Kinderen en pups
Start ]

 

Omhoog

Dit stuk moet gelezen worden in de juiste context: een hond kan een verrijking zijn voor kinderen, maar de omgang met een hond brengt risico’s met zich mee.

 

Hoe werkt het ook al weer?

De wolvenroedel, met een absolute leider, die onvoorwaardelijk gehoorzaamd wordt. Daaronder een rangorde, een steeds rang lagere wolf, tot we komen bij de laagste in rang.

En dan, in hondenogen, onze mensen roedel (zijn wolvenroedel), waarin het precies eender moet gaan, één absolute leider en een rangorde tot de laagste. Die laagste moet in een mensengezin de hond zijn. Kinderen staan slechts hoger in rang dankzij de aanwezigheid van de roedelleiders (ouders). Men zegt ook wel dat kinderen “buiten de rangorde staan”.

Alle gezinsleden moeten in de rangorde boven de hond geplaatst worden, anders zou hij lager geplaatste gezinsleden in principe mogen corrigeren en dit is natuurlijk niet de bedoeling. Een hond die geen leiding krijgt zal steeds zelf proberen het leiderschap over te nemen.

 

Een hond ziet een kind niet zoals hij een volwassene ziet: van een volwassene accepteert hij dat die zich als een ranghogere gedraagt, van een kind niet. Daar komt bij dat kinderen zich anders tegenover honden gedragen dan volwassenen: ze beschouwen de hond als speelkameraadje en kunnen nog niet voldoende begrip opbrengen voor de behoefte en de wensen van de hond.

Kinderen stellen zich in de ogen van honden vaak ondergeschikt op en dit geeft de hond het recht om kinderen te corrigeren…met alle gevolgen van dien. Het meest voorkomende is de situatie waarin kinderen naar de hond toe kruipen. In de natuur gaat alleen een onderdanige hond naar een hogere in rangorde. Nooit gaat een hoger geplaatste naar een lagere, of het moet zijn om te corrigeren. Het kind geeft dus aan dat het lager in rang is. Tevens lijkt het erop dat een kruipend kind zich klein heeft gemaakt, ook een teken van onderdanigheid.

 

Uitgaande van de rangorde verhouding binnen een roedel, in dit geval het gezin, is het normaal voor een hond dat hij de baby accepteert. In de natuur stijgt de teef die pups heeft, in de rangorde. De andere, ranglagere honden hebben deze nieuwkomers in de roedel maar te accepteren.

In het gezin is de mens ranghoger dan de hond. De hond heeft het dus maar te accepteren dat er een baby aan het gezin (roedel) wordt toegevoegd. De mens bepaalt immers hoe de hond zich dient te gedragen. Zo bepaalt de mens ook welk gedrag de hond dient te tonen naar andere huisgenoten.

 

Er is al een hond en dan komt er een baby

Al tijdens de zwangerschap merkt de hond dat er iets aan de hand is. Het perfecte reukvermogen van de hond speelt hierbij een rol, de geur van de zwangere vrouw verandert voor de hond, terwijl dat voor ons niet merkbaar is. Ook vinden er allerlei veranderingen plaats in huis. Betrek de hond hierbij zoveel mogelijk, maar sta geen dingen toe die straks niet mogen. Direct na de geboorte is het zaak de hond eraan te laten wennen dat de baby een nieuw lid van de roedel is en er gewoon bij hoort. Wanneer moeder en kind na een bevalling in het ziekenhuis thuiskomen, laat dan de hond eerst uitgebreid het vrouwtje begroeten en als die drukte voorbij is, ga dan rustig en ontspannen over naar een eerste kennismaking tussen moeder en kind. Geef het kind direct een hogere plaats in de rangorde dan de hond! Het kind bij het eerste contact met de hond op de grond leggen zou hiermee in tegenspraak zijn. Houd het kind hoog, in de armen of op schoot. Laat de hond snuffelen terwijl je hem rustig toespreekt. Omdat het belangrijk is dat de hond de baby associeert met ‘iets leuks’, is het belangrijk om daarna te spelen of extra te wandelen met de hond of om een lekker kluifje te geven. Blijf dit zo combineren; als de baby wordt gevoed, doe dan daarna iets leuks met de hond.

 

Wanneer kan het misgaan?

