Bewaren jullie dit dagboek goed,
later moet Jeanne het maar overtikken.
Lieve allemaal,
Ik begin maar dadelijk mijn indrukken voor jullie op te schrijven, omdat er buiten toch niets anders te zien is dan een egale wolkenzee waarboven wij Java tegemoet vliegen. De bedoeling is dat dit velletje het begin zal zijn van een soort dagboek, dat misschien later voor Papa's kleinkinderen erg interessant kan worden. Ik zal daarom eerst eenige feiten vermelden, die jullie al bekend zijn, maar die wij later zo licht zouden vergeten. De IJsvogel een F XII, vliegt voor het eerst met verstelbare schroeven, waardoor de snelheid opgevoerd is tot 215 km per uur. Verder is het het eerste vliegtuig van de zomerdienst. Vertrek uit Schiphol, 's morgens om 4 uur, gezagvoerder Parmentier, tweede piloot Brinkhuis, mecanicien Prins, radiotelegrafist van Brugge.
Wij vertrokken van huis iets voor half twee in de auto van Chris van Senden, bestuurd door Gerard Vonck en waren om kwart voor 3 op Schiphol, waar Wim Vonck met zijn jongens en Hans al aanwezig waren. Later kwam ook nog de hele familie van Hasselt. Op Schiphol ontmoetten wij de heer Hans Martin, chef van de
Klokslag 4 uur vlogen wij dan weg, nadat eerst een fotograaf van de Verenigde Persbureaus ons vereeuwigd had. Bewaren jullie die kiek als jullie die in de krant vindt? Het is nu kwart voor 5 en nog altijd zie ik niets dan wolken onder mij en een grauwe lucht boven, waardoor de zon blijkbaar niet heen kan breken. Het toestel maakt weinig beweging, zoals jullie uit mijn schrift wel zult merken. Met speciale geluidsdempers in mijn oren heb ik maar weinig last van de motoren. Door die egale lucht om ons heen merk je nauwelijks dat we vooruit komen. Na de opstijging is er dan ook maar weinig sensatie te beleven.
Medepassagiers zijn de heer Moens, inspecteur van de K.L.M., die tot Athene meegaat en een heer voor Boedapest, zodat wij de ruimte hebben in onze brede kist. De mecano ligt lekker te maffen, de radioman luistert en tusschen hen in zit gemoedelijk de tweede piloot zijn logboek bij te werken.
5.15 (Avond-tijd)
Af en toe breekt de hemel en zien wij stukjes van de aarde, de radiotelegrafist zegt mij dat wij juist de grens met Duitschland overschreden hebben. (Merk je de taalonzuiverheid in dezen zin, Jeanne?)
5.30 uur
De mist is nu helemaal opgetrokken en de zon verbergt zich nog maar half achter de wolken. Wij vliegen over een concentratiekamp, unheimisch gelegen midden op een bijna zwart lijkende heide. In de verte zien wij de ruggen van het Teutoburgerwoud, waar wij straks overheen vliegen. De heer Prins (werktuigkundige) offreert mij een warme drank (melkschocolade). Er schijnt intusschen iets loos te zijn in de cockpit, die plotseling in rook van warme olie gehuld wordt. Prins onderbreekt zijn zorg voor de inwendige mens om met de beide piloten en den radiotelegrafist de zaak meer van nabij op te nemen. Zeer ernstig schijnt het niet te zijn, want na eenige tijd hervat hij zijn kelnerbezigheden, hoewel de rookontwikkeling aanhoudt. De warme chocola smaakt voortreffelijk
en maakt tegelijkertijd slaperig zodat ik wat indommel, terwijl wij over een nogal hoog gebergte vliegen. Ik word wakker omdat de motoren eensklaps zwijgen. Beneden ons ligt het vliegveld Halle-Leipzig waar wij vlot landen (7 uur AT).
Terwijl de wielen den grond raken vliegen een paar patrijzen op en vlucht een grote haas uit het hoge met paardebloemen bezaaide grasveld.
Het mankement blijkt toch niet zo onschuldig te zijn. Een luchtpomp is onklaar geraakt. Gelukkig is de krukas zelf niet verbogen; anders hadden wij niet verder gekund en had de Kwartel ons op moeten halen met een nieuwe motor voor onze vogel. De reparatie neemt echter nogal wat tijd in beslag, zodat wij in plaats van een half uur bijna 2 uur moeten wachten voordat de werktuigkundige het zaakje geklaard heeft.
Intusschen genieten wij op het terra in het warme mei-zonnetje van een Duitsch ontbijt, bestaande uit grauwe ham, niet-onsmakelijke broodjes en minder lekkere sneden grijs brood met boter, een ei en worst. Ik maak kennis met den derden passagier, een Hongaars industrieel, Saalgo(?) geheten. Terwijl ik dit schrijf worden wij plotseling flink heen en weer geschud door remous waarvan wij nog geen last gehad hebben.
Bij negenen stegen wij weer op en vlogen al spoedig over Leipzig waar het reusachtige station al dadelijk opvalt. Ik maak mijn eerste kieken, ook een in de cockpit van Parmentier. Prins heeft mij intusschen weer een mandje met krentenbrood met boter gebracht. De oorbeschermers zijn voortreffelijk. Ik heb niet de minste last van suizingen. Na Leipzig begon al gauw de misère. Toen wij over Praag vlogen ging het nogal maar kort daarop kregen wij met een geweldige tegenwind te maken, zodat de snelheid verminderde tot 150 km per uur, nadat wij tot Leipzig een gemiddelde van 200 km hadden kunnen maken. Het toestel ging ook erg te keer en het scheelde een haar of ik was misselijk geworden. Gelukkig kon ik nogal veel dutten. Aan het landschap was niet veel bijzonders te zien,
behalve toen wij de schöne blaue (lees vuilgrijze) Donau onder ons kregen. Met dat al kwamen wij pas om 2.15 uur avond-tijd in Boudapest, waar Parmentier maar meteen besloot te blijven omdat hij Athene toch niet meer zou kunnen halen, maar vooral ook om een andere reden. Aan de vlieghaven troffen wij namelijk piloot Frijns met zijn bemanning van de Uil op terugweg met een gezelschap Amerikaansche dames, die het toestel afgehuurd hadden voor een archeologische expeditie naar Perzië, Turkije en Iraq. Nu besloot onze gezagvoerder maar meteen om de onbruikbaar geworden luchtpomp van de IJsvogel te verwisselen met een reservepomp van de Uil, wat Frijns dadelijk goed vond omdat hij toch nog maar een kort traject voor de boeg had.
Van die Amerikaansche expeditie moet ik jullie toch nog iets vertellen. Levister(?) is een Amerikaanse militair van 76 jaar die vergezeld wordt door twee zusters van 70 en 68 en drie kameniers, waarvan de jongste 50 jaar oud is. Wat zeg je daar wel van. Zij zijn nu al eenige maanden onderweg en hebben een professor in de Archeologie in Perzië bij de opgravingen achtergelaten. Frijns maakt een vlotten prettigen indruk.
Zoo zit ik jullie nu hier in Hotel Gelliert te schrijven nadat ik mij fijn met een bad opgefrischt heb. Het hotel ligt aan de Donau en heeft het beroemde Wellenbad, waarover zooveel te doen is in de bekende roman van den Hongaarsche schrijver, die door mevr. Szukely-Lulofs vertaald is (titel is mij ontschoten). Echt chic hotel en Boudapest maakt ook den indruk van een echt voorname stad met een paar prachtige bruggen over de Donau. Zodadelijk ga ik met meneer Moens, die hier bekend is en bovendien nog een kennis die hier woont op den kop heeft kunnen tikken, de stad in. Vanavond echter vroeg naar bed want morgen is het om half drie réveil en vier uur weg om Caïro te halen.
Dag mijn lieve schatten, allen innig omhelsd door
Je Papa
Zoojuist jullie lieve briefjes in de koffer gevonden. Erg lief van jullie, ik was er bepaald geroerd van, vooral van den verstandige en zorgzame brief van jou, lieve mam. Ik zal je raadgevingen heusch erg ter harte nemen, hoor!
