Update
24 nov 2008
MIJN
DIENSTTIJD ALS ZEEMILICIEN BIJ DE KON. MARINE
Nadat
ik op 8 januari 1963 bij Radio-Holland ontslag had genomen, was het
wachten op een oproep voor militaire dienst. Ik wist al enige jaren dat
het de Marine zou worden, maar er kwam geen bericht van Defensie, terwijl
er verhalen de ronde deden dat ze je als het ware stonden op te wachten,
zodra je voet aan wal zette. Gelukkig had ik het restant verlof bij R.H.
uitbetaald gekregen en we hadden uitgerekend dat we er drie maanden van
konden rondkomen. Na tweeeneenhalve maand besloot ik zelf maar eens bij 'Den Haag' aan de bel te trekken, want ergens solliciteren terwijl je op het
punt staat voor militaire dienst te worden opgeroepen is ook zinloos.
Ze
zouden me terugbellen en inderdaad, er bleek zelfs haast bij te zijn. Een
groepje telegrafisten (de 15e groep al), dat gehoopt had direct na de
zeevaartschool naar zee te kunnen, was alsnog in de kraag gepakt, al
eerder gekeurd en gepland in dienst te komen, twee weken na mijn
telefoontje. Daar zou ik dan aan worden toegevoegd. Ik had dus net op tijd
gebeld en moest de week erop twee dagen naar het Marine Opleidingskamp
(MOK), gelegen naast het vliegveld Hilversum om te keuren en een
psychologische test te ondergaan.
De
eerste keuringsdag verliep zonder problemen. 's Nachts bleek ik op de een
of andere manier een acute kou te hebben gevat, óf ik had iets verkeerds
gegeten. In elk geval begon ik plotseling hevig over te geven, terwijl ik
notabene nog sliep. Het gebeurde op een slaapzaaltje, waarbij de jongen in
het bed onder me ook niet blij was, want een deel van de maaginhoud trof
ook hem. Ik wist niet wat me overkwam. Al gauw werd ik met een ziekenauto
naar het hospitaaltje gebracht, waar ik ook nog koorts bleek te hebben. Nu
is het bij de Marine de gewoonte, dat je minstens drie dagen koortsvrij
moet zijn, alvorens ze je weer vrijlaten. Dat kwam slecht uit, want de
toestand gebeurde in de nacht van woensdag op donderdag en ik wist ook al
dat ik op maandag aan de opleiding zou beginnen. In de loop van de eerste
ziektedag mankeerde ik al niets meer, maar ze waren niet genegen mij naar
huis te laten gaan.
Met
een adjudant ziekenpa, die als wachtchef in het hospitaal dienst deed,
raakte ik ’s avonds in gesprek en ik pleitte voor mijn verblijf thuis,
tot maandag. Ik kon de man ook mededelen dat mijn echtgenote in de
verpleging zat en dat mijn schoonvader toevallig een gepensioneerd collega
adjudant ziekenpa was. Dat laatste interesseerde hem en toen hij vroeg wie
mijn schoonvader dan wel was, bleek hij destijds door pa te zijn opgeleid!
Toen kon niets meer verhinderen dat ik weg mocht en ik moest de hartelijke
groeten overbrengen.
Maandag
29 april 1963 meldde ik me wederom in Hilversum en voegde me bij mijn bak
(klas) KTC nr.15 (korporaal-telegrafist met certificaat) op de
kaderschool. Het internationale certificaat hadden we dus al, dit in
tegenstelling tot marinetelegrafisten. Met dit document op zak kwamen we
direct op de kaderschool en werden geschikt geacht, binnen zeer korte tijd
op te klimmen naar de rang van korporaal, een rang die normaal alleen door
beroeps kon worden gehaald, wat in de regel pas na zes jaar gebeurde. We
konden dan ook wel een potje breken, want we behoorden immers meteen al
tot het kader der serieuzen. En aan die koopvaardijofficieren hadden ze
best wel geïnteresseerde klanten.
