 |

DE SCHADUW EN SINT CHRISTOFFEL
I
Een deftig heerschap stapte rustig rond door de straten van een stadje
ergens in het zuiden van Nederland en bekeek aandachtig de aanplakbiljetten
op een kiosk. “Verwacht” stond er met grote letters “het optreden van WANA,
de parel uit het zuiden”….mmm mompelde het deftig heerschap en keek verder
“Stop de bouw op het Thaliaplein, stop de afbraak van ons cultureel
erfgoed” weer een mmmm was het resultaat, “Stadswandeling elke dag om 14:00
uur”, weer volgde een mmmm, “Bezoek het Markiezenhof, het mooiste
stadspaleis van Nederland”… Dit keer ontsnapte er geen mmmm maar een ach
uit de mond van het deftig heerschap welke met een dik gerande bril, die hij
overigens alleen droeg voor decorum, het een en ander aandachtig las om
daarna weer rustig verder te wandelen tot hij op het marktplein van de stad
aankwam om vervolgens koers te zetten naar een terras in de zon. Statig stak de robuuste kerktoren af in het flauwe licht van de lente zon,
de officiële naam was de Sint Getrudis Kerk maar niemand sprak ze uit want
iedere recht geaarde inwoner sprak bijna liefkozend over “’t Peperbuske”.
Op het marktplein ook wel de “grote markt” genoemd liepen wat mensen en er
stond een zwarte auto met draaiende motor en een gezette man in een
smoezelig vuil hemd die schijnbaar op iemand stond te wachten.
Het deftig heerschap nam plaats en zag zich in gedachten al rondslenteren in
het Markiezenhof toen het carillon hem uit zijn gepeins deed opschikken, en
hij keek met een schuin oog naar de toren en vond het maar een lelijk geval. De brochure waarin hij keek toonde de toren bij bijzondere gelegenheden
namelijk tijdens een koninklijk bezoek was hij in een strak zwart jacquet en
tijdens de carnaval in een enorme boerenkiel. Oh ja hij las net dat
carnaval in dit stadje eigenlijk niet het juiste woord was maar
“vastenavond”. De heer in kwestie huiverde bij de gedachte aan al die
zotte dwaasheid van zatte mensen die luid lallend over de straten hosten tot
laat in de nacht.
Maar van die zotheid, door stadsgenoot Anton van Duinkerken verdedigd in "Verdediging
van Carnaval" en bejubeld door Erasmus in zijn boek “de lof der Zotheid” was nu gelukkig niets van
te merken.
De beiaardier bespeelde het carillon vol overgave en trots klonk het “Merck
toch hoe sterck” en dit was eigenlijk het enig carillon in de lage landen
die dit lied met recht mocht spelen want zo had de deftige heer in kwestie
kon lezen, dat deze onlosmakelijk was verbonden met het roemrijke verleden
van dit nu zo rustige stadje Bergen op Zoom genaamd.
Met een schuin hoofd keek hij naar de overkant van het marktplein naar
herberg den Draeck, tegenwoordig gewoon “de draak” genoemd en de oudste
herberg van heel Nederland. Hier hadden hij en Lola een kamer geboekt voor
komende nacht, en vervolgens keek hij naar een gebouw aan de andere kant
waarop met grote letters “De Maagd” stond. Volgens de brochure zou deze
vroegere “maagdenkerk” thans als theater dienst doen.
Deze oudere heer was niemand minder dan hoofdinspecteur C.M. Carlier van de
Sûreté Nationale te Parijs die nog beter
bekend stond als de Schaduw en wiens naam vele misdadigers deed huiveren.
Echter in dit stadje was hij volkomen onbekend wat deze heer beurtelings
deed snuiven van ongenoegen en van de aangename rust. Het was nooit de
bedoeling dat hij hier zou belandde want hij was op weg naar Amsterdam om
een lang uitgesteld bezoek aan zijn collega Uyttenbogaert en zijn vrouw te
brengen.
Echter de voorzienigheid had hem blijkbaar hierheen gedirigeerd want
autopech maakte dat de reis niet verder voortgezet kon worden. Zijn vrouw Lola wilde nog wat uit de auto halen die bij de garage stond en de Schaduw
had afgesproken dat hij eerst even een wandelingetje ging maken om vervolgens
op een terrasje af te spreken.
| |
 |
|
| |
De grote markt met "de peperbus".
Met rechts er van 't Locomotiefke |
|
II
Hij bestelde een cognac bij de ober en zei dat hij de voorkeur gaf aan
dubbele “portie” maar wel een die niet voor fikkie bedoeld was waarmee de
heer in kwestie aangaf dat het beslist goede diende te wezen. De waard of
ober knikte keurig en mompelde zoiets als “vanzelfsprekend”.
De Schaduw wachtte ongeduldig en bladerde verder door de brochure en las
over de vele historische feiten welke dit stadje zo roemde. De ober bracht
een dubbele portie en de Schaduw begon waarachtig al wat meer waardering te
krijgen voor de peperbus.
Hij las veder over de sleutel functie die deze stad vervulde in het verleden
en hoe de Fransen het de bijnaam “La Pucelle” of te wel “De Maagd” hadden
gegeven omdat het praktisch de enige stad in de zuidelijke Nederlanden was
die nooit gevallen was.
Hij las over de Grebbe een groots riool enig in zijn soort en over de heren
van het Markizaat van Bergen op Zoom en over het Markiezenhof een stads
paleis waarvan er maar 2 in Nederland zijn en over de Gevangenpoort. “Ja
dank u” sprak de Schaduw tegen de ober die weer een “portie” kwam brengen en
de voorjaarszon scheen heerlijk op zijn lijf en leden en de Schaduw kwam tot
rust.
Aan een tafeltje verderop zaten 2 heren een heftige discussie te voeren
waarbij de gemoederen blijkbaar hoog op liepen. De ober liep op de mannen
toe en zette 2 pullen bier op tafel en begon een kort gesprek. De Schaduw
verstond er slechts enkele woorden van en keek verveeld om hem heen.
Plotseling drong het geluid van een gillende stem tot hem door en het duurde
even voordat hij besefte wat de stem in kwestie nu voor noten op zijn zang
had. “ou’tum” gilde de stem weer, en loom keek de Schaduw in de richting
van de stem die blijkbaar een man achterna rende.
De man, klein van gestalte en met een spits haast fret-achtig gezicht, had
een soort van ketting in zijn hand en wilde het marktplein af lopen en de
stem in kwestie, een lange magere man met een paardengezicht die slungelig
er achteraan liep wilde dit klaarblijkelijk voorkomen.
De Schaduw trok zijn wenkbrauwen op en aarzelde even, was dit nu de lokroep
van avontuur of….”ach wat” bromde hij en gooide zijn paraplu voor hem uit.
Het resultaat mocht er zijn, de man, inmiddels “fret” gedoopt door de
Schaduw, maakte een grandioze smak over de gladde kinderkopjes en verloor
minstens een tand of twee om een paar tellen later door “het paard” stevig
vast te worden gegrepen.
De auto met draaiende motor reed weg en de Schaduw trok zijn wenkbrauwen
open besliste dat dit merkwaardig zo niet hoogst merkwaardig was. Hij liet
wat geld achter op zijn tafel en liep naar “het paard” en de “fret” toe en
vroeg aan de eerste in gebrekkig Nederlands of hij “hulp nodig” had. Met
het onmiskenbare dialect van de streek antwoordde de man “neeje mar da ge
bedankt zijt da witte”. Het duurde even voordat de Schaduw deze woorden
vertaald had want zijn kennis van de Nederlandse taal was maar beperkt, maar
knikte toen vriendelijk terug terwijl hij keek naar de ketting die “de fret”
had willen stelen. Het leek een soort van gilde- of ambtsketen maar zeker
weten deed hij dat niet, maar ach het ging hem verder ook niets aan hij had
tenslotte vakantie. In de verte zag hij Lola aan komen lopen en besloot haar
tegemoet te komen.