Vrijdag 4 mei 1934
Tweede reisdag
Lieve allemaal,
't Is nu half vijf in den morgen en wij zijn alweer een half uur onderweg van Boudapest naar Caïro via Athene. Over het onvoorzien oponthoud heb ik allang geen spijt meer. Boudapest is een wondermooie stad en dank zij het geleide van den heer Moens en zijn Hollandschen kennis, een aardig en vlot jongmensch, Wicherlink geheten, heb ik in enkele uren een prachtige indruk van de stad en haar voornaamste bezienswaardigheden kunnen krijgen. Om vijf uur 's middags verlieten wij ons hotel (Int. Gelliert) per taxi, reden eerst naar de statige parlementsgebouwen op den linker Donau-oever en vandaar weer de rivier over naar den steilen kant, waar Bouda op de heuvel is gebouwd. Ik zal jullie een beschrijving van de prachtige uitzichten sparen. Als je dat niet zelf gezien hebt, treft het je toch niet. Laat mij alleen zeggen dat ik intens genoten heb van het sprookjesachtige uitzicht op de verlichte stad vanaf de citadel, die op een der hoogste heuvelen gelegen is. Dit is eenvoudig feeëriek. Hier volgen enkele bijzonderheden om voor later vast te leggen, wanneer wij of anderen nog eens naar Boudapest zouden komen! Corso, mondain middelpunt, pantoffelparade langs de Donau, fraaie restaurants en hotels. Op een warme zomeravond zoals ik dat meemaakte, zit je daar allergenoeglijkst thee te drinken. Op den oever domineert het koninklijk pakeis op een heuvel. Wij lieten ons tot daar met een auto brengen en wandelden toen naar beneden langs de 'Fischer Bastei', een monumentale trappengalerij, die ook voor filmopnamen veel gebruikt wordt. De 'kiosk' op den heuvel van de citadel moet heel aardig zijn om 's zomers te gaan eten onder zigeunermuziek. Wij aten in een ander, ook typisch Hongaars restaurant met open binnenplaats, waar in de schaduw van kastanjes de tafeltjes gereserveerd zijn. Menu: kreeftensoep, gevulde paprica en tournedos. Tevoren in Ungaria een glas heerlijke Tokajer gedronken.
Doodmoe om half 11 naar bed. Met een aspirine dadelijk ingeslapen (het toestel is weer bezig; wij vliegen nu ook over de bergen van de Balkan, dus veel remous) en om half drie gewekt. Ontbeten met overheerlijke yoghurt en koffie en om vier uur waren wij weer startklaar op het vliegveld dat 14 km van Boudapest af is gelegen. Mijn warme ondergoed had ik al bij aankomst in het hotel voor het Indische verwisseld.
't Is nu bij achten, zoodat wij al vier uur lang vliegen, eerst over de eentonige Hongaarse poesta, toen Belgrado, over het mooie vliegveld en nu schommelen en schudden wij alweer een uur of twee over de bergen van de Balkan. Hier de eerste sneeuw op de berghellingen gezien. In de kist is het intusschen zeer fris geworden, daar wij natuurlijk op een groote hoogte vliegen en blijkbaar nog steeds stijgen. Wij zijn nu nog 300 km van Athene op de hoogte van Uskup. De zon heeft zich nog steeds niet vertoond en op het ogenblik regent het flink.
Prins heeft ons intusschen alweer bediend met cake en chocolade, vervolgens een gemarineerde haring (ik bedank) en pas weer een lekkere appel. De verzorging is werkelijk prachtig. Alleen moet ik nog wennen aan de W.C. Als je erop zit, voel je zoo'n tocht van beneden, dat het werkelijk niet gemakkelijk is om je eigen venster open te zetten.
9.15 uur geland op het Sedes vliegveld van Saloniki om te gaan tanken. Aan den chef van het vliegveld gevraagd of ik mocht filmen. Dit werd toegestaan maar toen ik eenmaal bezig was werd mij beduid dat mijn toestel nu verder door de douane moest worden verzegeld en in het bagageruim opgeborgen om te voorkomen dat ik verder verboden terreinen zou opnemen. Parmentier was daarom enigszins ontdaan dat ik dit gedaan had zonder hem eerst te vragen, maar ik was eenvoudig afgegaan op de verzekering van den heer Moens, die de vergunning gekregen had van den Grieksche commandant van het vliegveld. Nu zal ik in Athene niets kunnen opnemen. Uitstellen dan maar tot ik op de terugweg ben.
Binnen een half uur klaar met tanken en vliegen wij verder over zee naar Athene. Wij schieten door de tegenwind maar matig op. 't Zal wel laat worden voor wij in Caïro zijn. Rechts verschijnt de Olympus met sneeuw op zijn top. De lucht blijft vochtig en heiig.
(Athene) 11.15 aankomst vliegveld Tator.
Na een mooien vlucht over de Grieksche eilanden. Ik sta dit te schrijven op de staart van ons toestel om den brief nog te kunnen meegeven aan den heer Moens, die hier achter blijft. In zijn plaats komt een passagier voor Caïro. Wij wachten maar kort om te tanken; zijn al rijkelijk laat voor de laatste etappe naar Caïro.
Dag lieve allemaal, omhelsd door je,
Pappa
Middellandsche Zee 4 mei '34
Lieve allemaal,
Dit zal dan het begin worden van mijn derde brief, dien ik nu eens probeeren zal met inkt te schrijven, omdat wij op dit traject over zee vermoedelijk steeds op dezelfde hoogte zullen blijven vliegen.
Na een oponthoud van 3 kwartier, alleen voor het innemen van benzine, vertrokken wij om één uur plaatselijke tijd van Athene. Het traject Boudapest-Athene werd met oponthoud van benzine bijvullen in Saloniki afgelegd in ± 7 uur en 15 minuten. Het laatste deel was wel mooi door de voortdurende afwisseling van land en water. Van Athene zelf en de oudheden zag ik niets. Aardig zijn de kleine, maar hooge rotseilanden, waarover je telkens heen vliegt. In het begin lijkt het alsof de piloot er zoo tegenop zal vliegen. De Middellandsche Zee is een meer gelijk, zoo kalm en diepblauw van tint. Dit water-traject wordt overigens gauw eentoonig. Ik heb 't er dan ook maar van genomen en een uurtje lekker geslapen languit op mijn stoel. Vooraf had de werktuigkundige ons weer gespijzigd en gelaafd. Ik bedankte voor gerookte paling, maar liet mij een gemarineerde haring goed smaken. Prins is een voorbeeldig hofmeester naast zijn hoofdvak van werktuigkundige.
In Athene gingen de warme dekens uit de kist, om op den terugweg weer opgehaald te worden. 't Wordt al merkbaar tropischer. De bemanning loopt al in hemdsmouwen rond en eindelijk zie ik het zonnetje weer. Tot Athene toe was de lucht zwaar bewolkt, behalve in Leipzig.
Het bovenstaande schreef ik toen wij over de Middellandsche Zee dobberden en nogal heen en weer geschud werden door remous. Toch heb je helemaal geen onveilig gevoel. Sommige oogenblikken waande ik mij heusch aan boord van een schip.
7.15 n.m. arriveerden wij eindelijk op het mooi verlichte vliegveld van Caïro. Wij kwamen Afrika binnen vlak boven het strandbad van Alexandrië: een lange rij hutjes aan het strand met in het midden een soort van Casino. Alexandrië zagen wij iets verder in het westen liggen. De mooi geïrrigeerde en vruchtbare Nijl-delta bracht weer wat afwisseling. Wat een armoedige gehuchten van leemen hutten, maar vooral, tot in het kleinste vlek, was toch op een heuvel van afgegraven grond een kleine moskee gebouwd. Leuk was het te zien hoe de schapen overal voor ons op de vlucht sloegen. De enkele karbouwen die ik zag, bleven natuurlijk bedaard. Ook dit landschap begon ten slotte te vervelen, zoodat ik blij was toen wij eindelijk (het was intusschen helemaal donker geworden) de lichtjes van Caïro zagen en na een dag van nagenoeg 14 vlieguren ons doel bereikt hadden.
Ik ben hier ondergebracht in hotel Heliopolis, een duur hotel, en kreeg een groote tweepersoonskamer met badkamer. 't Is hier zoo warm, dat ik mij al helemaal op zijn Indisch heb met het pak van Polak(?) van Deventer.
Ik schrijf jullie dit op het terras van het hotel met een gevoel of ik al in Batavia zit, behalve dan dat hier gelukkig geen muskieten zijn en dat de droge warmte het transpireeren tegenhoudt.
Voor vanavond laat ik het hierbij. Ik ga nu maar gauw wat eten en dan naar bed. De bemanning kwam pas een uur na mij in het hotel en zal vermoedelijk zich niet meer vertonen. Ikzelf voel mij na het bad (koude douche) weer kiplekker. Met een glaasje Martini op den koop toe is de vermoeienis al helemaal geweken. Ik weet nog niet om hoe laat wij morgen vertrekken; zal dat eventueel hieronder nog even melden wanneer ik den captain nog mocht ontmoeten vóór deze brief in den bus gaat.
Dag mijn kleine zorgen; morgen weer. Alle vier innig omhelsd door je
Man en vader.