Wat
ons wel ergerde, was dat stuurlieden de officiersrang van Luitenant ter
Zee 3e klasse meekregen, terwijl wij in het matrozenpak moesten
ronddartelen. KTC15 bestond uit de volgende (zeeklare) jongelui:Jaap van
Dijk, Ko Hirdes, Derk Gotink, Hans Janus, Bernd Ilgen, Joost Schuitemaker,
Hans van Strien en ikke, acht piepels dus.
Ik
was de enige en dus ook de oudste, die de koopvaardij al weer achter me
had liggen, terwijl de anderen ondanks de teleurstelling, optimistisch
edoch reikhalzend, uitzagen naar de laatste dag in dienst. We konden
uitstekend met elkaar overweg en ook met de onderofficier bootsman, onze
klasseleraar. Opnieuw leerden we lopen, de Wet op de Krijgstucht,
schildwacht, wapens (Garandgeweer, UZI-machinepistool), schieten, rangen
en standen, en nog veel meer, kortom, op zich best een interessant pakket.
Een overjarige korporaal der Mariniers, iemand die het in principe wel
voor gezien hield, omdat hij toch nooit meer een rang erbij zou krijgen,
leerde ons lopen op het exercitieterrein. Hij was een uitermate geschikte
peer en had gevoel voor humor; echt iemand om jongens zoals wij les te
geven. Toch kon hij niet voorkomen dat een fanatieke rondspeurende
luitenant der Mariniers, verzot op een kans iemand voor paal te zetten,
Hans Janus aansprak: "Je houdt je geweer niet goed vast. Geef eens
hier." Hans gaf zijn geweer af. De officier haalde het uit elkaar en
legde de onderdelen voor zijn voeten op de grond. "Je had je geweer
nooit af moeten geven," zei hij hatelijk en vervolgde zijn weg. We
hebben er sportief om gelachen, ook het slachtoffer. En dan was er de
ouderdag waarop ouders en partner waren uitgenodigd om de vorderingen te
aanschouwen:

IN DEN ARM .... GEWEER!!
V.l.n.r.: Schuitemaker, mijnenprikker Van Gorcom, ik zei de gek, rechts
midden Ilgen, rechts achteraan Van Strien.
Toen
we verondersteld werden als zelfstandige groep naar het cafetaria te
kunnen marcheren, onder leiding van een van ons, overkwam het me dat ik
tijdens het begeleiden niet meer wist hoe je als militair linksafslaan
noemt. De lange Schuitemaker liep voorop en de kleine van Strien
achteraan. Ik liep ruim tevoren al te verzinnen hoe het toch heette wat ik
moest gaan roepen. De T-kruising op de wandelweg kwam onherroepelijk
naderbij. Ten einde raad raadpleegde ik mijn maten, maar één riep zacht:
"Niks zeggen." Ze weigerden antwoord te geven en onderdrukten
met grote moeite de voorpret die was ontstaan op weg naar linksaf. Nog
enkele meters... "Linksaf... mars!" commandeerde ik. Gegiechel.
Schuitemaker bleef rechtdoor lopen. "Toe nou hé, ga nou linksaf!" riep ik vertwijfeld. Het gegiechel klonk luider en
onverstoorbaar marcheerde mijn 7-mans peloton op de T-kruising de struiken
in. Een Kapitein ter Zee met vier goudgalons naderde en bekeek glimlachend
het tafereel. Zo hadden ze me mooi te pakken en ik weet nu nog steeds niet
dat je moet commanderen: "Met rotte links .... mars!"
