In zijn werk 'Hardeman Historie van ca. 1550 tot
1988'
beschrijft G. Meijer hoe Veenendaal in 1500 nog niet bestond.
Wel waren er de Rhenense, de Gelderse, de Renswoudse, de
Amerongse en de Eder Veenen. De turf in deze Veenen zou
geruime tijd in de energiebehoefte gaan voorzien. Voor het
vervoer van deze turf werden in de vijftiende en zestiende
eeuw twee griften gegraven. De nu ontstane werkgelegenheid
trok velen, o.a. Vlamingen, naar het gebied en zo ontstond
Veenlandtdael, het latere Veenendaal. Volgens Meijer
begint de Hardeman-geschiedenis in de eerste helft van de
zestiende eeuw in Veenendaal, later ook in Ede. De eerste
Hardeman zou een Vlaming geweest zijn, afkomstig uit Frans
Vlaanderen.
In 1555 vroeg men keizer Karel V om geld voor het stichten van
een nieuwe kerkelijke parochie in Veenendaal. Tot dan kerkten
de Veenendalers in Rhenen, Ede, Renswoude en Emmikhuizen.
Op 3 juni 1566 werd de kerk ingewijd door Johannes Knijff,
bisschop van Groningen en vicaris-generaal van het aartsbisdom
Utrecht. Burgerlijk bleef Veenendaal nog onder Rhenen en
gedeeltelijk onder Ede vallen. Ook een Hardeman heeft zich
voor verzelfstandiging ingezet. Uiteindelijk werd Veenendaal
in 1795/1796 zelfstandig. Jan Smith was de eerste maire
(burgemeester).
De Veenendaalse wolindustrie en de lampengietersavond zijn
door de door de werkgelegenheid naar Veenendaal getrokken
Vlamingen meegebracht. In Vlaanderen vond lampengietersavond
plaats op 1 september, het feest van Sint Gilles, het
herfstlichtfeest.
De heer J. van Dijk verzamelde verdere informatie
over
Veenendaal door de eeuwen heen. Volgens die gegevens bestond
Veenendaal tot 1745 uit een Stichts en een Gelders deel,
respectievelijk onder bestuur van Rhenen en Ede. In 1748 werd
het Stichtse deel een zelfstandige gemeente. In 1805 werden
beide delen samengevoegd tot één gemeente en in
1815 ontstond opnieuw een gedeeld Veenendaal. Het Utrechtse
deel met ongeveer 2.000 inwoners bleef zelfstandig, het
Gelderse deel met zo'n 1.000 inwoners viel opnieuw onder Ede.
Pas in 1960 werd Veenendaal weer één
gemeente.
Rond 1815 zijn er in Veenendaal 441 arbeidsplaatsen. Er zijn
bijna vijfhonderd woningen. Zestig procent van de bevolking
werkt in de textielsector tegen lonen van drie à vier
gulden (een gulden komt overeen met € 0,45) per week. Daarvoor wordt zesmaal twaalf uur gewerkt,
door kinderen vaak vanaf hun achtste jaar. Er zijn negen
timmerlieden en vier metselaars, elf kleermakers, acht
bakkers, drie schoenmakers, twee wielendraaiers, twee smeden
en een blikslager. In de eerste helft van de negentiende eeuw
wordt per jaar nog 25 miljoen kilo turf gegraven. De enige
verharde weg in deze tijd is die van Elst over Veenendaal en
De Klomp naar Renswoude. De wegen naar Rhenen en Amerongen
zijn dan nog van zand.
Halverwege de negentiende eeuw overlijdt nog ongeveer een
kwart van de baby's voor de eerste verjaardag. De gemiddelde
levensverwachting ligt daarna op 42 jaar.
In 1861 begint in Veenendaal met de vestiging van de
VSW-fabriek het industriële tijdperk. In 1866 werken er
in tien textielfabrieken in totaal 1.042 mensen, waarvan de
kleinste helft, vooral kinderen, bij de VSW.
In 1886 verbetert de bereikbaarheid van Veenendaal door de
opening van de spoorlijn Amersfoort, Veenendaal, Rhenen,
Nijmegen. De opening versnelt de vestiging van nieuwe
fabrieken ten zuiden van de lijn. Fabrieksdirecteuren laten
deftige villa's optrekken aan de Kerkenwijk.
In 1891 komen gemeenten en fabrikanten overeen geen kinderen
jonger dan twaalf jaar meer in dienst te nemen. Er wordt op de
VSW in die tijd 66 uur per week gewerkt.