Zaterdag 5 mei '34
Lieve allemaal,
Zoo is dan vandaag de derde vliegdag begonnen die nog zwaarder belooft te zijn dan de beide vorige. Uit Caïro verzond ik mijn derde brief per luchtpost, zoodat jullie die misschien nog eerder zult krijgen dan den tweeden uit Athene. In Caïro was verder niet veel te beleven. Ik at alleen, rookte daarna een sigaartje bij een Engelsch-Egyptische krant, die weinig nieuws gaf, maakte nog een kleine wandeling en ging toen naar mijn kamer. Mama zou zich geërgerd hebben als zij gezien had hoe ik mijn koffers weer uit elkaar gehaald had om de reis-kleren makkelijker bij de hand te hebben. Het Hollandsch zomerpak kreeg met het wollen ondergoed een plaats in een vierkante kartonnen doos van Philips gloeilampen en zal door den heer Vogel, agent der K.L.M., voor mij bewaard worden tot de terugreis. Ik heb nu mijn Indische pak grauw linnen of drill aan, dat mij niet al te fraai zit en daarom beter op reis gedragen kan worden. Om elf uur lag ik in bed, sliep vrij gauw in, transpireerde veel en werd om kwart voor drie alweer gewekt. Bij maneschijn (laatste kwartier) naar het vliegveld, waar onze vogel alweer klaar stond; een fantastisch gezicht. Er woei een frissche koelte, zodat je het gevoel had in Bandoeng te zitten. In het station even een kijkje genomen in de radiokamer, waar de telegrafisten, half slapende op veldbedden, in pyama hun werk deden.
Wij hadden eenige last met het aanslaan van de bakboord motor. Drie patronen waren nodig voordat het lukte (voor Boelie bewaarde ik een huls) en tegen half vijf stegen wij eindelijk op. Aardig waren de flikkerende landingslichten. Terwijl ik dit schrijf (precies vijf uur en helemaal licht buiten), steken wij het Suez-kanaal bij El Kantara over. Rechts in de verte de bittermeren. Ik tel drie stoomboten. Wij vliegen juist boven het vliegveld van kantara. Links is weer de Middellandsche Zee te zien.
Vervelend is het dat ik wat last heb van constipatie. Dit schijnt meer voor te komen, want in de W.C. heeft de K.L.M. een potje met Istizin-pillen voor de liefhebbers gelegd. Ik heb er gisteren al een van genomen, misschien te weinig.
Het toestel ligt heerlijk rustig! Wij vliegen recht tegen de zon in. Vandaag zal ik weer eens vrijelijk kunnen fotograferen.
Wij vliegen nu vlak langs de kust van de Middellandsche Zee. Achter een smalle strook zand strekte zich een grote binnenzee uit, die hier en daar weer opgedroogd is en op het woestijnzand grote plakaten zout heeft achtergelaten. Voor de Royal Air Force zijn overal in de woestijn noodlandingsterreintjes aangelegd die door een witte cirkel zijn aangeduid. Wij verlaten het land en leggen weer een stuk Middellandsche Zee af; de luchtroutes trekken vanzelfsprekend de rechte lijn, zonder zich aan het topografische gesteldheid van het aardoppervlak te storen.
Zaterdag 5 mei, dag van pech.
6.15 vlotte landing op het met klaproosjes bezaaide vliegveld van Ghaza. Post uitgeladen, benzine ingenomen en ons in de bungalow verfrischt met een kopje thee. De captain hoop vanavond nog Bouiqu(?) te bereiken en als het een beetje waait zelfs Djosk, waar een nood-verlichting aanwezig is. 't Is nooit goed om te vroeg te juichen; dat bleek ook nu alweer. In een opgewekte stemming startten wij om kwart voor zeven, om al heel gauw
Nu was het de beurt aan Prins, den mecanicien-hofmeester, om zijn brood naar het bijbelsche woord te verdienen. De arme man heeft letterlijk in het zweet zijns aanziens moeten werken voor de zaak in orde was. Het bleek dat een pakking in een oliekraan het begeven had. Maar vóór dit ontdekt en verholpen was, waarvoor ettelijke keren de motor op het volle toerental moest lopen, gingen twee uren heen. De captain mopperde nogal op den technische dienst, die hem dit koopje geleverd had door hem op te knappen met het experiment van de verstelbare schroeven op den Indië-dienst. Hij had 't in het algemeen niet erg begrepen op al die nieuwigheden; de oude F XII en F XVIII-tjes deden het toch maar opperbest; zie Zilvermeeuw en Portjans(?). Weten jullie dat de F XII anderhalf en de F XVIII ongeveer twee ton kost? Zilvermeeuw en F XXXVI zijn natuurlijk nog veel duurder.
Het oponthoud kwam mij intusschen wel te stade voor het fotograferen en voor nog iets anders (zie Intizin). Met Prins had ik wel te doen. Het moet lang geen pretje geweest zijn, werken in die brandende zon, want het was intusschen knapjes warm geworden.
Wij overigen hadden het ons tenminste behagelijk kunnen maken in de cabine of buiten in de schaduw van de vleugel; een licht briesje zorgde daar voor de noodige afkoeling.
Een radiogram uit Rutbak bracht goed nieuws; in de hooge luchtlagen (boven 3000 M) zouden wij een flinke wind van 30 mijlen, ± 50 km per uur mee hebben. Captain zette weer een vroolijk gezicht en bood mij aan een kleine omweg te nemen door vlak boven Betlehem en Jeruzalem te vliegen, zoodat ik zou kunnen filmen.
Nadat één van de banden nog eerst wat lucht gekregen had, konden wij weer vertrekken. 't Was toen 9.30 uur, dus tweeënhalf uur tijdverlies. Dadelijk ging het goed de hoogte in en binnen een half uur vlogen wij rond Betlehem en kort daarop boven Jeruzalem, terwijl even daarna reeds de Doode Zee in het gezicht kwam.
Vanuit den cockpit op de plek van den tweede bestuurder draaide ik mijn film af. Het resultaat zal wel niet fraai zijn, daar ik den zon tegen had. Terwijl ik dit schrijf, vliegen wij op een hoogte van meer dan 4000 M ergens voor Rutbak boven de barre woestijn van Syrië en Irak. Ik voel mij wat licht in mijn hoofd en het schrijven gaat ook lang niet meer in het normale tempo. 't Is mij net of ik elke letter moet tekenen. Het toestel zelf ligt volmaakt rustig. De buitentemperatuur is tot vriespunt gedaald zodat de verwarming weer aangezet is. Intusschen heeft Prins me weer met een gemarineerde haring verkwikt. De verwarming geschiedt door ingezogen buitenlucht, die geleid wordt langs de heete gassen van den uitlaatpijp van den midden-motor. Om half een passeren wij hoog in de lucht Rutbak Wells, dat er inderdaad als van God en de menschen verlaten uitziet, gelegen midden in een barre woestijn, die hier een plateau van bijna 1000 m hoogte wordt. (Hier zou ik anders den gepasseerde nacht hebben geslapen.) Wij hebben een krachtigen wind mee, waardoor de IJsvogel soms heftig heen en weer geslingerd wordt en het nu zeer moeilijk wordt dit alles op te schrijven. Onder de bedrijven laat ik mij een broodje met gerookte paling en worst goed smaken. Door de heftige bewegingen van onze kist kunnen wij vork en mes niet gebruiken en zie ik mij dus genoodzaakt de vette paling met de vingers te villen en op te peuzelen.
Twee uur later. In een record-tijd van anderhalf uur leggen wij den afstand van 400 km tussen Rutbak en Bagdad af en landen vlot om 2 uur (plaatselijke tijd 3 uur) op het mooie en zeer moderne vliegveld van Bagdad. De nabijheid van de stad der khaliven kondigde zich reeds eenigen tijd van te voren aan toen zich plotseling in den woestijn het kronkelende lint van de Euphraat vertoonde, met iets verder de Tigris, die hier vrij dicht naast elkaar stroomen. Vuil geel-bruin water. Merkwaardig zoo weinig vegetatie als de oevers vertoonen. Is de grond zoo onvruchtbaar of ligt het aan de luiheid van de Arabieren, die bijna geen irrigatie toepassen!
Het aerodrome van Bagdad heeft een monumentaal stationsgebouw, voorzien van alle moderne gemakken en eenige slaapkamers voor overnachtende piloten. Daar kan Schiphol niet bij halen, maar stel je gerust Boel, het vliegveld zelf is bij ons veel beter. Dit van Bagdad kan wel eens helemaal onder water staan. In het station tracteerde ik de heeren op een glas kwast met spuitwater, waardoor ik mij gelukkig van mijn laatste Egyptische geld kon bevrijden. In de hal van het station prijkte een klein model van de F XXXVI en overal vind je reclames van onze K.L.M.
