Veenendaal en Hardeman

Kaart Veenendaal, 1600 Markt, Veenendaal, 1799 Kerk aan de Markt,
Veenendaal, foto dec. 2001 Benedeneind Veenendaal, foto
uit 'Genealogie Hardeman 1550-2003' Gemeentehuis Veenendaal, foto
uit 'Genealogie Hardeman 1550-2003'

In zijn werk 'Hardeman Historie van ca. 1550 tot 1988' beschrijft G. Meijer hoe Veenendaal in 1500 nog niet bestond. Wel waren er de Rhenense, de Gelderse, de Renswoudse, de Amerongse en de Eder Veenen. De turf in deze Veenen zou geruime tijd in de energiebehoefte gaan voorzien. Voor het vervoer van deze turf werden in de vijftiende en zestiende eeuw twee griften gegraven. De nu ontstane werkgelegenheid trok velen, o.a. Vlamingen, naar het gebied en zo ontstond Veenlandtdael, het latere Veenendaal. Volgens Meijer begint de Hardeman-geschiedenis in de eerste helft van de zestiende eeuw in Veenendaal, later ook in Ede. De eerste Hardeman zou een Vlaming geweest zijn, afkomstig uit Frans Vlaanderen.
In 1555 vroeg men keizer Karel V om geld voor het stichten van een nieuwe kerkelijke parochie in Veenendaal. Tot dan kerkten de Veenendalers in Rhenen, Ede, Renswoude en Emmikhuizen. Op 3 juni 1566 werd de kerk ingewijd door Johannes Knijff, bisschop van Groningen en vicaris-generaal van het aartsbisdom Utrecht. Burgerlijk bleef Veenendaal nog onder Rhenen en gedeeltelijk onder Ede vallen. Ook een Hardeman heeft zich voor verzelfstandiging ingezet. Uiteindelijk werd Veenendaal in 1795/1796 zelfstandig. Jan Smith was de eerste maire (burgemeester).
De Veenendaalse wolindustrie en de lampengietersavond zijn door de door de werkgelegenheid naar Veenendaal getrokken Vlamingen meegebracht. In Vlaanderen vond lampengietersavond plaats op 1 september, het feest van Sint Gilles, het herfstlichtfeest.

De heer J. van Dijk verzamelde verdere informatie over Veenendaal door de eeuwen heen. Volgens die gegevens bestond Veenendaal tot 1745 uit een Stichts en een Gelders deel, respectievelijk onder bestuur van Rhenen en Ede. In 1748 werd het Stichtse deel een zelfstandige gemeente. In 1805 werden beide delen samengevoegd tot één gemeente en in 1815 ontstond opnieuw een gedeeld Veenendaal. Het Utrechtse deel met ongeveer 2.000 inwoners bleef zelfstandig, het Gelderse deel met zo'n 1.000 inwoners viel opnieuw onder Ede. Pas in 1960 werd Veenendaal weer één gemeente.
Rond 1815 zijn er in Veenendaal 441 arbeidsplaatsen. Er zijn bijna vijfhonderd woningen. Zestig procent van de bevolking werkt in de textielsector tegen lonen van drie à vier gulden (een gulden komt overeen met € 0,45) per week. Daarvoor wordt zesmaal twaalf uur gewerkt, door kinderen vaak vanaf hun achtste jaar. Er zijn negen timmerlieden en vier metselaars, elf kleermakers, acht bakkers, drie schoenmakers, twee wielendraaiers, twee smeden en een blikslager. In de eerste helft van de negentiende eeuw wordt per jaar nog 25 miljoen kilo turf gegraven. De enige verharde weg in deze tijd is die van Elst over Veenendaal en De Klomp naar Renswoude. De wegen naar Rhenen en Amerongen zijn dan nog van zand.
Halverwege de negentiende eeuw overlijdt nog ongeveer een kwart van de baby's voor de eerste verjaardag. De gemiddelde levensverwachting ligt daarna op 42 jaar.
In 1861 begint in Veenendaal met de vestiging van de VSW-fabriek het industriële tijdperk. In 1866 werken er in tien textielfabrieken in totaal 1.042 mensen, waarvan de kleinste helft, vooral kinderen, bij de VSW.
In 1886 verbetert de bereikbaarheid van Veenendaal door de opening van de spoorlijn Amersfoort, Veenendaal, Rhenen, Nijmegen. De opening versnelt de vestiging van nieuwe fabrieken ten zuiden van de lijn. Fabrieksdirecteuren laten deftige villa's optrekken aan de Kerkenwijk.
In 1891 komen gemeenten en fabrikanten overeen geen kinderen jonger dan twaalf jaar meer in dienst te nemen. Er wordt op de VSW in die tijd 66 uur per week gewerkt.
Vanaf 1900 moeten kinderen verplicht van hun 6e tot hun 12e naar school.
In 1960 wordt Veenendaal door een grenscorrectie één gemeente met een oppervlakte van bijna achttien vierkante kilometer en ruim 23 duizend inwoners. In de volgende jaren kunnen de fabrieken de vacatures niet meer opvullen en gaan in het verre buitenland op zoek naar gastarbeiders. In 1971 zijn er ruim 32 duizend inwoners. Van de beroepsbevolking werkt 52 procent dan in de industrie en 36 procent in de handels- en dienstensector. Bijna alle grote textielbedrijven moeten echter in de loop van de zeventiger jaren door verplaatsing van de productie naar lagelonenlanden hun deuren sluiten. In januari 1996 geeft de Scheepjeswol als laatste de strijd op.
Aan het begin van de negentiger jaren heeft Veenendaal twintig bedrijven met meer dan honderd werknemers. Het grootste deel van de bevolking werkt in handel en dienstverlening. De 50-duizendste inwoner wordt ingeschreven.

