Ontmoetingen

Wij wisten van broeder Fons van de Jacobus-hoeve in Vessem dat er ongeveer gelijk met ons 2 echtparen zouden vertrekken vanuit Vessem, allebei uit Noord-Holland. Elkaar tegenkomen in het begin zou wel toevallig zijn, maar uitsluiten deden wij het niet. Wij hebben deze mensen echter nooit ontmoet, ook in Spanje geen bericht van hen gevonden in de diverse gastenboeken.

Na 5 dagen lopen kwamen wij in de gîte d'etape in Han-sur-Lesse. Daar zat Cor Elbertsen uit Geleen (61 jaar), ook net aangekomen. 's Avonds hebben wij een tijd met hem zitten praten over lopen, het waarom, eenzaamheid onderweg, gsm-telefoon en loskomen. Hij liep alleen langs N-wegen, de provinciale wegen, vanwege een zwakke voet, want op GR-paden of slechte wegen zou hij gemakkelijk kunnen struikelen of vallen. Hij ging via Vezelay, maar zou daarna weer meer in onze richting lopen. Hij wilde slapen in kleine hotels en enkele kloosters, waarvan hij adressen had gekregen van een kennis die al gelopen had. De volgende morgen, zaterdag 27-3-1999, vertrok hij naar Redu en verder naar Sedan, waar hij zijn eerste rustdag zou nemen. Wij bleven die dag in Han. Twee weken later hebben wij via Gerrit-jan en Remco het nummer van zijn gsm gekregen, opdat wij hem af en toe eens konden bellen, want daar leek hij toch wel behoefte aan te hebben, vernamen wij van zijn vrouw. Onregelmatig belden wij elkaar en vertelden elkaar onze ervaringen. Hij had het vaak moeilijk, vooral de eenzaamheid viel hem zwaar, maar ook lichamelijk viel het hem niet mee. Woensdag 7-4-1999 kwamen wij aan in het gehucht La Madeleine, westelijk van Vertus, bovenop een heuvel, waar wij zouden slapen in een soort pension (chambres d'hôtes). Onze gastvrouw, Madam Huguette Charageat, vertelde dat zij gisteren ook een Nederlandse gast had die naar Santiago onderweg was! Uit haar beschrijving van hem bedachten wij dat het alleen Cor maar kon zijn. Toen wij het later aan hem vroegen bleek hij het inderdaad geweest te zijn. Dit was trouwens de reden om Gerrit-jan en Remco te vragen het nummer van zijn gsm op te zoeken. De laatste keer dat wij in Frankrijk kontakt met elkaar hadden zaten wij op een terras in Eauze op zaterdag voor Pinksteren, 22-5-1999. Cor belde en vertelde dat hij vrijdag in St. Jean Pied de Port was aangekomen. In een klinkerstraatje was hij gestruikeld en gevallen, zijn hand haalde hij open aan een deurklink, een vinger moest gehecht worden en zijn arm zat in een mitella. Hij had pijnstillers gekregen en zou er enkele dagen blijven. Hij wilde toch verder, ondanks de mitella. Daarna een tijd niets van hem vernomen. Pas in Spanje, op dinsdag 8-6-1999. Na vertrek uit Estella kwamen wij rond tienen in Villarmayor de Montjardin. Er hingen wat pelgrims rond op zoek naar koffie, wij liepen door. Midden in het dorp zagen wij een aanwijzing voor een refugio, terwijl er volgens de boeken geen refugio zou zijn. Wij erheen, het bleek een nieuwe refugio van een Nederlandse evangelisatiestichting, die beheerd werd door vrijwilligers. Wij zaten er mooi aan een koppie (met koek) en het beheerderechtpaar vertelde over hun ontmoetingen, want zij stonden met hun busje enkele dagen in de week ergens langs de Camino reclame te maken voor hun refugio en de pelgrims te drinken te geven. Zo ontmoetten zij een oudere Limburger met een arm in een mitella. Hij was erg eenzaam en de volgende dag moest hij naar een dokter om hechtingen uit zijn hand te laten halen. Dit was op dat moment een week geleden gebeurd. Wij hebben hem nog een keer aan de telefoon gehad, toen was hij nog een week van Santiago af.

Drie dagen liepen wij in Zuid-Frankrijk met 2 Nederlanders: Paul Verberne en Caspar van Tongeren. Voor het eerst zagen wij elkaar op de camping in Aire-sur-l'Adour. Paul was eigenaar van het café Eik en Linde in Amsterdam en Caspar werkte bij de Telegraaf. Wij ontmoetten elkaar steeds onderweg en het klikte tussen ons, het was net of wij elkaar al jaren kenden. Onderweg aten wij met elkaar of wij dronken een biertje na onze aankomst in de volgende etappeplaats. In Navarrenx namen wij afscheid van elkaar, zij hadden meer haast dan wij, want zij moesten voor 30 juni weer thuis zijn.