De hond is altijd alleen geweest in het gezin. Soms was de hond zelfs onbewust een vervanging van het kind. De hond was het middelpunt van de familie. Dan komt de baby. De hond is niet langer het middelpunt. Veel dingen mag hij ‘opeens’ niet meer. Vroeger mocht hij bijvoorbeeld altijd boven slapen, nu moet hij beneden blijven. Snel wordt hij even uitgelaten, tijd voor een flinke wandeling is er niet. Agressie naar de indringer, de baby, kan het gevolg zijn.

Wanneer de hond niet meer de aandacht, beweging en verzorging krijgt zoals vroeger, kan dit tot problemen met de hond leiden. De hond raakt gefrustreerd, hij kan zijn energie niet kwijt.

 

Om problemen te voorkomen is het belangrijkste advies: laat de hond nooit alleen bij de baby. Vermenselijk de hond niet en zorg dat hij duidelijk weet waar zijn plaats is. Als de baby er is, dient er met de hond op dezelfde manier te worden omgegaan. Dit betekent dat de hond in ieder geval, zo mogelijk meer, aandacht en beweging krijgt. Trainde u met de hond, blijf dit dan doen. Onwillekeurig gaat er, vooral in het begin, veel aandacht naar het kind. Wees hier alert op en geef de hond bijvoorbeeld juist extra aandacht als het kind uit de wieg wordt gehaald of geef hem zoals hierboven reeds vermeld een hondenkoek als de baby wordt gevoed.

Veel mensen denken dat het geven van de nageboorte of de eerste poepluier ertoe bijdraagt dat de hond het kind als lid van het gezin accepteert. Dit is echter niet af te leiden uit het natuurlijke gedrag van een hond. De fabel dat de hond de gelegenheid moet krijgen de baby af te likken terwijl deze op de grond ligt, is levensgevaarlijk! Volgens deze theorie zou een hond een baby herkennen als iets dat ontzien en verzorgd moet worden. Vergeten wordt dat een baby geen pup is en zich ook niet als zodanig gedraagt. Een hond herkent de taal van de baby niet. Een pup die zich niet onmiddellijk onderwerpt aan de volwassen roedelgenoten, wordt gecorrigeerd. Onderwerpen betekent onder andere dat de pup zich op zijn zij of rug gooit en doodstil blijft liggen. Zou de pup zich niet onderwerpen, dan wordt deze gecorrigeerd tot hij stilligt, zich onderwerpt. Duidelijk is dat hier de vergelijking met een pup volstrekt niet opgaat.

 

Het kind gaat kruipen

Zodra het kind gaat kruipen is extra voorzichtigheid geboden. Kinderen op deze leeftijd zien honden gewoon als leuk bewegend speelgoed. Ogen zijn mooi om in te prikken, aan haren, oren en staart wordt getrokken en niet altijd zachtzinnig!

Stel je de volgende situatie voor: een hond ligt in zijn mand rustig te dromen en de peuter komt al brabbelend vrolijk op hem toegelopen of gekropen. Het kind gedraagt zich hierbij als ranglagere, die komt naar de hogere in rangorde. Door grommen maakt de hond duidelijk hier niet van gediend te zijn. Veel honden zullen in dit stadium alsnog de benen nemen naar een rustiger oord, meestal achtervolgt door het kind. Bevindt de hond zich in een situatie dat hij niet weg kan of doet het kind hem veel pijn, dan kan na het grommen een snauw en een beet ter correctie volgen. Dit is dus voor de hond een volkomen normale situatie van doen, maar de peuter spreekt geen hondentaal. Hieruit kun je afleiden dat je kinderen en honden nooit zonder toezicht samen moet laten in een ruimte, ter bescherming van beiden. 

Kinderen van 0-6 jaar worden door honden meestal beschouwd als lager in rang, en in de omgang met honden moet er door de volwassene vooral op worden gelet dat het kind zich niet als ranghogere tegenover de hond opstelt, door de hond te willen laten luisteren naar een commando. Maar ook wanneer het zich als ranglagere opstelt, kunnen er problemen ontstaan. Bijvoorbeeld: het kind ligt op de grond en de hond staat er overheen. In de ogen van de hond heeft het kind zich overgegeven. Dan tilt het kind zijn hoofd op. De hond kan dat interpreteren als verzet tegen de overgave, dat gecorrigeerd moet worden door een halsbeet. Het kind begint te gillen en te spartelen om los te komen, en de hond ‘moet’ nog meer corrigeren.