De
eerste zes weken waren we superminderjarig. Dat betekende dat we niet eens
het weekend naar huis mochten. Aangezien ik gehuwd was en kostwinner, kon
ik het er totaal niet mee eens zijn. Ik maakte er werk van bij het 'hoofd der school', LTZ2OC Gonggrijp en uiteraard
werd mijn wens het weekend naar huis te gaan meteen gehonoreerd. Van de
inentingen werd Jaap van Dijk behoorlijk ziek. Het bleek ook nog eens dat
hij niet kon zwemmen en in het zwembad van Crailo, waar we ook wel eens
naar toe moesten, was hij verplicht zwemles te nemen. We hadden wel meer
uitjes. Bepakt en bezakt over 's Heeren Wegen naar de Loosdrechtse
plassen, om vandaar met een BM-sloep naar Muiden te roeien. En dan had je
nog patrouille Hollandsche Rading, waar je als een soort MP de maten van
de trein moest halen om ze keurig en zonder incidenten met de truck naar
het MOK te laten vervoeren. Patrouille op de nabijgelegen heide was ook
best leuk. Schildwacht lopen hoefden wij niet, maar wel waren we
commandant schildwacht en marcheerden met hen naar diverse posten langs de
hekken van het kamp. Normaal gesproken was daar niets te beleven, maar het
verhaal ging dat meisjes uit de omgeving aan de buitenkant van het hek een
'praatje' kwamen maken.
Op
de school moesten we ook een spreekbeurt houden. Mijn onderwerp was
navigatie. Hoewel dit niet mijn eigen vak was, lag het er in de praktijk
dicht tegenaan. Gewapend met zeekaarten leerde ik de jongens al vast de
weg op zee te vinden met alles wat er zoal op een zeekaart te zien is. De
bootsman van wie we alle theorielessen kregen kon dit wel waarderen. Na
een aantal maanden deden we examen en kregen we onze strepen: twee rode
v's op de mouw (telegrafist eerste klasse). Vervolgens afscheid van
Hilversum. Toen twee weken naar Den Helder, naar de ABCD-school. Niet om
het alfabet te leren, maar om te weten wat je moet doen bij A
(atoomaanval), B (biologische oorlogvoering), C (chemische oorlogvoering)
en D (damage control). Damage control is het herstellen van schade aan de
scheepsromp. Daartoe stond er een nagebouwde sectie van een schip op het
terrein, met gaten die gestopt moest worden, terwijl er een hoeveelheid
water naar binnen werd gepompt. In een bunker werd het Coxboutpistool
gedemonstreerd: een handkanon waarmee je met bouten centimeters dikke
stalen platen aan elkaar kon schieten, teneinde gaten te dichten. In
diezelfde bunker konden we aan den lijve ervaren wat traangas is en hoe je
dan zo snel mogelijk je gasmasker moet opzetten. Maar nog was de opleiding
niet voltooid. We waren nog steeds geen NATO-telegrafist en daar waren we
toch uiteindelijk voor in dienst gekomen. Dus op naar de Verbindingsschool
(VBS) in Amsterdam, tegenover het Marinepaleis op Kattenburg. Eindelijk
waren we waar we wezen wilden. Het morse seinen en opnemen werd qua
snelheid opgevoerd en we leerden gelijk met de schrijfmachine opnemen tot
tenminste 22 woorden per minuut. Met de schrijfmachine bleek handiger dan
met de hand meeschrijven. Je merkte dat je tijd over had tussen de
geseinde letters. Ons Rijkscertificaat 2e klasse eiste slechts 16 wpm,
zodat je nu iets had waarmee je eenmaal op zee, echt mee uit de voeten
kon. Het afstemmen van zenders en ontvangers was ook mooi meegenomen. Onze
leraar, majoor telegrafist Sam Bremer, kon bij ons ook niet stuk, evenals
zijn collega maj. Henk Schrier die ook zendamateur was. Met de laatste
maakte ik verbinding toen ik later op het weerschip zat. Ja, wat leraren
betreft hadden we het steeds uitstekend getroffen, en dat gaf ons de
bevestiging dat de Kon. Marine niet zo onredelijk en fanatiek militair
bleek te zijn als wel eens in den lande werd voorgesteld.
Op
een dag werden we op de school vereerd met een bezoek door prinses
Beatrix. Omgeven door de nodige paniek, waardoor niemand door de gang
mocht lopen en het zelfs niet toegestaan was naar de wc te gaan, kwam HKH
met haar gevolg in onze klas. Wij zaten zenders af te stemmen en te
seinen, deden alsof, maar ze was niet achterlijk. "Dit is niet echt,
hè?" stelde ze vast. Haar parfum stonk behoorlijk, het leek wel een
Zuidamerikaans parfum. Ik herkende het van de gezellige kroegjes aldaar.
