Dagboek (1831), Johannes Hardeman

Dagboek van de tiendaagse Veldtocht

Niet te ontcijferen woorden worden door puntjes (...) aangegeven.

Den 2de Augustus 1831 begaf zich onze Kompagnie, benevens de 4de Kompagnie, met welke wij te Aalst gekantonneerd waren geweest, zich op marsch naar Waalre, alwaar (...) met de 1ste en 2de Kompagnie van ons Bataillon, die dit dorp tot kantonnementsplaats hadden gehad, ons inwachten. Gezamenlijk trokken wij over Dommelen naar Bergeik en bleven aan de andere zijde dier plaats onze Brigade Kommandant, den Luitenant Kolonel Sprenger, wachten, die weldra, vergezeld van zijn staf, zo als ook de vrijwillige Jagerkorpsen en overige bataillons waaruit deze brigade was samengesteld en de Batterij Veldartillerie, arriveerden. Dadelijk stelde de Colonnel zich aan het hoofd van ons Bataillon dat den regtervleugel der Brigade uitmaakte en de Colonel rukte op, ten eind zich te begeven naar de heide (...) om die dag op te bivouacqueren. Naar de marsch van een uur en op een uitgestrekte heide gearriveerd zijnde, gaf de Colonel, die een eindweegs vooruit gereden was, zich op alle hoogtens geplaatst en rondgekeken had, bevel van terug te keeren, zeggende, dat de gids hem op een verkeerde heide had gebracht. Of dit inderdaad zo was, mocht men betwijfelen. Mij kwam het voor dat deze marsch naar een verkenning geleek, dewijl deze gemelde heide reeds tot Limburg hoorde. Temeer was men in dit gevoel omdat men niet door de gehele Brigade gevolgd werd. Alleenlijk de 17e afdeling bevonden zich bij ons. Zeer vermoeid kwamen wij des middags (weder) op de heide tusschen Bergeik en Eerzel aan, alwaar spoedig de Bataillons onzer Brigade die achter gebleven waren, zich aan ons aansloten. Alsmede de lste Brigade, (...) Brigade Kavalerie arriveerden, om aldaar met ons te kamperen. Echter scheen deze positie niet goed geoordeeld te worden, (...) reden wij te 5 uuren, onder een geweldigen regen (...) vertrokken, en op een heide 1 1/5 uur vandaar gelegen gingen bivouacqueren.

Tot den morgen van den 3den Augustus, wanneer ten 8 uuren de gehele Divisie benevens de (...) ligte Kavalarie oprukten en voortmarscheerden tot voor het Postelsche Bosch, terwijl de Jagerkorpsen dit bosch doorzochten, bleven wij met de overige troepen alhier wagten. Een groot gedeelte van de manschappen maakte van deze halte gebruik om zich van veele overtollige en onbruikbare goederen te ontdoen, vooreerst omdat wij wegens de geweldige hitte van die dag en zwaar beladen zijnde, bijna niet meer gaande, en ten anderen omdat wij ons op vijandelijk grondgebiedt bevonden en niet anders dachten als noch die dag slaags te zullen geraken. Die gedachten gaf onder ons aanleiding om al hetgeen dat men in het veld niet behoefde weg te werpen - dit a1les deden onze superieuren (...) en welligt, evenals wij in het gevoel, dat, wanneer wij met den vijand handgemeen geraakten, ons dezen overtolligen last hinderlijk zijn zoud. Nu dat men eindelijk overtuigd geworden was dat er zich geen vijand in gemeld bosch ophield, trokken wij er door en kwamen eindelijk te Postel aan, daar men weder eenige tijd halt hield en bekwamen aldaar zuiver water, dat ons zo lange ontbroken had. Veelen maakten in die ogenblikken gebruik om zich van verdere mondbehoeften te voorzien. Een menigte zag men aankomen, met hammen, stukken genaakt vleesch, brood en boter enz. Dat op dien tijd nog uit geen armoede geschiede, zo dat onze Divisie Kommandant, de Luit-Generaal, genoodzaakt was de officieren te gelasten ten strengste (rapport) ervan te maaken, terwijl een ieder die dan schuldig bevonden werd, op staande voet met den kogel geëxecuteerd zoud worden. Vervolgens marscheerden wij verder over een uitgestrekte heide, welke op sommige plaatsen zeer moerassig, en bekend is onder de naam van de Postelsche moeren, naar Avendonk, welke plaats den vorige middag in allerijl door den vijand verlaten was geworden, alwaar enige verschansingen door den vijand was opgeworpen. Rondom dit dorp moest nu de gehele Divisie bivouacqueren, terwijl het overiege (...) het dorp Rettij bezetten. Zeer gelukkig trof het ons Bataillion. In de nabijheid van enige huizen werd ons bivouac aangewezen, waardoor wij ons niet alleen (met onzen) kompagne vivres behoefden te vergenoegen. In genoemde huizen kond men voor Brabands of (nieuw Hollands) geld bier, brood, of wat men begeerde verkrijgen. Maar wanneer men hun oud Hollands geld aanbood, waarvan zij eenig geld moesten teruggeven, wilden zij ons liever hetgeen men gekocht had schenken. Veelen maakten daarvan gebruik, die altijd oud Hollands geld aanboden.