Lola was een pittige en prettig ogende
Française
met een mooi vrouwelijk figuur, bruin haar en...zijn vrouw die
onvoorwaardelijk voor hem koos. Onbewust het lied van de tinnen soldaatjes neuriënd liep hij het plein af
het smalle en verlaten straatje in en begroette Lola toen hij achter hem
een auto hoorde naderen en even opzij stapte om deze te laten passeren.
De auto in kwestie minderde hoorbaar snelheid en voor de Schaduw het goed en
wel besefte ging er een deur open en grepen 2 paar handen hem en Lola vast
en werden ze ruw de auto in getrokken waarna ogenblikkelijk de deuren weer
werden gesloten.
Met hoge snelheid vertrok de auto, een stem naast hem riep “da zal ‘um
leren” en toen werd alles zwart.
| |
 |
|
| |
Het Thaliaplein onder constructie |
|
III
Toen de Schaduw ontwaakte bonkte heel zijn hoofd en de bult er op voelde
pijnlijk aan. Hij keek rond en ontdekte dat hij in een donkere en vochtige
ruimte opgesloten zat, vermoedelijk een kelder, waar zelden of nooit
zonlicht binnen kwam. Hij kon in ieder geval geen raam ontdekken of iets
wat er maar op leek, het stonk er behoorlijk en de grond was hard, verder
was het te donker om details te onderscheiden en omdat hij vastgebonden zat
kon hij ook niet op onderzoek gaan. Lola… waar was Lola gebleven ging er
door zijn heen? Hij hoopte maar dat zijn vrouw niets was overkomen.
Veel tijd om na te denken had hij niet meer want de deur werd ontgrendeld en
open gegooid en 2 mannen met een zaklamp traden binnen. Nu zag de Schaduw
tot zijn schik dat Lola zich ook in deze ruimte bevond en met twee rode ogen
keek ze hem aan, “alles goed” vroeg hij. Ze knikte van ja. Hij wilde
omhoog komen maar een ijzeren staaf en twee knuisten verhinderde hem dit.
“Je kun je zelf beter rustig ou’en” riep de grootste van de twee. Als je ze wat hebt aangedaan dan zweer ik je vuile
rat…. siste de Schaduw, verder kwam hij niet want in zijn schouder voelde
hij plots een scherpe pijn. Een gemeen gegrinnik volgde en een stem zei
“hou je praatjes maar voor je…”
“Je kun beter luisteren naar ‘um vader want ‘ij ‘et nie zo op buitenlanders”
hoorde hij de ander zeggen. De Schaduw zweeg maar besloot dat zijn wraak
zoet zou zijn indien hij…
Voorlopig zou hier weinig van komen en hij werd naar ruw naar een ander
vertrek gesleept waar een fel licht in zijn gezicht gericht werd. Deze
ruimte was een stuk hoger en groter dan de cel maar door het felle licht zag
hij alleen de vieze grond en zag nog net een rat een donker gat in
vluchtten. Een man met een zware basstem, sprak "de enigste zekerheid die er
op de wereld bestaat is de onzekerheid van het weer, maar door jouw toedoen
zijn wij de ambtsketen van de burgermeester misgelopen en hebben we een medewerker
verloren maar je kunt er toch heel zeker van zijn dat je hiervoor een zware
prijs zult betalen!.” De
Schaduw antwoordde in het Frans dat hij er niets van begreep en de
mededeling werd keurig in zeer goed Frans herhaald. De Schaduw die in de
loop der jaren een meer dan goede mensenkennis had opgebouwd hoorde dat dit
beslist geen man was om spelletjes mee te spelen en besloot dat het wijzer
was zich rustig te houden….voorlopig dan toch. Het leken hem niet de
misdadigers uit een grote stad die hem zonder meer zouden vermoorden maar
toch, je wist nooit en hij moest tenslotte ook aan Lola denken.
“Daarom” sprak de man met sonore stem verder “ daarom zal jij de ambtsketen
moeten terug halen voor ons wil jij die dame daar nog terug zien”. “Je
krijgt een dag de tijd en we zetten je buiten af”. “Ja maar, hoe neem ik
dan contact met jullie op?” vroeg de Schaduw. “Doe geen moeite, wij nemen
contact met jouw op sprak de stem met onmiskenbare spot”. “Oh ja het is veel
beter voor de gezondheid van je vrouw dat je er geen politie bij haal, al
zou ik niet weten wat die kon doen in dit geval, ik hoop dat we elkaar
begrijpen”. “Oké Teun” sprak hij en gaf een knik naar iemand naast de
Schaduw en opnieuw werd alles weer zwart, heeeel zwart voor de ogen van de
Schaduw.
Toen de Schaduw later weer ontwaakte was het nog steeds donker en vochtig
maar nu lag hij in een donkere steeg en regende het zachtjes. Zijn hoofd
deed het niet zachtjes aan, dat bonkte en dat gilde moorddadig hard om
aspirine, een doosje vol, kilo’s aspirine en …om wraak.
| |
 |
|
| |
Het stadhuis |
|
IV
De Schaduw overwoog wat hij nu kon doen. Het was duidelijk dat deze mensen geen
geweld schuwden en hij wilde zeker niet riskeren dat Lola iets zou overkomen.
Het waren beslist geen echte beroeps criminelen want al zijn papieren en geld
had hij mogen behouden, ze waren mogelijk zo zeker van zichzelf dat ze niet eens
de moeite hadden genomen om zijn zakken door te kijken.
Naar de plaatselijk politie gaan zag hij niet zitten, en hier had hij natuurlijk
geen enkel gezag.
Bovendien zou er wel eens veel tijd verloren kunnen gaan om eerst alles te
moeten uitleggen en hoogst waarschijnlijk zouden de ambtelijke molens de zaken
alleen maar erger maken en of hij als buitenlander de juiste medewerking zou
krijgen dat was maar de vraag.
Nee besloot hij, hij moest eerst meer te weten zien te komen en waar kon dit
beter dan in een café of restaurant. Hij keek rond en begon te lopen, veel
licht was er deze avond niet, het leek alsof hij onder een zwart fluwelen
paraplu van mollenvelletjes liep met kleine gaatjes erin voor de sterren en een
wat groter gaatje voor de maan, maar deze laatste liet zich nauwelijks zien. Na
een kwartiertje zag hij een straat die hij herkende en niet veel later was hij
weer op de “grote markt” en liep de drinkgelegenheid “’t Locomotiefke” binnen
waar hij eerder die dag op het terras had gezeten en zag dat hij alleen in de
zaak was en vond dit alleen maar beter. Hij begroette de ober uitbundig en
bestelde “nog zo’n fantastische dubbele cognac als vanochtend”. De man nam hem
in eerste instantie minzaam op kijkend naar de smoezelige jas maar dan kwam
blijkbaar de herkenning en vriendelijk knikte hij terug.
De Schaduw op zijn buurt nam de man op en schatte hem in als een sportieve man
van ongeveer 36 jaar waar vrouwen wel voor zouden vallen, waarschijnlijk
ongehuwd want hij droeg geen ring, en niet op zijn achterhoofd gevallen want hij
verstond en sprak tenslotte de Franse taal meer dan redelijk.
