoffen
blokkeren dus de werking van de testosteron, die vanuit de testikels komt.
Vaak kan je
zien dat, eigenlijk al vrij vlot na toediening, het testosteron, het mannelijk
hormoon, door het serum tot castratieniveau daalt. Binnen vier weken eigenlijk
al.
Een kleine waarschuwing.
Steeds meer
mensen gebruiken tegenwoordig aspirientjes, acetisals, syntron, en noem maar
op. Als je dit soort (bloedverdunnende) medicijnen gebruikt in combinatie met
een depotinjectie dan bestaat de kans dat je een bloedinkje krijgt uit de
steekopening, en dat is vervelend. Daardoor kan het overhemd onder het bloed
komen te zitten, of er kan een hematoom optreden.
Waar vroeger
heel veel aandacht aan werd besteedt was
het Flairfenomeen. Doordat er eerst een soort terugkoppeling komt krijg je in
de eerste vier weken zelfs een verhoging van het testosteron. Er zijn
bijwerkingen, zoals meer plasklachten, bekend (dit is een volledig fysiologisch
gebeuren). Misschien doordat de prostaat door de overdosis aan mannelijk
hormoon een beetje meer gaat opzwellen. Andere mannen spraken over meer pijn in
hun botten. Er zijn zelfs dwarslaesies beschreven.
Men noemt dit
het D-Flairfenomeen. Daarom is het soms verstandig om dat fenomeen als zodanig
te blokkeren door in eerste instantie ook een antiandrogeen te geven.
Omstandigheidfactoren.
Een Chinees in
Sjanghai heeft een veel kleinere kans om prostaatkanker te krijgen dan een
African /American neger in San Francisco. (Die heeft 120 x meer kans). We
hebben dus in wezen allemaal een gelijke kans. De Chinees in de sloppen van
Sjanghai eet echter heel anders dan de neger in Amerika.
Na het
vaststellen van kanker vragen mensen zich vaak af: kan ik zelf nog iets doen?
Ze praten dan over gezonder eten. Maar in feite is het probleem al jaren terug
begonnen. Je moet eigenlijk een baby al geen mayonaise meer geven. Dáár begint
het, om het maar even scherp te stellen.
Ja je kunt
hopen dat je iets kunt doen door op latere leeftijd nog gezonder te gaan leven.
Maar, en dat heb ik ook in de folder geschreven, het is een grote taak van de
overheid, (en daar speelt de Moermanvereniging ook een hele grote rol in), het
is noodzakelijk om veel eerder gezonder te gaan leven.
Je ziet nu dat
in Japan de Westerisation van de voeding ook toeslaat. Men eet daar geen rauwe
vis meer. De moderne Japanner wil een Big Mack, Cola en suiker hebben, maar de
rijst, vruchten en groentes, die zo goed voor hem waren, laat hij staan. En je
ziet dan door verandering van voeding de gevallen van kanker toenemen.
Schatting van nieuwe gevallen en overlijdens van prostaatkanker bij mannen boven de 50 jaar in de U.S.A. (American Cancer Society):
|
jaar |
nieuwe
gevallen |
overlijdens |
|
1958 1965 1975 1980 1985 1991 1995 1996 |
onbekend onbekend 56.000 68.000 86.000 122.000 244.000 317.000 |
14.071 15.900 18.700 21.000 25.000 32.000 40.400 41.400 |
Dit zijn de
getallen in Amerika. Een gigantische toename van vastgestelde gevallen van
prostaatkanker.
In 1975 56000
nieuwe gevallen, in 1996 317.000, en medio 1997 zijn er 340.000 vastgesteld.
Wel hebben we de indruk dat die toename mede veroorzaakt wordt door de enorme
uitbreiding in de diagnostiek. In sommige gebieden van Amerika vindt er echter
al weer een afname van incidenties plaats. Maar dit neemt niet weg dat de
sterftecijfers gigantisch zijn gestegen en daar hebben we toch mee te maken.
Risicofactoren
bij prostaatkanker.
|
African
American White
American Familiar
voorkomen Hormonen Voeding Dierlijke
eiwitten Vitamine D |
+ + + ++ -- |
Vitamine E Vitamine A Alpha/B.-caroteen Lycopene (tomaten) Groenten /
vezels Visoliën |
-- " +/" - -- -- |
Even over de
risicofactoren.
In eerste
instantie is dat de leeftijd. Naarmate we ouder worden heeft een man een veel
grotere kans om prostaatkanker te krijgen. Door de goede gezondheidszorg worden
we steeds ouder in Nederland. Er zullen steeds meer ziektes worden vastgesteld,
dus ook prostaatkanker.
Over vitamine
D:
Mensen die
weinig zonlicht krijgen hebben meer kans om prostaatkanker te krijgen dan
mensen die veel zonlicht zien. Lycopeen schijnt een goede stof te zijn in het
voorkómen van prostaatkanker. Als u tomaten bakt in bijvoorbeeld olijfolie -en
dat is het geestige-, komt er meer lycopeen vrij.
Er is inmiddels
officieel bewijs geleverd dat dierlijke vetten wel degelijk invloed hebben op
de ontwikkeling van prostaatkanker.
Ook belangrijk
zijn beroepsfactoren: in de landbouw en mensen die met straling te maken
hebben. Met vasotectomie is het een ander verhaal.
Heel toevallig
kwam naar voren dat sterilisaties van twintig jaar geleden meer aanleiding zou
hebben gegeven om prostaatkanker te krijgen. Er is een enorme bajas geweest
maar het is nooit bewezen als zodanig.
Tot de volgende keer.
|
|
|
||
|
|