Vanaf 1900 moeten kinderen verplicht van hun 6e tot hun 12e
naar school.
In 1960 wordt Veenendaal door een grenscorrectie
één gemeente met een oppervlakte van bijna
achttien vierkante kilometer en ruim 23 duizend inwoners. In
de volgende jaren kunnen de fabrieken de vacatures niet meer
opvullen en gaan in het verre buitenland op zoek naar
gastarbeiders. In 1971 zijn er ruim 32 duizend inwoners. Van
de beroepsbevolking werkt 52 procent dan in de industrie en 36
procent in de handels- en dienstensector. Bijna alle grote
textielbedrijven moeten echter in de loop van de zeventiger
jaren door verplaatsing van de productie naar lagelonenlanden
hun deuren sluiten. In januari 1996 geeft de Scheepjeswol als
laatste de strijd op.
Aan het begin van de negentiger jaren heeft Veenendaal twintig
bedrijven met meer dan honderd werknemers. Het grootste deel
van de bevolking werkt in handel en dienstverlening. De
50-duizendste inwoner wordt ingeschreven.
In 'Vier eeuwen Veenendaal',
1549 tot 1949, beschrijft dr. J.G. Thoomes dat Utrecht en
Rhenen al aan het begin van onze jaartelling als
nederzettingen bekend waren en dat Veenendaal veel jonger is:
het land van eenvoudige, hard werkende mensen, de plaats waar
arbeid welvaart bracht. Een paar fragmenten:
In de Rhenensche Veenen, ten noorden van de Stad, naar de
Veluwe en Renswoude gelegen, wordt veel turf gegraaven of
liever gebaggerd, die te water vervoerd wordt. Het graaven van
de turf hier ter plaatse, omtrent het midden der zestiende
eeuwe sterk zijnde toegenomen, gaf, in den jare 1549,
aanleiding tot het bouwen van het dorp Veenendaal, midden in
't Veenland, anderhalf uur gaans ten noorden van Rhenen en een
uur ten zuiden van Renswoude gelegen. Het dorp, welk
gedeeltelijk Stigtsch, gedeeltelijk Geldersch is,
strekt zich in de lengte en breedte ver uit. Het land rondom
het dorp is ruim een uur gaans ver, bijna geheel uitgeveend.
Men wil dat het land hieromstreeks, voor deezen, wel agt voet
hooger geweest is. Thans staat het bijna gelijk met het water.
(Uit 'Beschrijving van de Provincie van Utrecht', uitgegeven
in 1772 in Amsterdam)
Gillis van Schoonbeke (1519-1556), in Antwerpen geboren, was
een handelsman. Hij kreeg in 1542 de leiding bij de
uitbreiding van de vestingwerken rondom Antwerpen. Hij kocht
veenmoerassen op die hem turf als brandstof zouden kunnen
leveren. In 1549 zond hij 300 Vlaamse arbeiders naar de
Rhenense venen. Zij vestigden zich bij Emmikhuizen. Met deze
invasie van Vlamingen werd Veenendaal pas echt een
nederzetting. Een aantal namen van oude Veenendaalse
geslachten is van Vlaamse oorsprong, zoals de Kleuver, Demoet
en van Ojik. De naam van de veenkolonie was oorspronkelijk
Veenlandtdael.
Het Utrechtse deel viel onder Rhenen, het Gelderse deel onder
Ede. In 1795 maakte het Utrechtse deel zich los van Rhenen en
kwam Veenendaal als burgerlijke gemeente uit de strijd. Al in
1567 was Veenendaal kerkelijk zelfstandig. Op 3 juni 1566 werd
de St. Salvatorkerk, op het hoogste punt van Veenendaal, door
Johannes de Knijff, bisschop van Groningen en vicaris-generaal
van het bisdom Utrecht, ingewijd. Voor de vermindering van
inkomsten van de kerken van Rhenen en Ede moest vanaf toen een
jaarlijkse schadeloosstelling worden betaald. Na de overgang
tot de hervorming, in 1594, waarbij alleen het gezin Van
Kessel niet over ging, is de schadeloosstelling
beëindigd.
De grote bron voor de Veenendaalse welvaart gedurende de
eerste twee en een halve eeuw van zijn bestaan was dus de
handel in turf. Die werd verkocht naar Holland en Utrecht.
Rond 1800 waren de venen uitgeput.
In 1637 heerste, ook in Veenendaal, een besmettelijke ziekte,
waarschijnlijk de pest. De Veenendaalse bevolking stierf bijna
helemaal uit.