Meneer is niet van deze omstreken sprak de man terwijl hij het gevraagde bracht
aan “meneer”. Deze schudde voorzichtig zijn nog immer pijnlijk hoofd en nam
haastig een slok van de verzachtende cognac. “hebben ze de dief nog
opgesloten” informeerde de Schaduw belangstellend. De man vertoonde nu pas wat
meer emotie en riep dat het een schande was dat men op klaar lichte dag
geprobeerd had om de ambtsketen te stelen en dat het gelukkig was dat “meneer”
dit verhinderd had. “En ja, hij zat vast”. “Zo bijzonder is toch eigenlijk
zo’n ketting niet” vroeg de Schaduw langs zijn neus weg. “Ach dat moet je niet
te vlug zeggen” sprak hij en boog zich wat dichter naar de Schaduw, “er doen
geruchten de ronde dat de ambtsketen de sleutel is tot een kostbaar bezit,
mogelijk een schat”.
De Schaduw spitste zijn oren en bood hem wat te drinken aan en de man schonk
zichzelf ook een glas cognac in. “Een kostbaar bezit zei je en mogelijk een
schat, maar dat is toch iets uit boeken en toch niet meer van deze tijd, wat
voor groot bezit of schat zou het dan moeten wezen?”. Even zag de Schaduw een
flikkering in de ogen van de man en deze sprak haast fluisterend “het gerucht
doet de ronde meneer dat er pas een document is gevonden welke een aanwijzig zou
bevatten over een ambtsketen die de sleutel zou vormen in deze zaak”. De
Schaduw knikte peinzend stak een sigaar op en vroeg toen, “heb je zelf enig
vermoeden?” De man kwam nu bij hem zitten, blijkbaar blij met wat aanspraak en
schonk beide nog eens in. “Wel precies weet ik het niet meneer maar als lid van
de plaatselijke heemkring weet ik dat er al meer van dergelijke documenten
gevonden zijn maar die bleken uiteindelijk allemaal nep te zijn”. “Sommige
tongen beweren dat het te maken heeft met een schip of een huis maar dat weet ik
nog niet zo net”.
“De naam is trouwens Kees Obrecht maar zegt u maar Nilles”, aangenaam Carlier
zei de Schaduw en schudde de aangereikte hand”.
De Schaduw nam een slok cognac en een diepe trek van zijn sigaar en dacht na.
“Weet jij wat ze met de ambtsketen hebben gedaan?” vroeg hij aan Nilles.
Nilles dacht duidelijk even na en zei “die hangt hoogstwaarschijnlijk weer terug
in de raadszaal”. “Tja dan zal hij nu wel beter bewaakt worden” opperde de
Schaduw voorzichtig.
Ach, meneer Carlier dat zal zo’n vaart niet lopen er is nog nooit iets uit het
gemeente huis weggenomen en zo’n ambtsketen op zich heeft eigenlijk meer
historische waarde dan echte financiële waarde want ze is in principe
onverkoopbaar ziet u.
“Dus u denkt dat het document en de ambtsketen samen nodig zijn om het raadsel
op te lossen” informeerde de Schaduw voorzichtig om niet te veel achterdocht aan
te wakkeren. “Tja zelf heb ik er wel eens over nagedacht natuurlijk” zei Nilles
terwijl hij zich op zijn voorhoofd krabde “maar ik heb eigenlijk ook geen idee
al klink het wel heel aannemelijk”.
De Schaduw stond op, betaalde de man en gaf een dikke fooi. Nilles bedankte
uitbundig, hield de deur voor hem open en de Schaduw stapte de deur uit en……. de
nacht binnen.
| |
 |
|
| |
Herberg de draak bij nacht |
|
V
De Schaduw besloot eerst maar eens een bezoek te brengen aan de garage, die
waarschijnlijk wel dicht zou zijn maar in de auto… Mopperend stapte hij door,
de motregen had plaats gemaakt voor een pittige regenbui.
Eenmaal bij de garage aangekomen zag hij tot zijn opluchting dat zijn auto
buiten gereden was en klaar stond om opgehaald te worden. De Schaduw reisde
nooit zonder zijn persoonlijke wapenuitrusting die hem al vele malen in de
franse onderwereld het leven gered had en nog vele malen meer een goede dienst
hadden bewezen. Gelukkig had hij nog zijn reserve sleutels op zak opende de
auto en vond even later wat hij zocht, een alpino pet met kurk en plaatstalen
vulling, een regenjas, verse Willem Nobel II sigaren en een zwarte etui die hij
even vluchtig inspecteerde en daarna zichtbaar tevreden bij zich stak.
Hij keek op zijn horloge en zag dat het inmiddels één uur was geworden en
vervolgens liep hij terug naar zijn hotel. De Schaduw, vroeg om zijn sleutel en
ging naar zijn kamer nam eerst een bad, bestelde een zwarte koffie en kleedde
zich om in een zwarte broek een grijze koltrui met dito jasje. Hij opende een
koffer en trok een paar plomp ogende schoenen aan met nogal dikke rubberen
zolen. Het bijzondere hieraan was dat ze voorzien waren van een ingebouwd
veermechanisme en een mes wat hij door met zijn hiel ergens tegen aan te tikken
er uit kon laten springen.
Meer wapens durfde hij niet mee te nemen omdat hij zeker Lola niet in gevaar
wilde brengen als hij gesnapt zou worden, hetzij door de politie hetzij
door…door…door die ratten.
Hij bedacht dat het stadhuis vast meerdere ingangen had en dat de ingangen aan
de achterzijde vaak voorzien waren van slechte sloten.
Even later verliet hij het hotel langs de zij-ingang om nieuwsgierige blikken te
ontwijken en liep richting het stadhuis. Boven op het stadshuis stond de spreuk
“Mille Periculis Superum” of vrij vertaald “1000 gevaren kwam ik te boven” en de
Schaduw die zijn Latijn kende hoopte dat dit niet op deze nacht zou slaan.
Misschien moest hij deze spreuk maar als lijfspreuk adopteren bedacht hij zich,
want last van enige valse bescheidenheid had hij niet. Maar hij dacht ook aan
zijn Lola…
Hij liep het Anna-straatje binnen en bekeek een kleine deur die er oud maar
onderhouden uitzag. De Schaduw keek even om zich heen en haalde uit de zwarte
etui een soort van platte haaknaald en stak deze in het slot van de deur. Na
een paar minuten hoorde hij de bekende klik en nadat hij de deur had geopend
stapte hij nieuwsgierig naar binnen.
Het duurde even voordat zijn ogen gewend waren aan de duisternis, hij bevond
zich in een vertrek die vermoedelijk als keuken dienst deed en waar het rook
naar stampot en de Schaduw trok een vies gezicht. Hij had al eerder met de
Hollandse keuken kennis gemaakt en vond deze maar niets. Hij liep langs de pannen en de potten en
langs een poes die hem als gehypnotiseerd zat aan te staren. “Dag poes” sprak de
Schaduw vriendelijk en dacht aan zijn eigen kater Doctor Archimedes Antraciet
genaamd maar de poes draaide zich verwaand en zonder enig geluid om en verdween
in het gebouw. Voorzichtig liep de Schaduw verder en hij kwam uit op een gang
maar daar was het te donker om iets te kunnen zien dus haalde hij zijn zaklamp
te voorschijn en hoopte maar dat niemand het licht zou zien.
Via de gang bereikte hij een korte trap en hij wist dat hier achter de raadzaal
van het stadhuis lag. De deur was op slot maar ook dit slot was niet tegen de
wilskracht en het juiste gereedschap van de Schaduw bestand zodat hij weldra ook
hier binnen stond.