Den 4den Augustus, trokken wij des morgens ten 7 uuren van Avendonk over Rettij, Dischel en de heide van Gheel, een allermoeilijkste marsch naar Mol, zo zelfs dat er alleen van ons Bataillon 2 schutters door de vermoeienissen en verschrikkelijke hitte van die dag bezweken, waaronder ik den overledenen van Eede, met den dood worstelende, onder doctors handen zag liggen. Gaarne zoud ik hem alle mogelijke hulp hebben toegebracht, maar het woord 'voorwaards, voorwaards', drong mij hem te verlaten. Een half uur van dit dorp of stadje werd ons een plaats om te bivouaceren aangewezen. Zo vernamen wij hier dat Daine met zijn korps door onze Divisie en die van den Hertog van Saxen Weimar ingesloten was, en men dus den volgenden dag, zo al niet met hem, dan toch met een gedeelte der Armee slaags zoude geraken, zo als dan ook geschied is.

Den 5den Augustus zetten wij onze marsch voort, over Rosselaar, Schoor en (...), alwaar men in de verte enig tiraileur vuur hoorden. Wij marscheerden vervolgens naar Oostham en vernamen dat de Generaal op de marsch derwaards berigt had bekomen den vijand zich aldaer bevond. En dadelijk een verkenning uit Leidsche Jagers en enige Husaren bestaande, had gezonden, die dezelve weldra hadden gevonden en verdreven. Van de zijde der Belgen waren er veelen gevallen, terwijl slechts een Leidsche Student een ligte wond aan het been bekwam. Wij vervolgden den weg tot aan Beringen en hoorden dit stadje naderende wederom tiraileurvuur, hetwelk veel sterker was dan dat des morgens te Oostham. Het scheen ons dadelijk toe dat er weinig tegenstand geboden werd, want onze Brigade rukte zonder oponthoud tot onder de muuren der stad voort en hoorde toen dat de eerste Brigade van onze Divisie de stad ingenomen had. Dit deed ons veel genoegen, maar echter gevoelden veelen leed dat als toen wij ons niet met den vijand hadden kunnen meten, doordien ons Batallion, door het aanhoudend hooren vuuren, als van verlangen brandde, den vijand te zien. Wij volgden als toen de 1ste brigade en trokken ook de stad in. Op de markt hielden wij halt en men verhaalde ons dat er ruim 900 Belgen in de stad waren geweest, juist op het ogenblik dat zich aldaar 150 Leidsche Studenten, die onze kolonne vooruit marscheerden, hadden vertoond. De Belgen, die wel van onze komst op hun grondgebied verwittigd waren, hadden ons evenwel niet zo spoedig te Beringen verwacht. Wij overvielen hen dus, waar door de kommandant van het Belgiesche Bataillon zich genoodzaakt vond zijn behoud, in een spoedige vlucht, te zekeren. Dit voorbeeld werd weldra door zijne onderhorigen gevolgd, die echter door hun groote getal zo vlug niet weg wisten te komen, nog eerst uit de huizen enige schoten deden en vervolgens zich op de markt wat verzameld hebbende, peletons vuur op de Leidsche Jagers maakten. Een dezer Jagers, Beekman genaamd, sneuvelde! Terwijl een ander een wond aan het been bekwam. Verscheidene Belgen vielen in onze handen. Wij maakten ons hier van enige geweren en pieken meester en marscheerden vervolgens naar buiten de stad, waar ons een hooge vlakte tot ons bivouac werd aangewezen. Den volgenden dag zouden wij hier rustdag houden. Dus moest nu een ieder, zo veel mogelijk, een goede en stevige hut zien te krijgen. Dat was evenwel moeijlijk, dewijl er nog geen stroo gefourageerd was en wij dus van deze onze gewone materialen ontstoken waren. Doch een nabijgelegen bosch moest nu ons gemis vergoeden. Jonge Elzen en Eiken werden afgekapt. Dit diende om ons voor de brandende zonnestralen te beveiligen. Spoedig had onze verblijfplaats een geheel ander aanzien gekregen, zo dat een ieder, die een paar uuren deze vlakte bezogt had en er nu weder gekomen was, voorzeker het zoud hebben moeten betwijfelen of hij zich wel op dezelfde plaats bevond. Want in plaats van een dorre heide zag men nu een aaneenschakeling van bladrijk houtgewas. Onze hutten, van bouworde verschillend, daar eenieder dezelve naar zijn eigen smaak had ingericht, waren nu in zo verre gereed dat zij ons tegen de sterke zon en de verwacht wordende regenbuijen (de lucht werd hoe langer hoe meer bewolkt) beschermen konden! Eindelijk zagen wij ons verpligt de nabij gelegen boeren te gaan bezoeken, wijl wij op die dag geen veldvivres ontvingen. Zij namen mij tot den boeren (...), die doordien bijna van alles beroofd werden. Niet alleen dat hunne huizen geplunderd, kisten en kasten opengeslagen werden, maar zij werden zelfs van hun meel en het graan uit de schuuren en dat op de velden in derzelver nabijheid stond, ontroofd. Men vond als toen nog zeer weinig gedorscht stroo in hunne schuuren. Dit gaf aanleiding om het koorn tot ligging en dekking mede te nemen. Ik zelf, hoewel zeer tot mijn smarte, haalde mede het koorn uit hunne schuuren, daar ik, wanneer het voor mijzelf geweest was, niet ligtelijk toe zoud hebben overgegaan. Maar door de officieren daartoe gelast zijnde, was ik daartoe als gedwongen. Het was een schouwspel om dat alles in zijn werking te zien. De landen waren van onze militairen bedekt met aardappelen rooyers, anderen zag men bezig om groentens en al wat hun aanstond in de tuinen te plukken. De huizen waren vol militairen die daar even te werk gingen of het hun eigendom was. Potten en pannen, tafels en stoelen, ja al wat dienstig kond zijn op bivouac, dat ging mede. Duizenden zag men koorn, hoo en stroo dragen. Anderen waren bezig op Bivouac met het eeten gereed te maaken, zo dat wij eindelijk een vrij goed middagmaal hielden en begaven ons daarna ter gewoner tijd, dat is met zonsondergang, ter ruste. Doch ten 10 1/2 uure werden wij eensklaps in onzen slaap gestoord door het geroep 'op! op!' Een ieder verliet zo spoedig mogelijk zijn strobos en ontwaarde dadelijk de oorzaak van dit zo onverwacht 'op! op!', dewijl het gehele bivouac verlicht werd door een hevige brand in de stad. Natuurlijk kwamen wij allen terstond onder de wapenen, waaronder wij omtrent een uur bleven. Onze kapitein bekwam bevel om met 40 man naar de stad te gaan, teneinde bij de brand behulpzaam te wezen, doch keerde spoedig terug, daar de gehele Divisie order bekwam naar Kourzel te trekken dat een uur van daar gelegen was. Dit was voor ons in die donkere regenachtige nacht waarlijk niet aangenaam en waren zodanig door den slaap bevangen dat bij elk ogenblik halt dat men hield, de geweren opzettende, wij op deze toe leunende in slaap vielen. Dat wij te Kourzel den nacht niet aangenaam doorbrachten, zal een ieder begrijpen. Daar wij genoodzaakt waren den door regen bevochtigden grond tot rustplaats te nemen, wilden wij onzen slaap weder vervolgen, in welke slaap wij in een allesbehalve genoegelijke wijze gestoord waren geworden.