Ook een reeks van dijkdoorbraken trof Veenendaal. Reeds in
1595 brak de Grebbedijk. Er volgden doorbraken in 1602, 1643
en 1650. Na de vloed van 1650 is de Slaperdijk aangelegd. De
grootste overstroming echter trof Veenendaal en omgeving in
1855. Bijna de hele Betuwe stond toen blank, een stuk van de
Achterhoek, de streek ten zuiden van 's-Hertogenbosch en de
hele Gelderse Vallei. In Veenendaal zochten velen een
toevlucht in de hooggelegen kerk. Ze werden later
ondergebracht in de Geertekerk in Utrecht.
Veenendaal moest in de negentiende eeuw dus omzien naar nieuwe
middelen van bestaan. De Vlamingen die in 1549 naar Rhenens
veen kwamen, brachten toen al het wolkammen en wolspinnen mee.
In de negentiende eeuw komt dan de wolnijverheid verder op.
Ook de lampengietersavond stamt uit dezelfde tijd en uit
Vlaanderen. De dag na lampengietersavond begon dan het werken
bij lamplicht.
Nadat op 15 mei 1945 op de Markt de gehate N.S.B.-vlag kon
worden verbrand, werden in Veenendaal met kracht wederopbouw
en herstel ter hand genomen. Textiel en sigaren maakten het
turfgraversplaatsje tot een bloeiend industriecentrum.
Al van oudsher was het wolkammen dus een belangrijk middel van
bestaan voor vele Veenendalers. Veel huizen waren ingericht
als wolkammershuis. Achter een eenvoudig woonhuis bevond zich
een bedrijfsgedeelte met wasserij, kammerij en ververij. De
wol werd veelal blauw geverfd, vandaar 'Veenendaalse
blauwkousen'. In het begin van de negentiende eeuw waren er
zestig wolkammerijen in Veenendaal. Deze hadden samen 150
arbeiders in dienst en lieten daarnaast een paar honderd
spinsters thuiswerk doen.
De vestiging van de sigarenindustrie viel samen met de
oprichting van de Ritmeesterfabriek. De heer J. van Schuppen,
de grondvester van het bedrijf, stichtte in 1887 een
tabakskerverij en begon met de fabricage van sigaren.
Omstreeks 1900 was er 150 man in dienst, kort voor het
uitbreken van de Tweede Wereldoorlog 1700 man. Omstreeks het
twaalfde jaar kwamen arbeiderskinderen op de fabriek en
verdienden 50 tot 60 cent per week. Alhoewel dat eigenlijk
sedert 1891 niet meer mocht, werden sommige kinderen op
verzoek van de ouders die het geld niet konden missen,
tewerkgesteld vanaf hun zevende jaar.
Omstreeks 1800 begon het werk om zes uur 's morgens met
middagpauze van half twee tot half drie. Dan werd het werk
hervat tot half zeven. Op zaterdag stopte men om twee uur. Het
loon van een volwassen man bedroeg zes à zeven gulden
per week, vrouwen haalden vier à vijf gulden, kinderen
tot drie gulden. In de loop van de eeuw gingen de lonen steeds
omlaag. Veel arbeiders hielden er een stukje land op na,
meestal op vrij grote (loop)afstand van huis, om aan voldoende
voedsel te komen. De gezinnen waren doorgaans groot, de
levensstandaard ontstellend laag. De woningen waren klein,
meestal niet meer dan een woonvertrek met enkele bedsteden en
daarboven een zolder. Er waren geen toiletten. Later kwamen er
bakken en tonnen, die in de schuur geplaatst werden. Omstreeks
1860 mislukte een aardappeloogst door aardappelziekte.
Hongersnood was het gevolg. Een roggebrood van tien pond dat
normaliter 40 cent kostte, steeg in prijs tot een gulden. Een
emmer aardappels kostte ook een gulden. En dat bij weeklonen
van op dat moment ongeveer twee gulden vijftig.
Een aardige bijzonderheid vormt de wijze waarop het innen van
de huren werd geadministreerd. Lezen en schrijven waren
voor de meeste arbeiders onbekende kundigheden. Wel hield men
er soms - en met verbluffend resultaat - een
eigenbedacht schrijfsysteem op na. Met een stuk krijt werden
op een lei streepjes, kruisjes en kringetjes geplaatst,
waarvan alleen de schrijver zelf de betekenis wist. Men noemde
dat 'schrijven met boerenkrijt'. Bij de huuradministratie ging
men als volgt te werk. Huurder en verhuurder hadden elk een
latje, voorzien van inkepingen, waardoor de beide latjes
precies in elkaar pasten, zodat ze één geheel
vormden. Bij iedere huurbetaling werden de latjes tegen elkaar
gelegd. De verhuurder gaf dan met een mes een kerf over de
beide latten heen. Aan het eind van het jaar moesten er dus 52
van zulke strepen op staan. Er werd een schaaf over de latten
gehaald, en het 'kwitantieboek' was weer gereed voor het
volgende jaar!
