STOP!!!   (VAN) ALLES OVER HAVANK

   
 

DIVERSE ARTIKELEN 13

   

.

 

 

<BGSOUND src="http://home.wanadoo.nl/kees.luykx/soldiers.mid">

 

 

DE SCHADUW EN SINT CHRISTOFFEL

I

 

Een deftig heerschap stapte rustig rond door de straten van een stadje ergens in het zuiden van Nederland en bekeek aandachtig de aanplakbiljetten op een kiosk.  “Verwacht” stond er met grote letters “het optreden van WANA, de parel uit het zuiden”….mmm mompelde het deftig heerschap en keek verder “Stop de bouw op het Thaliaplein, stop de afbraak van ons cultureel erfgoed” weer een mmmm was het resultaat, “Stadswandeling elke dag om 14:00 uur”, weer volgde een mmmm, “Bezoek het Markiezenhof, het mooiste stadspaleis van Nederland”…   Dit keer ontsnapte er geen mmmm maar een ach uit de mond van het deftig heerschap welke met een dik gerande bril, die hij overigens alleen droeg voor decorum, het een en ander aandachtig las om daarna weer rustig verder te wandelen tot hij op het marktplein van de stad aankwam om vervolgens koers te zetten naar een terras in de zon.
Statig stak de robuuste kerktoren af in het flauwe licht van de lente zon, de officiële naam was de Sint Getrudis Kerk maar niemand sprak ze uit want iedere recht geaarde inwoner sprak bijna liefkozend over “’t Peperbuske”.  Op het marktplein ook wel de “grote markt” genoemd liepen wat mensen en er stond een zwarte auto met draaiende motor en een gezette man in een smoezelig vuil hemd die schijnbaar op iemand stond te wachten.   Het deftig heerschap nam plaats en zag zich in gedachten al rondslenteren in het Markiezenhof toen het carillon hem uit zijn gepeins deed opschikken, en hij keek met een schuin oog naar de toren en vond het maar een lelijk geval.
De brochure waarin hij keek toonde de toren bij bijzondere gelegenheden namelijk tijdens een koninklijk bezoek was hij in een strak zwart jacquet en tijdens de carnaval in een enorme boerenkiel.  Oh ja hij las net dat carnaval in dit stadje eigenlijk niet het juiste woord was maar “vastenavond”.   De heer in kwestie huiverde bij de gedachte aan al die zotte dwaasheid van zatte mensen die luid lallend over de straten hosten tot laat in de nacht.   Maar van die zotheid, door stadsgenoot Anton van Duinkerken verdedigd in "Verdediging van Carnaval" en  bejubeld door Erasmus in zijn boek “de lof der Zotheid” was nu gelukkig niets van te merken.  De beiaardier bespeelde het carillon vol overgave en trots klonk het “Merck toch hoe sterck” en dit was eigenlijk het enig carillon in de lage landen die dit lied met recht mocht spelen want zo had de deftige heer in kwestie kon lezen, dat deze onlosmakelijk was verbonden met het roemrijke verleden van dit nu zo rustige stadje Bergen op Zoom genaamd.   Met een schuin hoofd keek hij naar de overkant van het marktplein naar herberg den Draeck, tegenwoordig gewoon “de draak” genoemd en de oudste herberg van heel Nederland.   Hier hadden hij en Lola een kamer geboekt voor komende nacht, en vervolgens keek hij naar een gebouw aan de andere kant waarop met grote letters “De Maagd” stond.  Volgens de brochure zou deze vroegere “maagdenkerk” thans als theater dienst doen.   Deze oudere heer was niemand minder dan hoofdinspecteur C.M. Carlier van de Sûreté Nationale te Parijs die nog beter bekend stond als de Schaduw en wiens naam vele misdadigers deed huiveren.   Echter in dit stadje was hij volkomen onbekend wat deze heer beurtelings deed snuiven van ongenoegen en van de aangename rust.   Het was nooit de bedoeling dat hij hier zou belandde want hij was op weg naar Amsterdam om een lang uitgesteld bezoek aan zijn collega Uyttenbogaert en zijn vrouw te brengen.   Echter de voorzienigheid had hem blijkbaar hierheen gedirigeerd want autopech maakte dat de reis niet verder voortgezet kon worden.   Zijn vrouw Lola wilde nog wat uit de auto halen die bij de garage stond en de Schaduw had afgesproken dat hij eerst even een wandelingetje ging maken om vervolgens op een terrasje af te spreken. 
 

   
  De grote markt met "de peperbus".
Met rechts er van 't Locomotiefke
 

 

 

II

Hij bestelde een cognac bij de ober en zei dat hij de voorkeur gaf aan dubbele “portie” maar wel een die niet voor fikkie bedoeld was waarmee de heer in kwestie aangaf dat het beslist goede diende te wezen.  De waard of ober  knikte keurig en mompelde zoiets als “vanzelfsprekend”.   De Schaduw wachtte ongeduldig en bladerde verder door de brochure en las over de vele historische feiten welke dit stadje zo roemde.  De ober bracht een dubbele portie en de Schaduw begon waarachtig al wat meer waardering te krijgen voor de peperbus.   Hij las veder over de sleutel functie die deze stad vervulde in het verleden en hoe de Fransen het de bijnaam “La Pucelle” of te wel “De Maagd” hadden gegeven omdat het praktisch de enige stad in de zuidelijke Nederlanden was die nooit gevallen was.   Hij las over de Grebbe een groots riool enig in zijn soort en over de heren van het Markizaat van Bergen op Zoom en over het Markiezenhof een stads paleis waarvan er maar 2 in Nederland zijn en over de Gevangenpoort.  “Ja dank u” sprak de Schaduw tegen de ober die weer een “portie” kwam brengen en de voorjaarszon scheen heerlijk op zijn lijf en leden en de Schaduw kwam tot rust.   Aan een tafeltje verderop zaten 2 heren een heftige discussie te voeren waarbij de gemoederen blijkbaar hoog op liepen.  De ober liep op de mannen toe en zette 2 pullen bier op tafel en begon een kort gesprek.  De Schaduw verstond er slechts enkele woorden van en keek verveeld om hem heen.   Plotseling drong het geluid van een gillende stem tot hem door en het duurde even voordat hij besefte wat de stem in kwestie nu voor noten op zijn zang had.  “ou’tum” gilde de stem weer, en loom keek de Schaduw in de richting  van de stem die blijkbaar een man achterna rende.   De man, klein van gestalte en met een spits haast fret-achtig gezicht, had een soort van ketting in zijn hand en wilde het marktplein af lopen en de stem in kwestie, een lange magere man met een paardengezicht die slungelig er achteraan liep wilde dit klaarblijkelijk voorkomen.   De Schaduw trok zijn wenkbrauwen op en aarzelde even, was dit nu de lokroep van avontuur of….”ach wat” bromde hij en gooide zijn paraplu voor hem uit.   Het resultaat mocht er zijn, de man, inmiddels “fret” gedoopt door de Schaduw, maakte een grandioze smak over de gladde kinderkopjes en verloor minstens een tand of twee om een paar tellen later door “het paard” stevig vast te worden gegrepen.   De auto met draaiende motor reed weg en de Schaduw trok zijn wenkbrauwen open besliste dat dit merkwaardig zo niet hoogst merkwaardig was.   Hij liet wat geld achter op zijn tafel en liep naar “het paard” en de “fret” toe en vroeg aan de eerste in gebrekkig  Nederlands of hij “hulp nodig” had.   Met het onmiskenbare dialect van de streek antwoordde de man “neeje mar da ge bedankt zijt da witte”.   Het duurde even voordat de Schaduw deze woorden vertaald had want zijn kennis van de Nederlandse taal was maar beperkt, maar knikte toen vriendelijk terug terwijl hij keek naar de ketting die “de fret” had willen stelen.   Het leek een soort van gilde- of ambtsketen maar zeker weten deed hij dat niet, maar ach het ging hem verder ook niets aan hij had tenslotte vakantie. In de verte zag hij Lola aan komen lopen en besloot haar tegemoet te komen.   Lola was een pittige en prettig ogende Française met een mooi vrouwelijk figuur, bruin haar en...zijn vrouw die onvoorwaardelijk voor hem koos.  Onbewust het lied van de tinnen soldaatjes neuriënd liep hij het plein af het smalle en  verlaten straatje in en begroette Lola toen hij achter hem een auto hoorde naderen en even opzij stapte om deze te laten passeren.   De auto in kwestie minderde hoorbaar snelheid en voor de Schaduw het goed en wel besefte ging er een deur open en grepen 2 paar handen hem en Lola vast en werden ze ruw de auto in getrokken waarna ogenblikkelijk de deuren weer werden gesloten.   Met hoge snelheid vertrok de auto, een stem naast hem riep “da zal ‘um leren” en toen werd alles zwart.