Hij bekeek de zaal en liep langs de grote vergadertafel met zijn deftige zetels
en stelde zich voor hoe fijn het wel niet moest wezen om gezeten aan een
dergelijke tafel met een hamer iedereen het zwijgen op te leggen en dacht
grimmig aan de schurken, aan die ratten die… snel doofde de Schaduw zijn zaklamp
en hield zich muisstil, met een bonzend hart hoorde hij voetstappen en gedempte
stemmen. De voetstappen en de stemmen verwijderde zich weer en de Schaduw ging
opgelucht verder op speurtocht.
Terwijl de Schaduw rond keek mopperde hij een beetje en wel voornamelijk op zich
zelf, “het was beter geweest dat ik wat meer over de bergplaats had gevraagd”.
Aan de ridder in harnas compleet met zwaard en schild zou hij het niet kunnen
vragen, deze leek hem met een afkeurende blik aan te kijken maar daar had de
Schaduw geen oog voor.
Voorzichtig liep hij rond en inspecteerde de zaal, voor de pracht en praal
hierin had hij echter ook geen oog want waar zou die verdraaide keten nu bewaard
kunnen worden.
Na bijna een kwartier te hebben rond gezworven van de ene kant naar de andere
kant viel zijn oog plots op een deurtje in de muur dat net verlicht werd door de
koplamp van een passerende auto. Omdat hij vrij hoog zat en de Schaduw in deze
zaal liever spaarzaam zijn zaklamp gebruikte om ongewenste aandacht te voorkomen
had hij deze de eerste keer niet opgemerkt.
De Schaduw groot van geest maar niet al te groot van stuk pakte er een stoel bij
om er beter bij te kunnen komen. Snel haalde hij weer zijn zwarte etui te
voorschijn en begon aan het slot te werken. Eenmaal stopte hij omdat hij weer
voetstappen voorbij hoorde gaan, maar een aantal minuten later moest ook dit
slot het onderspit delven.
Achter de deur lag een grote zwarte cassette en de Schaduw greep snel de doos
vast, echter hij deed dit zo onstuimig dat hij zijn evenwicht verloor en met
stoel en al over de vloer van de raadzaal rolde. Hoewel er een dik tapijt op
de vloer lag gold dit niet voor de hele ruimte en met een luidde “booing” kwam
hij tot stilstand tegen de benen van de ridder in het harnas die hem zwijgend
maar verontwaardigd leek aan te kijken . Buiten hoorde hij snelle voetstappen
naderen en de Schaduw stond snel op een holde zo snel zijn benen hem dragen
konden naar buiten, via de trap, de gang, de keuken en door het kleine deurtje
naar buiten…..
|
|
 |
|
| |
De Jan van Ass[elbergs] bank |
|
VI
De Schaduw liep weer de richting uit waar hij het laatst ontwaakt was en zag dat
hij langs een park kwam en besloot dat hier hoogst waarschijnlijk banken in het
“wild” voor moesten komen zodat hij even kon bijkomen van alle inspanningen en
commotie.
“Jan van Ass” las de Schaduw op een grote statige gemetselde bank welke zacht
beschenen werd door de lantaarnpaal er naast en besloot dat deze bank voorlopig
voldeed aan zijn behoeften en nam plaats.
Het water was donker en strak als een biljartlaken, er was bijna geen wind. De regen was nu gelukkig opgehouden op zo nu en dan een spatje na, en hij
besloot om de cassette eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Het had
een diep donkerblauwe kleur en niet zwart zoals hij eerst gedacht had en het was
versierd met het stadswapen van Bergen op Zoom. Nieuwsgierig opende hij de
cassette en bekeek de ambtsketen die mooi afstak op het zwarte fluweel en zacht
glinsterde in het maanlicht.
Deze oversized bedelarmband zoals de Schaduw hem bestempelde verraste hem met al
zijn figuren en details.
Hij besloot de voorwerpen aan de ambtsketen eens te bestuderen en bekeek
aandachtig alle details, zoals penningen van de diverse gilden, een penning met
het wapen van de stad, een schip met volle zeilen. Het zag er op zich niet
bijzonder uit, eigenlijk precies wat je mag verwachten van een dergelijke
ketting en omdat er vele inscripties in het Latijn waren kon de Schaduw de
meeste lezen. Tja wat nu gedaan, de ambtsketen was in zijn bezit maar hoe kwam
hij nu weer in contact met zijn ontvoerders. Hij besloot eerst hier nog maar
even te wachten en om de tijd te doden in gedachte de brochure over de stad nog
eens door te nemen.
Al spoedig waande de Schaduw zich terug in voorbij jaren en liep rond op
Reimerswaal, bekeek de vergeefs aanvallende Spanjolen en Fransozen vanuit de
“kijk in de pot”, voer het kleine haventje binnen en dwaalde rond in het
Markiezenhof alwaar hij kennis maakte met Jan metten lippen en zijn 50[!]
nakomelingen, ridder De Morgan en bouwmeester Anthonius Keldermans om
vervolgens op een galabal in vol ornaat te walsen met een zeer aantrekkelijke
jonge dame die hem vroeg of hij wist dat het schip noord-oost moest varen.
Voordat hij echter kon antwoorden was er een aardbeving en de Schaduw wilde
vluchtten maar handen grepen hem stevig vast om vervolgens wakker te worden en
zag 2 grijzende tronies die hem spottend aankeken. “Kijk daar zijn we weer”
riep een bekende stem “je ziet wel dat we je wel weten te vinden vader”, en
voordat de vader in kwestie wat kon antwoorden daalde er een hard voorwerp neer
op zijn gepantserde alpino.
Een zachte plok klonk en de Schaduw zag even een hoop sterren en voelde hoe 1
van de mannen hem over zijn schouders gooide. Gelukkig vonden ze het niet
nodig om hem vast te binden of om zijn zakken te doorzoeken.
De baas zal blij zijn Teun sprak de man in wie de Schaduw de man herkende die
eerder op de dag bij de draaiende auto op de grote markt stond te wachten,
misschien krijgen we een keertje opslag grijnsde hij. “Ge ken beter kijke da we
onderweg gin volk tege komme Otto, anders is ‘t gin opslag mar ontslag en wel
definitief”. “Witte gij wa de baas nou eigenluk met die ketting aan mot?” vroeg
hij weer. “Geen idee bromde de ander, maar sinds hij dat document heeft
gevonden doet hij allemaal nogal moeilijk”.
“Enne om helemaal eerlijk te zijn, ik wil het ook liever niet weten”. “Die Rob Marion heeft zoveel connecties dat het telefoonboek onleesbaar zou worden als ze
zijn naam met alle namen die hij kent met lijntjes aan elkaar zouden verbinden”.
Er school een zekere profetische kennis in deze uitspraak, wel eens waar in een
ander verband maar toch….
| |
 |
|
| |
't Locomotiefke |
|
VII
De Schaduw besefte dat hij zich het beste bewusteloos kon houden omdat dit de
snelste mannier was om zijn Lola weer te kunnen terug vinden en eenmaal daar dan
zag hij wel verder. De beide mannen wisselde verder niet veel woorden onderweg
en droegen hem beurtelings over hun schouder als of hij een zak aardappelen was.
Ze staken het park over en kwamen bij een gebouw omgeven door water wat de
Schaduw herkende van de brochure en moest even denken aan de malle volksnaam
“het pielekeswater”. Ze staken het smalle bruggetje over en liepen het oude
vestingwerkje binnen “het ravelijn” genaamd. Op het kleine binnen plaatsje was
nagenoeg niets te vinden zodat de Schaduw zich afvroeg waarom ze hem hier heen
hadden gebracht, maar ze liepen recht op een traliewerk af in de muur met wat
planten en …het bleek dienst te doen als een toegangspoort. Onder hem zag hij
een smalle en steile trap naar beneden verdwijnen, en een muffe geur drong tot
hem door.