In de vroegte des morgens marscheerden wij weder naar ons verlaten bivouac terug, waar wij den 6den verbleven. In den avond van die dag zagen wij weder in de verte een hevigen brand.

Den volgenden morgen, den 7den Augustus, vertrokken wij vroegtijdig van ons bivouac en passeerden Beringen. Een uur ver gemarscheerd zijnde, hoorden wij in de verte een zeer sterk kanonvuur. Het was een gevecht van een kolonne, welke uit Maastricht een uitval had gedaan, tegen de Belgen, zo als men ons des middags verhaalde. Eindelijk kwamen wij in het dorp Lummen, dat met Boschrijke Bergen omgeven is, waaronder zich een Berg bevind, waaruit men IJzer delft en aan welks voet dit fraaye dorpje gelegen is. Zo kwamen wij des namiddags over Schulen in den nabijheid van Sterck, ten einde aldaar tot den volgenden dag te bivouacqueren. Doch tegen 4 uuren hoorde men enig tiraileurvuur naderen, hetwelke hoe langer hoe sterker werd en meer en meer begon te naderen. Hierop maakte een ieder spoed zijn aardappelen en soep gekookt te krijgen. Ik bevond mij in een nabij gelegen huis, alwaar de officieren des middags bij afwisseling zouden komen eten, en moest aldaar over het een en ander hut oog houden. De kapitein had mij gelast dit huis niet te verlaten alvorens hij mij zulks bezegd had. Ik hoorde van tijd tot tijd het vuur naderen, zag vrouwen en kinderen van die kanten komen vluchten en begon doordien te vrezen dat het Bataillon marscheeren zoud, zonder dat ik van hetzelve was verwittigd geworden. Ik besloot dus eindelijk, na mij alvorens van een en andere behoeftens voorzien te hebben, naar het Bivouac terug te keeren. Daar komende stond juist het Batallion aangetreden, wijl er order gekomen was dat het Bat. zich op den weg in Bataille moest schaaren, ten einde desnoods voorwaards te trekken en de geleden hebbende troepen af te lossen. Hier passeerde ons verscheide geblesseerde officieren en manschappen, ook eniege gevangenen! 2 à 300 Passen vooruit gemarscheerd werd ons een stuk land aangewezen om vooreerst op te verblijven. De Groninger Jagers en een peleton van de 13de Afdeeling werden bij ons gevoegd. Des nachts van tijd tot tijd hoorden wij eniege schooten, welke in den vroegen morgen van den 8sten Augustus zeer vermeerderden, doch spoedig geheel en al ophielden. Zij waren waarschijnlijk veroorzaakt door het op elkaar stooten van Patrouiles, want het vijandelijke Korps had hier in de buurt eniege posten agtergelaten, terwijl het Leger in de omstreken van Curingen geretireerd was. De nacht was mij zeer lang gevallen, doordien wij dezelve wakende doorbrachten, zoowel door de nabijheid der vijand als een gebrek aan behoorlijke ligging. Ik was dus zeer verblijd den dag te zien aanbreken. Spoedig bekwam ons Bataillon, voorafgegaan door de (Groningsche?) Jagers, order voorwaards te marscheeren, waarachter de overige Batallions die onze Brigade uitmaakten, volgden. Berbroek gepasseerd zijnde, ontmoeten wij de ons inwachtende Brigade. Hielden nog 1/2 uur halt (...) en de Divisie ging blijmoedig den vijand tegemoet! Weldra kwam ons de Prins van Oranje en Prins Frederik, vergezeld door hunnen Staven, voorbij rijden, en zich aan het hoofd onzer Divisie stellen! Een donderdend en aanhoudend 'Hurah!' klonk nu de gelederen door, daar op het gezicht deze Doorluchtige Helden! Nu trokken wij dan voorwaards, zagen op den weg gesneuvelden, eeniege waren Frieze Schutters, andere van de 13de Afdeling, doch het grootste getal waren Belgen, niet tegenstaande reeds veele lijken door de Boeren opgeruimd en in de schuuren onder het stroo verborgen waren. Wij marcheerden (...) door, tot waar den vorigen avond de 1ste Brigade onzer Divisie onder bevel van den Colonel Stokker den vijand verdreven had, die vervolgens naar Curingen terug getrokken was, in welk dorp wij hem nu dan ook aantroffen. Dadelijk werden nu de Leidsche, Noordhollandsche en Groninger vrijwillige Jagerkorpsen en Tiralleurs vooruitgezonden. Ons Batallion bekwam order om links van den weg dien wij vervorderden in bataillie op te marcheren, terwijl aan de regterzijde van dien weg een Bat. van de 1ste Brigade diezelfde manouvre ten uitvoer brachten, tusschen welke beide Batalllons de Batterij Veldartillerie geplaatst was. Op het naderen van onze aldus voortmarscherende Colonne retireerde de vijand, nadat er noch een paar schoten uit het geschut, met blikke dozen geladen, op hun gelost was, welke een 28tal deed sneuvelen en een groote verwarring onder hun aandeed. Den vijand, nu het dorp ontruimd hebbende, trokken wij en om en door heen. Niet ligt zal deze marsch in bataillie mij vergeten, daar deze bouwvelden, die wij omstreeks een uur lang doormarscheerden, noch meestendeels met zwaar koorn stond dat ons zeer hinderlijk was. Temeer was deze marsch moeijelijk, daar genoemd land met zware