In 'Vier eeuwen Veenendaal', 1549 tot 1949, beschrijft dr. J.G. Thoomes dat Utrecht en Rhenen al aan het begin van onze jaartelling als nederzettingen bekend waren en dat Veenendaal veel jonger is: het land van eenvoudige, hard werkende mensen, de plaats waar arbeid welvaart bracht. Een paar fragmenten:

In de Rhenensche Veenen, ten noorden van de Stad, naar de Veluwe en Renswoude gelegen, wordt veel turf gegraaven of liever gebaggerd, die te water vervoerd wordt. Het graaven van de turf hier ter plaatse, omtrent het midden der zestiende eeuwe sterk zijnde toegenomen, gaf, in den jare 1549, aanleiding tot het bouwen van het dorp Veenendaal, midden in 't Veenland, anderhalf uur gaans ten noorden van Rhenen en een uur ten zuiden van Renswoude gelegen. Het dorp, welk gedeeltelijk Stigtsch, gedeeltelijk Geldersch is, strekt zich in de lengte en breedte ver uit. Het land rondom het dorp is ruim een uur gaans ver, bijna geheel uitgeveend. Men wil dat het land hieromstreeks, voor deezen, wel agt voet hooger geweest is. Thans staat het bijna gelijk met het water. (Uit 'Beschrijving van de Provincie van Utrecht', uitgegeven in 1772 in Amsterdam)

Gillis van Schoonbeke (1519-1556), in Antwerpen geboren, was een handelsman. Hij kreeg in 1542 de leiding bij de uitbreiding van de vestingwerken rondom Antwerpen. Hij kocht veenmoerassen op die hem turf als brandstof zouden kunnen leveren. In 1549 zond hij 300 Vlaamse arbeiders naar de Rhenense venen. Zij vestigden zich bij Emmikhuizen. Met deze invasie van Vlamingen werd Veenendaal pas echt een nederzetting. Een aantal namen van oude Veenendaalse geslachten is van Vlaamse oorsprong, zoals de Kleuver, Demoet en van Ojik. De naam van de veenkolonie was oorspronkelijk Veenlandtdael. Het Utrechtse deel viel onder Rhenen, het Gelderse deel onder Ede. In 1795 maakte het Utrechtse deel zich los van Rhenen en kwam Veenendaal als burgerlijke gemeente uit de strijd. Al in 1567 was Veenendaal kerkelijk zelfstandig. Op 3 juni 1566 werd de St. Salvatorkerk, op het hoogste punt van Veenendaal, door Johannes de Knijff, bisschop van Groningen en vicaris-generaal van het bisdom Utrecht, ingewijd. Voor de vermindering van inkomsten van de kerken van Rhenen en Ede moest vanaf toen een jaarlijkse schadeloosstelling worden betaald. Na de overgang tot de hervorming, in 1594, waarbij alleen het gezin Van Kessel niet over ging, is de schadeloosstelling beëindigd.

De grote bron voor de Veenendaalse welvaart gedurende de eerste twee en een halve eeuw van zijn bestaan was dus de handel in turf. Die werd verkocht naar Holland en Utrecht. Rond 1800 waren de venen uitgeput.