Na een oponthoud van een uur voor het bijtanken konden wij weer verder vliegen, nu op een hoogte van 2000 M naar Basrah, alweer met wind mee. De 'chief'
Zondag 6 mei. Wij kwamen gisterenmiddag om 5 uur in Basrah (2 uur vliegen van Bagdad), waar wij op het militair terrein van de Royal Air Force landden, opgewacht door een groot aantal Europeanen, die blijkbaar behoorden tot de Engelsche luchtmacht. Voor het in bedwang houden van de vele roofzieke bedouinestammen op de grenzen met Arabië onderhoudt Engeland hier een sterke luchtmacht, bestaande uit 30 officieren en 450 man. Het vliegveld ligt 30 km van Basrah, zoodat wij niets van de stad gezien hebben. Wij werden nl. ondergebracht in een soort persoonsgebouw, opgericht voor de Imperial Airways (Engelsche Collega van de K.L.M.). Een jonge Engelschman stond als agent aan het hoofd van de zaak. Hij maakte zijn excuses dat hij ons niet vorstelijker kon ontvangen, maar ik vond 't er keurig in orde. Overigens weer een troosteloze zandwoestenij, waarop verspreid de hangars en andere gebouwen te zien zijn. Wij worden zeer goed bediend door een paar inlandse boys (Iraqqers). Mijn kamerboy komt maar gewoon mijn kamer binnen wanneer ik mij wasch en helpt mij met het uit- en inpakken. Na een maaltijd van twijfelachtig allooi kruipen wij vroeg te kooi, omdat de volgende reisdag de zwaarste beloofd te worden. Ondanks afsluiting met vliegengaas zit de kamer vol vliegen, die zich gelukkig rustig houden als ik het licht uitgedraaid heb. De warmte valt zeer mee; temperatuur vsn Batavia, maar zonder het drukkende gevoel van de vochtige atmosfeer.Weinig geslapen en om 2 uur gewekt door het binnenkomen van den boy met thee. Mijn short en shirt aangetrokken en ter hangar getogen, waar wij met vereende kracht de kist naar buiten rolden. De landingslichten (brandende petroleumpotten) waren aangestoken en prompt om 3 uur waren wij weer in de lucht. Met de lichten in de cabine uitgedraaid maken de violette vlammen uit onze ...(?) een nog toverachtiger effect. Het wordt koud in de cabine, zodat mijn regenjas mij zeer goed te pas komt. Na anderhalf uur vliegen landen wij bij het ochtendgloren op het vliegveld van Boesjir, waarmede wij op het grondgebied van Perzië gekomen zijn. De Perzen zijn helaas heel lastig met hun formaliteiten. Ik mag daarom niet fotograferen.
Benzine ingeladen, post en vracht (een grote kist met motoronderdelen) uitgeladen en na een uur gaat het weer verder. Wij vliegen nu niet langs de kust, maar dwars door het barre gebergte. 't Is net een landschap op de maan.
Volgende halteplaats is Jask, waar deze brief moet worden afgegeven. Ik begin nu slaap te krijgen en maak er daarom maar een eind aan. Het wordt een zware dag vandaag (2800 km). Wij zullen niet voor een uur of 8 vanavond in Judhpur kunnen zijn, maar dan is de vertraging ook ingehaald.
Dag lievelingen
Je Pap.
8.30. Wij vliegen heel hoog, zoodat ik door de koude niet heb kunnen slapen. Een van de ventilatoren lekt en die staat juist boven mijn hoofd. Intusschen is de verwarming weer aan. Bij straat Clarence bereiken wij weer de Perzische Golf, vliegen over het eiland Kiss me (Gishm) en sturen nu rechttoe rechtaan over het water naar Jask, waar wij over een uur kunnen zijn. De machine zoekt al hoger luchtstreken op. Dit 'bijsteken' verhoogt natuurlijk de snelheid. Bovendien hebben wij wind mee, zodat er wel eens een gemiddelde van 215 km gehaald zal worden. Maar nu moet de brief heusch dicht.
Bij Karachi, zondag 6 mei 1934
Lieve allemaal,
Met een vliegenden zandstorm in den rug ijlen wij op het ogenblik (± 1.30) naar Karachi. Wij maken een grondsnelheid van 275 km/uur en halen op die manier aardig onze achterstand in. De afstand Djask-Karachi bedraagt 950 km. Captain sloeg een weddenschap voor, de marconist en ik taxeerden vierenhalf uur, Parmentier zelf 4 u 10 min en de 2e piloot 3 u 35. De laatste heeft de beste kans van winnen. Bij aankomst in Djask woei het al flink, maar was van een zandstorm nog geen sprake. Djask is niet meer dan een kale zandplaats met enkele huisjes. Het Hollandsche rusthuis zag ik alleen vanuit de lucht. Wij hadden geen tijd voor een bezoek, maar de hr. en mevr. Ottens hadden gezorgd voor een tweede ontbijt in een loodsje op het vliegveld. Ottens wachtte ons op en bediende ons met hulp van zijn Perzische boys. Hij praatte ook opgewekt over zijn werk en alle moeilijkheden die hij van de Perzische autoriteiten ondervindt verwerkt hij met blijmoedigheid en geduld. Wij kregen natuurlijk de beroemde flensjes, koude kip en heerlijk gebakken visch, die O. zelf in zee ving. Een staaltje van de moeilijkheden, waarover ik zooëven doelde. O. had aan een Perzische familie voor een huiselijk feestje een paar flesschen limonade cadeau gedaan. Den volgende dag werd hij bij de Perzische politie ontboden, die hem een standje gaf en verbood om zulke geschenken nog eens te geven. Als de menschen er ziek van waren geworden of gestorven, zou hij verantwoordelijk gesteld worden en zijn zonde met de dood hebben moeten bekopen. Ik gaf hem de dikke brief voor huis om die aan de Pelikaan mee te geven, die vandaag verwacht werd. Het zal mij benieuwen of wij hem tegenkomen. Hij berichtte zoo juist, dat wij tot Alhabad toe een flinke wind mee zullen hebben. Interessant was het om het opkomen van den zandstorm te zien. Wij waren nog maar pas van Djask weg toen Brinkhuis mij weer op kleine stofwolkjes wees, die als rookslierten opstegen. Wij moesten zorgen er niet in te raken, zoodat hoogte stuur gegeven werd en wij al spoedig op 2000 mtr de zandwolken, die als een dichte mist de aarde bedekt hielden onder ons hadden. 't Was machtig interessant. Zittende op de tweede bestuursplaats had ik er een prachtige kijk op, terwijl de gezagsvoerder mij het een en ander van de instrumenten uitlegde.
Na drieënhalf uur vliegen kwamen wij om half vijf plaatselijke tijd in Karachi; dus had de storm onze gemiddelde snelheid opgevoerd tot 250 km. Toen ik uit de machine stapte, merkte ik eerst de kracht van den wind. Op het vliegterrein de reusachtige hangar en landingsmat voor het Engelsche luchtschip dat voor een paar jaar in Frankrijk omkwam. Ontmoeting met D. Slotboom van de K.L.M., die een studiereis langs de Indiëroute gemaakt heeft en nu op den terugweg is. Hij was met de Pelikaan meegekomen, die nu al in Djask moet zijn. Wij zijn elkaar dus gepasseerd zonder dat wij er iets van gemerkt hebben. De Pelikaan had de zandstorm dus tegen en kon die dus alleen ontwijken door laag boven zee te vliegen, terwijl wij op 2000 mtr boven het land zaten. Na 3 kwartier konden wij weer vertrekken en nu vliegen wij boven de wouden van den Indus, die zich als grote zandstormen aandienen. Geen druppeltje water te bekennen en het land behoudt zijn woestijnkarakter. Wij houden de wind mee tot Calcutta. De verwachting is dat wij Jadhpura in twee uur en een kwartier zullen halen, zoodat wij nog op tijd naar bed kunnen.
Morgen hoeven wij dan niet voor een uur of zeven te vertrekken. Wij zetten een sweep-stake op, Parmentier rekende 2 uur en 10 minuten, ik 2 en een half uur. Tenslotte waren wij precies na 2 uur 37 min boven het verlichte vliegveld van Jadhpura, zoodat ik het als onervaren luchtreiziger had gewonnen. De hele reis naar Jadhpur vlogen wij over een dichte nevel van zand, waaronder wazig de Indische woestijn zich uitstrekte. Wel plotseling was na die woestenijen de aanblik van een groote verlichte stad. 't Was vrijwel donker toen P. schitterend landde. Als leek begrijp ik er niets van hoe hij de afstanden in het duister zoo goed kan schatten. 't Was toen 8 uur 's avonds plaatselijke tijd, in totaal waren wij vandaag ruim dertien uur in de lucht.
