STOP!!!   (VAN) ALLES OVER HAVANK

   
 

ARTIKELEN UIT DIVERSE BRONNEN

   

.

Op een petrolieros 21 April 1984 VN  R. Ferdinandusse.

Nieuwe thrillers en de reconstructie van een oude. ( 1ste deel )

Orwell, Luther, Wagner, Marx, ze hebben allemaal hun jaar.   En ergens ver in hun schaduw is nu ook dit jaar tot een soort Havank-jaar geconstrueerd.   Havank zou op 19 februari van dit jaar tachtig zijn geworden en in juni van dit jaar is hij twintig jaar dood, en vandaar.  Die gebeurtenis wordt gevierd met het verschijnen van niet alleen een grote worp herdrukken, maar ook met de verschijning van een zogenaamd geheel nieuwe Havank.   Dat is het zeer kort geleden bij A.W. Bruna verschenen boek De zilveren hazewind, dat als ondertitel meekreeg: 'Een reconstructie van een nooit verschenen roman door Jef Passage.'
Deze drs. Jef Passage is een Havank-verzamelaar die de hand wist te leggen op 'Voorspel' en een 'Eerste hoofdstuk' van wat Havank in een begeleidende brief noemde 'mijn vijfde Silvère'.   Hij stuurde dat materiaal en de brief aan vrienden in Nederland in 1936.   Dat vijde boek, met in de hoofdrol Bruno Silvère begon hij dus na Het mysterie van St. Eustache (zijn debuut in 1935), Het raadsel van de drie gestalten, Het spookslot aan de Loire en het geheim van de twee hulzen, allemaal boeken rond die tijd geschreven.   Dat Voorspel is later in druk verschenen als Voorspel in De Cycloop dat jaren later verscheen en niet meer Silvère als hoofdpersoon had maar hoofdinspecteur Francis Pyla, geholpen door brigadier Poussin, bijgenaamd Bourgogne.   Het heeft er dus alles weg van dat Havank De zilveren hazewind om een of andere reden een tijd heeft laten liggen, op reis is gegaan naar Italië waar hij gewoon doorwerkte aan de serie Schaduw-boeken en later het manuscript met andere hoofdpersonen naar zijn uitgever heeft gestuurd.   De reden die drs. Passage voor die manoeuvre van Havank heeft bedacht is dat De Schaduw in elk boek verandert, belangrijker wordt, en er weer meer vrienden en vrouwen bij krijgt.   Dat is ook een reden, zo dient daaraan te worden toegevoegd, dat de plots van de Havanks zo krukkig in elkaar zitten: Schaduw en zijn gezellen zijn zo talrijk dat er voor boeven soms nauwelijks plaats is.   De Schaduw moet soms echt stomme fouten maken (in dit boek dus ook weer) om er weer een paar hoofdstukken aan te kunnen breien.
Voor de echte Havank-fans dus een heugelijk moment.   Die Pyla en Poussin uit de De Cycloop zijn maar ondergeschoven kindjes, het is eigenlijk een vroege Silvère-Carlier en als je bedenkt dat het direct achter Het raadsel van de drie gestalten hoort te komen vallen niet alleen alle radertjes van De Schaduws carrière op zijn plaats, maar weten we ook weer iets meer van zijn huiselijke gewoonten.   Voor de andere lezers is het gewoon een herdruk van De Cycloop, en zij moeten bij een passage als: ' "Toch broeit er iets", zei Poussin, zich tot zijn voorvaderen wendend bij gebrek aan een ander gehoor, "toch broeit er iets".   "Hooi, " zeiden de voorvaderen', voor Poussin gewoon de aloude Schaduw invullen, want die zat toen toch in Havanks gedachten.   ' "Voort," zei de Schaduw, zijn petrolieros bestijgend.'


De Schaduw verkeert nog immer onder vrienden

Volkskrant 26 juni 1995


'Merkwaardig, om niet te zeggen hoogst merkwaardig', zou monsieur Chartes C.M. Carlier alias de Schaduw hebben opgemerkt. De ironie van het toeval wilde dat aan de wanden in de zaal, vernoemd naar Simon Vestdijk, levensgrote portretten van Havank hingen. Tijdens een zomerse avond raakten hier twee uitersten van de Nederlandse literatuur elkaar kortstondig. Het etablissement heette De Koperen Tuin. Vandaar Vestdijk. De bijeenkomst was gearrangeerd door de-Stichting Mateor. Vandaar Havank.
Enkele uren eerder viel om vijf voor vier op de RK begraafplaats aan de Harlingerstraatweg in Leeuwarden één minuut stilte te beluisteren. Rond een hagelwitte grafsteen stond een groepje mensen geschaard; het mannelijk geslacht overheerste en iedereen was zo niet boven de vijftig dan toch zeker boven de veertig. De Havank-generatie, aangevoerd door de Stichting Mateor (sinds najaar 1994) en door neerlandicus alsmede bevlogen Havankoloog Sef Passage. De steen vermeldde dat daar sinds 22 juni 1964 Hendrikus Frederikus van der Kallen rust, voor het laatst die dag om vijf voor vier in leven gezien in Hotel Amicitia. Een kwartier later werd hij dood aangetroffen op zijn kamer, zestig jaar oud.
Hans van der Kallen was de naam, Havank werd op advies van Anton van Duinkerken zijn schrijverspseudoniem. In navolging van Ivans (de I. van Schevichaven), wiens dood in 1935 de deur bij uitgeverij Bruna deed openzwaaien voor Havank. Tussen zijn debuut (Het mysterie van St. Eustache, 1935) en zijn dertigste 'Roman van Avontuur' (Caviaar en cocaïne, 1959) passeerden de oplage-cijfers naar schatting de zes miljoen. 'Ren als de weerlicht, de nieuwe Havank is uit', adverteerde Bruna en vele generaties renden inderdaad als de weerlicht voor een nieuw avontuur van de Beschermer van Weduwen en Wezen en zijn trouwe: Gezellen.
Wie heden ten dage een Havank wil aanschaffen, kan alleen in tweedehands boekenzaken terecht, waar zelfs de eerste drukken voor dumpprijzen liggen. Havanks humor, zijn beeldspraken, zijn exuberante taalgebruik zijn door de tijd achterhaald. Ten onrechte, vindt de Stichting Mateor. En Sef Passage kan alleen maar briesen wanneer De Meester wordt aangevallen. 'Hij is een uniek figuur met een geheel eigen poëtica.' Bordpapieren figuren? 'Meneer, wat een Onzin. Misschien lopen er een paar tussendoor, maar dat zie je ook bij Simenon'.
Een berichtje in de Leeuwarder Courant vorig jaar over het 'deerlijk verwaarloosde graf' van Havank werd de aanzet tot de Stichting Mateor. Het graf is inmiddels opgeknapt, maar het verlanglijstje van de stichting gaat veel verder. Meer erkenning bijvoorbeeld van Leeuwarden, al had Havank een uitgesproken haat-liefdeverhouding met zijn geboortestad. Waarom geen Schaduwlaan, Silvèrestraat, Manonpad en Araneapark?
'We hebben ook geen Escherplein', was in de Vestdijkzaal het verweer van burgemeester H. Apotheker. Misschien kan hij met Leeuwarden in de Schaduw van Havank de straatnamencommissie op nieuwe ideeën brengen. Het is een stadswandeling, gebaseerd op Circus Mikkenie, het enige boek van Havank dat de Friese hoofdstad als decor heeft.
In het Leeuwarden van 1953 heeft de tijd met een forse voorhamer gaten geslagen. Hotel Amicitia is verdreven door een foeilelijk flatgebouw, dat de schaduwfiguur van Dick Bruna op de zijgevel van MacDonalds en het geboortehuis van Havank (Wirdumerdijk 41) overschaduwt. De Mercuriusfontein staat niet langer meer in het groen, het Oranje Hotel kent zichzelf niet meer terug op oude foto's en de intense stilte op de Verlaatsbrug is allang verdwenen.
Er moet ook een Standbeeld komen, en een museum, nog meer wandelingen, een academische studie, een dissertatie.
Onderweg zijn van Passage een studie| (De Schaduw geschaduwd) een encylopedie en diverse lexicons.
De laatste wens van Havank was dat jaarlijks op zijn sterfdag zijn| vrienden zouden aanzitten aan 'een luisterijk maal'. Door toedoen van Mateor geschiedde dat dit jaar voor het eerst, in de Vestdijkzaal. Op het menu uiensoep, boeuf Bourguignon en een Schaduwdessert, besproeid met Chabon uit 1990. Dick Bruna werd uitgeroepen tot 'vriend van het jaar' en vertelde - alle treurige verhalen over de mens Havank ten spijt - alleen goede herinneringen te hebben aan deze aangename causeur 'van wie ik veel heb geleerd'.
Stichtingsvoorzitter P.H. Oosterhuis: 'Van der Kallen is dood, de Schaduw leeft onder ons'. Nu nog een uitgever die die mening deelt.
Frans van Schoonderwalt


(Elsevier 8 juli 1995, gedeelte) Wim Zaal

HOE MEN KUNSTENAARS TOT KOORKNAAPJES REDUCEERT

Grote geesten op siroop
Iedereen bewondert wel een denker of kunstenaar. Maar als blijkt dat hij een afschuwelijke man is geweest, kan de vereerder die teleurstelling dan aan? Vaak treedt een mechanisme van ontkenning in werking. Menige cultus wordt zelfs met opzet gemanipuleerd en vervalst.