Gelukkig was hare Beasteit gauw weer verdwenen en kon iedereen opgelucht adem halen
en dat is niet (?) dubbelzinnig bedoeld.
Op
het terrein van de VBS stond een slaapgebouw, geschikt voor 400 personen
op een grote zaal. Ook daar liepen we 's avonds en 's nachts wacht als
provoost, om de orde te handhaven. Op een van die avonden, 22 november
1963 kwam het bericht dat president Kennedy was vermoord.
Het
afmarcheren naar het cafetaria was inmiddels routine geworden en het "met
rotte links (of rechts) ... mars!" was niet van de lucht. Een
beroeps, korporaal-telegrafist Peter Heesbeen (zie gastenboek), verzamelde
groepjes om af te marcheren, en als er luitjes van onze KTC15 bij waren,
bedankte hij aan het eind van het traject als volgt: "Matrozen
bedankt, koopvaardijofficieren bedankt" zodat de anderen nog eens
omkijkend, met vraagtekens in de ogen, hun weg vervolgden.
De
radiovoorschriften volgens de NATO regels leken logisch, maar voor mij als
ex koopvaardij’er erg omslachtig en dus helemaal niet logisch. Want bij
de elektronische oorlogvoering (EOV) werd geleerd dat de vijand elk
radiosignaal analyseert, zodat ze al gauw weten welk schip en zelfs welke
telegrafist zich op dat moment laat horen. De zender van een schip bevat
nl. karakteristieke eigenschappen, een soort dna, en het seinschrift van
telegrafisten is ook niet helemaal hetzelfde. Dus zou je zeggen: laat je juist
zo min mogelijk horen en als je bezig bent, doe het dan kort en
effectief, zoals we bij de koopvaardij vanzelf al deden. Maar volgens de
voorschriften, vervat in o.a. Allied Communication Publication nr. 124 (ACP
124), moest je een oproep verplicht driemaal doen; ook al wist je dat je
op de lip zat van je tegenstation. Flauwekul dus en ik liet weten hoe het
er bij de koopvaardij toegaat. Maar 'lekker werken' mocht nu eenmaal
niet. Toch was ik zó gewend aan mijn eigen stijl, dat ik later vaak in het
foutenlijstje zou voorkomen, maar dat kon me geen barst schelen. Dit
lijstje kwam van het militaire meeluisterstation Koudekerk op Walcheren.Ook
kregen we Engels van een raar mannetje, een burger die ingehuurd was. Hij
deed erg bekakt en kon ook niet erg orde houden. Hij hanteerde zinnen om
te vertalen, die steeds weer herhaald werden. Uiteraard kwam je deze
zinnen ook weer op het examen tegen, en dus slaagde iedereen; logisch als
deze leraar zijn reputatie v.w.b. het slagingspercentage hoog wilde
houden. Na een paar dagen liepen we met een rode E boven de rode v's op de
linkermouw: brevet Engels. Toen deden we eindexamen en na ruim anderhalf
jaar samen in één
klas, gingen onze wegen zich scheiden, elk naar zijn eigen operationele
bestemming. We mochten onze voorkeur opgeven. Ik koos voor NORA, Noordwijk
Radio, het K.M.-kuststation voor de schepen. De anderen wilden eindelijk
wel eens de zee op en kozen voor een schip. Toen waren er nog het
vliegdekschip Karel Doorman, de jagers van de provincieklasse,
de twee kruisers Zeven Provinciën en De Ruyter,
onderzeeboten, mijnenvegers en ander klein spul. Ik meen dat Joost
Schuitemaker ook voor NORA koos. Omdat Jaap van Dijk in Sommelsdijk
woonde, koos hij voor het zenderpark van NORA op Goedereede.