Een van de mannen pakte een lantaarn van de muur, stak hem aan en hing die rond
zijn nek, “effe met z’n tweeën” riep hij. De eerste kwakte de “zak met
aardappelen” op de grond en vervolgens pakte de nummer 1 zijn voeten en nummer 2
pakte hem onder zijn schouders. “ij mot nodig aan de lijn vin de gij ok nie
Teun” vroeg Otto aan zijn kompaan in het kwaad. “Ach dat komt wel goed, ik heb
begrepen dat de baas ze gewoon opgesloten wilt laten zitten totdat alles is
afgerond en dan laten we ze los in de Grebbe zodat ze er zelf maar uit moeten
zien te komen”. Onder tussen waren ze onderaan de trap gekomen en de weg ging
verder, de Schaduw zag de spinnen, de ratten en het vocht op de muren. De
Schaduw begreep dat ze zich onder het water moesten bevinden en de lucht werd
steeds onaangenamer en hij herkende deze lucht die er ook hing tijdens zijn
vorige verblijf. Na een half uurtje kwamen de mannen in een groter booggewelf
en in het midden liep een stroompje vuil water met hierin drijvende voorwerpen
die de Schaduw bijna deden kokhalzen en hij begreep dat dit het riool de Grebbe
moest zijn en hoopte maar dat ze alleen voor deze keer niet zouden uitglijden.
Door de spleetjes van zijn ogen zag hij de grote roestige ijzeren ringen aan de
muur en hij dacht dat het ooit misschien wel een aanlegplaatsje was voor
bootjes. [en hij zat dichter bij de waarheid dan hij vermoedde].
Halver wegen stopten ze en Otto trok aan 1 van de ijzeren ringen, een deel van
het gewelf week terug zodat ze over een soort van drempel naar binnen konden
stapten.
In deze ruimte hingen enkele lantaarns aan de muren die de ruimte bijna
spookachtig verlichtten, in het midden stond een tafel met wat stoelen waarop
een rijzige man zat met een grote baard en aan het einde waren vaag de contouren
van deuren te zien.
De mannen legden de Schaduw op de grond en trots als een hond met 7 staarten
lieten ze de cassette zien aan de man met het grijze haar welke blijkbaar hun
leider was. De man zag er verzorgt uit en aan zijn hand had hij een opvallende
ring , met daarop het symbool van een krab. “ Me ebbe ‘um” sprak Teun die
gezien zijn taalgebruik blijkbaar niet de slimste van zijn klas was geweest.
“We hebben ook de ambtsketen meneer Marion” sprak Otto die blijkbaar de lagere
school wel had afgemaakt.
“Prima werk mannen” sprak de man “goed gedaan Teun en Otto, alles is weer bijna
zoals het moet, Klaas komt waarschijnlijk over een maandje weer vrij dus we
mogen niet klagen.” Vervolgens haalde hij uit een koker een tekening te
voorschijn en legde deze op de tafel. Teun leg jij eerst hem maar bij dat
franse wicht in de cel en zet hem vast aan de muur met een ketting dan zullen
wij alvast eens kijken of we het geheim kunnen ontrafelen. Teun greep de
Schaduw op een liep naar de cel en het franse wicht in kwestie.
| |
 |
|
| |
Het ravelijn met links de loopbrug |
|
VIII
Eenmaal bij de cel aangekomen legde Teun de Schaduw weer op de grond om een
grote bos sleutels te pakken, het slot van de deur te openen en vervolgens liep
hij de cel binnen.
Lola lag nog steeds vastgeketend aan de muur “vuile schoft” siste ze tegen Teun
toen ze zag dat hij de schijnbaar bewusteloze Schaduw bij zich droeg. Deze
bleek echter ongevoelig voor het compliment en smeet de Schaduw neer op de grond
en liep naar de ketting aan de muur om de Schaduw hieraan vast te ketenen. De
Schaduw zag nu eindelijk zijn kans schoon en gaf de man een harde duw zodat hij
met zijn hoofd tegen de muur op knalde. Snel greep hij de ketting en sloeg die
om de hals van Teun, maar dit was overbodig deze sliep reeds “de slaap der
onschuldige” en de Schaduw sprak “Mijn wraak zal zoet en pijnlijk zijn”.
Snel liep hij op Lola toe, kuste haar hartstochtelijk, en bevrijde haar met de
sleutels die Teun bij zich droeg. “Gelukkig zijn het amateurs”, fluisterde de
Schaduw “ik werd nauwelijks gefouilleerd, en gelukkig had ik mijn gepatenteerd
hoofddeksel op” zei hij met een knipoog.
“Is alles oké met je?” Lola knikte en omhelsde hem, de Schaduw vertelde kort
van zijn verrichtingen tijdens zijn afwezigheid en ze hielden een snel overleg.
Teun bleek ook nog een pistool op zak te dragen en de Schaduw was blij met deze
gulle, vrijwillige én onbaatzuchtige donatie. Met een grimmig gezicht liep de
Schaduw naar de deur en bekeek voorzichtig nogmaals het vertrek, de twee mannen
stonden nog steeds voorover gebogen over de tafel en keken vermoedelijk naar een
document en de ambtsketen.
De afstand was te groot om met getrokken pistool er zomaar op af te lopen omdat
hij niet wist waar de in of desgewenst de uitgangen waren en of de mannen
gewapend waren.
Zachtjes slopen ze richting de tafel, en de Schaduw met veel gevoel voor drama
en spectaculaire effecten sprak de historische woorden: “Steek ze op broeders”.
Terwijl Otto verkrampte alsof hij de duivel hoorde was de leider van het stel
minder onder de indruk, hij draaide zich met een ruk om en schopte met een
welgemikt karate trap het wapen uit de hand van de Schaduw en spurtte weg.
Otto die zich juist had hersteld van de eerste schik deed een greep naar zijn
pistool echter de Schaduw had net het mes uit zijn schoen de vrijheid gegeven en
plantte dit mee volle overgave en vrij van enig schuldgevoel in het achterwerk
van Otto die gillend van de pijn zijn pistool liet vallen. Lola had inmiddels
het eerste pistool opgeraapt en op de leider gericht en riep luid “halt”. Of het
haar schattig Frans accent was of gewoon het feit dat de meeste vrouwen niet
kunnen schieten en hij haar des halve niet voor vol aanzag was een fout waar hij
snel achter kwam.
Het schot galmde in de ruimte en ook hij viel jankend op de grond. De wraak
van de Schaduw was nog niet getemperd en hij greep zijn kans. Hij nam het
pistool over van Lola en met een bevredigend gevoel liet hij de kolf neerkomen
op het grijze hoofd van de leider of was het nu lijder?. Otto zag het onheil
ook al naderen en begon nog harder te jammeren maar de Schaduw toonde ook nu
geen medelijden en even later waren er drie zwijgende ratten, vastgebonden als
rolmopsen en netjes opgeborgen in een cel.
Te zijner tijd zou de verdelingsdienst wel een gaatje in haar agenda vinden om
ze in een andere kooi over te brengen, hij was tenslotte alleen maar de
rattenvangen niet waar…..
Vervolgens begonnen ze de ruimtes nader te onderzoeken maar blijkbaar vertoefden
de bende ratten zoals Lola ze bleef noemen hier niet al te lang want alles was
leeg en verlaten. Nou ja de ruimtes waren leeg op het stro na in de cel, een
tafel en wat stoelen, maar de ruimte was rijkelijk gevuld met een stinkende riool lucht en
vol afgrijzen keken ze elkaar aan toen ze een paar flesjes
bier vonden en een restant van een boterham.
| |
 |
|
| |
De grebbe |
|
IX
De Schaduw en Lola bekeken het document en de ambtsketen die op de tafel lagen.