VERGUIZING
In ieder mensenleven komt de mantel der liefde soms van pas. Maar profeten maken aanspraak op een hele doofpot, omdat in een sterk geprononceerd karakter de weeffoutjes en misstappen dubbel zichtbaar worden. En bovenal: wie dweperij uitlokt, provoceert ook allergie. Hij zal tot in het graf worden achtervolgd door mensen die hem niet kunnen luchten en geen middel schuwen om hem zwart te maken.
De Nietzsche-belagers beweerden dat hij al lang voor zijn ineenstorting gek was geweest; en de Multatuli-haters gingen nog kinderachtiger te werk dan zijn gelovige gemeente, wat die natuurlijk prikkelde tot extra hard optreden tegen die 'verguizing'. Nog altijd kan er geen nieuwe minnares van Victor Hugo worden opgeduikeld, of de ene helft van de 'Vrienden van Victor Hugo' ontsteekt in woede en de andere helft wrijft zich voldaan in de handen: dat heeft de Cher Maïtre hem weer mooi gelapt!
.
Steekt daar kwaad in? Dat de 'Official Dutch Jackson Fanclub' handenvol werk heeft met het terechtwijzen van persmuskieten die enge dingen over Michael Jackson schrijven, zal de wereld een zorg zijn. Het is precies wat de leden voor hun ƒ27,50 per jaar mogen verlangen en verder ligt niemand er wakker van. Ook is clementie op zijn plaats voor de vereerders van Havank, die zich eveneens aaneengesloten hebben en middelbare scholen voorzien van een 'vakinhoudelijke aanschrijving', omdat Havank in het lesrooster 'niet de plaats heeft, die hij in onze ogen zou verdienen'.
.
Havank (Hendrikus van der Kallen) debuteerde in 1935, toen uitgeverij Bruna voor FL250 twee detectiveromans tegelijk van hem aankocht. Alles bijeen zou hij er dertig schrijven voor hij op 22 juni 1964, na de aanschaf van een doosje aardbeien, in zijn geboortestad Leeuwarden schielijk overleed. Wie hem wil herdenken heeft in het zestigjarig boekenjubi-leum dus een goede aanleiding. Maar fans schakelen altijd van het werk over naar de persoon, dus vierden ze zijn 31ste sterfdag.
.
JEUGDSENTIMENT
Het gezellig samenzijn begint op het kerkhof met het deponeren van een bloemstuk en een paraplu — attribuut van Havanks speurder De Schaduw —, gevolgd door een speech. Halverwege wordt de spreker echter het zwijgen opgelegd met een scheepsbel: 'Op dit ogenblik,' galmt over de graven, 'is Havank 31 jaar geleden voor het laatst in levenden lijve gezien. Ik verzoek om een minuut stilte.' De aanwezigen, tuk op een dagje jeugdsentiment, zijn allen van de generatie die nog weet hoe het hoort en staren ingetogen naar hun seconde-wijzer. Na het voldoen aan die plicht kan in de Vestdijkzaal van restaurant De Koperen Tuin (waar Vestdijk plaats heeft moeten maken voor foto's van Havank) de ware pret beginnen: veertig middelbare heren converseren in Havankiaans taaleigen, herhalen luidkeels de toost 'Leve De Schaduw!', en vertellen dat ze Bruna hebben geschreven met een verzoek om de romans van Havank te herdrukken. Er blijkt nog maar één in de handel te zijn. Vertalingen bestaan niet en daar is het trouwens te laat voor: 'Alleen P.G. Wodehouse had hem kunnen vertalen. En die is nu ook dood!'
.
De voorzitter hekelt de universiteiten omdat er nog geen proefschrift over Havank bestaat, kondigt een tiendaagse Havank-busreis naar Frankrijk aan waar enkele boeken gesitueerd zijn, en benoemt de tekenaar Dick Bruna tot 'Havank-vriend van het jaar'. Daarna krijgt de burgemeester van Leeuwarden een wandelkaart langs Havank-plekjes in zijn stad, met veel verwijzingen naar Circus Mikkenie, het enige boek dat in Havanks geboortestad speelt. Helaas zullen weinig wandelaars het kennen en als ik vraag of het de moeite waard is, valt er een misprijzende stilte. Ik sta meteen als nitwit achter in het klassement.
.
'Als jongetje,' vertelt Dick Bruna, 'bracht ik met mijn ouders de vakanties in Zuid-Frankrijk door. La Tourelle heette het hotelletje, en daar zat Havank op het terras te tikken met een fles wijn naast zich. Ja, dacht ik, zo'n leven lijkt me wel wat.' Iedereen glimlacht. 'Ach, en zijn romans waren voor die tijdbeslist heel aardig.' De glimlach wordt zuiniger: elk tijdsgewricht is Havank-tijd! 'Van der Kallen is overleden,' mompelt iemand, 'maar De Schaduw blijft bij ons.' Dan komt gelukkig de uiensoep binnen, het begin van een Havankiaans menu. 

DE STILLE DON
Je moet wel harteloos zijn om die fans hun dagje uit te misgunnen. Ze weten uit Havanks boeken bovendien dat hij een levensgenieter was, zodat een ietwat rommelige biografie geen aanstoot geeft. De meeste kunst-adepten zijn echter absoluut niet gesteld op onprettige waarheden over hun idolen — 'móet dat nou' —, zonder in te zien dat liegen en bedriegen het enige alternatief is. Ze zullen misschien worden bekeerd door de manier waarop de cultus rond de Russische schrijver Michail Sjo-lochov, in 1965 bekroond met de Nobelprijs voor literatuur, in stand wordt gehouden.
..
Al rond 1930, nadat de eerste delen van zijn meesterwerk De stille Don waren verschenen, circuleerden in Moskou geruchten dat hij die niet zelf had geschreven. Ze zouden het werk zijn van de kozak Fjodor Krjoekov; werkend aan een grote roman over de Don-kozakken, was deze in 1920 overleden. Het handschrift ervan was via de bolsjevistische agent Serafimovitsj bij Sjolochov terechtgekomen, die er alleen een communistisch sausje overheen had gegoten. Toen de beschuldiging van plagiaat aanhield, stelde de soyjet-schrij-versbond een onderzoekscommissie in, met uitgerekend Serafimovitsj als voorzitter. De commissie onderzocht niets, maar noemde de twijfelaars 'vijanden van de dictatuur van het proletariaat', wat onder Stalin betekende dat ze beter hun mond konden houden als ze niet naar Siberië wilden.
.
Het latere werk van Sjolochov was veel zwakker, maar hij kreeg de Stalin-orde, werd lid van de Opperste Sovjet, en toen het Nobel-prijscomité om politieke redenen een Rus wilde bekronen, koos het hem als officiële Sovjet-kandidaat. Daarna verschenen in het Westen steeds meer studies, die de beschuldiging van oplichterij onderbouwden, maar tot op heden liggen de schriftelijke nalatenschappen van Krjoekov en Sjolochov achter slot en grendel. Men wil de oud-communisten de cultus van de grote sovjetschrijver niet afhandig maken.
.
Anders dan Sjolochov kunnen de meeste beroemdheden die door de politiek worden ingepalmd, daar niets aan doen. Nietzsche was geen nazi avant la lettre, Richard Wagner evenmin, en de brave Karl May nog minder. Toch moesten zij eraan geloven. Bij Wagner is dat het beste verklaarbaar. Hij was antisemiet



Dorine Hermans (Elsevier 15 maart 1997, gedeelte)

De passie van Dekema:
GESCHIEDENIS VAN EEN JARENLANG GEVECHT OM HET BEHOUD VAN DE ALLERLAATSTE STATE VAN FRIESLAND


De familie had de hoop al opgegeven, maar op het nippertje is de glorie van Fries­land toch nog gered. De eeuwenoude vesting van Dekema, waar de geest van freule Anna Maria van Burmania ronddoolt en Havank zijn beroemde detectives schreef, blijft overeind. Het potje van Nuis bracht uiteindelijk de redding.