In Jodhpur kwam een heete lucht ons al van boven tegemoet. De grondtemperatuur bleek 38 °C te zijn, dus was meer dan lichaamstemperatuur. Brinkhuis heeft hier eens een temp van 50 °C meegemaakt; toen overleden er trouwens 40 inlanders. Ik kreeg een fijne kamer in het State Hotel, waar ik dit velletje nu nog even afschrijf voor ik ga slapen. Helaas geen douche, maar alleen een kuipbad en veder geen botol of spuitje. Daarin moest het hotel zich nu langzamerhand ook op Hollanders gaan instellen. Na het bad kreeg ik het frisch door de snelle verdamping van mijn natte huid. De handdoek voelde echter weer warm aan, zooals alles wat je aanpakt. Alleen aan tafel; de anderen hadden zich op de kamers laten bedienen. Menu Europeesch en zeer goed toebereid, Zie zoo voor vannacht genoeg, morgen in het vliegtuig verder. Ik ga nu slapen (elf uur, wij vertrekken half zeven).
(Op briefpapier KLM aboard IJsvogel)
Maandag 7 mei 34
Tussen Jodhpur en Calcutta
In Jodhpur erg goed geslapen en om half zes gewekt. Voor het eerst weer eens genoten van den heerlijken Indischen ochtend, wanneer de zon nog weldadig aandoet. Terwijl de andere heeren van den auto gebruik maken, wandel ik liever naar het vliegveld: een afstand van een paar honderd meter. De dag begint met pech. Doordat de middenmotor eerst niet wou aanslaan, vertrokken wij een uur te laat (half 8). Het oponthoud benutte ik door het maken van verschillende opnamen, waarvoor ik mijn filmcamera juist met 3 nieuwe rollen had aangevuld. (prijs hoger dan in Holland nl.
Die arme mecano moet alweer een uur zwoegen in het langzamerhand warmer wordende zonnetje. En dit terwijl hij vannacht nog tot elf uur bezig is geweest om de motoren na te zien en schoon te maken en toen zonder eten in zijn bed is gekropen. Maar nu ligt hij heerlijk languit te rusten.
Wij vliegen weer op grootte hoogte (bijna 3000 M, 10.000 voet), zoodat het aangenaam koel is in de cabine, terwijl het toestel heerlijk rustig ligt. Blij mijn ondergoed weer aangetrokken te hebben. Vannacht sliep ik zonder borstrok, maar wel met mijn jaeger buikband. Dr. Slotboom waarschuwde daar gisteren ook nog voor en schrijft de buikloop, waaraan ook velen van de bemanning bij aankomst in de tropen gaan lijden, toe aan het onbeheerst blootstellen van de buik aan de tocht van fans. Met een oude routekaart voor me kan ik mij in het landschap zeer goed oriënteren. Het blijft dor en droog, zij het dan wat meer bebouwd dan de woestijn die wij gisteren doortrokken. De rivieren vertoonen nu tenminste weer water in plaats van enkel zand.
Ik krijg 't bijna te frisch, een glas warme koffie smaakt daarom opperbest, evenals later het 2e ontbijt, bestaande uit haring, die uit elkaar valt (blijkbaar door de warmte), beschuitjes met zalm en een sinaasappel. Wij gebruiken onbreekbare borden van zeer licht materiaal (bakeliet).
Op half twaalf passeren wij de Ju...ana, groote zijrivier van de Ganges, die bij Allahban in den hoofdstroom vloeit. Wij beginnen sterk te dalen en zijn niet ver meer van onze tankplaats, waar wij hopelijk een brunch krijgen. 't Wordt weer aardig warm in de cabine. Heftige remous door de opstijgende heete lucht. De Ganges wordt zichtbaar; radioman haalt zijn drooglijn in, daling duurt onverminderd voort, zoodat blijkbaar het vliegterrein zichtbaar wordt.
Tusschen Allahaban en Calcutta.
11.40 geland in Allahaban. Toen ik een voet buiten de cabine zette, merkte ik al dat de buitentemperatuur hooger was dan binnen. Er woei bovendien een harde droge wind. Temp. in de schaduw 38 °C (102 °F). Wij dronken een paar flesjes gekoelde limonade en konden gelukkig na een uur met volle tank opstijgen. Nauwelijks een half uur later zaten wij op 4000 M en daalde de temperatuur in de cabine tot 18 °C (nog geen 64 °F), zoodat ik nu met mijn regenjas aan zit te schrijven. Ik had een beetje last van de hooge lucht, maar door een glas koffie en een paar boterhammen ben ik weer opgeknapt. In Allahaban had men niet voor een lunch gezorgd, zoals volgens het reisprogramma had moeten gebeuren. Gelukkig maar, want in die hitte had ik toch helemaal geen trek. Op deze hoogte jaagt een vliegende stormwind ons precies in den rug, zoodat wij wel een mooie tijd zullen maken. Intusschen gaat de kist wel weer erg te keer, zoals jullie aan mijn schrift zult zien. Wij liggen alweer 1000 M lager. De kist was niet te houden, zegt de commandant, die zoojuist het stuurwiel aan den 2e piloot heeft overgeggeven. 't Blijken meer wervelwinden te zijn, die met onze ... ton zware machine spelen als met een veertje.
Calcutta 7 mei 1934
Lieve allemaal,
Zo zit ik dan al in Calcutta, waar ik jullie het VIe vervolg op mijn reisbrieven in het hotel zit te schrijven, terwijl een fan mij de noodige koelte toewaait. Precies in drieënhalf uur legden wij de afstand Allabahan-Calcutta af en zetten om 4 uur de wielen aan de grond. Op het vliegterrein stond een een groote machine van de Imperial Airways, die in de hangar weggerold moest worden om plaats voor ons te maken aan de benzinepomp. De hangar zat verder vol met nog een machine van de Airways waarvan de bodem helemaal weggeslagen was, door het springen van de luchttank. Dr. Slotboom had ons reeds van dit ongeval verteld. De Pelikaan stond juist voor vertrekken gereed toen het ongeluk gebeurde. Men zag de stukken ijzer en hout in het rond vliegen en een groote vlam sloeg uit de machine. Verder staat daar nog een driemotorige Fokker F VII van de Air France en dan nog eenige kleinere toestellen, zoodat onze IJsvogel vermoedelijk wel buiten zal moeten overnachten. Bij het neerdalen boven Calcutta voelde je al de vochtige warmte je tegemoet stralen. De handen werden klam en de temperatuur in de cabine steeg in korten tijd tot 88 °F. Toch voelde ik mij in dit klimaat weer thuis. En toen ik met de auto naar de stad reed (alleen, de bemanning legert dichter bij het vliegveld in een bungalow, opgericht door een gepensioneerde Engelsche majoor), waande ik mij helemaal in Batavia wat het klimaat en den plantengroei betreft. Hier zag ik de eerste klapperbomen, verder de bloeiende flamboyant. Alleen de inlanders waren anders, maar toch ook weer niet vreemd, daar hier de Bengalezen wonen, die ons uit Batavia genoeg bekend zijn. Merkwaardig is alleen dat ik op den heelen langen rit naar het hotel (6 kwartier) bijna geen Europeanen en in het geheel geen Chinezen zag. De eerste Chinees moet ik nog zien, hoewel ik nu al weer een groote toer door de stad met een taxi onder leiding van een gids achter de rug heb. De agent van de K.L.M., de heer Keers, was een kwartier te laat op het vliegveld. Hij had ons niet zo vroeg verwacht. Zoo kwam het dat ik pas om 5 uur in het hotel arriveerde, waar ik een kamer met een bad kreeg in het nieuwe gedeelte, veel te Europeesch naar mijn zin. De boy hielp mij met alles, zelfs met schoenen aan- en uittrekken. Helaas blijk ik mijn waschzak in het toestel vergeeten te hebben, zodat ik mijn pantoffels moet missen. Een koud kuipbad (weer geen douche aanwezig) frischte mij lekker op, maar onder het aankleden droop de transpiratie mij weer langs mijn neus, hoewel de fan wel aan was.