 

 
  Het Thaliaplein onder constructie  

 

 

III

Toen de Schaduw ontwaakte bonkte heel zijn hoofd en de bult er op voelde pijnlijk aan.   Hij keek rond en ontdekte dat hij in een donkere en vochtige ruimte opgesloten zat, vermoedelijk een kelder, waar zelden of nooit zonlicht binnen kwam.   Hij kon in ieder geval geen raam ontdekken of iets wat er maar op leek, het stonk er behoorlijk en de grond was hard, verder was het te donker om details te onderscheiden en omdat hij vastgebonden zat kon hij ook niet op onderzoek gaan.  Lola… waar was Lola gebleven ging er door zijn heen?  Hij hoopte maar dat zijn vrouw niets was overkomen.   Veel tijd om na te denken had hij niet meer want de deur werd ontgrendeld en open gegooid en 2 mannen met een zaklamp traden binnen.   Nu zag de Schaduw tot zijn schik dat Lola zich ook in deze ruimte bevond en met twee rode ogen keek ze hem aan, “alles goed” vroeg hij.  Ze knikte van ja.   Hij wilde omhoog komen maar een ijzeren staaf en twee knuisten verhinderde hem dit.   “Je kun je zelf beter rustig ou’en” riep de grootste van de twee.   Als je ze wat hebt aangedaan dan zweer ik je vuile rat…. siste de Schaduw, verder kwam hij niet want in zijn schouder voelde hij plots een scherpe pijn.   Een gemeen gegrinnik volgde en een stem zei “hou je praatjes maar voor je…”   “Je kun beter luisteren naar ‘um vader want ‘ij ‘et nie zo op buitenlanders” hoorde hij de ander zeggen.   De Schaduw zweeg maar besloot dat zijn wraak zoet zou zijn indien hij…   Voorlopig zou hier weinig van komen en hij werd naar ruw naar een ander vertrek gesleept  waar een fel licht in zijn gezicht gericht werd. Deze ruimte was een stuk hoger en groter dan de cel maar door het felle licht zag hij alleen de vieze grond en zag nog net een rat een donker gat in vluchtten. Een man met een zware basstem, sprak "de enigste zekerheid die er op de wereld bestaat is de onzekerheid van het weer, maar door jouw toedoen zijn wij de ambtsketen van de burgermeester misgelopen en hebben we een medewerker verloren maar je kunt er toch heel zeker van zijn dat je hiervoor een zware prijs zult betalen!.” De Schaduw antwoordde in het Frans dat hij er niets van begreep en de mededeling werd keurig in zeer goed Frans herhaald.  De Schaduw die in de loop der jaren een meer dan goede mensenkennis had opgebouwd hoorde dat dit beslist geen man was om spelletjes mee te spelen en besloot dat het wijzer was zich rustig te houden….voorlopig dan toch.   Het leken hem niet de misdadigers uit een grote stad die hem zonder meer zouden vermoorden maar toch, je wist nooit en hij moest tenslotte ook aan Lola denken.   “Daarom” sprak de man met sonore stem verder “ daarom zal jij de ambtsketen moeten terug halen voor ons wil jij die dame daar nog terug zien”.  “Je krijgt een dag de tijd en we zetten je buiten af”.  “Ja maar,  hoe neem ik dan contact met jullie op?” vroeg de Schaduw.   “Doe geen moeite, wij nemen contact met jouw op sprak de stem met onmiskenbare spot”. “Oh ja het is veel beter voor de gezondheid van je vrouw dat je er geen politie bij haal, al zou ik niet weten wat die kon doen in dit geval, ik hoop dat we elkaar begrijpen”.   “Oké Teun” sprak hij en gaf een knik naar iemand naast de Schaduw en opnieuw werd alles weer zwart, heeeel zwart voor de ogen van de Schaduw.   Toen de Schaduw later weer ontwaakte was het nog steeds donker en vochtig maar nu lag hij in een donkere steeg en regende het zachtjes.   Zijn hoofd deed het niet zachtjes aan, dat bonkte en dat gilde moorddadig hard om aspirine, een doosje vol, kilo’s aspirine en …om wraak.  

   
  Het stadhuis   
 

 

 