ULTIEME PRIJS
Ook de Van Wageningens hadden eind negentiende eeuw de kans hun fortuin op peil te houden voorbij laten gaan. Minachtend. Persoonlijk bevriend met Troelstra verafschuwden ze fabrieken als plaatsen waar arbeiders werden uitgebuit. Socialisme was in hun kring en vogue. Dat konden ze zich veroorloven, ze hielden er geen personeelslid mindei om. En Dekema State lag er keurig bij. Het waren hun nazaten die de prijs zouden betaler voor hun idealen. De laatste Gerard van Wageningen was de eerste die moest werken om-te leven. Maar hij was niet bereid tot de ultieme prijs: Dekema opgeven.
Niemand begreep beter wat deze hedendaagse Don Quichot aan Dekema State bond dan ziin boezemvriend Hendrik van der Kallen (1904-1963). Diens eigen verering voor het slot overschreed de grenzen van de werke­lijkheid. Tot op zekere hoogte was dat zijn vak: Van der Kallens pseudoniem was Ha-vank, de detectiveschrijver die Nederland sinds 1935 door tientallen televisieloze jaren hielp. Sommige Leeuwarders noemden De-kema State indertijd Havank State. In de Ha-vank-route, die de liefhebber nog steeds kan volgen, vormt Dekema een hoogtepunt. De sombere schrijver had zijn eigen vertrek in de zijvleugel waar hij maanden achtereen logeerde. Zijn lievelingshond Nicko ligt begraven in de tuin, compleet met grafsteen. Verschillende 'Havankjes', waar hele volksstammen smachtend naar uitkeken - er zijn er zes miljoen verkocht, onder het motto: 'Ren voor je leven! De nieuwe Havank is uit!' - schreef Van der Kallen in de stille grote zaal van het slot. Hij liet zich graag inspireren door de por-trettengalerij die er al eeuwen de muren sierde.
Iets te graag, misschien. Een zonnige middag in 1958 vormde een merkwaardig keerpunt in zijn bestaan.Toen zag de schrijver zijn lievelingsschilderij bewegen. Onder vier ogen vertelde hij zijn vriend later geëmotioneerd hoe de mooie achttiende-eeuwse freule Anna Maria van Burmania hem naar zich toe had gewenkt.Hoe hij in een flits had beseft waarom zijn huwelijk mislukt was. En zelfs waarom Anna Maria indertijd nooit getrouwd was. De reden: hij hoorde bij Anna Maria, zij bij hem. Het enige wat hun scheidde, was de tijd. En die bleek niet eens een onoverkomelijk obstakel, wantAnna Maria en hij hadden astraal contact. Zij was zijn innerlijke stem die hem vertelde hoe hij moest leven. Hij droeg zijn boeken aan haar op, ze was zijn vaste personage. Anne Marie de Passy uit Caviaar en Cocaïne was eigenlijk Anna Maria van Burmania.
Gerard lachte hem niet uit. Als iemand respect had voor een levendige fantasie was hij het. Ook hij had net een detective geschreven, De glimlach van Eleonora, onder het pseudoniem Dekema. En ook hij hield van mooie vrouwen. Maar Gerard zou zijn geliefde in zijn eigen tijdperk vinden.
Net als Havank wijdde hij een detective aan haar, zijn tweede en laatste. In Het teken van de Overkant (1961) is de heldin van het verhaal, Anita Beng Nielsen, gemodelleerd naar Gerards aanstaande echtgenote, de Deense Mona Bay Andersen. De schrijver bewierookt haar grote, bruingrijze ogen, haar 'prachtige rechte houding', haar 'perfecte benen'. Ze heeft een kordate, geheel eigen stijl. Op weg naar een moordonderzoek berispt ze speurneus Jetso - die veel weg heeft van Gerard zelf - streng over zijn vieze zakdoek. Als Jetso en Anita samen op stap zijn in haar snelle rode MG, zit Anita steevast te breien.
'Aan die gewoonte heb ik heel wat leuke truien voor hem overgehouden,' glimlacht Mona nu. Ze is 64, nog steeds mooi en nog steeds kordaat. Ze praat keurig Nederlands met een zweempje Fries-Deens accent. Ze heeft Havank maar één keer gezien. Toen zij en Gerard in 1963 trouwden, gingen ze na de plechtigheid linea recta naar het ziekenhuis om de schrijver op te zoeken. 'Hij was erg ontroerd'. Kort daarop werd Havank voor eeuwig verenigd met Anna Maria. Voor alle zekerheid nam hij in zijn doodskist een foto van haar portret mee.


Door Menno Schenke (Rijn en Gouwe 27 juli 1997)

Havank stapt uit de schaduw

'HET MANNETJE liep mistroostig te mopperen in de mist. En het had reden om mistroostig te wezen, want ten slotte was het maar een klein en koud mannetje in een grote en donkere straat, waar het licht van schaarse lantaarns gesmoord werd in druipend natte watten van grauwe herfstnevel.'Huuuh!...' zei het mannetje, en het huiverde'.
De eerste twee alinea’s van Polka Mazurka uit 1939, de meestgelezen misdaadroman, bijvoorbeeld als Zwarte Beertje nr. 13, van Havank. Taal vol humor veel klinker- en medeklinkerrijm. Typisch Havank, gedateerd maar nog steeds leesbaar.Havank — HavanK, pseudoniem van Hans van der Kallen (1904-1964) — heeft zijn biografie, van de hand van J.P.M. Passage. Het boek werd eind vorige week op de jaarlijkse dag van Havankfans in Dwingeloo aangeboden aan tekenaar Dick Bruna.Zoals schrijver Anton van Duinkerken de man was die Van der Kallen zijn pseudoniem aanreikte, was Dick Bruna, zoon van uitgever A.W. Bruna en wereldberoemd geworden met Nijntje, de man die de held van Van der Kallen een silhouet gaf: Charles C.M. Carlier, alias de Schaduw. Politie-inspecteur te Parijs, vriend van hoofdinspecteur Bruno Silvère van het bureau van de Sûreté Nationale aan de Quai des Orfèvres. Daar, in een belendende kamer misschien, loste later een andere beroemde Parijse politieman, Jules Maigret geheten, ook de ene na de andere moord op zonder dat hij en de Schaduw elkaar ooit ontmoetten. Het eerste boek over Silvère en de Schaduw, Het mysterie van St. Eustache, verscheen in 1935. Zijn laatste, 30ste misdaadroman, Caviaar en cocaïne, kwam uit in 1959. Na Havanks dood — hij stierf berooid in hotel Amicitia in Leeuwarden — kwamen nog drie avonturen van de Schaduw in de winkel, boeken waarvan het manuscript van Havank werd voltooid door Pieter Terpstra.Zo avontuurlijk als het leven van de Schaduw was, zo alledaags was het bestaan van zijn schepper. Havan, in 1947 getrouwd met de Engelse Cynthia Vickers, schreef. En hij vertaalde voor zijn uitgever A.W. Bruna vooral de boeken over de Saint van de Brit Leslie Charteris. Havank had een drankprobleem, kon niet met geld omgaan en woonde jaren in Frankrijk, Italië en Engeland. Meer is er niet, geen spectaculaire ruzies, geen moord, en doodslag, geen schandelijke vrouwenaffaires.
De biografie bevat een schat aan informatie, maar is jammergenoeg geen prettig leesbaar boek geworden. Havank gebruikte in zijn romans wezen en karaktertrekken van zijn familie en vrienden. Het is fantastisch dat Passage al die figuren weet te duiden, maar het doet je duizelen van de namen. Passage's schrijstijl is bovendien moeizaam en vaak oubollig. Een taalkunstenaar als Hans van der Kallen had een stilistisch mooiere biografie verdiend.