Het document zag er oud uit en er stonden behalve figuren en Latijnse termen ook
oud Nederlandse teksten op die door beide niet te vertalen waren. De Schaduw
wilde een verse sigaar op steken maar bedacht zich en overlegde met Lola wat ze
zouden doen.
“We hebben iemand nodig die dit kan lezen, maar hij moet natuurlijk wel te
vertrouwen zijn” sprak Lola, “bij voorkeur moet het iemand zijn met kennis van
zaken”.
De Schaduw hoefde niet lang na te denken, “kom mee” zei hij, laat rat en co maar
rustig slapen dat hebben ze wel verdient na al hun inspanningen”. Ze liepen de
zelfde weg weer terug door het onwelriekende riool waar af en toe een rat Lola
meer hartkloppingen bezorgde dan de drie in hun cel en via de gang onder het
“pielekeswater” kwamen ze weer aan bij de trap naar het ravelijn. Even later
zogen hun longen zich weer dankbaar vol verse lucht, nou ja voor 1 persoon was
dit mogelijk niet weggelegd want die had onmiddellijk een knots van een sigaar
stevig tussen zijn kaken geklemd. De zon was inmiddels al weer op en eigenlijk
was het was nog te vroeg om mensen lastig te vallen maar veel keus hadden ze
niet. De nachtportier trok zijn wenkbrauwen op toen hij het stel gasten bekeek
en daarna zijn neus maar gaf verder de sleutel zonder enig commentaar. De
Schaduw en Lola negeerde zijn blik en stoven naar hun kamer om zich te
verfrissen.
Na een kort maar daarom niet minder aangenaam verblijf op hun kamer, liepen ze
weer naar de “grote markt” en naar het café “’t Locomotiefke” en de Schaduw
hoopte maar Nilles boven het café woonde. Hij zocht even naar een bel, vond ze
uiteindelijk en belde aan. Enige minuten verstreken maar er kwam geen reactie
dus drukte de Schaduw nog een keer, ditmaal tot zijn vingertoppen helemaal wit
waren. Na enige tijd ging er een raampje open en stak Nilles zijn slaperige
hoofd naar buiten. “Wie…oh bent u het meneer Carlier, waarom belt u aan op dit
vroege tijdstip het is amper 7 uur”.
‘Tja” begon de Schaduw, “we zouden u graag even willen spreken het is erg
dringend ziet u”.
Nilles nam Lola eens op en keek weer naar de Schaduw, en met duidelijke tegenzin
zei hij “een ogenblikje ik doe de deur open”.
Even later zaten ze gezamenlijk aan een tafel en Nilles bood een kop koffie aan
en plaatste de kan op een warmhouder met een ouderwets waxinelichtje er in toen
de Schaduw het woord tot hem richtte. “We zijn op een netelige situatie
gestoten begon de Schaduw en legde het een en ander uit aan de sympathieke waard
om zijn reactie te polsen. Even later had Nilles rode konen van opwinding had
gekregen. De Schaduw besloot zijn verhaal met het op tafel leggen van het
document en de ambtsketen en keek Nilles vragend aan.
Hij bekeek het document met zijn menselijke figuren, gebouwen en namen. Nilles
bekeek het document een tiental minuten aandachtig van alle kanten en schudde
zijn hoofd en zei dat hij er niets van snapte. Hij hield het nog eens tegen het
licht maar liet het document met een zucht op de tafel vallen. Doordat de
kaart tegen de warmhouder aankwam dreigde hij bijna vlam te vatten en het snelle
reactie vermogen van de Schaduw voorkwam erger. “He kijk nou”, riep de Schaduw
verbaast “kijk eens er is iets op de het document bijgekomen”.
Alle drie keken ze naar de plek op het document waar een gedeelte van een
windroos was verschenen. Snel hield de Schaduw de rest van de kaart ook nabij
de warmhouder en naast een windroos was er ook een tekst verschenen aan de
andere kant, “den blauwen schuit” probeerde hij te lezen met er onder een soort
van dikke punt die ook bij andere gebouwen waren verschenen. Op andere
plaatsen verschenen diverse letters en soms zelfs woorden, ook werden dunne
lijntjes zichtbaar die met de woorden of letters waren verbonden. Het raadsel was
niet makkelijker op geworden!
| |
 |
|
| |
Schouwburg de Maagd |
|
X
Drie opgewonden mensen staarde naar het document en naar elkaar, naar de
ambtsketen en weer naar elkaar.
“Hoe draagt de ambtsketen nu bij aan de oplossing van het geheim Schaduw?” vroeg
Lola, “en wat betekend ‘den blauwen schuit”?. Met dat laatste kan ik wel helpen
sprak Nilles, “den blauwen schuit” was een schip wat vroeger achter de
oorlogsvloot aan voer met aan boord vrouwen van lichte zeden, ook met de
vastenavond rijdt er in onze hele grote optocht nog steeds een blauwe schuit
mee”.
Laat mij eens sprak de schaduw die aan de ambtsketen een scheepje zag hangen.
Ze bekeken het scheepje eens, het had 3 masten en een verhoogd achterdek en
volle zeilen. De Schaduw pakte het op en legde het onmiddellijk boven op de
punt legde. Hij trok vervolgens een lijn van het schip naar het noord oosten
van de windroos. Lola en Nilles trokken gelijktijdig hun wenkbrauwen op maar
legden zich neer bij de keuze. De lijn raakte echter geen enkele afbeelding of
letter en ze keken vragend naar de Schaduw, die hun kort uitlegde hoe hij aan
deze ingeving was gekomen.
Toen viel hem op dat in het schip ook een gaatje zat, verschoof het zo dat in
het gaatje de punt van het document zichtbaar was en draaide toen de boegspriet
naar het noord-oosten. Nu wees de voorspriet de letter “H” aan en
achterdekspriet van het schip precies naar het lijntje wat verbonden was met het
woord “maagd” en de letter “E”. Iedereen wipte van opwinding op uit zijn
stoel. “Wacht eens”, sprak Nilles, “vastenavond of carnaval” is eigenlijk een
zogenaamd omkeer feest, als we de dames van lichte zede omdraaien dan komen we
uit op een maagd.
De maagd is ook de naam voor een gebouw wat vroeger een kerk was en thans een
theater.
De Schaduw trok nu opnieuw de lijnen vanaf het schip naar de maagd maar ze leken
niets helemaal te raken zoals dit hiervoor wel het geval was. “Wacht even”, zei
Nilles “De Maagd kan ook onze lieve vrouw zijn want die is natuurlijk het
toppunt van kuisheid, dus het kan ook de Gevangenpoort of Lievenvrouwenpoort
zijn, dit is een overblijfsel van de oude vestingmuur wat er nog steeds is.”
Ze keken nog eens naar het schip en de drie masten raakten ook precies drie
dunne lijntjes. De lijn van de grootste en middelste mast liep naar de Lievenvrouwenpoort,
de lijn van de linkse mast liep naar het Markiezenhof en lijn die de rechtse
mast raakte liep naar een figuur dat Sint Christoffel voorstelde onderweg werden
de letters A, R en D geraakt.
“Jakkes nog een puzzel”, zei Lola, “het lijkt wel of we niet veel verder komen
op deze mannier.” “Misschien stellen de letters een naam of woord voor” zei ze
en keek hoopvol naar Nilles die knikte en begon aan de puzzel. Ruim een half
uur zat Nilles diep in gedachten allerlei woorden op te schrijven totdat hij
plots riep “ik heb het, het kan niet anders dan “haerd” zijn” en keek trots naar
de Schaduw en vervolgens naar Lola die hem zwijgend en niet begrijpend
aanstaarden . Snappen jullie het dan niet, in het Markiezenhof in de hofzaal
bevind zich een grote haard, de St Christoffelschouw wat een waar kunststuk is
en ongeveer 15000 kg weegt, daar moet ook de oplossing van het geheim zich
bevinden. Geweldig zei de Schaduw is deze open haard ook te bezichtigen?