Kinderen uit deze leeftijdsgroep mogen dus nooit zonder toezicht van een ranghogere volwassene iets met de hond ondernemen.

 

Regels aanleren

Met het aanleren van regels beginnen de ouders feitelijk al in het eerste levensjaar. Maar aanleren betekent niet automatisch dat het kind ze in het vervolg ook zal uitvoeren. Om regels te kunnen leren, moet het kind ze op de eerste plaats kunnen begrijpen. Regels moeten daarom bij jonge kinderen eenduidig, concreet en positief geformuleerd zijn. Deze regels moet het kind ook onthouden. Omdat het geheugen van een peuter nog beperkt is, moeten de regels vaak herhaald worden. Dan moet hij ze ook nog willen en kunnen toepassen. Voor de jongste kinderen gelden regels alleen zolang degene die de regel uitvaardigt, lijfelijk aanwezig is. Dus wanneer moeder zegt: “blijf van de bak van de hond af”, dan zal de peuter dat ook doen… totdat moeder naar de gang loopt. Dan loopt als het ware ook de regel weg en moet hij toch eens even poolshoogte gaan nemen. Een vierjarige zal zich aan moeders regel houden omdat moeder een belangrijk persoon is, die ‘het gezag’ vertegenwoordigt. Pas vanaf een jaar of 7 houdt een kind zich soms aan een regel omdat hij zelf vind dat dit zo hoort. Hij ziet zelf het belang van die regel in.

 

In de periode 2-6 jaar ontwikkelt zich ook de vaardigheid om iets vanuit het perspectief van een ander te bekijken, en om zich in de gevoelens van een ander te verplaatsen, bijvoorbeeld in hoe een hond zich ‘voelt’ wanneer je hem aan zijn staart trekt. Kleine kinderen beseffen niet dat ze een hond daarmee plagen of pijn doen. Ze vinden het juist leuk dat de hond reageert door bijvoorbeeld op te springen. Je kunnen voorstellen wat een ander (mens of dier) voelt in een bepaalde situatie is een voorwaarde voor het kunnen respecteren van een hond of ander dier. Dit respect komt pas met een jaar of 5.

Ook zijn peuters en kleuters volop bezig met hun sociale ontwikkeling. In de omgang met elkaar spelen tweejarigen wel naast elkaar in de zandbak, maar nog niet echt samen. Honden worden soms tegen wil en dank in het kinderspel betrokken. Een hond of een ander dier wordt dan vaak net zo behandeld als een pop. Pas met 4 jaar gaan kleuters overleggen. Dan begint ook het rollenspel. Stilaan worden honden op een hondse manier een speelkameraad, met wie het kind zoek- en apporteerspelletjes kan gaan spelen.

 

Kleine kinderen hebben vaak de neiging om uit te proberen hoe ver ze kunnen gaan, niet alleen bij de ouders, ook bij de hond. Voorkom mogelijke conflictsituaties. Laat kind en hond bijvoorbeeld niet samen om u heen lopen in de keuken als u het eten voor de hond aan het klaarmaken bent. Een verkeerde beweging van het kind kan voor de gespannen hond net de druppel zijn.

 

Oudere kinderen van 6-12 jaar

Op een gegeven moment ziet de hond het kind niet meer als pup. Men schat dat dit omslagpunt rond de zes jaar ligt. Het is dan zaak dat de hond het kind als een van de roedelleiders aanvaart.

Van 6-12 jaar kunnen kinderen leren steeds zelfstandiger met een hond om te gaan, waarbij ze aanvankelijk niet dominante handelingen, zoals zoek- en apporteerspelletjes, en allengs in dominantie toenemende spelletjes en commando’s, kunnen uitvoeren. Om dit laatste te bereiken, is het goed als kinderen deze commando’s eerst uitvoeren in nabijheid van een ranghogere volwassene. Leer de kinderen op de juiste manier te belonen met een koekje of brokje. Dit soort oefeningen bevestigen naar de hond toe de rangorde verhoudingen en het kind leert gelijk de commando’s die de ouders gebruiken. Een kind is nog niet in staat zelfstandig een hond uit te laten, ook al is die hond nog zo gehoorzaam. Ze kunnen voor veel onvoorziene situaties komen te staan waar ze niet tegen zijn opgewassen zoals een loslopende hond die wil gaan vechten.