Toen in augustus 1935 de 10.000e inwoner in Veenendaal werd
geboren, stelde het bestuur van de Veenendaalse Winkeliers
Vereniging voor de jonggeborene een mooie kinderwagen ter
beschikking.
In het Reformatorisch Dagblad van 18 oktober 1989
vond ik een artikel van drs. R.P. de Graaf over
''t Veen', in de 16e en 17e eeuw geteisterd door
(veen)branden, plundertochten, gewelddadigheden en
overstromingen.
De veenarbeiders woonden in schamele hutten. Maria van
Hongarije, zus van Karel V, bepaalde dat de boeien (hutten)
zonder 'staend vyercant gebynten then minsten
wyt XIIII of XV voeten' (circa 4,50 meter) moesten zijn en
niet kleiner.
In 1566 kreeg Veenendaal z'n 'Nijeuwe Veenkercke', de
Sint-Salvatorkerk. Tot dan toe moesten de gezinnen van de
veenarbeiders 'omtrent twee uren gaens' naar een van beide
Rhenense kerken. Al in 1562 was een delegatie van
veeneigenaren naar Utrecht geweest in de hoop dat de
karthuizer monniken een gunstig gelegen gebied zouden afstaan
voor een kerk, ook al was het zo dat diezelfde monniken al in
1535 een kapel op de Emmikhuizerberg (naast de huidige autoweg
A12) hadden gesticht. Rondom die kapel was al met al nooit
veel bewoning ontstaan ... Ondanks de meegenomen tien
kannen wijn werd het gewenste stuk grond echter niet
verkregen. Maar later kon toch nog een heuvel in het huidige
centrum, ''t mercktvelt', voor 28 goudstukken worden
aangekocht. De stenen van de kapel zijn later in het
koorgedeelte van de nieuwe kerk verwerkt.
De Italiaan L. Guicciardini schreef in 1567*): 'Het niew dorp
Venendal min dan 25 jaeren herwaerts gebouwt is meer om torf
te slaen (turf te steken) dan om andere saecken, welck
daghelijcks grooter en fraeyer wort.'
In 1584 werd het paasfeest gevierd, de kerk was vol en tijdens
de collecte klonk een groot kabaal, dat 'yerst buyten ende nae
(daarna) in de kerck quam, van dat enige soldaten van Lunteren
hier af quamen omme 't Veen te besuecken. Edoch syn
deselve soldaten te lesten mit een guede compositie
(schikking)
ende verering (geschenk) gepayet synde, theruggetrocken.'
Doordat de kerkmeesters het collectegeld afstonden,
bleef de mensen dat voorjaar veel ellende bespaard.
In 1585 was er grote overlast vanwege het krijgsvolk uit
Rhenen en Wageningen.
Turfschippers werden geslagen en uit hun schepen werden
'hemden, slaeplaeckens en clederen' geroofd. De huizen werden
geplunderd en 'soe mans als vrouwen' werden 'getormenteert'
(gefolterd).
Rond 1600 mag de bevolking van Veenendaal geschat worden op
210 mensen, verdeeld over ruim 40 gezinnen, rond 1629 waren er
320 mensen in minstens 60 huizen.
In 1637 brak een dodelijke 'pestilentiaele' epidemie uit.
Troosteloos werd de aanblik van Veenendaal: leegstaande huizen
en verlaten straten.
*) Op 1-10-2003 schrijft Paul Hageman me: Wellicht ten overvloede maak ik u erop attent dat in de oorspronkelijke Italiaanse editie van 1567 Veenendaal NIET wordt genoemd. De tekst die u citeert, komt uit de eerste Nederlandse editie van 1612.
Foto's:
- Kaart Veenendaal, 1600
- Markt, Veenendaal, 1799
- Kerk aan de Markt, Veenendaal, foto dec. 2001
- Benedeneind Veenendaal, foto uit 'Genealogie Hardeman 1550-2003'
- Gemeentehuis Veenendaal, foto uit 'Genealogie Hardeman 1550-2003'
© 1999 Gert Hardeman. Zie pagina algemene informatie.
Start, zoek, wetenswaard, Veenendaal, home, mail.