IV

De Schaduw overwoog wat hij nu kon doen.  Het was duidelijk dat deze mensen geen geweld schuwden en hij wilde zeker niet riskeren dat Lola iets zou overkomen.   Het waren beslist geen echte beroeps criminelen want al zijn papieren en geld had hij mogen behouden, ze waren mogelijk zo zeker van zichzelf dat ze niet eens de moeite hadden genomen om zijn zakken door te kijken.     Naar de plaatselijk politie gaan zag hij niet zitten, en hier had hij natuurlijk geen enkel gezag.   Bovendien zou er wel eens veel tijd verloren kunnen gaan om eerst alles te moeten uitleggen en hoogst waarschijnlijk zouden de ambtelijke molens de zaken alleen maar erger maken en of hij als buitenlander de juiste medewerking zou krijgen dat was maar de vraag.   Nee besloot hij, hij moest eerst meer te weten zien te komen en waar kon dit beter dan in een café of restaurant.   Hij keek rond en begon te lopen, veel licht was er deze avond niet, het leek alsof hij onder een zwart fluwelen paraplu van mollenvelletjes liep met kleine gaatjes erin voor de sterren en een wat groter gaatje voor de maan, maar deze laatste liet zich nauwelijks zien.  Na een kwartiertje zag hij een straat die hij herkende en niet veel later was hij weer op de “grote markt” en liep de drinkgelegenheid “’t Locomotiefke” binnen waar hij eerder die dag op het terras had gezeten en zag dat hij alleen in de zaak was en vond dit alleen maar beter.   Hij begroette de ober uitbundig en bestelde “nog zo’n fantastische dubbele cognac als vanochtend”.  De man nam hem in eerste instantie minzaam op kijkend naar de smoezelige jas maar dan kwam blijkbaar de  herkenning en vriendelijk knikte hij terug.     De Schaduw op zijn buurt nam de man op en schatte hem in als een sportieve man van ongeveer 36 jaar waar vrouwen wel voor zouden vallen, waarschijnlijk ongehuwd want hij droeg geen ring, en niet op zijn achterhoofd gevallen want hij verstond en sprak tenslotte de Franse taal meer dan redelijk.   Meneer is niet van deze omstreken sprak de man terwijl hij het gevraagde bracht aan “meneer”. Deze schudde voorzichtig zijn nog immer pijnlijk hoofd en nam haastig  een slok van de verzachtende cognac.  “hebben ze de dief nog opgesloten”  informeerde de Schaduw belangstellend.  De man vertoonde nu pas wat meer emotie en riep dat het een schande was dat men op klaar lichte dag geprobeerd had om de ambtsketen te stelen en dat het gelukkig was dat “meneer” dit verhinderd had. “En ja, hij zat vast”.   “Zo bijzonder is toch eigenlijk zo’n ketting niet” vroeg de Schaduw langs zijn neus weg.   “Ach dat moet je niet te vlug zeggen” sprak hij en boog zich wat dichter naar de Schaduw, “er doen geruchten de ronde dat de ambtsketen de sleutel is tot een kostbaar bezit, mogelijk een schat”.   De Schaduw spitste zijn oren en bood hem wat te drinken aan en de man schonk zichzelf ook een glas cognac in.   “Een kostbaar bezit zei je en mogelijk een schat, maar dat is toch iets uit boeken en toch niet meer van deze tijd, wat voor groot bezit of schat zou het dan moeten wezen?”.   Even zag de Schaduw een flikkering in de ogen van de man en deze sprak haast fluisterend “het gerucht doet de ronde meneer dat er pas een document is gevonden welke een aanwijzig zou bevatten over een ambtsketen die de sleutel zou vormen in deze zaak”.   De Schaduw knikte peinzend stak een sigaar op en vroeg toen, “heb je zelf enig vermoeden?” De man kwam nu bij hem zitten, blijkbaar blij met wat aanspraak en schonk beide nog eens in.  “Wel precies weet ik het niet meneer maar als lid van de plaatselijke heemkring weet ik dat er al meer van dergelijke documenten gevonden zijn maar die bleken uiteindelijk allemaal nep te zijn”.  “Sommige tongen beweren dat het te maken heeft met een schip of een huis maar dat weet ik nog niet zo net”.   “De naam is trouwens Kees Obrecht maar zegt u maar Nilles”, aangenaam Carlier zei de Schaduw en schudde de aangereikte hand”.   De Schaduw nam een slok cognac en een diepe trek van zijn sigaar en dacht na.  “Weet jij wat ze met de ambtsketen hebben gedaan?” vroeg hij aan Nilles.   Nilles dacht duidelijk even na en zei “die hangt hoogstwaarschijnlijk weer terug in de raadszaal”.  “Tja dan zal hij nu wel beter bewaakt worden” opperde de Schaduw voorzichtig.   Ach, meneer Carlier dat zal zo’n vaart niet lopen er is nog nooit iets uit het gemeente huis weggenomen en zo’n ambtsketen op zich heeft eigenlijk meer historische waarde dan echte financiële waarde want ze is in principe onverkoopbaar ziet u.   “Dus u denkt dat het document en de ambtsketen samen nodig zijn om het raadsel op te lossen” informeerde de Schaduw voorzichtig om niet te veel achterdocht aan te wakkeren.  “Tja zelf heb ik er wel eens over nagedacht natuurlijk” zei Nilles terwijl hij zich op zijn voorhoofd krabde “maar ik heb eigenlijk ook geen idee al klink het wel heel aannemelijk”.     De Schaduw stond op, betaalde de man en gaf een dikke fooi.  Nilles bedankte uitbundig, hield de deur voor hem open en de Schaduw stapte de deur uit en……. de nacht binnen.

   
  Herberg de draak bij nacht  

 

 

V

De Schaduw besloot eerst maar eens een bezoek te brengen aan de garage, die waarschijnlijk wel dicht zou zijn maar in de auto…   Mopperend stapte hij door, de motregen had plaats gemaakt voor een pittige regenbui.   Eenmaal bij de garage aangekomen zag hij tot zijn opluchting dat zijn auto buiten gereden was en klaar stond om opgehaald te worden.  De Schaduw reisde nooit zonder zijn persoonlijke wapenuitrusting die hem al vele malen in de franse onderwereld het leven gered had en nog vele malen meer een goede dienst hadden bewezen.   Gelukkig had hij nog zijn reserve sleutels op zak opende de auto en vond even later wat hij zocht, een alpino pet met kurk en plaatstalen vulling, een regenjas, verse Willem Nobel II sigaren en een zwarte etui die hij even vluchtig inspecteerde en daarna zichtbaar tevreden bij zich stak.   Hij keek op zijn horloge en zag dat het inmiddels één uur was geworden en vervolgens liep hij terug naar zijn hotel.  De Schaduw, vroeg om zijn sleutel en ging naar zijn kamer nam eerst een bad, bestelde een zwarte koffie en kleedde zich om in een zwarte broek een grijze koltrui met dito jasje.   Hij opende een koffer en trok een paar plomp ogende schoenen aan met nogal dikke rubberen zolen.  Het bijzondere hieraan was dat ze voorzien waren van een ingebouwd veermechanisme en een mes wat hij door met zijn hiel ergens tegen aan te tikken er uit kon laten springen.   Meer wapens durfde hij niet mee te nemen omdat hij zeker Lola niet in gevaar wilde brengen als hij gesnapt zou worden, hetzij door de politie hetzij door…door…door die ratten.   Hij bedacht dat het stadhuis vast meerdere ingangen had en dat de ingangen aan de achterzijde vaak voorzien waren van slechte sloten.   Even later verliet hij het hotel langs de zij-ingang om nieuwsgierige blikken te ontwijken en liep richting het stadhuis. Boven op het stadshuis stond de spreuk “Mille Periculis Superum” of vrij vertaald “1000 gevaren kwam ik te boven” en de Schaduw die zijn Latijn kende hoopte dat dit niet op deze nacht zou slaan.   Misschien moest hij deze spreuk maar als lijfspreuk adopteren bedacht hij zich, want last van enige valse bescheidenheid had hij niet.  Maar hij dacht ook aan zijn Lola…   Hij liep het Anna-straatje binnen en bekeek een kleine deur die er oud maar onderhouden uitzag.  De Schaduw keek even om zich heen en haalde uit de zwarte etui een soort van platte haaknaald en stak deze in het slot van de deur.  Na een paar minuten hoorde hij de bekende klik en nadat hij de deur had geopend stapte hij nieuwsgierig naar binnen.   Het duurde even voordat zijn ogen gewend waren aan de duisternis, hij bevond zich in een vertrek die vermoedelijk als keuken dienst deed en waar het rook naar stampot en de Schaduw trok een vies gezicht.  Hij had al eerder met de Hollandse keuken kennis gemaakt en vond deze maar niets.  Hij liep langs de pannen en de potten en langs een poes die hem als gehypnotiseerd zat aan te staren. “Dag poes” sprak de Schaduw vriendelijk en dacht aan zijn eigen kater Doctor Archimedes Antraciet genaamd maar de poes draaide zich verwaand en zonder enig geluid om en verdween in het gebouw.  Voorzichtig liep de Schaduw verder en hij kwam uit op een gang maar daar was het te donker om iets te kunnen zien dus haalde hij zijn zaklamp te voorschijn en hoopte maar dat niemand het licht zou zien.   Via de gang bereikte hij een korte trap en hij wist dat hier achter de raadzaal van het stadhuis lag.  De deur was op slot maar ook dit slot was niet tegen de wilskracht en het juiste gereedschap van de Schaduw bestand zodat hij weldra ook hier binnen stond.   Hij bekeek de zaal en liep langs de grote vergadertafel met zijn deftige zetels en stelde zich voor hoe fijn het wel niet moest wezen om gezeten aan een dergelijke tafel met een hamer iedereen het zwijgen op te leggen en dacht grimmig aan de schurken, aan die ratten die… snel doofde de Schaduw zijn zaklamp en hield zich muisstil, met een bonzend hart hoorde hij voetstappen en gedempte stemmen.   De voetstappen en de stemmen verwijderde zich weer en de Schaduw ging opgelucht verder op speurtocht.   Terwijl de Schaduw rond keek mopperde hij een beetje en wel voornamelijk op zich zelf, “het was beter geweest dat ik wat meer over de bergplaats had gevraagd”.   Aan de ridder in harnas compleet met zwaard en schild zou hij het niet kunnen vragen, deze leek hem met een afkeurende blik aan te kijken maar daar had de Schaduw geen oog voor.   Voorzichtig liep hij rond en inspecteerde de zaal, voor de pracht en praal hierin had hij echter ook geen oog want waar zou die verdraaide keten nu bewaard kunnen worden.   Na bijna een kwartier te hebben rond gezworven van de ene kant naar de andere kant viel zijn oog plots op een deurtje in de muur dat net verlicht werd door de koplamp van een passerende auto. Omdat hij vrij hoog zat en de Schaduw in deze zaal liever spaarzaam zijn zaklamp gebruikte om ongewenste aandacht te voorkomen had hij deze de eerste keer niet opgemerkt.   De Schaduw groot van geest maar niet al te groot van stuk pakte er een stoel bij om er beter bij te kunnen komen.   Snel haalde hij weer zijn zwarte etui te voorschijn en begon aan het slot te werken.  Eenmaal stopte hij omdat hij weer voetstappen voorbij hoorde gaan, maar een aantal minuten later moest ook dit slot het onderspit delven.   Achter de deur lag een grote zwarte cassette en de Schaduw greep snel de doos vast, echter hij deed dit zo onstuimig dat hij zijn evenwicht verloor en met stoel en al over de vloer van de raadzaal rolde.   Hoewel er een dik tapijt op de vloer lag gold dit niet voor de hele ruimte en met een luidde  “booing” kwam hij tot stilstand tegen de benen van de ridder in het harnas die hem zwijgend maar verontwaardigd leek aan te kijken .  Buiten hoorde hij snelle voetstappen naderen en de Schaduw stond snel op een holde zo snel zijn benen hem dragen konden naar buiten, via de trap, de gang, de keuken en door het kleine deurtje naar buiten…..