GER LEPPERS, tijdschrift Armada (Jaargang 4, nr 13 december 1998).

Caviaar en cocaïne, Havanks zwanezang

ELKE NEDERLANDER HEEFT WEL een Havank-verleden, meende de boekverkoper bij wie ik, iets meer dan een jaar geleden, een exemplaar kocht van de liefdevolle biografie die J. P.M. Passage wijdde aan de man die ooit onze populairste misdaadauteur was. Ab Visser meent, in zijn memoires, dat er in de loop der jaren zo'n vier miljoen 'Havankjes' moeten zijn verkocht. Pieter Terpstra, die na de dood van Havank de reeks avonturen van de Schaduw voortzette, spreekt van zes miljoen verkochte exemplaren, terwijl J. P.M. Passage uitkomt op een totale verkoop van tien miljoen boeken. Van de vooroorlogse minister-president Colijn gaat het verhaal dat hij op gezette tijden naar uitgeverij A.W. Bruna in Utrecht liet bellen om te informeren of de nieuwe Havank al uit was. Jaap Romijn, die jarenlang bij Bruna werkzaam was en die weinig waardering kon opbrengen voor Havanks 'Brabantse kostschoolhumor', meende in 1984 in een interview met Frank van Dijl in Het Vrije Volk: 'Neem De Quay en Van Agt, die zijn taalkundig gevormd door Havank... Het lichtelijk valse type met zijn pseudo-welbespraaktheid.' En degene in de boekwinkel die vóór mij met een exemplaar van het boek van Passage in de hand had gestaan was Hans Gruijters.

Wat was de reden van de immense populariteit van deze schrijver, van wie - inderdaad - bijna elke Nederlander van boven de veertig wel één of meer boeken gelezen zal hebben, maar die nu, ruim dertig jaar na zijn dood, al vrijwel is vergeten? 'Havank wordt niet gelezen om de spanning, maar om het taalgebruik en het hoge reisgidsgehalte. Van de regels van het genre trok Havank zich steeds minder aan', luidt telkenjare het oordeel van de Detective & thrillergids van Vrij Nederland. Het is waar: Havank (pseudoniem van H. F. van der Kallen, 1904-'64) bezat het vermogen zich op aanstekelijke en aansprekende wijze te laten inspireren door de steden die hij bezocht en de landen die hij bereisde. Daarbij waren zijn gloriejaren die waarin de Nederlanders zich voor het eerst in groteren getale reizen naar het buitenland konden permitteren. Parijs kwam binnen veler bereik. Met de Zonexpres reisde men naar de Cóte d'Azur, de meest vermetelen stootten door naar Italië en Spanje. Het waren landen en streken die in de jaren dertig waren ontdekt door een verrukte Hans van der Kallen, die zijn priesteropleiding had afgebroken en een veelheid aan baantjes was ontvlucht. Hij gebruikte ze als decors voor zijn 'speurdersromans', die in 1935 waren begonnen te verschijnen.

Na de dood van de eerste Nederlandse misdaadauteur, Ivans (het op de initialen en het voorzetsel gebaseerde pseudoniem van mr Jacob van Schevichaven), zocht uitgeverij Bruna juist naar een opvolger toen Hans van der Kallen zijn eerste proeven ter beoordeling zond. Anton van Duinkerken muntte, naar analogie van Ivans, het pseudoniem Havank, en weldra liep de verkoop uitstekend. De eerste boeken waren tamelijk conventioneel van opzet, geïnspireerd op de romans van Edgar Wallace, en later ook op de Saint-verhalen van Leslie Charteris. irt-affaires, kinderporno en Delta-organisaties waren in het in die dagen nog ordelijke Nederland onbekend, en daarom speelden zowel de boeken van Ivans als die van Havank zich bijna altijd in het buitenland af.

De aanvankelijke hoofdpersoon van de serie, Bruno Silvère, ruimde gaandeweg het veld voor de veel exuberantere en meer anarchistisch ingestelde Charles C.M. Carlier, alias 'de Schaduw' - oorspronkelijk een bijfiguur.

Geleidelijk aan begon diens anarchisme zich ook mee te delen aan de structuur van de romans: de plots werden steeds losser geweven, de verhaallijn raakte steeds sterker overwoekerd door overbodige uitweidingen, woordgrapjes en spitse conversaties tussen de 'Schaduwiaanse Gezellen' - de alsmaar uitdijende kring van vrienden en bekenden van de Schaduw die in alle boeken terugkeren. Ook drank- en huwelijksproblemen van de auteur eisten hun tol, en het kostte Havank steeds meer moeite om de luchtige toon en de vaart van zijn boeken vast te houden en zijn intriges te vernieuwen.

Circus Mikkenie, in 1953 met enige nadruk als zijn 'zilveren jubileum' aangekondigd - het is het vijfentwintigste Schaduw-avontuur - vormt een eerste dieptepunt, 'een mislukking feitelijk', zoals de auteur enkele jaren later zelf toegaf in een causerie - zo heetten lezingen nog in de jaren vijftig - voor de Nederlandse Bond van Vrijgezellen.

Wanneer in 1955 Dodemans dollars verschijnt, blijkt het nog een heel stuk slechter te kunnen. J. P.M. Passage, die voor Havank is wat Harry G.M. Prick is voor Lodewijk van Deyssel, ziet zich in zijn levensschets genoodzaakt het boek met compassieloze acribie te fileren. Hij becijfert dat de Schaduw pas werkzaam optreedt in de laatste zeven van de eenendertig hoofdstukken. De eerste zestien zijn gewijd aan de nauwelijks ter zake doende belevenissen van Cornélis Craayenbraayer, Wethouder van Veeteelt en Volksontwikkeling van Schaafbroekerwoud en Ereconsul van Gaasterland. 'Havanks vis comica is in Dodemans dollars nogal eens van geringe potentie', concludeert Passage mismoedig.

Ook ter uitgeverij was de neergaande lijn in het oeuvre van de populairste auteur uit het fonds niet onopgemerkt gebleven. Daar kwam nog bij dat deze door zijn gulheid zowel als door de extravagante bestedingspatronen van Mrs. Havank - die zich slechts per taxi wenste te verplaatsen, ook als het ging om een rit van Den Haag naar Amsterdam - diep in het krijt stond bij zijn uitgever, wiens maatpakken hij overigens mocht afdragen.

Voor het redresseren van de financiële situatie van Bruna's sterauteur werd een regeling ontworpen die moeilijk anders dan als een wurgcontract kan worden betiteld. Zij behelsde, onder veel meer, dat Havank, zolang zijn financiële situatie niet was gesaneerd en het met zijn eigen werk niet wilde vlotten, boeken van andere auteurs zou vertalen. Vrijwel al zijn auteursrechten vielen rechtstreeks toe aan Bruna, die hem in ruil een soort zakgeld gaf. Jarenlang vertaalt hij romans van Leslie Charteris - waarin hij diens held, de Saint, overigens nog weleens laat verwijzen naar 'mijn collega, de Schaduw'.

Havanks redding wordt het verschijnen op de Nederlandse markt van het pocketboek. Zijn romans beleven herdruk op herdruk en worden opeens bij tienduizenden verkocht. In 1958 heeft hij zijn schulden in voldoende mate gedelgd om van zijn uitgever permissie te krijgen zich weer aan eigen werk te zetten. In zijn geboorteplaats Leeuwarden, in kamer 2 van zijn geliefde hotel Amicitia, begint hij aan wat zijn laatste voltooide boek zal worden: Caviaar en cocaïne.