heggen, struiken en wallen, waardoor wij marsheren moesten, omgeven waren. Eindelijk kwamen wij naar deze moeijelijke reis volbracht te hebben in het dorp aan. Wij hielden aldaar een uur halt, ons Bataillon werd tot rustplaats het kerkhof aangewezen, alwaar zich ook onze Doorluchtige Helden bevonden. In hunne tegenwoordigheid kond men natuurlijk de zo zeer gewenschte rust niet nemen, doch zodra had de Prins van Oranje zulks niet bemerkt of gaf dadelijk hiertoe zijn toestemming, zeggende 'ga toch zitten, jongens, ga toch zitten!' En terwijl wij ons daar bevonden werden er 5 krijgsgevangenen binnengebracht, welke een allesbehalve gunstig voorkomen hadden. Een derzelve, een Sergeant der Artillerie, vond verscheidene kennissen onder de onderofficieren en manschappen, die tevoren zijne vrienden in dezelfde Brigade geweest waren. Eindelijk rukte de Divisie weder op en vervolgde de weg naar (...), in wiens gehucht gekomen zijnde, eene stelling op eene zich (aldaar) bevindende hoogte aangenomen werd. Op deze plaats had de (vorige) nacht de vijandelijke Armee gebivouacqeerd. Hoe weinig deze muitelingen om de welvaart van hunne eige landgenoten geven en dat zij niet ten onregte met den naam van Brigands bestempeld worden, was hier blijkbaar genoeg, daar zij alle de in die omstreken op het veld staande koornschoven om verre geworpen en tot ligging gebruikt hadden. Ook vonden wij daar in het koorn het lijk van een Belg, die waarschijnlijk des nachts aldaar aan zijne bekomene wonden was overleden! Een geweerkogel had hem een dodelijke wond toegebracht. Gedurende den tijd dat wij op de terugkomst van den Luitenant-Kolonel van Tuil wachten, die als Parlementair door den Prins van Oranje naar Hasselt gezonden was om de bezetting en ingezetenen te waarschuwen de Poorten te openen en zich niet te verdedigen, daar Z.K.H. hen dan verantwoordelijk stelde voor alle de gevolgen die het gewapenderhand innemen der stad na zich mogt sleepen, werden intusschen door de manschappen de nodige Jenever in een groote nabij staande stokerij gefourageerd. Weldra keerde nu de Adjudant van Tuil terug met het berigt dat Daine niet zijn geheel Korps op Tongeren retireerde en de poorten van Hasselt voor ons geopend waren. De Generaal Boreel kreeg nu bevel met zijne Brigade (bestaande uit 3 escadrons dragonders, l regiment husaren en 1/2 batterij rijdende artillerie) zoo spoedig mogelijk de stad door te rijden, den vijand te vervolgen en kond het zijn aan te tasten en onze Divisie van naar Hasselt op te rukken. Na een uur tijds op bivouac te zijn geweest aan (gene) zijde der stad, arriveerde onzen Held zich naar Curingen tegen (...), ten einde aldaar te overnachten en werd met het herhaald geroep van 'Leve de Prins van Oranje' begroet! Z.K.H. gewerd hierop de juiste aanmerking van 'Hoord eens mannen, vanmorgen juichten Gij reeds al zo vroeg. Dan nu moogt Gij het eerst niet recht doen, want wij hebben geklopt en overwonnen en eerder moet zulks nooit plaats hebben', en naar ons gegroet te hebben snelde hij voort. Daarna mij met mijne officieren naar de stad begevend, ontmoeten wij de terug komende Brigade Cavalarie, welke, zo als ik boven gemeld heb, last had ontvangen den vijand te vervolgen. De Adjudant van den Generaal Boreel reed dadelijk naar mijne officieren toe en verhaalde hun dat de Brigade, den vijand even buiten de stad aangetroffen hebbende, dadelijk aangevallen en hun groot verlies had toegebracht, daarna tot door Kortessem vervolgd, 3 kanonnen, 2 houwitsers, 7 caissons der artillerie, verscheidene wagens met goederen uit het magazijn van Hasselt veroverd, alsmede eene menigte paarden en een lOOtal krijgsgevangenen gemaakt had. Zo vervolgden wij onzen weg naar de stad, de officieren namen hun intrek bij een der voornaamste Heeren der stad. Aanschellende werd hun de deur geopend door de meid. Den Heer, die hun dadelijk in den gang tegemoet kwam, gaven zij hunne verlangens te kennen, maar hij verzocht zij hem toch (ontzien) zouden, dewijl hij reeds zware inkwartiering had hun moeijelijk het nodige zoud kunnen verschaffen. Alle deze verontschuldigingen konden niet baaten, zij lieten zich niet afwijzen, maar namen de vrijheid in een kamer binnen te treden, waar zij dadelijk hun plan ten uitvoer brachten om goed te laten opschaften. Hunne begeertens werden in alles rijkelijk voldaan. Ten blijke daarvan deden zij door mij de meiden 5 guldens ten hand stellen, die zulks (volgens hun zegden) van deze ongenode gasten in het minst niet verwacht hadden. Ik vervoegde mij ogenblikkelijk bij de meiden in de keuken, waar ik allervriendelijkst onthaald werd en een zeer goed middagmaal hield. Bovendien keerde ik met eniege proviant, waaronder een fles wijn, naar het bivouac terug, waar ik den volgende nacht na zo veele vermoeijenissen zeer rustig sliep.