Na mij verkleed te hebben in het blauwe Palm Beach pak maakte ik een rijtoer door de stad. Een genot was het weer eens in een open auto je te laten uitwaaien. Calcutta is een reuzenstad met meer dan een millioen inwoners. Het mooiste punt is de Maivan, een uitgestrekte grasvlakte (veel en veel groter dan het Koningsplein) met enkele boomengroepen en een aantal prachtige monumenten, waaronder vooral het Victoria Memorial, helemaal in wit marmer opgetrokken, de aandacht trekt. Mij zijn de gebouwen in drie en meer verdiepingen echter te Europeesch (en teveel op elkaar gebouwd). Ik geloof dat daaraan ook voor een groot deel de hitte aan toe te schrijven is. In de buitenwijken was het weer veel koeler. Wij reden o.a. langs een zeer groot meer (New Lake) met helder water en een eilandje in het midden. Daar werd gezwommen en in race-gieken(?) geroeid, zoo iets als de Serpentine in Hyde Park. De marconist waarschuwde mij om hier niets te kopen. Alles is veel duurder dan in Singapore waar ik veel beter terecht kan. Ik zal dan ook trachten daar het cadeautje voor kleine meid van tante Emmy te koopen.
Ik voel mij op het oogenblik erg frisch omdat ik vanmiddag in de kist lekker geslapen heb. Morgen is het weer vroeg op; vertrek om 5 uur, om kwart over 4 uit het hotel. De agent zal mij afhalen. Ik ga nu gauw wat eten (8 uur) en dan probeeren te slapen.
Dag schattebouten, tot morgen
Je Papa
Terwijl ik mijn brief nog eens overlees, komt een kleine katjang van het hotel naar mij toe, kijkt rond of ik nog wat noodig heb, ontdekt mijn bril en begint zonder iets te vragen de glazen met z'n lap schoon te maken. Wat zeggen jullie daar wel van. 't Is ideaal gewoon, hè Jeanne en Boel. Dit zou iets voor jullie zijn. Daarom naar Indië hoor.
Een merkwaardigheid van dit hotel moet ik jullie toch nog even vertellen. De nieuwe eetzaal wordt met droge lucht afgekoeld, waardoor de temperatuur gelijkmatig op 75 °F gehouden wordt, terwijl elders in het hotel bijna 90 °F heerscht. Je bereikt de zaal door vanzelf dichtslaande deuren, waarbij bovendien nog een djongos de wacht houdt voor het geval de deur open mocht blijven of misschien alleen om de gasten de inspanning van het openduwen en trekken te besparen. Bij het eten (zeer goed, zie menu) was muziek. Eenige dames in avondtoilet en de heeren in zwarte smoking met witte broek (geen gezicht), maar ook in Palm Beach. Ik zit nu onder de fan in mijn slaapkamer te pennen met alleen mijn pyama en de buikband aan en transpireer toch nog door. Een groote kan met ijswater staat naast mij. Juist wilde ik mij uitkleeden toen ik opgebeld werd door mijnheer Maier(?) van de Java-Bengalen lijn, tevens ... der Nederlanden. Hij was zoo vriendelijk mij aan te bieden met hem de stad in te gaan, waarvoor ik natuurlijk bedankt heb. Op den terugweg zullen wij elkaar echter ontmoeten en dan heb ik hem beloofd bij hem te komen eten.
Maandag 8 mei '34
De dag begon met een dubbele pech. Wij zouden om 5 uur uit Calcutta vertrekken. Afgesproken was dat ik om kwart voor vier gewekt zou worden. Maar laat mij nou die stomme nachtportier (een Europeaan n.b.) den boy mij een uur vroeger laten roepen. Ik merkte dit pas toen ik mij goed en wel geschoren en gebaad had. Natuurlijk verschrikkelijk het land, omdat ik toch al zoo laat in slaap gevallen was, ondanks een Adaline(?). 't Was dan ook onhoudbaar van de warmte, hoewel ik den heelen nacht de fan boven mijn bed, dat midden in de kamer stond (van klamboe voorzien), had laten draaien. Neen hoor, zoo'n ellendig klimaat heeft ons heerlijk Batavia gelukkig nog niet. Ik heb als een bezetene getranspireerd en de noodige bellen met ijswater naar binnen geslagen.
De heer Keers haalde mij prompt op tijd af. Onderweg pikten wij de bemanning in hun bungalow op en precies 5 uur werd de machine uit de hangar gesleept.
Vlakbij het vliegveld kruiste een jakhals onzen weg. Die schijnen nog wel eens tot in Calcutta te komen.
Toen begon de tweede pech. Middenmotor vertoonde weer eens zijn bekende kuren, wou niet aanslaan. Dat was vooral daarom zoo teleurstellend, omdat de mecano, geholpen door de radioman, er nog tot 12 uur 's nachts aan gewerkt had en o.a. den schroef er in zijn geheel uit werd genomen. De arme kerels hadden dus ook heel weinig rust gehad. Enfin, na eenige vruchteloze pogingen die intusschen een kwartier geduurd hadden, lukte het dan eindelijk en konden wij instapppen. Maar jawel hoor, toen Parmentier de motor harder liet draaien, stond de middenmotor plotseling weer stil. P. had er stierlijk het land over in en zei aan Prins dat hij het op die manier vertikte te starten en dat hij dan maar den heelen motor uit elkaar moest nemen. Zoo erg bleek het intusschen niet te zijn. Met verwisseling van de bougies was de zaak verholpen. Met dat al hadden wij intusschen anderhalf uur verloren en vertrokken pas tegen half zeven.
Terwijl ik dit schrijf, vliegen wij hoog boven de wolken over de Ganges-delta, een warnet van slingerende waterloopen en moerasbosch.
Van Bruggen, de radioman, is een geestig type. Onder alle tegenslag behoudt hij zijn opgewektheid en slaagde er met zijn onuitputtelijke moppen al spoedig in om den chief en den hard ploeterende Prins aan het lachen te maken.
Een pracht-typ voor zoo'n reis met tegenspoeden. Hij mag gedurende de vlucht natuurlijk niet van zijn plaats. Elkaar toeschreeuwen lukt niet door het lawaai van de motoren. Daarom geeft hij seinen door te fluiten of te blaffen als een hond; dit laatste doet hij alleen als hij honger heeft om de aandacht te trekken van den mecano, die dan bij de provisiekast met iets bezig is. Op zo'n moment filmde ik hem. Ik hoop dat dit stukje geslaagd is!
Wij vlogen al gauw op een hoogte van 3000 M, waardoor de temperatuur in de cabine daalde tot 68 °F en mijn regenjas weer een welkom kleedingstuk werd. 't Is mij verder gelukt iets van de verloren nachtrust in te halen. Die arme Prins is bekaf, zoodat ik hem nu maar het werk uit de hand genomen heb, door mijn lunchpakket uit het hotel onder de bemanning te verdeelen.
Kieken genomen van Skijab(?), dat wij voorbijvlogen en van de voortjagende moessonwolken.
Na precies 5 uur vliegen bereikten wij Rangoon, waar de tanks moesten worden bijgevuld. Hier stond de zon intusschen in het Zenith en was het dan ook bakkend heet. In den hangar was een lunch gereed gemaakt. Niet veel gegeten, maar met smaak een biertje verschalkt. Op het oogenblik vliegen wij weer op een hoogt van 2500 M over den golf van Martaban(?) en naderen het Moelmein(?) gebergte dat de grens vormt tusschen Birma en Siam. De bemanning heeft een stille hoop dat wij morgen op de route naar Moestar(?) een kudde wilde olifanten zullen zien. De middenmotor is een cauchemar voor onze mecano. In Rangoon sloeg hij gelukkig dadelijk aan, maar nu met een eigenaardige korte aarzeling eindigend met een harde knal. In Bandoeng zal hij helemaal uit elkaar moeten. Als hij het intusschen maar zoo lang uithoudt.
Ik vervolg deze brief weer in het hotel in Bangkok, even voor het naar bed gaan. Van Rangoon vliegen wij weer op groote hoogte
Verder een douche en een moete-vaan(?) met gajong(?) in de badkamer. Morgenochtend nog eens lekker sirammen. Heerlijk daar zitten theedrinken en later borrelen. Temperatuur als Batavia en gelukkig geen muskieten. Ik hoop nu vannacht eindelijk weer eens lekker te slapen. Hier voel ik mij eigenlijk al helemaal in Indië. Wel te rusten, tot morgen.
Woensdag 9 mei '34
Ik ben den tel een beetje kwijt, weet niet precies of dit nu de 9e of 8e vliegbrief is. Vanavond in Singapore geef ik den heelen post met de Oehoe mee, die wij daar ontmoeten. 't Gaat toch niet goed met den vulpen op deze hoogte, dus ga ik weer tot het potlood over.
Wij vliegen nu over den Golf van Siam naar het Maleisisch schiereiland.