Het beeld dat J. P.M. Passage in zijn onmisbare biografie van deze levensperiode geeft, doet, zelfs in een dorre opsomming van de door hem gereleveerde feiten, vermoeden hoezeer de ontredderde auteur ten prooi was aan onzekerheid over zijn leven en kunnen. Het is een periode waarin Havank bij uitstek op zoek lijkt naar een nieuwe discipline, nieuwe leefregels. Veelvuldig is hij depressief, hij koketteert soms met zelfmoord en worstelt met het roomse geloof, dat hij decennia eerder de rug had toegekeerd. Aan een gereformeerd meisje dat hij in Leeuwar den had leren kennen geeft hij zelfs lessen in 'Rooms-Katholicisme'. Via pater Eric Rodenburg, die weet had gekregen van Havanks slechte geestelijke en fysieke toestand en die hem in hotel Amicitia was komen opzoeken, keert de auteur, na een lange reeks gesprekken, terug tot zijn geloof. Op 29 maart 1959 gaat hij, voor het eerst sedert vele jaren, ter communie. Enige tijd eerder was hij volledig in de ban gekomen van het portret van de achttiende-eeuwse Anna-Maria van Burmania, dat hij had ontdekt in de Dekema State. Hij liet twee foto's van het portret vervaardigen, waarvan één hem zelfs in het graf zou vergezellen, en schreef aan haar wild-erotische brieven, in het Frans.

Wijst veel van het bovenstaande op zijn minst in de richting van een labiele geestesgesteldheid, ook fysiek ging het de schrijver slecht. In september 1958 werd hij door een fietser aangereden, met als resultaat een gebroken pols. Dicteren, met behulp van een door de stamgasten van Amicitia aangeboden bandrecorder, bood geen soelaas, want alleen werkend op papier kwam Havank tot bevredigend resultaat. Het boek vordert dan ook uiterst langzaam. Pas in april 1959 kan Havank, die doorgaans één tot drie maanden nodig heeft voor een boek, het manuscript voltooien. Korte tijd later ligt Caviaar en cocaïne in de boekhandel. De roman vormt de bezegeling van Havanks herrijzenis als auteur. Een hartstilstand maakte er op 22 juni 1964 tevens zijn zwanezang van.

In de tweede helft van de jaren zestig moet ik het volledige oeuvre van Havank zeker een keer of drie gelezen hebben, in de ban van - inderdaad - de taalmogelijkheden die het me openbaarde en van de beeldende beschrijvingen van het Frankrijk dat ik in die jaren juist aan het ontdekken was tijdens kampeervakanties met mijn ouders, in onze met een bungalowtent en een overlevingsvoorraad chocoladehagelslag volgepakte Renault 4L, (de l stond voor 'de Luxe').

Havanks werk werd - na de al even illustere Adriaan en Olivier-cyclus van Leonhard Huizinga - mijn tweede grote literaire jeugdliefde, en ijverig schreef ik zelf indertijd verhalen in Havank-stijl. Niet als enige, want onlangs las ik dat de latere Hare Krisjna-adept en literator Hendrik van Teylingen hetzelfde deed - waarbij hij zich bediende van het pseudoniem Havant.

 Inmiddels is uitgeverij Bruna gestopt met het herdrukken van Havankjes, en een handelaar in tweedehands misdaadboeken zei enkele jaren geleden tegen Margreet Hirs, die voor Het Parool een artikel over Havank schreef: 'Havank? Ik gooi ze altijd in de éénguldenbak.' Toen ik, voor het eerst na bijna dertig jaar, Caviaar en cocaïne weer ter hand nam, was ik dan ook benieuwd hoe de hernomen confrontatie zou uitpakken. Wel, het viel niet helemáál tegen. Havank is er, anders dan in zijn voorafgaande boeken, wel degelijk in geslaagd een, tamelijk geserreerde, intrige te spinnen, waarin de talrijke personages op een - althans aan Havankiaanse normen gemeten - redelijk economische wijze worden ingezet. De climaxen in de twee hoogtepunten - een inval in een bordeel en de finale shoot-out in een villa in de Parijse banlieue- zijn goed gedoseerd, de onthulling waarmee het boek eindigt is overrompelend.

Gezegd moet ook worden dat Havank zijn werk serieus nam. In een eerste alinea van zo'n tien regels moest voor hem het decor van de roman geschilderd worden: 'tijd, plaats van handeling, jaargetijde, weersgesteldheid'. Soms kostte het hem uren om een dergelijke alinea bevredigend op papier te krijgen. Ook had hij altijd een aantekenboekje bij zich, waarin hij invallen en bij toeval opgevangen uitspraken noteerde. 'Overigens bestaat de oogst hoofdzakelijk uit de soort van geestverbijsterende opmerkingen waarmee Monsieur [Carlier, gl] zijn dialoog doorspekt', verklaarde Havank in zijn eerdergenoemde causerie. Hij voegde eraan toe: 'Heel veel ervan blijkt later kaf, maar er blijft toch altijd nog voldoende koren over.'

In Caviaar en cocaïne heeft de auteur - in vergelijking met eerder werk - danig gesnoeid in deze hem zo dierbare grappen en grollen. Dat neemt niet weg dat hij er toch nog in slaagt een formidabele hoeveelheid zouteloze en - voor een man van midden vijftig - nogal kinderlijke ongein over de lezer uit te storten in de loop van dit verhaal, waarin de Schaduw, vermomd als Jacob de Ploertendoder, van het gerenommeerde huis Hodie Mihi & Cras Tibi, 'in verassingen' (sic), de strijd aanbindt met de narcoticabende van Prof. Dr. Prudentius Rompus Ramos Olivarum, patriarch en archimandriet, die in zijn snode werken wordt bijgestaan door geboefte dat afkomstig is uit gepatenteerde misdaadsteden als Chicago en Detroit en luistert naar namen als Hocky Ghalgencier en Mocky Gobberbock. Grote schurk achter de schermen blijkt evenwel de aan lagerwal geraakte Schaduwiaanse Gezel (met hoofdletters werd Havank van jaar tot jaar royaler) 'Don Queso'. Trouwe Havank-lezers was hij reeds bekend uit onder andere het boek Spaanse pepers, waarin hij werd gepresenteerd als 'Adrian Alexander Jonkheer van Cruytnaghel tot Pepercoeck, een man met rijke erftantes als Clavinia van Hieghel de Prieghel de Beughelbaen - die bas zingt in het kerkkoor - en Gerbranda Pannenbrander'. Wie dit flauw vindt bedenke wél dat deze genealogische opsomming in het werk van Annie M. G. Schmidt niet zou hebben misstaan.

Niettemin is de lezer, aan het eind van Caviaar en cocaïne gekomen, enigszins murw gebeukt door de in een tempo van twee per pagina op hem afgevuurde woordspelingen, en de vraag wat dan wel het kaf moet zijn geweest waarvan dit koren gescheiden is dringt zich in al haar fascinerendheid op. Daar staat evenwel tegenover dat Havanks proza, tenenkrommend als het voor de moderne lezer soms mag zijn, in de onbevangenheid van zijn barokke overdaad ook een - bij vlagen vertederende - onschuld uitstraalt die thans definitief verloren schijnt. En zo hoort het natuurlijk ook bij een jeugdliefde.

LITERATUUR

Havank, Circus Mikkenie. A.W. Bruna en zoon, Utrecht 1953.

Havank, Spaanse pepers. Idem, 1954.

Havank, Dodemans dollars. Idem, 1955.

Havank, Caviaar en cocaïne. Idem, 1959.

Havank, 'Achter de schermen van de Poppekast', in: Havank, 4 Schaduwen en 1 spook. Idem, 1958.

J. P.M. Passage, Havank - schets van leven en werk. Uitgeverij Passage, Groningen 1997. Pieter Terpstra

 (samenst.), Hoogst merkwaardig - alles over Havank. A.W. Bruna en zoon, Utrecht/Antwerpen 1975.

Margreet Hirs, 'Hoogst merkwaardig', in Het Parool, 26 januari 1995.