Den volgende dag, den 9de Augustus, passeerde des morgens omstreeks 7 uur en voorbij ons bivouac en trokken door Hasselt, de Brigade Kurassiers, onder bevel van den generaal Post, benevens 5 batterijen rijdende artillerie en l (Bat.), welke bij onze Divisie waren gevoegd en wij verrichten een 1/2 uur later dezelfde voorwaardsche beweging om te Wimmerting te gaan bivouacqueren, waar wij spoedig arriveerden, daar het niet ver van Hasselt gelegen is. Onderweg zagen wij nog eniege lijken van Belgen liggen, daar die groote menigte in zoo een korten tijd niet opgeruimd had kunnen worden. Een menigte kledingstukken, kanonkogels en granaten, op verschillende plaatsen was de weg bedekt met boeken, papieren, opengeslagen kisten en koffers, welke tot de Administratie van verschillende Belgische Korpsen behoorden, zo dat wij aan deze overblijfsels genoeg konden bespeuren hoe groot het verlies moet geweest zijn dat den voriege dag aan den vijand is toegebracht. Wij kwamen eindelijk op ons bivouac aan, alwaar wij het volgend van dien dag en den volgende nacht zeer rustig doorbrachten. Een Belg maakte men in een nabijgelegen bosch gevangen, volgens wiens zeggen er zich nog een aantal in die omstreken had verscholen die wel wenschte doch niet durfde voor den dag te komen, wijl men hun had verzekerd dat de Hollanders alle Belgische gevangenen vermoorden.

In den vroegen morgen van den 10de Augustus, nam onze Brigade de marsch weder aan, trok Wimmertingen wederom door en hield gedurende 1/2 uur den weg naar Hasselt, doch marscheerde toen naar den weg op St. Truiden. Aldaar gekomen zijnde, wachten wij de 1ste Brigade en de Brigade ligte Kavelarie in, welken wij lieten passeren, en toen door Kortenbosch naar St. Truiden volgden. In die stad gekomen zijnde, ontving men de tijding dat wij aldaar die nacht zouden verblijven en ingekwartierd worden. Over die tijding behoef ik niet te zeggen dat een ieder onzer zeer verblijd was bij die gedachte onder dak aan een goede ingerrigte tafel te komen, dat ons gedurende de tijd van acht dagen niet gebeurd was. Dit kwam zeer wel op mijn gedachten en ik kwam met de officieren onzer Komp. bij den Heer Pastoor in kwartier, waar ik alles naar wenschen krijgen kond. Genoemde Pastoor verhaalde aan de officieren dat hij gedurende langen tijd Belgische soldaten in kwartier had gehad, over welks gehouden gedrag hij zich zeer beklaagde. Ook evenzowel verachte hij hunne militaire houding en betuigde ons dat er geen de minste orde bij het leger bestond en dat wij naar zijn oordeel weinig tegenstand meer zouden vinden.