Inmiddels
waren we bevorderd tot korporaal, een rang die normaal uitsluitend door
beroeps te behalen was, met twee gele v's op de mouw en de rode E van
Engels. NORA lag in de duinen bij Noordwijkerhout en viel administratief
onder het Marine Vliegkamp Valkenburg bij Katwijk. Bij de Luchtmacht heet
het basis, bij de Marine heet
het kamp en/of inrichting. Op een dag moesten Joost en ik naar het
Vliegkamp. Wij meldden ons bij de slagboom als korporaal telegrafist zm (zeemiliciën)
en ons marinenummer. “Dat kan niet,” antwoordde de zelfverzekerde
sergeant van de wacht; “dienstplichtig korporaals bestaan niet bij de
marine.” Nou, we waren het toch ècht,
al kwam onze rang/zm maar weinig voor. De wachtsman ging telefoneren en na
verloop van tijd bleek dat korporaal/zm bij de marine toch wel bestond.
Het voedsel werd dagelijks vanuit Valkenburg met de truck bezorgd. Bij de
ingang van het duinterrein buiten het dorp was een slagboom met Vopo's.
Deze heren waren burgerpersoneel in uniform van het Marine Bewakingskorps,
maar werden door ons Vopo's (Oostduitse Volkspolizei) genoemd. Aan de
poort van meerdere walinrichtingen kwam je ze tegen. Mijn vader was er ook
zo een. Hij bewaakte munitiebunkers van de Marine in IJmuiden en Spaarndam.
Het
werk op NORA (officieel: Goeree Naval Radio/PBC) was hetzelfde als op
Scheveningen Radio/PCH, alleen minder druk; zoveel schepen had Hare
Majesteit nou ook weer niet. De militaire discipline bestond hooguit uit
de 'parade commandant', de dagelijkse inspectie van je kleding voordat
je naar huis mocht. Er was een boek aanwezig, waarin lijsten van alle
officieren en onderofficieren en hun aantal dienstjaren vermeld, zodat ze
konden uitrekenen wie er op het punt van bevordering stond, het 'ellebogenboek' genoemd. En natuurlijk was er de vlaggenparade: het
hijsen van de vlag in de ochtend en het strijken bij zonsondergang. We
liepen er drieploegendienst. Een cyclus begon b.v. als volgt: maandag late
dienst, dinsdag vroege dienst, gevolgd door nachtdienst. Dus op woensdag
uit de nacht naar huis en vrijdagmiddag weer terugkomen voor de late
dienst, enz. De vrije dagen waren dus door het verspringen ervan in elke
week verschillend. Een prima regeling.
In
hetzelfde gebouw was ook een radiostation (PHK) ondergebracht dat door de
Rijksluchtvaartdienst werd beheerd. Er zaten telegrafisten die de
verbinding met de weerschepen op de uit- en thuisreis onderhielden en nog
enige vaste verbindingen met stations in het buitenland pleegden. Dat
interesseerde me wel en in mijn vrije tijd ging ik er wel eens langs om
wat meer te weten te komen over hun werkwijze. Naarmate de diensttijd op
NORA verstreek, kreeg ik een probleem, want ik wilde bij Scheveningen
Radio gaan werken, maar daar was geen vacature. Ik kon ook beroeps bij de
Marine worden, maar daar had ik geen trek in. Een telegrafist van PHK
adviseerde me bij de Rijksluchtvaartdienst te solliciteren als telegrafist
op de weerschepen Cirrus en Cumulus, want ze
maakten vaste reizen van vijf weken, met drie weken verlof en het
vaarschema werd voor telkens anderhalf jaar al vastgesteld. Dat klonk
beter dan wat ik bij Radio-Holland had meegemaakt en na overleg met mijn
echtgenote besloot ik een poging te wagen.

Operationeel gebouw.
Linkerhelft PHK van de Rijksluchtvaartdienst, rechterhelft PBC van de Kon.
Marine.
The
shortwave naval radio station in the dunes near Noordwijkerhout.