   
  De Jan van Ass[elbergs] bank  

 

 

VI

De Schaduw liep weer de richting uit waar hij het laatst ontwaakt was en zag dat hij langs een park kwam en besloot dat hier hoogst waarschijnlijk banken in het “wild” voor moesten komen zodat hij even kon bijkomen van alle inspanningen en commotie.   “Jan van Ass” las de Schaduw op een grote statige gemetselde bank welke zacht beschenen werd door de lantaarnpaal er naast en besloot dat deze bank voorlopig voldeed aan zijn behoeften en nam plaats.   Het water was donker en strak als een biljartlaken, er was bijna geen wind. De regen was nu gelukkig opgehouden op zo nu en dan een spatje na, en hij besloot om de cassette eens aan een nader onderzoek te onderwerpen.   Het had een diep donkerblauwe kleur en niet zwart zoals hij eerst gedacht had en het was versierd met het stadswapen van Bergen op Zoom.   Nieuwsgierig opende hij de cassette en bekeek de ambtsketen die mooi afstak op het zwarte fluweel en zacht glinsterde in het maanlicht.   Deze oversized bedelarmband zoals de Schaduw hem bestempelde verraste hem met al zijn figuren en details.   Hij besloot de voorwerpen aan de ambtsketen eens te bestuderen en bekeek aandachtig alle details, zoals penningen van de diverse gilden, een penning met het wapen van de stad, een schip met volle zeilen.  Het zag er op zich niet bijzonder uit,  eigenlijk precies wat je mag verwachten van een dergelijke ketting en omdat er vele inscripties in het Latijn waren kon de Schaduw de meeste lezen.   Tja wat nu gedaan, de ambtsketen was in zijn bezit maar hoe kwam hij nu weer in contact met zijn ontvoerders.   Hij besloot eerst hier nog maar even te wachten en om de tijd te doden in gedachte de brochure over de stad nog eens  door te nemen.   Al spoedig waande de Schaduw zich terug in voorbij jaren en liep rond op Reimerswaal, bekeek de vergeefs aanvallende Spanjolen en Fransozen vanuit de “kijk in de pot”, voer het kleine haventje binnen en dwaalde rond in het Markiezenhof alwaar hij kennis maakte met Jan metten lippen en zijn 50[!] nakomelingen,  ridder De Morgan en bouwmeester Anthonius Keldermans om vervolgens op een galabal in vol ornaat te walsen met een zeer aantrekkelijke jonge dame die hem vroeg of hij wist dat het schip noord-oost moest varen.   Voordat hij echter kon antwoorden was er een aardbeving en de Schaduw wilde vluchtten maar handen grepen hem stevig vast om vervolgens wakker te worden en zag 2 grijzende tronies die hem spottend aankeken.    “Kijk daar zijn we weer” riep een bekende stem “je ziet wel dat we je wel weten te vinden vader”, en voordat de vader in kwestie wat kon antwoorden daalde er een hard voorwerp neer op zijn gepantserde alpino.   Een zachte plok klonk en de Schaduw zag even een hoop sterren en voelde hoe 1 van de mannen hem over zijn schouders gooide.   Gelukkig vonden ze het niet nodig om hem vast te binden of om zijn zakken te doorzoeken.    De baas zal blij zijn Teun sprak de man in wie de Schaduw de man herkende die eerder op de dag bij de draaiende auto op de grote markt stond te wachten, misschien krijgen we een keertje opslag grijnsde hij.  “Ge ken beter kijke da we onderweg gin volk tege komme Otto, anders is ‘t gin opslag mar ontslag en wel definitief”.   “Witte gij wa de baas nou eigenluk met die ketting aan mot?” vroeg hij weer.  “Geen idee bromde de ander, maar sinds hij dat document heeft gevonden doet hij allemaal nogal moeilijk”.    “Enne om helemaal eerlijk te zijn, ik wil het ook liever niet weten”.  “Die Rob Marion heeft zoveel connecties dat het telefoonboek onleesbaar zou worden als ze zijn naam met alle namen die hij kent met lijntjes aan elkaar zouden verbinden”.    Er school een zekere profetische kennis in deze uitspraak, wel eens waar in een ander verband maar toch….