Den volgenden morgen, zijnde den llden Augustus, zetteden wij den marsch weder vroegtijdig voort op de stad Thinen, welke plaats den voriegen dag door den Hertog van Saxen Weimar ingenomen was, en konden zeer wel zien dat daar weinig tegenstand geboden was. Alleenlijk vond men voor de stad een zeer groot logement dat in brand was geschoten en in den asch lag. Wij met de 1ste Afdeeling en l Bat. der Frieze Schutterij werden in de stad ingekwartierd. Ik met de officieren onzer Komp., 2 Adjudants der lste Afdeeling, 12 millicijns derzelve kwamen aldaar bij een grote Bierbrouwer in kwartier. Die heer met zijn huisgenoten waren gevlucht en hadden hun huis aan de dienstboden toevertrouwd. Daar gekomen vond men weinig voorhanden. Er werd dus besloten om kelders en kasten open te breken, waar men van alles vond: bier, wijnen en likeuren had men in overvloed. Wij, die sedert eniege dagen bijna niets anders dan een stuk droog brood en een teug water genoten hadden, gingen daar zeer wel te gast. Zelfs gingen veelen onzer hun in de dranken te buiten en ontzagen zich dus niet om hetgeen voor de officieren in de keuken gereed gemaakt werd, weg te nemen en op onze tafel te brengen. Wij waren aldaar in een zeer fraaije behangen kamer gezeten. De meiden werden genoodzaakt achter de tafel te staan om deze ongesmeerde gasten te bedienen, den knecht om wijnen te schenken. Een onzer stond van de tafel op, zag aan het behang dat daar een deur of kast was welke hij de meiden gebood te openen. Deze bekennende den sleutel niet te hebben, werd dezelve met geweld opengebroken. In genoemde kast vond men velerhande ingemaakte en gekonfijte goederen. Ja, alle lekkernijen welke men bedenken kond, waren daar aanwezig. Wij hadden dus in een ogenblik tijds een rooiaal desert op onze tafel. Intusschen kwamen de officieren, die enigen tijd zich uit dit huis verwijderd hadden, de kamer binnentreden en elkander glimlagchend aanziende ons gehouden gedrag aldaar boven mijn verwachting goedkeurden. Maar nauwelijks was deze tafel afgeloopen, of wij werden verontrust door een hevig kanon- en geweervuur, dat zich op den weg naar Leuven deed horen en gaf aanleiding dat al de troepen dadelijk onder de wapenen moesten komen en zich op de markt, welke tot de alarmplaats bestemd was, moesten scharen! Gedurende langen tijd bleven wij onder de wapenen en verwachten elk ogenblik de tijding dat wij zouden moeten uitrukken, maar eindelijk hoorde men dat de vijand retireerde en kregen daarop ogenblikkelijk order van naar onze kwartieren terug te keeren. Echter had het ten gevolge dat de l7de Afd. die nacht op de markt moest bivouacqueren en ons werd gelast dat men zich die nacht niet ontkleden zoud, noch de wapenen af te hangen en het liefst brandende te laten blijven. Des nachts rusten wij zeer weinig, wijl men onophoudelijk rijtuigen van den kant van Leuven in de stad hoorde komen.

Des morgens ontwaarden wij dat het meest wagens met geblesseerden waren geweest, zo dat wij wel konden nagaan dat de onze, hoewel de overwinning behaald, veel geleden hadden. Dit gevecht had in de nabijheid van het dorp Bautersem plaats gehad, waarbij de 1ste Brigade onzer Divisie tegenwoordig was. Den vijand, die in den beginne zeer hardnekkig gevochten had, was eindelijk met het vallen van de avond, naar het verlies van veel doden, geretireerd en de onze aldaar post gevat. De Colonel Valkenburg van het Korps vrijwillige Groninger Jagers sneuvelde aldaar. Genoemde Colonel, die geen vrees kende of gevaren zag, begaf zich volgens zeggen dezer Jagers te ver voor de Kolonne, daar zijn pligt hem niet riep, uit. Eniege Belgen, die zich in en achter een aldaar aanwezig huis verborgen hadden, branden nu ineens op hem los. Den Colonol trof een schot in het hoofd, dien ten gevolge hij van zijn paard viel, en werd ten prooi van den ontaarden vijand die hem volgens hun zeggen allerijselijkst mishandeld hadden.