Ik
werd aangenomen en werd verzocht op te geven wanneer ik beschikbaar zou
zijn. Ik maakte er een spoedzaak van, want ik had vernomen wanneer de Cumulus, een nieuw schip (b.j. 1963) zou vertrekken. Het
andere weerschip, de Cirrus was een omgebouwd fregat, oud en
vrijwel versleten, dus daar voelde ik niet zoveel voor. Commandant Ltz
Taekema en de Kon. Marine
verleenden medewerking en al in december 1964 kon ik met Groot Verlof, ofwel
afzwaaien, onmiddellijk gevolgd door een loopbaan aan boord van het Ocean
Station Vessel weerschip Cumulus, dat in samenwerking met
andere weerschepen voor ICAO, op diverse posities op de Atlantische Oceaan
zijn meteorologische dienst uitvoerde en verbindingen onderhield met de
vliegtuigen. Ik maakte drie reizen tot mei 1965 en kon toen toch in dienst
bij Scheveningen Radio. Daar werkte ik zeven jaren. In 1972 toch weer
teruggekeerd naar de weerschepen tot 1981.
Vier
van de acht klasgenoten van KTC15 zijn elkaar op zee nog tegengekomen:
Jaap van Dijk was radiotelegrafist bij Redwijs Baarn na zijn periode bij
Radio-Holland. Redwijs was een bedrijf dat schepen van verkoper naar koper
voer. Dat kon van alles zijn: van een Amsterdamse rondvaartboot over zee
naar de nieuwe eigenaar varen, tot grote schepen. Jaap kreeg het
landingsvaartuig Adri27 /YBJH. Dat moest in Argentinië worden
opgehaald en naar Djakarta gevaren. Inmiddels waren ze in de Indische
Oceaan, toen Jaap's kortegolfzender in de fik vloog. De middengolfzender
deed het nog. Een telegram naar Nederland lag te wachten op verzending.
Jaap zocht op de 500 kHz een Nederlands schip om het telegram te laten
overnemen en verzenden. Hij kreeg antwoord van de PHTO (Straat
Soenda). En wie bleek de telegrafist te zijn? Joost Schuitemaker!
Toen Jaap in de buurt van Djakarta kwam begon het schip te zinken. SOS
uitgezonden en hulp afgewacht in de reddingsvlotten. Een reddingshelicopter bracht de crew veilig
aan wal. Daar hadden ze nou weken voor gevaren en wég schip!
Een
andere ontmoeting tussen twee klasgenoten mag ook niet onvermeld blijven.
Dat overkwam Ko Hirdes. Hij zat op de Adonis van de KNSM. Dit
schip zat in februari 1966 in een zware storm op 300 mijl WZW van Bretagne,
kreeg machineschade en dreef stuurloos. Ko stuurde namens de kapitein een
spoedbericht op de noodfrequentie uit en verzocht om sleepboothulp. De
sleepboot Utrecht van Bureau Wijsmuller bood no cure no pay aan en ging
erop af. En wie was de telegrafist? Derk Gotink! Toen de klus was
geklaard, bracht Ko in veilige haven een bezoek aan ervaren Derk in diens
radiohut. Hij was weer helemaal opgekikkerd en merkte 'fijntjes'
op: "Mijn radiohut is veel groter." Nou, wie wel eens de
radiohut van een zeesleper heeft gezien, zal bevestigen: mijn wc thuis is
een ietsie kleiner dan deze radiohut. Maar een sleepbootmarconist is er
reuze trots
op en zonder hem valt er nu eenmaal weinig te verdienen!
Joost
Schuitemaker heeft het langst gevaren van 1965 tot 1994. Hij woont al tig
jaren in Zuid-Afrika. Hij is zendamateur ZS5S met home page: http://zs5s.net
Jaap
(Jaco) van Dijk, zeer actief zendamateur PA3DKC is helaas op 23 november
2008 overleden. Jaco, rest in piece. Ondertekend: Joost, Jan, Derk, Bernd,
Ko, Hans v.S. en Hans J.
Klik
op Vorige en kies Scheveningen Radio