 


 

H.L. Wesseling (NRC, 26 augustus 1999)

Leven als Havank in Frankrijk - H.L. Wesseling

 


 Sinds 1994 bestaat de Stichting Mateor, die "het behoud van het culturele erfgoed van Havank" als oogmerk heeft. Deze stichting organiseert bijeenkomsten, maaltijden en ruilbeurzen van Havankboeken en probeert op deze en andere wijzen de aandacht te vragen voor leven en werk van de eens zo bekende detectiveschrijver. En met succes. In 1996 is op het geboortehuis van Havank in Leeuwarden een plaquette ter ere van de schrijver aangebracht. In 1997 verscheen een biografie van de hand van drs. J. P. M. Passage onder de titel Havank, schets van leven en werk. Een Nijmeegs geleerde werkt aan een bibliografie van het oeuvre van Havank. En onlangs heeft de gemeente Leeuwarden besloten een woonwijk in het noorden van de stad Havankpark te noemen. Havank is dus aan de vergetelheid ontrukt en dat doet mij goed, want zijn werk heeft mijn jeugd verblijd. 'Laetificabat juventutem meum', zoals hij zelf ongetwijfeld gezegd zou hebben, want zijn boeken staan vol toespelingen op zijn klassieke opvoeding en zijn roomse jeugd.
.
De naam Havank was een pseudoniem. De schrijver heette eigenlijk Henricus Fredericus ('Hans') van der Kallen. Hij was in 1904 geboren in een katholiek middenstandsgezin. Zijn ouders stuurden hem naar het Gymnasium Augustinianum in Eindhoven, want het was de bedoeling dat hun zoon priester zou worden. Dat is er niet van gekomen. Van der Kallen werd schrijver en wel van misdaadromans. Als zodanig was hij uitzonderlijk succesvol. Er zijn naar schatting zes miljoen exemplaren verkocht van zijn omvangrijke oeuvre dat zo'n veertig titels omvat. Waarom hij een pseudoniem nodig had, is niet helemaal duidelijk, want er komt geen onvertogen woord of passage in zijn oeuvre voor. Maar dit was toen een soort traditie. Jan de Hartog schreef detectives onder het pseudoniem F.R. Eckmar en de vader van de Nederlandse detectiveroman, Ivans, heette eigenlijk Jacob van Schevichaven. Pas na de dood van de populaire en productieve - tachtig titels! - Ivans in 1930 had Bruna behoefte aan een nieuwe detectiveschrijver en dat werd Havank.
.
Zijn eerste boeken, met titels als Het spookslot aan de Loire, Het mysterie van St. Eustache, Het raadsel van de drie gestalten en dergelijke, zijn uiterst conventioneel, maar geleidelijk ontwikkelde Havank een eigen stijl en het was die stijl waardoor hij beroemd en geliefd zou worden. Je zou het een gymnasiumstijl kunnen noemen, omdat hij gekenmerkt wordt door breed uitgesponnen vergelijkingen en veel woordspelingen. Het werk lijkt in dit opzicht enigszins op dat van Leonard Huizinga en de minder geslaagde delen van het werk van Godfried Bomans. Sommige van die geestigheden zijn overigens best aardig, zoals: "de categorische aperitief, om met Kant te spreken" of "het motto van de Engelse hangman: Neck plus ultra", maar ze worden vaak gevolgd door flauwiteiten, zoals de opmerking dat een geheelonthouder iemand met een bijzonder goed geheugen is. Namen als Freule Ludmilla de Soup van Ghisteren of de pensionhoudster mevrouw de weduwe Buitmaker-Desnijer doen sterk denken aan Henriëtte van Eyks al even gedateerde De kleine parade. Alliteraties nemen een grote plaats in het Werk in en ook in de titels van de boeken: Deurwaarders delirium, Dodemans dollars, drie dartele doodgravers et cetera. De schurken dragen vreemde namen als Ozobol Paddekens, Huck en Habacuck, Emma Grammatica, Theodoros Diamandogion. Hun handlangers heten Huckmopluck, Moskokkel, Zombo Bulgurky en dergelijke. De hoofdpersoon inspecteur Charles Cariolanus Machabeus Carlier, bijgenaamd de Schaduw, neemt steeds vreemdere schuilnamen en vermommingen aan, zoals die van Broeder Pistolarius O.P. (Ordinis Politiagentium), Zuster Grimbarda of Niftikar Kroek van de firma Bottle en Trigger, in effecten, met name dramatische. Dit alles kan men geestig of oubollig noemen, naar keuze, maar wat zeker verrassend is, is dat Havank een miljoenenpubliek wist te bereiken met detectives waarin met grote regelmaat wordt verwezen naar Homerus en Ovidius, Plato en Aristoteles, Racine en Corneille, Molière en La Fontaine, Goethe en Schiller, Shakespeare en Kipling, 
Vondel en Hooft, kortom de hele klassieke literaire canon, alsook naar het Oude en Nieuwe Testament en zelfs naar filosofen als Schopenhauer, Hegel, Nietzsche en J.B.S. Haldane. Niet minder verrassend is het een lang gedicht van Baudelaire integraal geciteerd tevinden, in het Frans.
Het is niet alleen moeilijk voorstelbaar dat deze teksten zovelen hebben aangesproken, het is ook niet eenvoudig te zeggen wat er nu eigenlijk zo aardig aan is. Echt spannend zijn ze niet. Evenmin zijn er ingenieuze plots die alleen kunnen worden opgelost door meesterspeurders als Sherlock Holmes of Hercule 
Poirot. De held valt, net als James Bond, geregeld in handen van schurken en net als in die boeken en films, wordt er geslagen, geschoten en gestoken dat het een lieve lust is, maar niets van dit alles valt ooit serieus te nemen.
Een deel van de charme van deze boeken, die in de jaren dertig, de crisisjaren dus, begonnen te verschijnen, was dat zij een venster openden op een andere wereld. De boeken van Havank spelen in Frankrijk, in Parijs of de Provence waar Havank lange tijd heeft gewoond en vaak verbleef. Hij kende het land goed en hield ervan. Voor de meesten van zijn lezers daarentegen was Parijs ver weg en Frankrijk een onbekend land. Televisie bestond niet, reizen was duur. Slechts zeer weinigen konden zich luxe, welvaart en genot veroorloven. De wereld van Havank daarentegen was een wereld van Peter Stuyvesant avant la lettre, met cabarets en elegante vrouwen, mooie huizen en dure auto's. Er wordt gelogeerd in de Savoy of het Negresco, gevaren met luxueuze jachten, gereden in Bentleys, Bugattis, Daimlers en Rolls Royces. Er wordt gesoupeerd, gedejeuneerd en gedineerd, met edele wijnen, fijne cognac en heerlijke spijzen (al is het vreemd dat Frankrijkkenner Havank Châteauneuf du Pape tot de bourgogne rekent).
In veel boeken wordt de lezer meegenomen naar Parijs en rondgevoerd door de stad, van Montmartre naar Montparnasse en van de Bastille naar Auteuil, via metrohaltes met exotischen namen als Réaumur-Sébastopol en Barbès-Rochechouart. Er hangt vaak mist over de Seine, de natte straten van Montmartre glimmen in het licht van de straatlantaarns. In andere boeken wordt de wereld van de Provence en de Méditerranée voor de geest geroepen, met zijn pleinen en terrassen, zon en zee, cypressen en platanen, pastis en witte wijn. Zo werden Parijs en Frankrijk voor veel scholieren en andere Havanklezers een levende werkelijkheid, lang voordat ze die met eigen ogen zouden aanschouwen.


[Bert van V. schreef:]

In de NRC van 26/8 stond een alleraardigst artikel van de hand van NRC-columnist H.L. Wesseling. Een uiterst lezenswaardig episteltje.

Goedemorgen, mysterieuze gestalten,
Vond je het werkelijk zo lezenswaardig? Ik had de indruk dat Wesseling de journalistieke komkommertijd aan het opvullen was met zijn eigen rotte pennevruchten. Zonder enige directe aanleiding schrijft hij nog eens de bekende weg op, want iets nieuws staat er niet in, zoals die Van Ee al terecht opmerkte.
Wesseling vraagt zich af waarom Havank een pseudoniem nodig had, "want er komt geen onvertogen woord of passage in zijn oeuvre voor. Maar dit was toen een soort traditie," corrigeert Wesseling zichzelf. Net alsof hij hier tot een sensationeel nieuw inzicht komt. Het is uiteraard in het hele detective- & thrillergenre heel gebruikelijk om onder pseudoniem te schrijven, niet alleen toen, maar later ook. Noem ze maar op, Ted Viking, Hellinger, Paul Strather etc.
"Een deel van de charme van deze boeken, die in de jaren dertig, de crisisjaren dus, begonnen te verschijnen, was dat zij een venster openden op een andere wereld."
Weer zo'n open deur (of venster...). Dat geldt natuurlijk voor alle literatuur die zich over de grens afspeelt. En in jaren 20 en 30 werd er ook veel buitenlandse literatuur vertaald en gelezen, dus dit kan geen verklaring voor het succes van Havank zijn.
Verder staan er volgens mij nog wat fouten in de namen die W. allemaal noemt. Zoek de fouten! Bv. Niftar Kroek... (haha, crook = schurk) Er klopt iets niet... Dat moet toch echt "Niftikar" zijn.