In 1637 heerste, ook in Veenendaal, een besmettelijke ziekte, waarschijnlijk de pest. De Veenendaalse bevolking stierf bijna helemaal uit.
Ook een reeks van dijkdoorbraken trof Veenendaal. Reeds in 1595 brak de Grebbedijk. Er volgden doorbraken in 1602, 1643 en 1650. Na de vloed van 1650 is de Slaperdijk aangelegd. De grootste overstroming echter trof Veenendaal en omgeving in 1855. Bijna de hele Betuwe stond toen blank, een stuk van de Achterhoek, de streek ten zuiden van 's-Hertogenbosch en de hele Gelderse Vallei. In Veenendaal zochten velen een toevlucht in de hooggelegen kerk. Ze werden later ondergebracht in de Geertekerk in Utrecht.

Veenendaal moest in de negentiende eeuw dus omzien naar nieuwe middelen van bestaan. De Vlamingen die in 1549 naar Rhenens veen kwamen, brachten toen al het wolkammen en wolspinnen mee. In de negentiende eeuw komt dan de wolnijverheid verder op. Ook de lampengietersavond stamt uit dezelfde tijd en uit Vlaanderen. De dag na lampengietersavond begon dan het werken bij lamplicht.

Nadat op 15 mei 1945 op de Markt de gehate N.S.B.-vlag kon worden verbrand, werden in Veenendaal met kracht wederopbouw en herstel ter hand genomen. Textiel en sigaren maakten het turfgraversplaatsje tot een bloeiend industriecentrum.

Al van oudsher was het wolkammen dus een belangrijk middel van bestaan voor vele Veenendalers. Veel huizen waren ingericht als wolkammershuis. Achter een eenvoudig woonhuis bevond zich een bedrijfsgedeelte met wasserij, kammerij en ververij. De wol werd veelal blauw geverfd, vandaar 'Veenendaalse blauwkousen'. In het begin van de negentiende eeuw waren er zestig wolkammerijen in Veenendaal. Deze hadden samen 150 arbeiders in dienst en lieten daarnaast een paar honderd spinsters thuiswerk doen.

De vestiging van de sigarenindustrie viel samen met de oprichting van de Ritmeesterfabriek. De heer J. van Schuppen, de grondvester van het bedrijf, stichtte in 1887 een tabakskerverij en begon met de fabricage van sigaren. Omstreeks 1900 was er 150 man in dienst, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog 1700 man. Omstreeks het twaalfde jaar kwamen arbeiderskinderen op de fabriek en verdienden 50 tot 60 cent per week. Alhoewel dat eigenlijk sedert 1891 niet meer mocht, werden sommige kinderen op verzoek van de ouders die het geld niet konden missen, tewerkgesteld vanaf hun zevende jaar.

Omstreeks 1800 begon het werk om zes uur 's morgens met middagpauze van half twee tot half drie. Dan werd het werk hervat tot half zeven. Op zaterdag stopte men om twee uur. Het loon van een volwassen man bedroeg zes à zeven gulden per week, vrouwen haalden vier à vijf gulden, kinderen tot drie gulden. In de loop van de eeuw gingen de lonen steeds omlaag. Veel arbeiders hielden er een stukje land op na, meestal op vrij grote (loop)afstand van huis, om aan voldoende voedsel te komen. De gezinnen waren doorgaans groot, de levensstandaard ontstellend laag. De woningen waren klein, meestal niet meer dan een woonvertrek met enkele bedsteden en daarboven een zolder. Er waren geen toiletten. Later kwamen er bakken en tonnen, die in de schuur geplaatst werden. Omstreeks 1860 mislukte een aardappeloogst door aardappelziekte. Hongersnood was het gevolg. Een roggebrood van tien pond dat normaliter 40 cent kostte, steeg in prijs tot een gulden. Een emmer aardappels kostte ook een gulden. En dat bij weeklonen van op dat moment ongeveer twee gulden vijftig.

Een aardige bijzonderheid vormt de wijze waarop het innen van de huren werd geadministreerd. Lezen en schrijven waren voor de meeste arbeiders onbekende kundigheden. Wel hield men er soms - en met verbluffend resultaat - een eigenbedacht schrijfsysteem op na. Met een stuk krijt werden op een lei streepjes, kruisjes en kringetjes geplaatst, waarvan alleen de schrijver zelf de betekenis wist. Men noemde dat 'schrijven met boerenkrijt'. Bij de huuradministratie ging men als volgt te werk. Huurder en verhuurder hadden elk een latje, voorzien van inkepingen, waardoor de beide latjes precies in elkaar pasten, zodat ze één geheel vormden. Bij iedere huurbetaling werden de latjes tegen elkaar gelegd. De verhuurder gaf dan met een mes een kerf over de beide latten heen. Aan het eind van het jaar moesten er dus 52 van zulke strepen op staan. Er werd een schaaf over de latten gehaald, en het 'kwitantieboek' was weer gereed voor het volgende jaar!