Vannacht lekker geslapen zonder hulpmiddelen. Wel wat getranspireerd. Kwart voor vier gewekt, lekker gemandiet en ontbeten met vruchten (pompelmoes, pisang en ... en een gebakken vischje, de welbekende ikan ...) zálig gewoon (ik hoor het onze Jane al zeggen). Het hotel staat onder leiding van een Deensch echtpaar, de bedienden zijn gedeeltelijk Chineezen, gedeeltelijk Siameezen. De K.L.M.-agent is een Hollander: Piets(?) van de Holland-Siam Handelscompagnie, die hier al zesenhalf jaar zit en de taal spreekt Hij gaat de volgende week met verlof naar Holland en vliegt dan terug.
Om vijf uur vertrekken wij per extra treintje naar het vliegveld. Precies zes uur hadden wij kunnen starten als niet alweer die middenmotor zijn kunsten had vertoond. Drie kwartier zijn ze ermee bezig geweest. Prins zag er als een afgebekt paard uit. Tenslotte lukte het pas door de ouderwetse handaandrijving - een gevaarlijke bezigheid. Van Bruggen monterde het gezelschap al weer op met zijn onuitputtelijke aardigheden.
Van de vier is Brinkhuis eigenlijk de eenige uit betere stand. Hij heeft drie jaar gymnasium afgeloopen en bij Philips gewerkt. Zijn vlieger loopbaan is hij begonnen op Soesterberg, na zijn gewonen militaire diensttijd te hebben verricht. Zijn militair vliegbrevet heeft hij zelfs eerder gehaald dan Parmentier, die hem echter jaren voor is als verkeersvlieger, waarvoor de K.L.M. een eigen diploma met aparte opleiding heeft ingesteld. Zelfs als geroutineerd militair vlieger had Brinkhuis nog vele moeite om tot de K.L.M. opleiding toegelaten te worden. Zoo is hij dan al 8 jaar vliegenier en pas 2 jaar verkeersvlieger bij de K.L.M. Van verschil in rang en stand merk je in de onderlinge verhoudingen van de bemanning weinig of niets. Men gaat zeer kameraadschappelijk met elkaar om en niettemin heerscht er voldoende discipline. Men is teveel van elkaar afhankelijk.
Op het oogenblik bereiken wij de kust van het Maleisisch schiereiland. In zee als kleine cirkeltjes een aantal sero's (fuiken). Wij vliegen op 1500 M hoogte, temp. 74 graden. Parmentier stijgt tot over 2000 M, waardoor de temp. daalt tot 71 graden, aangenaam frisch. Ik kom net terug uit de cockpit, waar ik een fijn uitzicht had. Om 10 uur is het zoo koud, dat de verwarming weer aangezet is.
Na een vlucht van 4 uur 20 min bereiken wij ... Het vliegveld was op sommige plekken zeer drassig, zoodat wij bij het landen vol bespat werden met water en slijk. Bij het vliegveld staat een prachtig nieuwgebouwd resthouse van het landschap Kedah, waar wij met uitzondering van Prins, die zijn motoren niet in den steek wou laten, den tiffies(?) gebruikten. Wij waren allen er over uit zoo fijn als de gerechten toebereid waren, natuurlijk door een Chineesche kok. O.a. viel zeer in den smaak 'lapis oedang', je weet wel, gemaakt van die groote dikke garnalen, die wij in Batavia ook wel konden krijgen. Dat was werkelijk exquis. Later kwam een jong Engelsch stel aan, die blijkbaar in den Pasang-grahan logeerden. Van den agent
Iets voor éénen sloegen de mototren weer aan. Met de hand gedraaid leverde de middenmotor geen moeilijkheden meer op. En nu op weg naar Singapore, waar wij tegen vieren kunnen arriveren.
Een uurtje vóór Singapore met een temperatuur van 62 °F/3500 M hoog. Wat zeggen jullie daar wel van. De verwarming is natuurlijk weer aan. Maar je raakt gauw gewend aan die temperatuurwisselingen, ook omdat de steiging zoo geleidelijk gaat. Ik heb weer even lekker gedut. 't Is eenvoudig een ideale manier van reizen naar en in de tropen. Het warmste gedeelte van den dag verblijf je in de gematigde luchtstreken met een ideale zomertemperatuur. Hier vliegen wij herhaaldelijk dwars door zware moessonwolken. De kist gaat dan eventjes heftig tekeer, maar languit in je stoel onderga je dat als een prettige gewaarwording, alsof je nog eens eventjes in slaap gewiegd wordt.
4.20 d.i. na drieënhalf uur vliegen, bereikten wij het eiland Singapore, vlogen over de werken van de groote vlootbasis, die Engeland hier aanlegt en landden vlot. Ik bleef op het vliegveld, om de aankomst van de Oehoe uit Batavia af te wachten, die een half uur na ons binnenkwam. Aan boord was de heer Damme, dien ik even begroette. Mevrouw is in Indië achtergebleven om op het kleine kindje van 1 maand te passen, dat zijn moeder op zoo tragische wijze moest verliezen. De heer en mevrouw Damme waren gelukkig nog op tijd aangekomen. Hun dochter is zich nog bewust geweest van hun aanwezigheid en overleed den dag na hun aankomst. Prachtig toch dat dit door onze onvolprezen K.L.M. mogelijk is gemaakt.
Woensdagavond 9 mei '34
Zooals jullie ziet logeeren wij hier in het Sea View Hotel, dat jullie je misschien nog zult herinneren van 5 jaar geleden, toen wij op onzen toer door de stad ook even hier geweest zijn. Het hotel ligt heerlijk vlak aan zee en heeft een eigen zeebad, goed afgesloten tegen het haaiengevaar. De open eetzaal ligt aan zee en aan weerskanten zijn zitjes op het gras. Het weer is verrukkelijk zomersch, heelemaal niet te warm en gelukkig weer geen muskieten. Hier kan ik alweer met Maleisisch terecht. Ik maakte kennis met de gezagvoerder van de Oehoe, den heer Te Roller, die met een volgeboekte machine naar Amsterdam vliegt. Behalve de heer Damme is aan boord ook een 73-jarige Noor, de heer Nibbig, die maar eventjes 11 dagen in Indië is geweest om een neef en een nicht op te zoeken en in dien korte tijd nog kans gezien heeft om een bezoek aan Bali te brengen. Wat zeggen jullie wel van zoo'n prestatie. Is dat niet een sprekend bewijs dat vliegen niet anstrengend is? Alleen op groote hoogte heeft hij eenige last van kortademigheid. Ik heb onzen 'chief-pilot' al half en half overgehaald om morgen een kleine omweg te maken over Krakatau. Als wij nu maar niet weer pech hebben met de midden-motor en op tijd kunnen starten (half zes), zal het misschien nog wel lukken. 't Gaat mij werkelijk aan het hart, dat morgen de laatste dag is. Ik voel mij eigenlijk nog gezonder dan toen de reis aanving, tenminschte geestelijk voel ik mij heelemaal uitgerust nu ik een week lang geen kranten met crisis-misères onder de oogen gehad heb en elken dag opnieuw volop kan genieten van al het nieuwe en interessante dat zoo'n vliegreis oplevert.
Voor ik naar bed ga, wil ik dezen brief toch nog even afmaken. Ik dineerde met de heer Damme en diens reisgenoot, de 73-jarige Noor. Zijn dochter is aan vliegende tering gestorven, die zich openbaarde na de bevalling. Ook hij is enthousiast over het reizen per K.L.M.
Dag mijn lievelingen, tot de volgende week. Ik zal de eerste dagen in Batavia wel veel te veel in beslag genomen zijn om jullie nog verder zoo uitvoerig over mijn indrukken te schrijven. Allen flink omhelsd door je man en pap.
Dinsdag 10 mei '34
Helaas de laatste reisdag. Vannacht natuurlijk maar heel weinig geslapen. Het interessante onderhoud met Damme had mij weer zoo in de Indische zaken gebracht, dat ik niet voor twaalven kon inslapen en om kwart voor vier werd ik door den Chineeschen boy al gewekt. Volgens de wensch van Mama en Jeanne heb ik voor de aankomst in Batavia mijn blauwe palm beach pak aangetrokken, hoewel mijn tweede short en shirt nog niet vuil was. De vuilgoedzak bewijst zijn goede dienst. Ik heb nu in de koffers plaats te over, zoodat ik er mijn regenjas in heb kunnen opbergen. Gelukkig geen motortrouble, zoodat wij prompt kwart voor zes in de vroege ochtendschemering van de grond losraakten. Bij het cirkelen over het vliegveld zagen wij nog juist de Oehoe naar de startplaats taxiën. Op het vliegveld had ik nog de gelegenheid afscheid te nemen van de heer Damme, die mij vertelde dat hij door een attentie van de K.N.I.L. mij zijn zoon
Terwijl ik dit schrijf, vliegen wij al boven de boerenkool van Sumatra; over 10 min. zijn wij in Palembang. Captain is op de kaart aan het narekenen hoe groot de omweg over Krakatau is. Dit blijkt slechts 60 km te zijn, nauwelijks een half uur. Ik heb goede hoop dat hij het doen zal.