Vanaf Aire-sur-l'Adour kwamen wij ook regelmatig Jean tegen, een Waalse Belg, ongeveer 55 jaar die meestal alleen liep. Een avond aten wij samen bij het echtpaar Lagarde in Aroue en diverse keren zaten wij in dezelfde refugio. Tot voorbij Pamplona zagen wij elkaar, maar wij wisselden weinig uit, want ons Frans was niet zó goed dat wij uitgebreid konden bijpraten.

De Duitse Hannah, ook al tegen de 60, zagen wij voor het eerst in Arzacq-Arraziguet. Zij sliep in een klein eenpersoonstentje, een soort overdekte slaapzak. Zij liep meestal alleen en ook met haar hadden wij alleen maar groetcontact, voor het laatst zagen wij haar in Puente La Reina. Bruno, Zwitser, 74 jaar, stond in de refuge in St.Jean Pied de Port in zijn lange onderbroek, toen wij binnenstapten. Hij liep de volgende morgen vroeg gelijk met ons op, klimmend richting Roncevalles. In de buurt van Untto vond hij een ring van een vriendin, enkele jaren terug had zij die verloren! Toen wij bijna op de pas waren, reed er een bestelautootje langs met Bruno opgevouwen achterin. Weken zagen wij hem niet tot hij weer opdook in Sarria en pas in Portomarin spraken wij hem. Hij liep dit jaar voor de dertiende keer naar Santiago. Vorig jaar had hij in de zomer vanuit Zuid-Spanje de tocht volbracht. Na Portomarin kwamen wij hem niet meer tegen.

In Roncevalles werden de pelgrims met bussen tegelijk gedropt. Uit Brazilië, Argentinië, Verenigde Staten, overal vandaan kwamen pelgrims. Lang niet met iedereen hadden wij contact, maar weken achter elkaar kwamen wij wel steeds dezelfde mensen tegen. De Braziliaan, helaas zijn naam verstonden wij waarschijnlijk niet goed en onthielden wij dan ook niet. Tijdens de pelgrimsmis in de kerk van Roncevalles viel hij ons voor het eerst op, in Zubiri na het avondeten spraken wij hem uitgebreid. Hij was 64 jaar oud, tandarts in Rio de Janeiro, had lang grijs haar in een staart, kletste de oren van je hoofd. Hij zag er uit als een oude hippie, wij dachten aan een halve indiaan. Hij vertelde dat hij "ziener" was, dat hij dingen voor uit voelde, dat hij ook dingen kon beïnvloeden. Hij sprak gebrekkig Engels, maar toch konden wij aardig met hem praten. Diverse keren hebben wij hem onderweg gesproken en toen zo maar enkele weken niet. Op onze laatste avond in Santiago, tegen middernacht, kwamen Erna en ik hem in een donkere straat plotseling tegen. Hij zag ons en riep, wij konden even bijpraten en afscheid nemen. Hij huilde even.

Een andere markante pelgrim was Maria, kleine vrouw, 61 jaar uit Madrid. Zij sprak alleen Spaans, maar bleef tegen je aanpraten. Zij was altijd vrolijk en vriendelijk en zij had, buiten haar rugzak, altijd een rieten boodschappentas bij zich. Eerst liep zij met een Madrileense vriendin, later toen die naar huis moest, kreeg zij contact met een Braziliaanse en daarmee hebben wij haar voor het laatst gezien. Maria was zo opvallend onopvallend dat wij niet meer precies wisten wanneer wij haar voor de laatste keer zagen.

Met Frances Moore was dat ongeveer hetzelfde. Alleen bij haar wisten wij niet meer wanneer wij haar voor het eerst zagen. Het leek of zij er zo maar was. Een Engelse vrouw van 74 jaar, die het plotseling in haar hoofd kreeg de Camino te lopen. Zij liep met degelijke, ouderwetse, kleren en uitrusting en met 2 stokken. Zij was niet echt spraakzaam, maar wel heel aardig. Als wij wisten dat zij op onze route liep, dan probeerden wij in de refugio een onderbed voor haar vrij te houden, want boven op een stapelbed was te veel voor haar. Zij liep meestal alleen en in een redelijk tempo. Op de dag dat wij van haar afscheid namen, na een kop koffie in een café in Calzadilla de la Cueza, ontdekten wij dat de rug van haar witte blouse helemaal doorgesleten was door haar rugzak.

Klaus Zink, tegen de zestig, een rijzige man met snor, teruggetrokken, liep in het begin alleen. Hij was Duitser maar woonde al jaren in Zweden, hij was ooit bij de politie, maar na een aanslag op zijn leven leefde hij in de bossen van Zweden. Hij had een zoon en een dochter in de Verenigde Staten en hij had ook al kleinkinderen. Diego Rodriguez, 53 jaar, oorspronkelijk uit Barcelona maar woonde al jaren met zijn gezin in Zuid-Spanje, twee opgroeiende zonen. Wij hadden hem onderweg al eens gezien in gezelschap van andere Spanjaarden, dat betekende voor ons drukdoende, lawaaiige, mensen. Niet echt aardig totdat….. door een pinautomaat het pasje van Klaus opgevreten werd op een zaterdagavond. Diego bleek Duits te spreken (hij had tot zijn 14e jaar in Duitsland gewoond) en hij trok zich het lot aan van Klaus. De maandag erna gingen zij gebroederlijk naar een bank in een volgende plaats en Diego fungeerde als tolk voor Klaus en alles kwam op zijn pootjes terecht. Vanaf die dag liepen zij samen en wij kwamen zij onderweg tegen, Diego druk gesticulerend en Klaus bedachtzaam pratend. In Terradillos op het terras van de refugio achter een schutting tegen de harde wind spraken wij beide voor het eerst uitgebreid en daarna gebeurde dat regelmatig, vaak op een terras met een biertje. Het waren bijzondere mensen. Van Diego namen wij in Santiago op het busstation afscheid, van Klaus in Fisterra.