Groeten van Tim Spender


NRC Handelsblad jaar 2000

UIT HET LOOD

Berichten uit de branche
Havank geïnventariseerd en geëxposeerd
Het gaat goed met de nagedachtenis van Hans van der Kallen (1904-1964), beter bekend als Havank, de schepper van de legendarische detective De Schaduw. Enkele jaren geleden werd zijn graf in Leeuwarden opgeknapt, vorig jaar werd in dezelfde stad een groot aantal straten naar figuren uit de reeks genoemd en nu heeft C. J. Aarts een bibliografie van Havanks werk gepubliceerd. Ter gelegenheid daarvan heeft de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek een kleine tentoonstelling van Havank-boekbanden samengesteld.
.
De bibliografie (Uitgeverij C. J. Aarts en Antiquariaat Masjenka) beslaat de periode 1946-1955; de jaren waarin Havank zijn meeste (en volgens Aarts zijn beste) boeken schreef. Bovendien werden in die periode tien vooroorlogse Havanks herdrukt. Tijdens de bezetting verschenen er nog drie, waarvan het nog voor de Duitse inval geschreven De schaduw grijpt in eerst van hogerhand tekstueel aangepast moest worden.
Het leeuwendeel van de bibliografie is gewijd aan de felgele gebonden uitgaven van Havank die tussen 1948 en 1955 bij uitgeverij A.W. Bruna verschenen. Ze zijn lelijk, vindt de bibliograaf: 'Als je alle stofomslagen van de gebonden Havanks voor je op de vloer hebt liggen en je overziet dit pandemonium van veel te snel in elkaar geknoeide ontwerpen voor de pulpmarkt, dan bekruipt je het onbehaaglijke gevoel dat je niet 's werelds mooiste boeken bijeen hebt gebracht. Verder dan 'Mooi van lelijkheid' kom je volgens Aarts niet, waardoor zijn boekje overigens een erg curieuze inleiding tot de tentoonstelling (die loopt tot 31 augustus) wordt.
Dat ook de vormgever zelf niet erg tevreden was met het resultaat blijkt uit het feit dat ontwerper Rein van Looy een groot deel van de ontwerpen (Aarts: 'treurigmakende truttigheid', zelden heb ikzo'n stijlloze C over zo’n houterige Y zien hangen') niet onder zijn eigen naam wilde publiceren, bevreesd als hij was voor zijn goede naam in ontwerpersland. Nadat Van Looy een aantal ontwerpen ook in naam voor zijn rekening nam, werd de jonge Dick Bruna aangesteld om de inmiddels als paperbacks uitgegeven Havanks van het omslag te voorzien.
.
Het zou de ommekeer worden, maar staat in deze bibliografie niet meer beschreven. In Bruna's Zwarte Beertjes reeks - en dankzij Dick Bruna's omslagen –zou Havank een periode van grote populariteit doormaken, schrijft Aarts. De Bruna-omslagen vergen volgens Aarts een apart boekje. Wanneer dat verschijnt, is overigens nog niet duidelijk.

ARJEN FORTUlN


Het Parool 30-6-2000

Gezocht: Havank, skelet in frak
Havank Bibliografie, 1946-1955 C.J. Aarts & antiquariaat Masjenka, f 30
Een wulpse lezeres in nood, gekneveld en vastgebonden aan een stoel waaronder kaarslicht flakkert. Eén hand nog heeft ze vrij om een boek vast te houden. In de andere rust een pook. Het opwekkende bijschrift: Zoo leeft men mede met een boek van Havank. Daar zou de bekende vooroorlogse kreet Stop! Een Havank haast bij verbleken.
Beide aanprijzingen worden gememoreerd in de net verschenen Havank-Bibliografie 1946-1955. De jaren waarin H.F. van der Kallen, beter bekend als Havank, furore oogstte met zijn 'Theologie van het Avontuur en haar verkondiger: inspecteur Charles C.M. Carlier, bijgenaamd de Schaduw, beschermer van Weduwen en Wezen'. Een merkwaardig, hoogst merkwaardig personage, met een even eigenzinnige logica. Zo werd het Mise en bouteille au château in Havankiaanse vertaling: het kasteel is op de fles gegaan.
Als Havank was Van der Kallen een van de weinige Hollandse schrijvers die in die dagen van de pen kon leven, al stierf hij uiteindelijk - door veel drank en berooid - in 1964 op een Leeuwardense hotelkamer.
Maar met zijn leven en de avonturen van de Schaduw en Co. houdt de bibliografie zich slechts terzijde bezig. Hier gaat het om het boek als ding. Over de omslagen en hun makers, de diverse series en de al dan niet beroerde kwaliteit van het papier. Want met dat laatste was het, vooral in en vlak na de bange oorlogsjaren, droevig gesteld, aldus uitgever/Havankiaan C.J. Aarts, die samen met antiquariaat Masjenka de bibliografie samenstelde. Niet dat de lezer er minder om las. Men las door tot het papier echt op was: in de oorlog verschenen tien herdrukken.
Van der Kallen zelf was ondertussen via Frankrijk in Engeland beland waar hij, in 1942, medewerker werd van Vrij Nederland, Onafhankelijk Weekblad voor alle Nederlanders. Havank publiceerde daarin vijf verhalen en soms sierde ineens een oude detectivetitel een verse, serieuze reportage. Er klopt iets niet, kopte chef-redacteur Van der Kallen, of Hoofden op Hol.
Hij zette er ook een Londense episode van zijn held op papier: De Schaduw is terug. Maar eerst moest de inspecteur na de bevrijding (samen met zijn companen Silvère en Manon) uitwijken naar het Belgische Gent. Daar was nog voldoende papier om een aantal herdrukken uit te geven.
Met die Gentse drukken start de bibliografie. Over omslagen van half en honderd procent linnen gaat het, over eerste drukken met op de rug een hollende 'S' met bolhoed, paraplu en sigaar. Ze staan stuk voor stuk fraai afgedrukt met, waar mogelijk, de naam van de illustrator.
De zoeker naar gebonden Havanks met stofomslag heeft het, aldus de bibliografen, ondertussen niet makkelijk. ''Vooral omdat je er, als je ze eenmaal gevonden hebt, er de rest van je leven tegenaan moet kijken.'' In elkaar geknoeide ontwerpen voor de pulpmarkt waren het: mooi van lelijkheid, meer niet. Toch blijken er uitzonderingen. De Schaduw is terug (1946) en Lijk Halfstok (1948) moeten de verzamelaar stemmen tot 'ongeremde vrolijkheid'. Hoogtepunt: een skelet in frak met hoge hoed en een zeis, leunend op een brandkast.
De maker was ene Tanner die, met wisselend succes, voor een groot aantal Havank-omslagen zou zorgen. In werkelijkheid heette Tanner Rein van Looy, succesvol illustrator van brave jeugdboeken als Loes op eigen benen en Neen, Lydia, zoo niet. Van Looy wilde die keurige reputatie niet verliezen door zijn naam te gebruiken voor de in het begin soms Amerikaans aandoende omslagen, met gehangenen en blote damesruggen. 
De beroemdste Havank-illustrator had geen moeite met zijn eigen naam: Dick Bruna. Hij tekende voor het befaamde Schaduw-silhouet, het wat bolle mannetje met alpinopet en walmende sigaar. Vreemd genoeg verschijnt die beroemde afbeelding pas in 1959, terwijl de bibliografie officieel in 1955 stopt. Een bewust gekozen jaar, aldus Aarts, omdat in de jaren nadien de pocket zijn entree maakte.
Bovendien zou Havank nog maar één boek afronden: Caviaar en cocaïne, met voor het eerst het beroemde silhouet.
Ter volledigheid is het mannetje toch nog afgedrukt, met lof: “Die strakke belettering, dat grote lege vlak en dat zwarte figuurtje dat je schalks van terzijde aankijkt. Vooral die gedurfde leegte. Wat een schoonheid! Ik aarzel dan ook niet dit ontwerp voor Caviaar en Cocaïne in al zijn eenvoud uit te roepen tot het mooiste Havank-omslag aller tijden”.