   
  't Locomotiefke  

 

 

VII

De Schaduw besefte dat hij zich het beste bewusteloos kon houden omdat dit de snelste mannier was om zijn Lola weer te kunnen terug vinden en eenmaal daar dan zag hij wel verder.   De beide mannen wisselde verder niet veel woorden onderweg en droegen hem beurtelings over hun schouder als of hij een zak aardappelen was.   Ze staken het park over en kwamen bij een gebouw omgeven door water wat de Schaduw herkende van de brochure en moest even denken aan de malle volksnaam “het pielekeswater”.  Ze staken het smalle bruggetje over en liepen het oude vestingwerkje binnen “het ravelijn” genaamd.  Op het kleine binnen plaatsje was nagenoeg niets te vinden zodat de Schaduw zich afvroeg waarom ze hem hier heen hadden gebracht, maar ze liepen recht op een traliewerk af in de muur met wat planten en …het bleek dienst te doen als een toegangspoort.  Onder hem zag hij een smalle en steile trap naar beneden verdwijnen, en een muffe geur drong tot hem door.    Een van de mannen pakte een lantaarn van de muur, stak hem aan en hing die rond zijn nek, “effe met z’n tweeën” riep hij.  De eerste kwakte de “zak met aardappelen” op de grond en vervolgens pakte de nummer 1 zijn voeten en nummer 2 pakte hem onder zijn schouders.   “ij mot nodig aan de lijn vin de gij ok nie Teun” vroeg Otto aan zijn kompaan in het kwaad. “Ach dat komt wel goed, ik heb begrepen dat de baas ze gewoon opgesloten wilt laten zitten totdat alles is afgerond en dan laten we ze los in de Grebbe zodat ze er zelf maar uit moeten zien te komen”.   Onder tussen waren ze onderaan de trap gekomen en de weg ging verder, de Schaduw zag de spinnen, de ratten en het vocht op de muren.  De Schaduw begreep dat ze zich onder het water moesten bevinden en de lucht werd steeds onaangenamer en hij herkende deze lucht die er ook hing tijdens zijn vorige verblijf.   Na een half uurtje kwamen de mannen in een groter booggewelf en in het midden liep een stroompje vuil water met hierin drijvende voorwerpen die de Schaduw bijna deden kokhalzen en hij begreep dat dit het riool de Grebbe moest zijn en hoopte maar dat ze alleen voor deze keer niet zouden uitglijden.    Door de spleetjes van zijn ogen zag hij de grote roestige ijzeren ringen aan de muur  en hij dacht dat het ooit misschien wel een aanlegplaatsje was voor bootjes. [en hij zat dichter bij de waarheid dan hij vermoedde].    Halver wegen stopten ze en Otto trok aan 1 van de ijzeren ringen, een deel van het gewelf week terug zodat ze over een soort van drempel naar binnen konden stapten.    In deze ruimte hingen enkele lantaarns aan de muren die de ruimte bijna spookachtig verlichtten, in het midden stond een tafel met wat stoelen waarop een rijzige man zat met een grote baard en aan het einde waren vaag de contouren van deuren te zien.    De mannen legden de Schaduw op de grond en trots als een hond met 7 staarten lieten ze de cassette zien aan de man met het grijze haar welke blijkbaar hun leider was.  De man zag er verzorgt uit en aan zijn hand had hij een opvallende ring , met daarop het symbool van een krab.   “ Me ebbe ‘um” sprak Teun die gezien zijn taalgebruik blijkbaar niet de slimste van zijn klas was geweest.  “We hebben ook de ambtsketen meneer Marion” sprak Otto die blijkbaar de lagere school wel had afgemaakt.    “Prima werk mannen” sprak de man “goed gedaan Teun en Otto, alles is weer bijna zoals het moet, Klaas komt waarschijnlijk over een maandje weer vrij dus we mogen niet klagen.”  Vervolgens haalde hij uit een koker een tekening te voorschijn en legde deze op de tafel.   Teun leg jij eerst hem maar bij dat franse wicht in de cel en zet hem vast aan de muur met een ketting dan zullen wij alvast eens kijken of we het geheim kunnen ontrafelen.   Teun greep de Schaduw op een liep naar de cel en het franse wicht in kwestie.

   
  Het ravelijn met links de loopbrug  

 

 

VIII

Eenmaal bij de cel aangekomen legde Teun de Schaduw weer op de grond om een grote bos sleutels te pakken, het slot van de deur te openen en vervolgens liep hij de cel binnen.    Lola lag nog steeds vastgeketend aan de muur “vuile schoft” siste ze tegen Teun toen ze zag dat hij de schijnbaar bewusteloze Schaduw bij zich droeg.  Deze bleek echter ongevoelig voor het compliment en smeet de Schaduw neer op de grond en liep naar de ketting aan de muur om de Schaduw hieraan vast te ketenen.  De Schaduw zag nu eindelijk zijn kans schoon en gaf de man een harde duw zodat hij met zijn hoofd tegen de muur op knalde.  Snel greep hij de ketting en sloeg die om de hals van Teun, maar dit was overbodig deze sliep reeds “de slaap der onschuldige” en de Schaduw sprak “Mijn wraak zal zoet en pijnlijk zijn”.    Snel liep hij op Lola toe, kuste haar hartstochtelijk, en bevrijde haar met de sleutels die Teun bij zich droeg.   “Gelukkig zijn het amateurs”, fluisterde de Schaduw “ik werd nauwelijks  gefouilleerd, en gelukkig had ik mijn gepatenteerd hoofddeksel op” zei hij met een knipoog.    “Is alles oké met je?”  Lola knikte en omhelsde hem, de Schaduw vertelde kort van zijn verrichtingen tijdens zijn afwezigheid en ze hielden een snel overleg.     Teun bleek ook nog een pistool op zak te dragen en de Schaduw was blij met deze gulle,  vrijwillige én onbaatzuchtige donatie.   Met een grimmig gezicht liep de Schaduw naar de deur en bekeek voorzichtig nogmaals het vertrek, de twee mannen stonden nog steeds voorover gebogen over de tafel en keken vermoedelijk naar een document en de ambtsketen.    De afstand was te groot om met getrokken pistool er zomaar op af te lopen omdat hij niet wist waar de in of desgewenst de uitgangen waren en of de mannen gewapend waren.    Zachtjes slopen ze richting de tafel, en de Schaduw met veel gevoel voor drama en spectaculaire effecten sprak de historische woorden: “Steek ze op broeders”.    Terwijl Otto verkrampte alsof hij de duivel hoorde was de leider van het stel minder onder de indruk, hij draaide zich met een ruk om en schopte met een welgemikt karate trap het wapen uit de hand van de Schaduw en spurtte weg.    Otto die zich juist had hersteld van de eerste schik deed een greep naar zijn pistool echter de Schaduw had net het mes uit zijn schoen de vrijheid gegeven en plantte dit mee volle overgave en vrij van enig schuldgevoel in het achterwerk van Otto die gillend van de pijn zijn pistool liet vallen. Lola had inmiddels het eerste pistool opgeraapt en op de leider gericht en riep luid “halt”. Of het haar schattig Frans accent was of gewoon het feit dat de meeste vrouwen niet kunnen schieten en hij haar des halve niet voor vol aanzag was een fout waar hij snel achter kwam.    Het schot galmde in de ruimte en ook hij viel jankend op de grond.   De wraak van de Schaduw was nog niet getemperd en hij greep zijn kans.  Hij nam het pistool over van Lola en met een bevredigend gevoel liet hij de kolf neerkomen op het grijze hoofd van de leider of was het nu lijder­?.   Otto zag het onheil ook al naderen en begon nog harder te jammeren maar de Schaduw toonde ook nu geen medelijden en even later waren er drie zwijgende ratten, vastgebonden als rolmopsen en netjes opgeborgen in een cel.    Te zijner tijd zou de verdelingsdienst wel een gaatje in haar agenda vinden om ze in een andere kooi over te brengen, hij was tenslotte alleen maar de rattenvangen niet waar…..     Vervolgens begonnen ze de ruimtes nader te onderzoeken maar blijkbaar vertoefden de bende ratten zoals Lola ze bleef noemen hier niet al te lang want alles was leeg en verlaten.  Nou ja de ruimtes waren leeg op het stro na in de cel, een tafel en wat stoelen,  maar de ruimte was rijkelijk gevuld met een stinkende riool lucht en vol afgrijzen keken ze elkaar aan toen ze een paar flesjes bier vonden en een restant van een boterham.