Natuurlijk zei Nilles het Markiezenhof is tegenwoordig een museum, en dat gaat
om half negen open enne.. als lid van de heemkunde kring heb ik een streepje
voor. “Dan hebben we nog een half uur te gaan” zei Lola, kijkend op haar
horloge. “Neem eerst nog een kopje koffie” bood Nilles aan dan maak ik
ondertussen nog even een paar broodjes klaar.
| |
 |
|
| |
Het Markiezenhof |
|
XI
Precies om half negen stonden er 3 mensen op de stoep van het Markiezenhof, de
blonde jonge vrouw keek verrast naar de vroege bezoekers.
“Ik heb gasten over uit Frankrijk en ze moeten vanmiddag al weer terug naar
huis” verduidelijkte Nilles tegen haar. “Oooh” zei de juffrouw in kwestie “nou
veel plezier dan.” Het trio liep door de oude gangen en zagen weldra een
maquette staan waarop schitterend al de vestingwerken van Bergen op Zoom te
zien waren. Vervolgens was buiten de bijzonder fraai aangelegde franse tuin te
zien en de slaapkamer van de markiezen, boven was nog een afdeling met o.a.
kerkelijke voorwerpen, voorwerpen uit de middeleeuwen zoals harnassen, zwaarden,
hellebaarden, maliënkolders etc. en een heus kermis museum en in gedachten
hoorde de Schaduw al geluiden van draaiorgels die altijd zo’n grote
aantrekkingskracht op hem hadden maar…daarvoor waren zij hier niet gekomen.
Ze liepen vlug door naar de hofzaal en stonden weldra voor de enorme haard welke
rijkelijk voorzien was van versieringen. “Wat nu” sprak Nilles, “we zijn nu wel
op de juiste plaats maar we kunnen toch moeilijk de haart afbreken niet waar”.
De Schaduw zei niets maar bekeek de haard aandachtig van alle kanten en
probeerde of hij bijzonderheden kon ontdekken, en hij begon de voorstellingen
en figuren 1 voor 1 aandachtig te bekijken. Hij pakte het document en de
ambtsketen er bij en vergeleek de afbeeldingen met die op de haart maar zag
niets bijzonders echter Lola kwam de eer te beurt om het geheim te ontdekken.
De personen en figuren die op de haard afgebeeld waren kwamen overeen met de
afbeeldingen op het document maar 2 van de figuren kwam niet overeen met die
aan het ambtsketen.
De Schaduw bekeek de figuren, welke beide een bloem voorstelde wat nader en
overwoog wat hij moest doen. Vervolgens drukte hij op de linkse bloem maar er
gebeurde niets. Wel leek er toch een klein beetje speling in te zitten. Hij
voltrok het zelfde ritueel bij de rechtse bloem, ook hier leek er wel wat
beweging in te zitten maar er gebeurde verders niet.
Plotseling kreeg de Schaduw weer een ingeving, “als ik het je vraag druk dan op
deze bloem dan druk ik op de andere” sprak hij tegen Lola,”…. 1,2 nu!”
Samen drukte ze gelijktijdig op de bloemen en ze hoorden duidelijk een klik en
keken in het rond of ze wat konden ontdekken maar zagen echter niets. Het was
Nilles die in de haard keek en zag dat er in de schoorsteenmantel van de haard
een steen uitstak die hem niet eerder was opgevallen. Schuldbewust als ze
waren keken ze rond of er niemand was die hun zag. Met de nodige moeite konden
ze de steen er uittrekken en in de ruimte daarachter ontdekten ze een doosje wat
de Schaduw vlug bij hem stak. “Zo de buit is binnen, mare wat ik vragen
wilde…hebben jullie hier nog draaiorgels staan ” vraagde hij aan Nilles.
Voordat Nilles een antwoord kon geven, deed Lola dit al, “Naar de uitgang
…nu!”en de beide mannen moesten hartelijk lachen. De jonge blonde vrouw keek
vragend naar de 3 bezoekers en vroeg aan Nilles “niet interessant genoeg”.
“Jawel”, grinnikte deze, “maar ze hebben gisteren teveel gedronken en kater
heeft nog steeds de overhand ”
Ze liepen terug via de fortuinstraat en kwamen aan op de “grote markt” waar er
voor het stadhuis een grote drukte was. Laten we even gaan kijken stelde de
Schaduw voor en zette zijn onschuldigste babyface op. “Het is een schande”
hoorden ze de politie agent zeggen tegen een man die ijverig het relaas noteerde
en schijnbaar van de pers was, “gisteren hebben ze op klaar lichte dag
geprobeerd de ambtsketen te stelen” en vannacht hebben ze het met succes
afgemaakt. De Schaduw liep achter de fotograaf langs en zag dat zijn fototas
openstond en met een grijns waar een breedbekkikker jaloers op zou worden liet
hij ongemerkt de cassette met de ambtsketen in de tas glijden. Lola keek hem
bestraffend aan, maar toen ze buiten gehoorsafstand waren zei hij sussend dat
hij wel een verklarend briefje zou sturen om het goed te maken.
| |
 |
|
| |
De St. Christoffelhaard |
|
XII
Het trio liep “t locomotiefke” binnen en de Schaduw legde het doosje op de
tafel. Alsof hij eerst op tromgeroffel en applaus rekende keek de Schaduw eerst
iedereen even aan. Lola, die zich niet meer kon beheersen gaf haar man een
liefdevolle maar daarom niet minder gemeende por tussen zijn ribben en kijk dat
hielp. Ze bekeken het kistje van alle kanten maar er zat geen slot op, wel een
aantal kleine gaatjes. Ze probeerde eerst met een paar lucifers en later met
paperclips of ze het doosje open kregen maar faalde. Tenslotte kreeg de Schaduw
een ingenieuze ingeving, “Stomme ezel, idioot, rund riep hij, ik heb de ketting
te vroeg terug gegeven, ik geloof dat het de bedoeling van de maker is geweest
dat we 3 masten van het scheepje er in zouden stoppen”. “We zijn gelukkig met
zijn drieën dus als we gezamenlijk een paperclip in de gaatjes stoppen lukt het
mogelijk ook, anders moeten we het kistjes openbreken. Ze pakten 3 paperclips
porde in de gaatjes die ongeveer op de afstand van de masten zaten en enige
tellen later ging het kistje open.
In het kistje lag een ring en weer een document wat de Schaduw snel uit het
kistje griste en probeerde het te lezen. Mmm, mmm, hé, mmm mompelde hij toen
hij de inhoud las, en dreef de beide andere schatzoekers bijna tot wanhoop.
Echter een aantal zaken kon hij niet goed lezen omdat het geen Latijn was dus
overlegde hij met Nilles totdat het gehele document duidelijk was. Lola verbeet
zich in de tussentijd en ‘speelde wat met de gouden zegelring waarop een
familiewapen stond met onder andere 3 ruiten figuren en een leeuw…. en ze
herkende het familiewapen van de heren van Glymes, Markiezen van de heerlijkheid
Bergen op Zoom. Nilles hoofd had een kleur aangenomen van een overrijpe
tomaat en een “Jeetje” ontsnapte aan zijn lippen. Lola stond op het punt om tot
ontploffing te komen en riep “mannen….gaat het nog lukken voor mijn dood of…”
De mannen knikte beiden van wel en op een apart vel papier werd de vertaling
vlug geschreven. Nilles viel de eer te beurt om het document te mogen
voorlezen en met trillende stem van opwinding las hij het korte bericht voor dat
luidde:
In het jaar 1474 op de 11de november verklaart de heer Glymes,
Markies van de heerlijkheid Bergen op Zoom dat hij Jacob Obrecht en al zijn
nakomelingen in directe lijn voor bewezen diensten het recht geeft om zich te
laten begraven in de gewijde grond van de St Getrudis kerk.