CORRIE VERKERK, 30-6-2000


Woensdag, 06 juni 2001 © Dagblad De Limburger

Limburger man achter Havank-site, zie ook: Misdaad op internet

 

Limburg speelt ook een rol in de 'misdaadwereld op internet' en wel in de persoon van de 31-jarige Marco Kalnenek uit Heerlen. Hij verzorgt de eerste internet-site over de legendarische auteur Havank (1904-1964).
"Toen ik vijftien was vond ik bij toeval op zolder twee Zwarte Beertjes-pockets van Havank. Die waren van mijn vader. Ik vond ze leuk, vooral de melige humor en de omslagen van Dick Bruna spraken me erg aan. 
In totaal bleken er een dertigtal boeken van Havank te zijn verschenen en aangezien ik series graag compleet wil hebben ben ik ze gaan sparen. Op dit moment heb ik er in totaal zo'n honderdvijftig, dus alle boeken in diverse uitvoeringen', legt hij uit.
Een jaar of drie geleden zette Kalnenek de eerste schreden op het internet. "Ik ben begonnen met een muzieksite te bouwen over minder voor de hand liggende (pop)muziek. Maar aangezien er over Havank nauwelijks iets te vinden was op het net, heb ik ook over hem een site gemaakt havank.freeservers.com. Daarvoor heb ik contact opgenomen met provinciegenoot Sef Passage die een biografie over Havank heeft geschreven', aldus Kalnenek.
Behalve een biografie en de mogelijkheid om op de Havank-mailinglist te worden gezet, staan ook de laatste nieuwtjes over Havank, bibliografische informatie over de schrijver en aanverwante links op de Havank-site, die rijkelijk is voorzien van de fraaie omslagen van Nederlands meest hoogst merkwaardige' auteur.
De site zo veel mogelijk vervolmaken, is Marco's plan voor de toekomst: "Favoriete misdaadsites heb ik niet, want met Nederlandstalige misdaadliteratuur heb ik verder niet veel. Ik ben toch op de eerste plaats muziekliefhebber.'
Moet kunnen, maar de Havank-site mag er zijn. En blijven.


NRC Handelsblad 7 juli 2000
Havank geïnventariseerd en geëxposeerd

Het gaat goed met de nagedachtenis van Hans van der Kallen (1904-1964), beter bekend als Havank, de schepper van de legendarische detective De Schaduw. Enkele jaren geleden werd zijn graf in Leeuwarden opgeknapt, vorig jaar werd in dezelfde stad een groot aantal straten naar figuren uit de reeks genoemd en nu heeft C.J. Aarts een bibliografie van Havanks werk gepubliceerd. Ter gelegenheid daarvan heeft de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek een kleine tentoonstelling van Havank-boekbanden samengesteld.
De bibliografie (Uitgeverij C.J. Aarts en Antiquariaat Masjenka, f 30,-) beslaat de periode l946 1955; de jaren waarin Havank zijn meeste (en volgens Aarts zijn beste) boeken schreef. Bovendien werden in die periode tien vooroorlogse Havanks herdrukt. Tijdens de bezetting verschenen er nog drie, waarvan het nog voor de Duitse inval geschreven De schaduw grijpt in eerst van hogerhand tekstueel aangepast moest worden.
Het leeuwendeel van de bibliografie is gewijd aan de felgele gebonden uitgaven van Havank die tussen 1948 en 1955 bij uitgeverij A.W. Bruna verschenen. Ze zijn lelijk, vindt de bibliograaf: 'Als je alle stofomslagen van de gebonden Havanks voor je op de vloer hebt liggen en je overziet dit pandemonium van veel te snel in elkaar geknoeide ontwerpen voor de pulpmarkt, dan bekruipt je het onbehaaglijke gevoel dat je niet 's werelds mooiste boeken bijeen hebt gebracht'. Verder dan 'Mooi van lelijkheid' kom je volgens Aarts niet, waardoor zijn boekje overigens een erg curieuze inleiding tot de tentoonstelling (die loopt tot 31 augustus) wordt.
Dat ook de vormgever zelf niet erg tevreden was met het resultaat blijkt uit het feit dat ontwerper Rein van Looy een groot deel van de ontwerpen (Aarts: 'treurigmakende truttigheid', 'zelden heb ik zo'n stijlloze C over zo'n houterige Y zien hangen') niet onder zijn eigen naam wilde publiceren, bevreesd als hij was voor zijn goede naam in ontwerpersland. Nadat Van Looy een aantal ontwerpen ook in naam voor zijn rekening nam, werd de jonge Dick Bruna aangesteld om de inmiddels als paperbacks uitgegeven Havanks van het omslag te voorzien.
Het zou de ommekeer worden, maar staat in deze bibliografie niet meer beschreven. In Bruna's Zwarte Beertjes reeks - en dankzij Dick Bruna's omslagen - zou Havank een periode van grote populariteit doormaken, schrijft Aarts. De Bruna-omslagen vergen volgens Aarts een apart boekje. Wanneer dat verschijnt, is overigens nog niet duidelijk.

ARJEN FORTUIN


vrijdag, 21 juli 2000 © Dagblad De Limburger

De Schaduw is terug door Jos van Cann

Vlak na de oorlog was een Havankje synoniem voor een thriller, een detective. De schrijver Havank is echter nog steeds - 36 jaar na zijn overlijden - een begrip in de Nederlandstalige misdaadliteratuur. Dat blijkt onder meer uit de bibliofiele expositie die nog tot 31 augustus is te zien in de Galerij Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam.

De tentoonstelling is ingericht naar aanleiding van het verschijnen van de Havank Bibliografie 1946-1955 van C.J. Aarts. Daarin worden alle boeken van Havank (pseudoniem van H.F. van der Kallen, 1904-1964) uit deze periode beschreven en in kleur afgebeeld. Aarts bespreekt de banden, de vignetten, de stofomslagen en alle bekende omslagontwerpers als Dick Bruna, Tanner en B. Mohr.
Het succes en de populariteit van Havank (in totaal zijn er meer dan zes miljoen Havanks verkocht) waren mede het gevolg van de tijd waarin zijn detectives verschenen. Tijdens de oorlog werd er volop gelezen. Vooral boeken met spanning en avontuur vonden, als afleiding in deze donkere dagen, gretig aftrek. Boekhandels raakten door hun voorraden heen en uitgevers konden, geplaagd door wettelijke bepalingen en papierschaarste, nauwelijks aan de grote vraag voldoen. Van Havank werden tijdens de bezetting drie nieuwe romans uitgeven en tien vooroorlogse romans herdrukt. Maar in 1945 was alles op.
Havank zelf was in 1942 via Frankrijk, Spanje en Portugal naar Engeland ontkomen en in Londen redactiesecretaris geworden van het daar in het Nederlands verschijnende weekblad Vrij Nederland. In Londen had hij ook een nieuwe misdaadroman geschreven die geheel in Londen speelde: Een Londensche episode. Dit werd de eerste Havank die na de oorlog in Nederland verscheen en kreeg de toepasselijke titel De Schaduw is terug, net als de expositie.

Van 1946 tot 1955 publiceerde Havank dertien nieuwe misdaadromans en werden zijn dertien vroegere romans herdrukt. Alle boeken verschenen gebonden met voor die tijd kenmerkende gele stofomslagen. De tentoonstelling De Schaduw is terug toont deze zesentwintig romans. Na 1955 stokte Havanks productie: er zouden nog maar twee verhalenbundels en anderhalve roman volgen.
Havank Bibliografie 1946-1955.
Uitg. C.J. Aarts en Antiquariaat Masjenka, ISBN 9061876567, 48 pag

 


Leeuwarder Courant, 9 januari 2001, Opknapbeurt voor grafsteen Havanks hondje

De grafsteen voor Nicky, het hondje van detectiveschrijver Havank krijgt voor 22 juni a.s. een opknapbeurt. De steen, op het terrein van de Dekemastate bij Jelsum, was in de loop der jaren zoekgeraakt. Enige tijd geleden is hij in een naburig weiland teruggevonden. De opknapbeurt geschied in opdracht van de stichting Meteor, die de nalatenschap van de schrijver Hendrikus van der Kallen beheert.


 

 

 

 

   Terug       Volgende artikelen