   
  De grebbe  

 

IX

De Schaduw en Lola bekeken het document en de ambtsketen die op de tafel lagen. Het document zag er oud uit en er stonden behalve figuren en Latijnse termen ook oud Nederlandse teksten op die door beide niet te vertalen waren.    De Schaduw wilde een verse sigaar op steken maar bedacht zich en overlegde met Lola wat ze zouden doen.    “We hebben iemand nodig die dit kan lezen, maar hij moet natuurlijk wel te vertrouwen zijn” sprak Lola, “bij voorkeur moet het iemand zijn met kennis van zaken”.    De Schaduw hoefde niet lang na te denken, “kom mee” zei hij, laat rat en co maar rustig slapen dat hebben ze wel verdient na al hun inspanningen”.   Ze liepen de zelfde weg weer terug door het onwelriekende riool waar af en toe een rat Lola meer hartkloppingen bezorgde dan de drie in hun cel en via de gang onder het “pielekeswater” kwamen ze weer aan bij de trap naar het ravelijn.  Even later zogen hun longen zich weer dankbaar vol verse lucht, nou ja voor 1 persoon was dit mogelijk niet weggelegd want die had onmiddellijk een knots van een sigaar stevig tussen zijn kaken geklemd.   De zon was inmiddels al weer op en eigenlijk was het was nog te vroeg om mensen lastig te vallen maar veel keus hadden ze niet.   De nachtportier trok zijn wenkbrauwen op toen hij het stel gasten bekeek en daarna zijn neus maar gaf verder de sleutel zonder enig commentaar.   De Schaduw en Lola negeerde zijn blik en stoven naar hun kamer om zich te verfrissen.    Na een kort maar daarom niet minder aangenaam verblijf op hun kamer, liepen ze weer naar de “grote markt” en naar het café “’t Locomotiefke” en de Schaduw hoopte maar Nilles boven het café woonde.   Hij zocht even naar een bel, vond ze uiteindelijk en belde aan.   Enige minuten verstreken maar er kwam geen reactie dus drukte de Schaduw nog een keer, ditmaal tot zijn vingertoppen helemaal wit waren.   Na enige tijd ging er een raampje open en stak Nilles zijn slaperige hoofd naar buiten.   “Wie…oh bent u het meneer Carlier, waarom belt u aan op dit vroege tijdstip het is amper 7 uur”.    ‘Tja” begon de Schaduw, “we zouden u graag even willen spreken het is erg dringend ziet u”.    Nilles nam Lola eens op en keek weer naar de Schaduw, en met duidelijke tegenzin zei hij “een ogenblikje ik doe de deur open”.    Even later zaten ze gezamenlijk aan een tafel en Nilles bood een kop koffie aan en plaatste de kan op een warmhouder met een ouderwets waxinelichtje er in toen de Schaduw het woord tot hem richtte.   “We zijn op een netelige situatie gestoten begon de Schaduw en legde het een en ander uit aan de sympathieke waard om zijn reactie te polsen. Even later had Nilles rode konen van opwinding had gekregen.  De Schaduw besloot zijn verhaal met het op tafel leggen van het document en de ambtsketen en keek Nilles vragend aan.    Hij bekeek het document met zijn menselijke figuren, gebouwen en namen.   Nilles bekeek het document een tiental minuten aandachtig van alle kanten en schudde zijn hoofd en zei dat hij er niets van snapte.  Hij hield het nog eens tegen het licht maar liet het document met een zucht op de tafel vallen.   Doordat de kaart tegen de warmhouder aankwam dreigde hij bijna vlam te vatten en het snelle reactie vermogen van de Schaduw voorkwam erger.  “He kijk nou”, riep de Schaduw verbaast “kijk eens er is iets op de het document bijgekomen”.     Alle drie keken ze naar de plek op het document waar een gedeelte van een windroos was verschenen.  Snel hield de Schaduw de rest van de kaart ook nabij de warmhouder en naast een windroos was er ook een tekst verschenen aan de andere kant, “den blauwen schuit” probeerde hij te lezen met er onder een soort van dikke punt die ook bij andere gebouwen waren verschenen.   Op andere plaatsen verschenen diverse letters en soms zelfs woorden, ook werden dunne lijntjes zichtbaar die met de woorden of letters waren verbonden.   Het raadsel was niet makkelijker op geworden!

   
  Schouwburg de Maagd  

 

 

X

Drie opgewonden mensen staarde naar het document en naar elkaar, naar de ambtsketen en weer naar elkaar.    “Hoe draagt de ambtsketen nu bij aan de oplossing van het geheim Schaduw?” vroeg Lola, “en wat betekend ‘den blauwen schuit”?.  Met dat laatste kan ik wel helpen sprak Nilles, “den blauwen schuit” was een schip wat vroeger achter de oorlogsvloot aan voer met aan boord vrouwen van lichte zeden, ook met de vastenavond rijdt er in onze hele grote optocht nog steeds een blauwe schuit mee”.    Laat mij eens sprak de schaduw die aan de ambtsketen een scheepje zag hangen.   Ze bekeken het scheepje eens, het had 3 masten en een verhoogd achterdek en volle zeilen.   De Schaduw pakte het op en legde het onmiddellijk boven op de punt legde.    Hij trok vervolgens een lijn van het schip naar het noord oosten van de windroos.   Lola en Nilles trokken gelijktijdig hun wenkbrauwen op maar legden zich neer bij de keuze.  De lijn raakte echter geen enkele afbeelding of letter en ze keken vragend naar de Schaduw, die hun kort uitlegde hoe hij aan deze ingeving was gekomen.   Toen viel hem op dat in het schip ook een gaatje zat, verschoof het zo dat in het gaatje de punt van het document zichtbaar was en draaide toen de boegspriet naar het noord-oosten.   Nu wees de voorspriet de letter “H” aan en achterdekspriet van het schip precies naar het lijntje wat verbonden was met het woord “maagd” en de letter “E”.  Iedereen wipte van opwinding op uit zijn stoel.   “Wacht eens”, sprak Nilles, “vastenavond of carnaval” is eigenlijk een zogenaamd omkeer feest, als we de dames van lichte zede omdraaien dan komen we uit op een maagd.    De maagd is ook de naam voor een gebouw wat vroeger een kerk was en thans een theater.    De Schaduw trok nu opnieuw de lijnen vanaf het schip naar de maagd maar ze leken niets helemaal te raken zoals dit hiervoor wel het geval was. “Wacht even”, zei Nilles “De Maagd kan ook onze lieve vrouw zijn want die is natuurlijk het toppunt van kuisheid, dus het kan ook de Gevangenpoort of Lievenvrouwenpoort zijn, dit is een overblijfsel van de oude vestingmuur wat er nog steeds is.”    Ze keken nog eens naar het schip en de drie masten raakten ook precies drie dunne lijntjes.  De lijn van de grootste en middelste mast liep naar de Lievenvrouwenpoort, de lijn van de linkse mast liep naar het Markiezenhof en lijn die de rechtse mast raakte liep naar een figuur dat Sint Christoffel voorstelde onderweg werden de letters A, R en D geraakt.      “Jakkes nog een puzzel”, zei Lola, “het lijkt wel of we niet veel verder komen op deze mannier.”   “Misschien stellen de letters een naam of woord voor” zei ze en keek hoopvol naar Nilles die knikte en  begon aan de puzzel.  Ruim een half uur zat Nilles diep in gedachten allerlei woorden op te schrijven totdat hij plots riep “ik heb het, het kan niet anders dan “haerd” zijn” en keek trots naar de Schaduw en vervolgens naar Lola die hem zwijgend en niet begrijpend aanstaarden .   Snappen jullie het dan niet, in het Markiezenhof in de hofzaal bevind zich een grote haard, de St Christoffelschouw wat een waar kunststuk is en ongeveer 15000 kg weegt, daar moet ook de oplossing van het geheim zich bevinden.    Geweldig zei de Schaduw is deze open haard ook te bezichtigen?  Natuurlijk zei Nilles het Markiezenhof is tegenwoordig een museum, en dat gaat om half negen open enne.. als lid van de heemkunde kring heb ik een streepje voor.   “Dan hebben we nog een half uur te gaan” zei Lola, kijkend op haar horloge.  “Neem eerst nog een kopje koffie” bood Nilles aan dan maak ik ondertussen nog even een paar broodjes klaar.