Joel Anderson en HeinzIn Burgos, bij de refugio, kwam een klein mannetje aanlopen, hoed, grote rugzak, die met veel bravoure riep dat hij zo lekker geslapen had in het hotel. Aan het accent te horen was het een Amerikaan. In León stonden Heinz en ik bij de VVV met een Duits meisje te praten. Zij vroeg om inlichtingen over de Camino en waar de refugio was, toen datzelfde mannetje ineens weer opdook en haar wel even naar de refugio zou brengen. Vanaf toen kwamen wij hem regelmatig onderweg tegen of sliepen wij in dezelfde refugio. Hij heette Joel Anderson, Amerikaan, tussen de veertig en de vijftig, eigenaar van een flinke farm in Maryland. Met een biertje maakten wij kennis en daarna waren wij altijd bij elkaar in de buurt. Eerst liepen wij niet samen, maar elke dag haalden wij elkaar wel een paar keer in, meestal in de buurt van een terras of café, de laatste anderhalve week hoorde hij gewoon bij onze troep. Hij wist veel van de Europese geschiedenis en had geruime tijd als ontwikkelingswerker in de Kaukasus gewerkt. Hij rentenierde een beetje, reisde veel (vooral in Europa) en leefde van de pacht van zijn land. Natuurlijk werden wij door hem uitgenodigd op zijn farm te komen…. In Santiago gingen wij samen naar de mis in de kathedraal en aten nog een keer met hem maar wij namen geen afscheid van elkaar: easy come, easy go.

Behalve met onze oude Braziliaan hadden wij nagenoeg geen contact met de andere Brazilianen, een of twee mannen en een stuk of vijf vrouwen. Waarschijnlijk liepen zij al vanaf Roncevalles met ons op maar wij hadden niets met die mensen. In Villar de Mazarife werden de Braziliaanse mensen gemasseerd door een van de mannen, want zij waren allen ongetraind en de meeste hadden blaren. Het was voor het eerst dat Monica ons opviel doordat zij nogal overdreven (in onze ogen) reageerde op de massage en omdat zij liep te piepen over haar blaren. Pas in Astorga kwam zij bij ons zitten op een terras en toen bleek zij ook Engels en Duits te spreken.. Zij was 31 jaar, 5 jaar getrouwd, en net als bij de andere Brazilianen geïnspireerd door de Braziliaanse schrijver Coelho, die een boek schreef over de Camino, om zelf de Camino te lopen. Waarom zij van haar echtgenoot alleen mocht gaan, was ons niet geheel duidelijk, omdat de Braziliaanse mannen nogal hanig zouden zijn. Zij maakte wel duidelijk dat hun huwelijk niet zo goed meer was, maar zij wilde niet scheiden want nu had zij nog status en als gescheiden vrouw, zeker als zij ouder dan 30 was, was zij "niets meer waard". Zij keek op naar onze (Europese) manier van omgaan met elkaar, hoe vrouwen in West-Europa zich gedroegen en kleedden. In Brazilië is geen wandelcultuur, men loopt daar absoluut niet. Vandaar die ongetrainde Brazilianen met hun vreemde uitrusting en vaak op gympen! Monica had al teveel tijd verloren en zou dus tussen Astorga en Santiago de bus moeten pakken. Na een hele tijd met haar over de route gediscussieerd te hebben, boden wij aan haar over de hoogte van Het Cruz de Ferro te helpen, en daarna zou zij het zelf bepalen, wanneer zij de bus nam. (Aan deze discussie deden Diego en Joel ook mee, zeg maar, in de wandelgangen!) In Rabanal del Camino wachtten wij op haar, ik moest haar blaren verzorgen, en in een rustig tempo liepen wij omhoog tot Manjarin, waar wij sliepen. Daarna lieten wij haar langzaam weer los, tot zij zelf besliste dat zij niet verder ging. Later vernamen wij dat zij de bus gepakt had in Palas de Rei. Haar vliegtuig vertrok toen wij op Monte del Gozo waren....

Homepage | Voorwoord | Nawoord | Reacties | Route | Links | Week 1 | Week 2 | Week 3 | Week 4 | Week 5 | Week 6 | Week 7 | Week 8 | Week 9 | Week 10 | Week 11 | Week 12 | Week 13 | Week 14 | Week 15 | Week 16 |