Den volgenden, zijnde den 12den Augustus, namen wij den marsch op Leuven zeer vroegtijdig aan. Even door Bautersem gekomen zijnde, ontmoetede men den vijand, die aanvankelijk zeer weinig tegenstand bood, maar vechtende bleef retireren tot omtrent een uur afstand voor Leuven, waar zij op een hooge berg de voordeligste stelling hebbende, weder post vattede en gedurende enigen tijd staan bleven, maar eindelijk in grote verwarring gingen retireren. De Brigade Kurassiers, die zich achter ons op de straatweg bevond, bekwam nu dadelijk order om voort te rukken en den vluchtenden vijand te vervolgen. Wij moesten ons des links en regts van den straatweg openen. Zij kwamen vol moed, met den sabel in de hand ons voorbij galopperen! Een aanhoudend 'hurah' hoorde men nu als van alle kanten de gelederen doorklinken, maar spoedig hoorde men dat de vijand zonder enig verder verlies het ontkomen was. Zij waren binnen de muuren der stad genaderd, eer de Cavelarie aldaar genaderd kon zijn. De vijand, in de stad zijnde, zonden een Parlementair tot den Kroonprins ten einde 5 uuren stilstand der wapenen te verzoeken, mits den kroonprins zijne troepen onverhinderd tot onder de muuren van Leuven zoud voortbrengen, zo als ook geschiede. Wij, die in het minst van deze onderhandelingen niet bewust waaren, waren zeer verwonderd op zo een korte afstand (dat wij hun kanonnen op de wal zien staan konden) onverhinderd genaderd te zijn. Te meer was men verwonderd toen er bevel 'de geweren aan rotten', daaruit te marscheeren, de ransels af te leggen en onder het bereik van 's-vijands geschut, dat op ons scheen gerigt te staan, te rusten. Maar nauwelijks waren wij geleden, of wij werden begroet door een hagelbui van kanonkogels en blikke dozen die men allerwegen zag vallen en zal u dus niet behoeve te zeggen dat op dat ogenblik verslagenheid als uit elks gelaat te lezen was, want wij stonden daar als ontwapend voor het kanonvuur en den door ons verwacht wordende aanvallenden vijand, blootgesteld. Een ieder deed zoo spoedig zijn ransel om en marscheerde onder het bulderen van 's-vijands geschut in de beste orde naar onze wapenen. Daar gaf onze Brigade kommandant, den Lt. Colonel Sprenger, bevel van te retireren. Op dat kommando zag men verschillende Bat. veele manschappen zonder wapenen in wanorde wegloopen! En maakten het dus onze officieren moeilijk om de manschappen in hunne gelederen te houden, want zodra als men in die omstandigheden zijnde, ziet loopen of vluchten, is men weldra genegen dit voorbeeld te volgen en zijn dikwijls alle pogingen tot herstel der orde machteloos. Schier gelukte het onze officieren het Bat. in de beste orde te doen voortgaan. Zindelijk kwamen wij van die hooge bouwlanden voor een laag invallende rijweg, die van onze zijde met een waterloze sloot, 6 à 7 voeten diep, omgeven was. Het kanonvuur werd hoe langer hoe heviger, wij vreesden dus niet om van die hoogte daar in te vallen, wijl wij genoemde weg als een veilige schuilplaats voor ons beschouwden. Op deze weg bevonden zich verschillende Bat., die aldaar in de grootste verwarring voortmarcheerden. Daar kwam ons Bataillon tusschen in vallen en behoef dus niet te zeggen in welke wanorde en omstandigheden wij daar verkeerden en men ontzag zich niet om te zeggen: 'het is verraad!' 'Ja', voegde men er bij, 'straks koomd des vijands Kavelarie en wij zijn gevangen of dood!' Eindelijk kwamen wij weder op de vlakke bouwlanden en zagen aldaar dat ons gevaar niet zo groot was dan wij hetzelve wel beschouwd hadden, doordien de 1ste. Brigade aldaar in slagorde geschaard stond. Wij verzamelden ons zo spoedig mogelijk en bekwamen dan het bevel van voorwaards te rukken, hetwelk ons als een zeer gevaarlijke onderneming toescheen, want wij zagen de gemelde Brigade Kurasiers, welke aan den regterzijde der straatweg geschaard stond, vergezeld van een groot gedeelte der Artillerie, als in overhaasting retireren. Den Colonel der Kurassiers met zijn zoon zag men wegdragen, die beiden hun been verlooren hadden. Wij marscheerden tegen des vijands donderend geschut voorwaards en hoe gevaarvol ook onze uitzichten mogten zijn, deed zich echter een algemeen 'hurah!' het geroep van 'Leve de Prins van Oranje' allerwegen hooren! Deze voorwaardsche beweging had ten doel om onze stukken, die op een hooge berg, gericht op de stad, stonden, los te branden, voor derzelver overrompeling de vijandelijke tiraileurs uit de stad kwamen opzetten, te dekken. Wij, met een Bat. der Frieze Schutters en met een gedeelte der 17ste Afdeling, begaven ons voor genoemde hoogte. Daar zijnde gaf de Brigade Kommandant dadelijk bevel om allen op den grond neder te liggen. Zo waren wij aldaar tusschen des vijands- en ons kanonvuur voor de grootste gevaren blootgesteld. Ja wij waren daar als door een hagelbui van kanon- en geweerkogels (de tiralleurs waren ons ook nabij) begroet! Doch, daar de vijand nu als altijd hunne stukken te hoog gerigt hadden, vielen er van ons zeer weinig. Terwijl wij daar ter neder gelegen waren, zagen wij van tijd tot tijd de Kroonprins, die slechts nog weinige ogenblikken geleden door een kanonkogel de voorbenen van zijn paard waren verbrijzeld geworden, allerwegen heen snellende bevelen geven. Eindelijk kwam er weder bevel om te retireren. Toen men opgerezen was en retirerende was, vielen er nog veelen van de Friezen en der 17de Afde1ing, terwijl er van ons slechts een schutter door een geweerkogel aan het been gewond werd en een Tamboer door een kanonkogel zijn trom voor het lijf werd weggeschoten. Wij namen toen onze schuilplaats achter een zeer groot Logement dat aan den linkerzijde der straatweg stond en vernamen toen dat de stad ook aan de andere zijde door de onze beschoten werd, hetwelk spoedig ten gevolge had dat de vijand een Parlementair met de witte vlag tot den Kroonprins zond om te capituleeren, waarop onze Brigade Kommandant spoedig bij ons kwam, zeggende: 'Goede tijding jongens, er is gekapituleerd. Morgen voor 12 uuren zal de vijand de stad ruimen en wij binnen dezelve trekken!' Waarop men een algemeen 'hurah!' hoorde aanheffen. Kort daarop zag men den Franschen Generaal Gerard zich naar den Kroonprins begeven. Zo ontwaarden wij toen dat er zich een aanzienlijk Fransch leger in derzelver nabijheid bevond, dientengevolgen de voorwaardsche overwinnende marschen zouden gestaakt worden en wij den l4den daaraanvolgende de terugmarsch naar den oudvaderlandschen grond zouden aanvaarden, welke gewaarwording op dat ogenblik een algemeene vreugde onder ons veroorzaakte.