Toen in augustus 1935 de 10.000e inwoner in Veenendaal werd geboren, stelde het bestuur van de Veenendaalse Winkeliers Vereniging voor de jonggeborene een mooie kinderwagen ter beschikking.

In het Reformatorisch Dagblad van 18 oktober 1989 vond ik een artikel van drs. R.P. de Graaf over ''t Veen', in de 16e en 17e eeuw geteisterd door (veen)branden, plundertochten, gewelddadigheden en overstromingen. De veenarbeiders woonden in schamele hutten. Maria van Hongarije, zus van Karel V, bepaalde dat de boeien (hutten) zonder 'staend vyercant gebynten then minsten wyt XIIII of XV voeten' (circa 4,50 meter) moesten zijn en niet kleiner.
In 1566 kreeg Veenendaal z'n 'Nijeuwe Veenkercke', de Sint-Salvatorkerk. Tot dan toe moesten de gezinnen van de veenarbeiders 'omtrent twee uren gaens' naar een van beide Rhenense kerken. Al in 1562 was een delegatie van veeneigenaren naar Utrecht geweest in de hoop dat de karthuizer monniken een gunstig gelegen gebied zouden afstaan voor een kerk, ook al was het zo dat diezelfde monniken al in 1535 een kapel op de Emmikhuizerberg (naast de huidige autoweg A12) hadden gesticht. Rondom die kapel was al met al nooit veel bewoning ontstaan ... Ondanks de meegenomen tien kannen wijn werd het gewenste stuk grond echter niet verkregen. Maar later kon toch nog een heuvel in het huidige centrum, ''t mercktvelt', voor 28 goudstukken worden aangekocht. De stenen van de kapel zijn later in het koorgedeelte van de nieuwe kerk verwerkt.
De Italiaan L. Guicciardini schreef in 1567*): 'Het niew dorp Venendal min dan 25 jaeren herwaerts gebouwt is meer om torf te slaen (turf te steken) dan om andere saecken, welck daghelijcks grooter en fraeyer wort.'
In 1584 werd het paasfeest gevierd, de kerk was vol en tijdens de collecte klonk een groot kabaal, dat 'yerst buyten ende nae (daarna) in de kerck quam, van dat enige soldaten van Lunteren hier af quamen omme 't Veen te besuecken. Edoch syn deselve soldaten te lesten mit een guede compositie (schikking) ende verering (geschenk) gepayet synde, theruggetrocken.' Doordat de kerkmeesters het collectegeld afstonden, bleef de mensen dat voorjaar veel ellende bespaard.
In 1585 was er grote overlast vanwege het krijgsvolk uit Rhenen en Wageningen. Turfschippers werden geslagen en uit hun schepen werden 'hemden, slaeplaeckens en clederen' geroofd. De huizen werden geplunderd en 'soe mans als vrouwen' werden 'getormenteert' (gefolterd).
Rond 1600 mag de bevolking van Veenendaal geschat worden op 210 mensen, verdeeld over ruim 40 gezinnen, rond 1629 waren er 320 mensen in minstens 60 huizen.
In 1637 brak een dodelijke 'pestilentiaele' epidemie uit. Troosteloos werd de aanblik van Veenendaal: leegstaande huizen en verlaten straten.

*) Op 1-10-2003 schrijft Paul Hageman me: Wellicht ten overvloede maak ik u erop attent dat in de oorspronkelijke Italiaanse editie van 1567 Veenendaal NIET wordt genoemd. De tekst die u citeert, komt uit de eerste Nederlandse editie van 1612.

Foto's:
- Kaart Veenendaal, 1600
- Markt, Veenendaal, 1799
- Kerk aan de Markt, Veenendaal, foto dec. 2001
- Benedeneind Veenendaal, foto uit 'Genealogie Hardeman 1550-2003'
- Gemeentehuis Veenendaal, foto uit 'Genealogie Hardeman 1550-2003'

© 1999 Gert Hardeman. Zie pagina algemene informatie.

Start, zoek, wetenswaard, Veenendaal, home, mail.