 

12 jaar en ouder

Vanaf ongeveer 12 jaar kunnen kinderen zich steeds meer zelfstandig als ranghogere gaan opstellen. Langzamerhand mogen ze hetzelfde doen met een hond  als een volwassene. Op de eerste plaats omdat ze meer begrijpen en meer geestelijk overwicht kunnen uitoefenen op de hond, op de tweede plaats omdat ze door hun lengte en overwicht door de hond als ranghogere geaccepteerd worden. Deze leeftijdsgrenzen zijn niet absoluut. Dit hangt af van het ontwikkelingsniveau en het karakter van het kind. Daarnaast zijn raseigenschappen, temperament, geslacht, soms leeftijd van de hond en van de mate waarin hij gewend is te luisteren naar dat commando van invloed.

 

Er is al een kind en dan komt de hond

De grootste fout die volwassenen kunnen maken is de hond te kopen als ‘speelgoed’ voor de kinderen. In veel gevallen loopt dit op een teleurstelling uit. De ouders hebben geen verstand van honden en de kinderen zeulen met de pup rond. Van opvoeding is al helemaal geen sprake en al snel blijkt het speelgoed ‘uit’ te zijn en is de hond de familie meer tot overlast. Hij vernielt, is niet zindelijk enzovoort. Vaak wordt hij dan weer weggedaan.

Daarentegen kan het ook anders. Verstandige ouders beseffen wat ze in huis nemen en leren hun kinderen dat de hond een kameraad kan zijn maar geen stuk speelgoed. De hond kan een enorme verrijking zijn voor de opvoeding en ontwikkeling van het kind. Het kind leert geleidelijk wat het betekent voor een levend wezen te zorgen en krijgt besef van verantwoordelijkheid. Indien beide in goede harmonie opgroeien, kan de hond een ware kameraad vormen voor het kind.

 

Men moet zich dan wel realiseren dat naast de opvoeding van het kind, ook de opvoeding van de pup veel tijd zal kosten. Diverse deskundigen zijn het erover eens dat het beter is te wachten tot het kind naar school gaat. Het is dan op een leeftijd dat het kan worden bijgebracht wat er wel en niet gedaan mag worden met de hond. Bovendien is er tijdens schooltijd thuis ook wat meer rust en tijd om de opvoeding van de pup goed te laten verlopen. Wanneer gekozen wordt voor een al volwassen hond is het wel heel essentieel om meer te weten over de achtergrond van het dier.

 

Kinderen zijn meestal trots op de nieuwe pup. Voor je het weet, zijn dezelfde dag alle vriendjes uitgenodigd om het diertje te komen bewonderen. Bereid het kind dus voor op de komst van de pup en vertel dat het beestje net bij zijn broers en zusjes weg is en eerst moet wennen. Eerst moet de pup zijn eigen gezin (roedel) leren kennen. Dus even wachten met al dat bezoek. Ook heeft een pup veel slaap nodig.

Kinderen zijn wilder en beweeglijker dan volwassenen. Een pup is daar vaak wat angstig voor. Leer het kind zich rustig te gedragen tegen het jonge hondje en geduldig met hem om te gaan. Hij mag het hondje nooit slaan. Dit mag ook niet wanneer de pup niet doet wat van hem gevraagd wordt. Het kind moet leren dat een pup tijd nodig heeft om iets te leren. Als het kind oud genoeg is laat hem dan meehelpen de hond te verzorgen. Altijd dient daar een volwassene bij aanwezig te zijn.

 

Kind en baby tegelijk

Een pup eist de eerste maanden zeer veel aandacht. Denk aan zindelijk maken, socialisatie en opvoeding. Heeft degene die de zorg voor de baby heeft wel voldoende energie over om een pup behoorlijk op te voeden?

Indien u wacht met de aanschaf van de hond tot de kleine peuter naar school gaat, is er misschien meer tijd voor de pup. Dit is afhankelijk van uw eigen situatie. De aanschaf van een pup in de periode dat de baby komt, of net geboren is, heeft ook voordelen. Vanwege zwangerschapsverlof is er altijd wel iemand thuis. Als de baby zover is dat hij gaat kruipen, is de pup inmiddels zo groot dat hem enige opvoeding kan zijn bijgebracht. De hond groeit tegelijkertijd met het kind op en heeft van pup af aan tijd om aan het kind te wennen. Het gebruik van een kamerkennel waar de pup af en toe ongestoord kan verblijven, vooral als de baby over de grond gaat kruipen, is aan te bevelen.