Het stuk grond werd in het document keurig op een kaartje aangegeven en bood
plaats aan 4 graven. “Brrr wat luguber” zei Lola. “Maar Nilles jouw familie
naam is toch ook Obrecht, gaat het hier om een voorouder van jou?”.
“Waarschijnlijk wel, maar of ik een directe afstammeling ben dat zal ik moeten
uitzoeken” “Overigens werden vroeger alleen adellijke of rijke en aanzienlijke
families begraven in een kerk zelf”. “Ja ja”, sprak de Schaduw die duidelijk
moeite had om zijn teleurstelling te verbergen het is altijd leuk om een oud
document uit de familie te bezitten maar eerlijk gezegd valt het me toch wel wat
tegen.
“Dat valt nog te bezien”, sprak Nilles “de kerk is diverse malen vernield en
opgebouwd, in 1474 liep de kerk nog een heel stuk door over wat nu het Thalia
plein heet.” “Dit betekent”, ging hij verder “dat een deel van dat plein nu
mogelijk bezit van mij en mijn familie is en dat betekent ook dat ik de
bouwplannen kan laten stoppen om het plein te bebouwen en de cultuur historische
waarde kan laten behouden!”
De Schaduw herinnerde zich dat de baas ook Marion werd genoemd door zijn
handlangers en vroeg aan Nilles of die naam hem bekent voor kwam. “Nou en of”,
zei deze, “dat is de project ontwikkelaar die alle grond heeft opgekocht op en
rond het Thalia plein, hij wil hier een appartementen complex gaan bouwen, maar
met dit document en de ring in mijn bezit heb ik een kans om dit te
voorkomen”. “Deze oude rechten kunnen best nog rechtsgeldig zijn, dus ik zal
zeker dit gaan aanvechten, dankzij jullie hebben we nu een kans.” De Schaduw
wuifde alle lof uitingen weg en bedankte op zijn beurt Nilles zonder wiens
bijdrage ze nooit de ambtsketen en dus Lola hadden kunnen redden uit de handen
van deze schurken.
Het avontuur en de raadsels zaten er op dus de Schaduw kreeg ineens veel haast
om zijn vriend Harro Vance in het hoge noorden te bezoeken.
Ze namen afscheid van Nilles en wenste hem veel succes met zijn erfgoed. “Houd
u goed of oudoe” zoals we dat hier in Brabant zeggen, zelfs in de middeleeuwen
spraken ze al turbotaal zei hij met een brede grijns. De Schaduw en Lola
zwaaiden nog na en gearmd liepen ze terug over de “grote markt” om hun spullen
op te halen uit herberg de draak.
| |
 |
|
| |
De gevangenpoort |
|
XIII
Het zonnetje stond inmiddels weer hoog aan de hemel en haar warme stralen
verwarmde de niet alleen de huizen maar ook de inwoners van Bergen op
Zoom. Omdat het zonde was om deze mooie dag verloren te laten gaan en omdat de
behoefte aan frisse lucht groot was besloten ze eerst nog een wandeling te
maken. Ze volgende de Hoogstraat, staken de Bosstraat over naar de Lindebaan
en vervolgde hun weg naar de Coehoornstraat. Via de Gertudisboulevard en de
Olaf Palmebrug kwamen ze aan op de boulevard langs de binnen Schelde. Hand in
hand snoven ze de zilte lucht op en sloegen de drukte gade. De zilvermeeuwen
vlogen langs de waterkant en boven de mensen op de terrasjes waar zij
concurreerden met de mussen om de koekkruimels of stukjes brood. "Zeg Carles",
vroeg Lola, "hoe wist jij nu eigenlijk in welke richting je dat schip op de
kaart moest leggen". Geloof het of niet maar ik had een droom waarin ik
in het Markiezenhof op een groot bal aanwezig was en waar een mooie vrouw me
vertelde dat ik altijd noord-oost moest varen" sprak hij. "Eigenlijk was het dus
een gok of een inval of...de voorzienigheid maar net hoe je het noemen wilt".
"Nou ik noem het eigenlijk in een droom flirten met vreemde vrouwen" en ze
probeerde een boos gezicht op te zetten wat haar overigens niet goed lukte en
lachend keken ze elkaar aan. Na een wandeling over de boulevard
besloten ze om het streekgerecht met de 3A's te proberen. De aardbeien, de
asperges en de ansjovis waren stuk voor stuk de moeite waard net als de rest van
de maaltijd. Voldaan liepen ze via de zelfde weg terug en ze kwamen weer uit op
de grote markt. Op het stadhuis was het nog steeds een drukte, echter nu was het
de politie die de verslaggever in het stadshuis aan het ondervragen was, ze
zagen hoe de man drukke, ja zelfs wanhopige gebaren maakte en Lola keek boos
naar de Schaduw. Deze zei verontschuldigend dat het goed zou komen en dat hij het
zijn Amsterdamse collega Uyttenbogaert wel zou laten regelen en dat hij de
verslaggever de primeur van het hele verhaal zou geven. Ze liepen hun hotel
binnen waar ze nog een kop koffie namen en besloten dat het tijd was om te
vertrekken. Het carillon leek het tweetal uitgeleide te doen met zijn vrolijk
rinkelende bellen en op aanraden van Nilles maakte ze op weg naar de garage een
kleine omweg via de Gevangenpoort of Lievenvrouwenpoort. Het was lang geleden
dat er in dit gebouw mensen gevangen gehouden werden. Volgens Nilles bood het
zelfs ooit gastvrijheid aan een gevangene van koninklijke bloede die niet de
brave Hendrik was die zijn naam deed vermoedden. Bij de garage wachtte hun nog
een laatste verrassing, de garagehouder stond het twee tal al op te wachten en
overhandigde persoonlijk de autosleutels met de mededeling dat vrienden van
Nilles hem niets schuldig waren en met een knipoog zei hij dat hij altijd al de pest aan
die Marion had gehad. Hij riep hun nog het typische Brabantse "oudoe" na, maar de
Schaduw hoorde het al niet meer, want hij had inmiddels de motor al gestart en
luisterde tevreden naar het gespin van de motor. "Zeg lieve moest je de
plaatselijke politie niet eerst inlichten over de dat schoelje onder in de
grebbe" vroeg Lola. "Nah, dat laat ik aan Uyttenbogaert over, als ik hem
vanavond of morgen inlicht" zei de Schaduw die aan zijn pijnlijke bult voelde en
nog steeds wraak gevoellens koesterde. "Zeg Schaduw", vroeg Lola, "Wist jij
trouwens dat Sint Christoffel de beschermheilige is van alle reizigers" "Mmm",
antwoordde de Schaduw die alweer met zijn gedachte elders verbleef. Terwijl
ze Bergen op Zoom uitreden zei Lola, "toch is het eigenlijk wel merkwaardig dat
een oud stukje papier de modernste en sterkste machines kan tegenhouden".
"Zelfs hoogst merkwaardig", beaamde de Schaduw "maar C'est la vie" en hij trapte
het gaspedaal dieper in.
| |
 |
|
| |
|
|
Terug
|
|
|