Batavia 15 mei '34. Na landing in Palembang geen gelegenheid meer gehad mijn vliegdagboek te voltooien in de machine. Veel is er trouwens over die laatste twee en een half uur niet te vertellen. In Palembang duurde het oponthoud weer een half uur langer dan noodig door het bokken van den nieuwen motor. Wij kregen twee passagiers mee. Wij vlogen inderdaad over Anak Krakatau, dat wij tweemaal laag omcirkelden, zoodat ik zeer goed kon filmen en vervolgden onzen weg over al de bekende plaatsen in Bantam. Ik had Parmentier gezegd dat mijn moeder in Serang begraven lag, waarom hij de attentie had laag boven de kotta te vliegen, zoodat ik het ouderlijk huis kon zien. Het heele landschap was mij natuurlijk verder goed bekend. Een kleine pech in de W.C. vlak vóór Batavia, die ik liever mondeling vertellen zal, en ik zag reeds de bekende wijken van Batavia. Boven het Koningsplein flinke biempings(?); ik herkende duidelijk het huis van Charles en Pop en om half één landden wij in Tjilitan, waarover in een volgensd hoofdstuk.
Batavia 15 mei '34
Mijn lieve schatten,
Dezen laatste avond vóór sluiting van de luchtmail heb ik vrijgehouden om eindelijk weer eens rustig met jullie te kunnen praten en jullie alles te vertellen over mijn aankomst en verblijf hier.
Toen ik om half een uit de machine stapte, vond ik op het vliegveld behalve de familie, bestaande uit Pop, Charles, Gerard en Jeantje, de beide Arriënsen, de ... met ..., de heeren de Leeuw (directeur van financiën) en de Bruyn Kops (Hoofd insp. Van de In- en uitvoerrechten) en verder de heeren van de K.N.I.L. M. Nieuwenhuis en Koppen. Zie verder de foto's, die door de dagbladfotografen voortdurend gemaakt werden en ook door Arriëns. In de oude Fiat met Amat aan het stuur, reden wij naar huis. Het was mij net of ik nooit weg geweest was. De eenige veranderingen in het straatleven, die ik opmerkte, waren de Demmo's (kleine auto's op drie of vier wielen met Dieleman-carosserie) en den netten roomgeelgekleurden electrischen tram, die de plaats van den rammelenden stoomtram had ingenomen. Thuis op Kebon Sirih werd ik verrast door de goede zorgen van Charles en Pop voor mijn verblijf hier. Ik heb het heele paviljoen, bestaande uit voorgallerij, binnen-gallerij, slaapkamer en eetkamer tot mijn beschikking gekregen. De derde kamer wordt bewoond door Gerard. Het paviljoen is keurig gemeubileerd met de meubeltjes van Muis en Jaap. Verder had Charles voor een telefoonaansluiting gezorgd, die mij slechts twintig kost, waardoor ik hem niet telkens hoef lastig te vallen.
Maar nu eerst over de familie zelf. Charles, Pop en Jeantje, die in de familie nog altijd de kleine heet, zien er alledrie patent uit, Charles zelfs wat dikker geworden. Gerard is in zijn gezicht nogal vermagerd, maar viel mij overigens erg mee. Hij blijft hier zoolang ik in Indië zit, zoodat wij gelukkig veel aan elkaar zullen hebben.
Pop is vol lieve zorgen voor mij en denkt steeds aan de wijze raadgevingen van Mama - door mij te waarschuwen wanneer ik de neiging heb mij te overeten. Gelukkig houdt mijn lieve buik zich tot dusver uitstekend. Na ons lekker uitgekleed te hebben, dronken Charles en ik nog even een borrel en daarna maakte ik weer kennis met de heerlijke rijsttafel van Pops kokkie.
Wij hadden natuurlijk honderduit te kletsen, ook 's middags bij de thee, die wij hier altijd in de voor-gallerij van het paviljoen gebruiken. Pop was erg geroerd door het portret van Jaap en Muis, waarmede ik haar een groot geschenk gedaan heb. Zooals Muis wel verwacht had, kreeg Mam dadelijk de tranen in haar oogen.
Dien eerste avond ben ik alleen nog even naar v.d. Bussche geweest, die ook op het vliegvels was, maar door de verlating van onze aankomst (wij waren 1 uur te laat) niet had kunnen wachten omdat hij gasten aan tafel verwachtte. Ik dronk bij hen een paifje(?) en wij praatten maar eventjes over dienst. Ma Bus ziet er patent uit. Mijn bezoek bedoelde ook hun mondeling een antwoord te geven op de gedrukte uitnoodiging, die ik van den heer en mevrouw v.d.Bussche op mijn tafel vond om zondag 13 mei bij hen in Des Indes te komen. Gelukkig dus dat ik dit kledingstuk had meegenomen, al heeft de Koning het allerberoerdst voor mij gemaakt. Bij aankomst vond ik tevens op mijn tafel een brief van ..., waarin hij mij schreef dat de Gouv. Gen. mij vrijdagmorgen om 9 uur verwachtte. Dat was dus voor den volgende dag een vroege dienst. Iets over half 8 vertrok ik met den auto (ik heb een abonnement op Oteva) langs den bekende weg naar Bogor, een heerlijke rit. Alleen trof het mij dat het autoverkeer langs den weg veel minder was dan vroeger. Ik kwam te vroeg in Bogor en had daardoor nog even tijd om het pakje aan mevrouw Diejer(?), dochter van de familie de Jongh, af te geven. In Buitenzorg staan veel huizen leeg, maar daaronder niet het oude huis van oma.
Met den Gouv. Gen. had ik een onderhoud van niet minder dan 3 uur, dat over het geheel nogal aangenaam verliep, al heb ik niet geschroomd mij af en toe zeer openhartig uit te spreken over de bestaande grieven. Er werd zwaar geboomd, maar de inhoud van ons gesprek interesseert jullie vermoedelijk minder. Ik kreeg een lekkere kop koffie, een whiskey soda en de noodige sigaren, zoodat ik er mij zeer à mon aise voelde. Wij scheidden zeer vriendschappelijk en met een tot weer ziens. De G.G. zei mij meer dan eens dat hij erg ingenomen was met mijn komst, maar het gelukkig achtte dat de Minister niet zelf meegekomen was, waarmede ik het natuurlijk niet eens was. Overigens kreeg ik wel de indruk dat het de G.G. niet mankeert aan het juiste inzicht in de financiële situatie, althans wat de hoofdlijnen van de financiële politiek betreft. In de details verlaat hij zich echter te veel op zijn departementschefs en grijpt, naar veler gevoelen hier, niet genoeg zelf in wanneer dat noodig is. Ik heb hem die grief natuurlijk in voorzichtige bewoordingen ook onder het oog gebracht,maar hij vindt dat hij beter doet door te trachten de onwilligen te overtuigen dan door hen eenvoudig zijn wil als bevel op te leggen. 't Is een opvatting die te respecteren is, maar die ik niet zoo kan waardeeren, vooral niet in dezen moeilijken tijd en die misschien voor een deel ook voortspruit uit onvoldoende beheersching van de onderwerpen waarover het gaat.
Van verschillende kanten hoorde ik de klacht dat de G.G. gauw genoeg krijgt van een onderwerp en zich niet genoeg moeite getroost om dat voldoende te beheerschen. Na mijn bezoek bij den landvoogd ben ik alleen nog even bij Gerhe(?) geweest, waar ik nog een vol uur heb zitten praten en toen om kwart over een in een Buitenzorgse stortbui weer in mijn wagen ben gestapt voor de rit naar huis, aankomst iets over tweeën De familie zat juist aan tafel. In den vooravond een bezoek aan Erdbink(?), die verderop in Kebon Siri woont*), zoodat ik langs ons oude huis moest, dat tegenwoordig door een dokter bewoond wordt, die de rechterkant van de voor-galleij (als je er voor staat) afgeschoten heeft, blijkbaar voor spreekkamer. 't Ziet er daardoor niet gezellig uit.
*) Onze kokkie nog niet ontmoet, daar zij met ziekteverlof in Buitenzorg zit. Ook Imang heb ik nog niet gezien. Amat heeft hem nog niet kunnen opsporen. Hij moet ergens bij een dokter dienen.
Start, zoek, wetenswaardig, Veenendaal, home, mail.