 

Kind en hond op straat

Volwassenen die zelf bang zijn voor honden, brengen dit vaak over op hun kinderen. Deze kinderen zullen zich meestal gillend achter moeders rokken verbergen zodra ze een hond zien naderen. Vervolgens wordt het kind veelal opgetild en getroost voor het feit dat hij bang is voor dat enge wezen.

Verstandiger zou het zijn als de ouders hun kind leren hoe een vreemde hond te benaderen en hoe ermee om te gaan. Dit vergroot tevens de veiligheid van het kind. Een kind dat krijsend wegrent als moeders rokken niet direct aanwezig zijn, kan bij de hond achtervolgingsdrift oproepen. Valt zo’n kind en ligt het gillend en wild zwaaiend met armen en benen op de grond, dan is het niet ondenkbaar dat de hond ingrijpt omdat het in zijn hondse ogen stil moet zijn en zich niet mag bewegen. De hond handelt volgens zijn instinct dat hij heeft geërfd van de wolf.

Het andere uiterste is dat de ouders hun kinderen een (vreemde) hond een ‘kusje’ laten geven. De peuter loopt op de hond toe en voor je het weet heeft het de armpjes om zijn nek geslagen en wordt het hoofdje tegen de kop van de hond gelegd. Voor je het als eigenaar goed en wel in de gaten hebt, is dit gebeurt en slaak je een zucht van verlichting als je een hond hebt die dit gedrag van een kind toelaat. Beter is het kind te leren dat het niet nodig is naar elke hond toe te gaan en dat het op zijn minst eerst aan de eigenaar moet worden gevraagd of de hond aangehaald mag worden.

Laat de hond eerst aan je uitgestoken hand snuffelen. Wendt hij zijn kop af, dan wil hij niet geaaid worden. Snuffelt hij aan de uitgestoken hand, dan wil hij wel geaaid worden. Kinderen mogen een hond alleen onder de kin of oren, of over de borst aaien. Aaien over de kop en rug is een dominante handeling en taboe voor kinderen. De handen worden daarbij met de rug naar de hond toe en de vingers naar beneden naar de hond gebracht. Mocht een hond ooit bijten, dan heeft hij op deze manier in ieder geval weinig grip. Dat in tegenstelling tot een hand met de vingers uitgestoken naar de hond toe of met de palm van de hand bloot.

 

De hond is angstig voor kinderen

Wanneer de hond geen problemen geeft bij volwassenen maar angstig is voor kinderen, kan dit verschillende oorzaken hebben. In veel gevallen heeft de hond een nare ervaring opgedaan met kinderen. Hopelijk kunt u het vertrouwen bij de hond in kinderen weer opbouwen door de hond veel positieve ervaringen met kinderen te laten meemaken. Vraag een wat ouder kind of hij de hond naar zich toe wil roepen. Zorg dat het kind de hond iets kan geven wat hij heel lekker vindt. Als de hond naar het kind durft toe te gaan, krijgt hij direct zijn beloning. Wanneer hij graag apporteert, doe dan apporteer- en zoekspelletjes samen met de hond en de kinderen. Let erop dat tijdens deze ‘training’  de kinderen zich rustig gedragen en nooit naar de hond toegaan. Na verloop van tijd, dit kan maanden duren, zal veelal de nare herinnering aan kinderen verdwijnen.

Een hond die in zijn jeugd nooit in contact is geweest met kinderen kan ook bang voor hen zijn. Meestal is een dergelijke hond ook op volwassenen niet optimaal ingeprent. Deze situatie is nooit helemaal terug te draaien. Nooit zal zo’n hond echt vertrouwen krijgen in kinderen. Ook een hond die van nature onzeker is, kan snel angstig worden van kinderen. Een duidelijke leiding van volwassenen is hier uiterst belangrijk.

Hopelijk is het duidelijk dat met name de rol van de ouders zeer bepalend is voor hoe een en ander verloopt. Let als ouders goed op hoe uw kind met de hond omgaat. Hier mankeert nogal eens wat aan.

Wanneer het fout gaat, kunnen onafhankelijk van de oorzaak, de gevolgen heel vervelend zijn. Vergeet niet dat juist het gezicht van een klein kind zich vaak bevind ter hoogte van de hondenkop.