   
  Het Markiezenhof  

 

 

XI

Precies om half negen stonden er 3 mensen op de stoep van het Markiezenhof, de blonde jonge vrouw keek verrast naar de vroege bezoekers.    “Ik heb gasten over uit Frankrijk en ze moeten vanmiddag al weer terug naar huis” verduidelijkte Nilles tegen haar.   “Oooh” zei de juffrouw in kwestie “nou veel plezier dan.”  Het trio liep door de oude gangen en zagen weldra een maquette staan waarop schitterend al de vestingwerken van Bergen op Zoom te zien waren.  Vervolgens was buiten de bijzonder fraai aangelegde franse tuin te zien en de slaapkamer van de markiezen, boven was nog een afdeling met o.a. kerkelijke voorwerpen, voorwerpen uit de middeleeuwen zoals harnassen, zwaarden, hellebaarden, maliënkolders etc. en een heus kermis museum en in gedachten hoorde de Schaduw al geluiden van draaiorgels die altijd zo’n grote aantrekkingskracht op hem hadden maar…daarvoor waren zij hier niet gekomen.    Ze liepen vlug door naar de hofzaal en stonden weldra voor de enorme haard welke rijkelijk voorzien was van versieringen.  “Wat nu” sprak Nilles, “we zijn nu wel op de juiste plaats maar we kunnen toch moeilijk de haart afbreken niet waar”.     De Schaduw zei niets maar bekeek de haard aandachtig van alle kanten en probeerde of hij  bijzonderheden kon ontdekken, en hij begon de voorstellingen en figuren 1 voor 1 aandachtig te bekijken.  Hij pakte het document en de ambtsketen er bij en vergeleek de afbeeldingen met die op de haart maar zag niets bijzonders echter Lola kwam de eer te beurt om het geheim te ontdekken.  De personen en figuren die op de haard afgebeeld waren kwamen overeen met de afbeeldingen op het document maar 2 van de figuren  kwam niet overeen met die aan het ambtsketen.     De Schaduw bekeek de figuren, welke beide een bloem voorstelde wat nader en overwoog wat hij moest doen. Vervolgens drukte hij op de linkse bloem maar er gebeurde niets.  Wel leek er toch een klein beetje speling in te zitten.   Hij voltrok het zelfde ritueel bij de rechtse bloem, ook hier leek er wel wat beweging in te zitten maar er gebeurde verders niet.    Plotseling kreeg de Schaduw weer een ingeving, “als ik het je vraag druk dan op deze bloem dan druk ik op de andere” sprak hij tegen Lola,”…. 1,2 nu!”    Samen drukte ze gelijktijdig op de bloemen en ze hoorden duidelijk een klik en keken in het rond of ze wat konden ontdekken maar zagen echter niets.   Het was Nilles die in de haard keek en zag dat er in de schoorsteenmantel van de haard een steen uitstak die hem niet eerder  was opgevallen.  Schuldbewust als ze waren keken ze rond of er niemand was die hun zag.   Met de nodige moeite konden ze de steen er uittrekken en in de ruimte daarachter ontdekten ze een doosje wat de Schaduw vlug bij hem stak.  “Zo de buit is binnen, mare wat ik vragen wilde…hebben jullie hier nog draaiorgels staan ” vraagde hij aan Nilles.  Voordat Nilles een antwoord kon geven, deed Lola dit al, “Naar de uitgang …nu!”en de beide mannen moesten hartelijk lachen.   De jonge blonde vrouw keek vragend naar de 3 bezoekers en vroeg aan Nilles “niet interessant genoeg”.  “Jawel”, grinnikte deze, “maar ze hebben gisteren teveel gedronken en kater heeft nog steeds de overhand ”     Ze liepen terug via de fortuinstraat en kwamen aan op de “grote markt” waar er voor het stadhuis een grote drukte was.   Laten we even gaan kijken stelde de Schaduw voor en zette zijn onschuldigste babyface op.   “Het is een schande” hoorden ze de politie agent zeggen tegen een man die ijverig het relaas noteerde en schijnbaar van de pers was, “gisteren hebben ze op klaar lichte dag geprobeerd de ambtsketen te stelen” en vannacht hebben ze het met succes afgemaakt.   De Schaduw liep achter de fotograaf langs en zag dat zijn fototas openstond en met een grijns waar een breedbekkikker jaloers op zou worden liet hij ongemerkt de cassette met de ambtsketen in de tas glijden.   Lola keek hem bestraffend aan,  maar toen ze buiten gehoorsafstand waren zei hij sussend dat hij wel een verklarend briefje zou sturen om het goed te maken.

   
  De St. Christoffelhaard  

 

 

XII

Het trio liep “t locomotiefke” binnen en de Schaduw legde het doosje op de tafel.  Alsof hij eerst op tromgeroffel en applaus rekende keek de Schaduw eerst iedereen even aan.  Lola, die zich niet meer kon beheersen gaf haar man een liefdevolle maar daarom niet minder gemeende por tussen zijn ribben en kijk dat hielp.  Ze bekeken het kistje van alle kanten maar er zat geen slot op, wel een aantal kleine gaatjes.  Ze probeerde eerst met een paar lucifers en later met paperclips of ze het doosje open kregen maar faalde. Tenslotte kreeg de Schaduw een ingenieuze ingeving, “Stomme ezel, idioot, rund riep hij, ik heb de ketting te vroeg terug gegeven, ik geloof dat het de bedoeling van de maker is geweest dat we 3 masten van het scheepje er in zouden stoppen”.  “We zijn gelukkig met zijn drieën dus als we gezamenlijk een paperclip in de gaatjes stoppen lukt het mogelijk ook, anders moeten we het kistjes openbreken.  Ze pakten 3 paperclips porde in de gaatjes die ongeveer op de afstand van de masten zaten en enige tellen later ging het kistje open.    In het kistje lag een ring en weer een document wat de Schaduw snel uit het kistje griste en probeerde het te lezen.  Mmm, mmm, hé, mmm mompelde hij toen hij de inhoud las, en dreef de beide andere schatzoekers bijna tot wanhoop.   Echter een aantal zaken kon hij niet goed lezen omdat het geen Latijn was dus overlegde hij met Nilles totdat het gehele document duidelijk was.  Lola verbeet zich in de tussentijd en ‘speelde wat met de gouden zegelring waarop een familiewapen stond met onder andere 3 ruiten figuren en een leeuw…. en ze herkende het familiewapen van de heren van Glymes, Markiezen van de heerlijkheid Bergen op Zoom.    Nilles hoofd had een kleur aangenomen van een overrijpe tomaat en een “Jeetje” ontsnapte aan zijn lippen.  Lola stond op het punt om tot ontploffing te komen en riep “mannen….gaat het nog lukken voor mijn dood of…”  De mannen knikte beiden van wel en op een apart vel papier werd de vertaling vlug geschreven.   Nilles viel de eer te beurt om het document te mogen voorlezen en met trillende stem van opwinding las hij het korte bericht voor dat luidde:    
In het jaar 1474 op de 11de november verklaart de heer Glymes, Markies van de heerlijkheid Bergen op Zoom dat hij Jacob Obrecht en al zijn nakomelingen in directe lijn voor bewezen diensten het recht geeft om zich te laten begraven in de gewijde grond van de St Getrudis kerk. 