Den volgenden dag, zijnde den 15den Augustus, des namiddags ten (...) uuren, rukten wij op om de stad binnen te trekken. In de stad komende, zag men dat veele straten opgebroken en keistenen met groote menigtens op den weg, waardoor wij marscheren moesten, gestapeld waren, en zo men hoorde, hadden zij veele steenen op kamers en zolders gebracht, waarmede zij ons waarschijnlijk hadden begroet wanneer de stad gewapenderhand had moeten ingenomen worden. In het midden der stad komende, hielden wij halt, ten einde den Prins van Saxen Weimar, gevolgd door zijne Divisie, te laten voorbij trekken. Wij konden als toen zeer wel bespeuren dat de vrees der inwoners door de komst van het Fransche leger geweken was, doordien zij zich met duizenden op alle hoeken der straaten begaven om de doortrekkende Hollandsche Troepen te aanschouwen. De stad gepasseerd zijnde, werd ons een plaats om die nacht te bivouacqeren aangewezen. Den tijd op dat bivouac bragten wij zeer rustig en genoeglijk door, wijl ons bekend gemaakt werd dat wij den volgenden morgen den terugmarsch zouden aannemen. Zo trokken wij den 14en Augustus des morgens vroegtijdig de stad weder door en namen zeer vroolijk de terugreis aan. Verscheidene dagen zagen wij ons van Fransche troepen omringd. Ze schenen ons geleidens te zijn. Na het verloop van 8 dagen kwamen wij op den oudhollandsche bodem, namentlijk op de dorpen Heeze en Leende aan, dat onze eerste kantonnementsplaatsen na de 10daagse Veldtogt uitmaakten.

'Wapenbroeders!

In naam des Konings is U het eerbewijs uitgereikt van trouw aan Koning en Vaderland dat heden U het eerste de borst versierd. Aan den deugd van trouw in den krijgsman, spaard Gij, Nederlanders, de deugd, van waarin moed getuige het brons van het geschut, waaruit op 's-Konings (...) dit eereteken is vervaardigd. Het doet u steeds gedachtig zijn aan die tien roemrijke dagen, waaraan gij allen hebt deelgenomen. De vleyende herinnering aan den zeegen, door U behaald, zal U den weg toonen, ik durf het U waarborgen, tot nieuwe voorspoed. Trekt gij andermaal op tegen vijanden, die hoe talrijk hunnen macht zij, te sterker Uwen moed en trouw zullen verheffen en op de grootste proeve stellen. Eerlijk en rechtvaardig is onze Zaak. Het Opperwezen, dit mogen wij verwachten, zal ze bekronen met overwinning. Maar wat de toekomst ook moge brengen, Koning en Vaderland doen steeds weer hulde aan de diensten die het leger heeft bewezen en verlaten zich er veilig op. Komen nieuwe gevaren den geboortegrond bedreigen, wedijveren zullen wij dan, in het ijverigst deel te neemen aan die gevaren. Het Eermetaal dat op uw borst is gehecht, zij ten heiligen onderpand dat wij zullen leven en sterven, trouw aan Koning en Vaderland.

Hoofdkwartier Tilburg, 13 juli 1832

De Veldmaarschalk, Opperbevelhebber van het Leger

Willem, Prins van Oranje'

De VPRO heeft van stukken uit het dagboek een filmpje van achttien minuten gemaakt dat voor snelle internetverbindingen op computers met de RealPlayer hier te zien en te beluisteren is. Klik op Audio/Video en dan op 'Het soldatendagboek van Johannes Hardeman'.

Terug

Start, zoek, wetenswaardig, Veenendaal, home, mail.

Pagina laatst bijgewerkt 18 februari 2007.