 

Alles op een rijtje

- Net lopende peuters staan nog onevenwichtig op hun beentjes. De kans dat zij over een hond heen vallen als zij de hond moeten passeren is niet denkbeeldig. Voor veel honden is dat een zeer beangstigende ervaring.

-  Kinderen mogen niet stoeien of trekspelletjes met de hond doen. Voor veel honden zijn dat vechtspelletjes om te kijken wie het sterkst is. Omdat een kind dat niet beseft en vaak ook niet sterk genoeg is om zulke spelletjes te winnen, zal de hond meestal als winnaar uit de bus komen. Daardoor voelt hij zich superieur aan het kind, terwijl naarmate een kind ouder wordt het kind langzaam maar zeker boven de hond hoort te komen te staan.

-  Kinderen kunnen heel prima een goed apporterende hond een balletje laten ophalen. Of zijn balletje verstoppen zodat hij hem moet opzoeken. Honden leren op die manier dat er aan kinderen ook heel wat leuks te beleven valt, waardoor zij kinderen als iets positiefs beleven.

-  Kinderen moeten leren niet steeds op uitnodigingen van de hond in te gaan. Dus als een hond met een balletje aan komt omdat hij van het kind wil dat dit met hem een spelletje begint, moet het kind de hond eerst laten zitten. Hij moet werken voor de kost, niet zomaar iets voor niets krijgen. Hetzelfde geldt voor aaien. Een om een aai vragende hond moet even iets doen om te worden geaaid, bijvoorbeeld even gaan zitten of een poot geven (in opdracht van het kind).

-  Kinderen moeten niet stoeien, hard rennen en schreeuwen in bijzijn van een hond. Dat maakt hem nerveus, en sommige honden kunnen om rust in de roedel te krijgen gaan bijten.

-  Kinderen moeten honden nooit recht aankijken.

-  De etensbak, waterbak of speeltjes van de hond zijn alleen van de hond. Het kind mag hier dan ook niet aankomen (ook niet als de hond er niet uit eet, drinkt of mee speelt). Hetzelfde geldt voor de mand of andere (slaap)plaats van de hond. Ook als de hond er zelf niet in ligt.

-  De hond wil niet over zijn kop geaaid worden. Het kind kan de hond achter de oren of onder de kin aaien.

-  Let erop dat bij het knuffelen van de hond het kind niet op of onder de hond gaat liggen. Ze mogen zich ook niet over de hond heen buigen, zich laten likken, de hond kusjes op zijn snuit geven, hem stevig omhelzen of optillen. De bank is voor mensen, niet voor de hond.

-  Een etende of slapende hond mag niet gestoord worden, en zeker niet door kinderen.

 

 

Zo snel mogelijk moet het kind leren op een goede manier met de hond om te gaan. Leer een kind:

-  Respect te hebben voor de hond. Een hond is een levend wezen en geen speelpop waarmee je kunt doen wat je wilt.

-  Zich rustig te gedragen tegenover de hond.

-  De taal van de hond. Het is belangrijk dat het kind leert wat het betekent als een hond gromt of kwispelt en leert zien wanneer de hond bang is.

-  Dat hij gebeten kan worden als hij de hond pijn doet. Hij mag de hond nooit slaan en nooit plagen.

-  Hoe hij een hond moet aaien, met de haarrichting mee en niet tegen de haarrichting in.

-  De hond altijd met rust te laten als hij ligt te slapen of in zijn mand ligt.

-  Nooit aan de etensbak te komen als de hond staat te eten.

-  Niet te pas en te onpas de naam van de hond of commando’s naar hem te roepen.

-  De hond naar zich toe te laten komen en niet achter hem aanlopen.

-  Nooit achter een hond aanrennen.

-  Nooit zomaar een vreemde hond te aaien of ernaar toe te hollen. Dat laatste is voor een hond heel bedreigend.

-  Altijd eerst aan de eigenaar te vragen of hij zijn hond mag aanraken.

-  Dan altijd eerst voorzichtig de hond aan de hand te laten ruiken.

-  Een hond nooit ongevraagd voer te geven.

-  Dat het niet nodig is dat hij iedere vreemde hond benadert en aait.

-  Niet te schreeuwen tegen een hond.

-  Direct stil te gaan staan, als een hond achter hem aanholt.

-  Nooit naast de hond op de grond te gaan liggen.

-  Nooit de handen in de lucht te steken.

-  Nooit de hond op schoot te nemen.

-  Nooit de hond op de bank bij het kind laten