Het stuk grond werd in het document keurig op een kaartje aangegeven en bood plaats aan 4 graven.    “Brrr wat luguber” zei Lola. “Maar Nilles jouw familie naam is toch ook Obrecht, gaat het hier om een voorouder van jou?”.  “Waarschijnlijk wel, maar of ik een directe afstammeling ben dat zal ik moeten uitzoeken”   “Overigens werden vroeger alleen adellijke of rijke en aanzienlijke families begraven in een kerk zelf”. “Ja ja”,  sprak de Schaduw die duidelijk moeite had om zijn teleurstelling te verbergen het is altijd leuk om een oud document uit de familie te bezitten maar eerlijk gezegd valt het me toch wel wat tegen.    “Dat valt nog te bezien”, sprak Nilles “de kerk is diverse malen vernield en opgebouwd, in 1474 liep de kerk nog een heel stuk door over wat nu het Thalia plein heet.” “Dit betekent”, ging hij verder “dat een deel van dat plein nu mogelijk bezit van mij en mijn familie is en dat betekent ook dat ik de bouwplannen kan laten stoppen om het plein te bebouwen en de cultuur historische waarde kan laten behouden!”    De Schaduw herinnerde zich dat de baas ook Marion werd genoemd door zijn handlangers en vroeg aan Nilles of die naam hem bekent voor kwam.   “Nou en of”, zei deze, “dat is de project ontwikkelaar die alle grond heeft opgekocht op en rond het Thalia plein, hij wil hier een appartementen complex gaan bouwen, maar met dit document en de ring in mijn bezit heb ik een kans om dit te voorkomen”.   “Deze oude rechten kunnen best nog rechtsgeldig zijn, dus ik zal zeker dit gaan aanvechten, dankzij jullie hebben we nu een kans.”   De Schaduw wuifde alle lof uitingen weg en bedankte op zijn beurt Nilles zonder wiens bijdrage ze nooit de ambtsketen en dus Lola hadden kunnen redden uit de handen van deze schurken.    Het avontuur en de raadsels zaten er op dus de Schaduw kreeg ineens veel haast om zijn vriend Harro Vance in het hoge noorden te bezoeken.    Ze namen afscheid van Nilles en wenste hem veel succes met zijn erfgoed.  “Houd u goed of oudoe” zoals we dat hier in Brabant zeggen, zelfs in de middeleeuwen spraken ze al turbotaal zei hij met een brede grijns.  De Schaduw en Lola zwaaiden nog na  en gearmd liepen ze terug over de “grote markt” om hun spullen op te halen uit herberg de draak.

   
  De gevangenpoort  

 

 

XIII

 

Het zonnetje stond inmiddels weer hoog aan de hemel en haar warme stralen verwarmde de niet alleen de huizen maar ook de inwoners van Bergen op Zoom. Omdat het zonde was om deze mooie dag verloren te laten gaan en omdat de behoefte aan frisse lucht groot was besloten ze eerst nog een wandeling te maken. Ze volgende de Hoogstraat, staken de  Bosstraat over naar de Lindebaan en vervolgde hun weg naar de Coehoornstraat.  Via de Gertudisboulevard en de Olaf Palmebrug kwamen ze aan op de boulevard langs de binnen Schelde. Hand in hand snoven ze de zilte lucht op en sloegen de drukte gade. De zilvermeeuwen vlogen langs de waterkant en boven de mensen op de terrasjes waar zij concurreerden met de mussen om de koekkruimels of stukjes brood. "Zeg Carles", vroeg Lola, "hoe wist jij nu eigenlijk in welke richting je dat schip op de kaart moest leggen". Geloof het of niet maar ik had een droom waarin ik in het Markiezenhof op een groot bal aanwezig was en waar een mooie vrouw me vertelde dat ik altijd noord-oost moest varen" sprak hij. "Eigenlijk was het dus een gok of een inval of...de voorzienigheid maar net hoe je het noemen wilt". "Nou ik noem het eigenlijk in een droom flirten met vreemde vrouwen" en ze probeerde een boos gezicht op te zetten wat haar overigens niet goed lukte en lachend keken ze elkaar aan.   Na een wandeling over de boulevard besloten ze om het streekgerecht met de 3A's te proberen. De aardbeien, de asperges en de ansjovis waren stuk voor stuk de moeite waard net als de rest van de maaltijd. Voldaan liepen ze via de zelfde weg terug en ze kwamen weer uit op de grote markt. Op het stadhuis was het nog steeds een drukte, echter nu was het de politie die de verslaggever in het stadshuis aan het ondervragen was, ze zagen hoe de man drukke, ja zelfs wanhopige gebaren maakte en Lola keek boos naar de Schaduw. Deze zei verontschuldigend dat het goed zou komen en dat hij het zijn Amsterdamse collega Uyttenbogaert wel zou laten regelen en dat hij de verslaggever de primeur van het hele verhaal zou geven.    Ze liepen hun hotel binnen waar ze nog een kop koffie namen en besloten dat het tijd was om te vertrekken.  Het carillon leek het tweetal uitgeleide te doen met zijn vrolijk rinkelende bellen en op aanraden van Nilles maakte ze op weg naar de garage een kleine omweg via de Gevangenpoort of Lievenvrouwenpoort.    Het was lang geleden dat er in dit gebouw mensen gevangen gehouden werden.   Volgens Nilles bood het zelfs ooit gastvrijheid aan een gevangene van koninklijke bloede die niet de brave Hendrik was die zijn naam deed vermoedden.   Bij de garage wachtte hun nog een laatste verrassing, de garagehouder stond het twee tal al op te wachten en overhandigde persoonlijk de autosleutels met de mededeling dat vrienden van Nilles hem niets schuldig waren en met een knipoog zei hij dat hij altijd al de pest aan die Marion had gehad.    Hij riep hun nog het typische Brabantse "oudoe" na, maar de Schaduw hoorde het al niet meer, want hij had inmiddels de motor al gestart en luisterde tevreden naar het gespin van de motor.    "Zeg lieve moest je de plaatselijke politie niet eerst inlichten over de dat schoelje onder in de grebbe" vroeg Lola.   "Nah, dat laat ik aan Uyttenbogaert over,  als ik hem vanavond of morgen inlicht" zei de Schaduw die aan zijn pijnlijke bult voelde en nog steeds wraak gevoellens koesterde.    "Zeg Schaduw", vroeg Lola, "Wist jij trouwens dat Sint Christoffel de beschermheilige is van alle reizigers" "Mmm", antwoordde de Schaduw die alweer met zijn gedachte elders verbleef.    Terwijl ze Bergen op Zoom uitreden zei Lola, "toch is het eigenlijk wel merkwaardig dat een oud stukje papier de modernste en sterkste machines kan tegenhouden".    "Zelfs hoogst merkwaardig", beaamde de Schaduw "maar C'est la vie" en hij trapte het gaspedaal dieper in.

 

   
     

 

 

 

   Terug