 |
.
Het mollige hart van een rijpe meloen van Avontuur
In het honderdste geboorte- en veertigste sterfjaar van Havank
De Volkskrant 20 februari 2004
Wat gebeurt er met een crimineel op wiens hoofd zojuist de rubber
knuppel is neergedaald van Charles Coriolanus Maccabeus Carlier,
hoofdinspecteur van de Sûreté Nationale en 'erelid' van Scotland
Yard, alias de Schaduw? Dan gebeurt er dit: 'Van dat moment af heeft
Butch voor een korte wijle part noch deel aan de geschiedenis van de
mensheid. Er is echter reden om aan te nemen dat hij in elkaar zakte
met het zonderlinge idee in zijn hoofd dat er ergens in het heelal
een komeet los was geraakt; hoewel de moderne psychologische school
eerder overhelt tot de mening dat Butch onder zeil is gegaan in de
vaste overtuiging dat het aanknippen van het elektrisch licht in die
keuken meteen een handgranaat onder zijn schedel heeft doen
ontploffen'.
Achteraf zou je het wonderbaarlijk kunnen noemen dat de Leeuwarder
politieromanschrijver Hans van der Kallen, beter bekend als Havank,
met een dergelijk bombastisch taalgebruik zo'n groot publiek wist te
bereiken - en over zo'n lange periode: van de jaren dertig tot in de
jaren tachtig. Van zijn dertig boeken over de Schaduw, die hij
allemaal in hetzelfde idioom schreef, verkocht uitgever A.W. Bruna &
Zoon er zes miljoen - waarvan een groot deel in de populaire Zwarte
Beertjes-serie. Na Van der Kallens dood zette de Leeuwarder Pieter
Terpstra zijn werk voort: hij voltooide drie van Havanks laatste
manuscripten en schreef onder de auteursnaam Havank & Terpstra in
zijn, eigen, wat minder flamboyante stijl nog twintig boeken over de
Schaduw, waarvan er zo'n vier miljoen werden verkocht.
Havank bezigde niet de taal van de straat,, maar van een gymnasiast
uit het begin van de 20ste eeuw, die misschien wel graag tot op hoge
leeftijd gymnasiast had willen blijven. In vrijwel al zijn boeken
schilderde hij de Schaduw als een scherpzinnige, eigengereide
politieman die er met zijn gymnasiale achtergrond zelfs in de
hachelijkste situaties niet voor terugdeinsde Vergilius of Dante te
citeren.
Een hoge leeftijd heeft Van der Kallen trouwens niet bereikt.
Gisteren precies honderd jaar geleden werd hij geboren, en veertig
jaar terug, op 22 juni, ging hij dood. Het is, zou je kunnen zeggen,
dus eigenlijk Havank-jaar, al heeft dat nog niet geleid tot grootse
herdenkingen of symposia over auteur en werk - of het zou de
bijeenkomst moeten zijn die gisteren werd gehouden in het
16de-eeuwse landhuis Dekema State in Jelsum, even benoorden
Leeuwarden, waar de schrijver een tijdje heeft gewerkt en gewoond.
Wat was het geheim van Havanks succes? Was het de grote behoefte in
die zorgelijke jaren dertig, veertig en vijftig aan verstrooiende
lectuur? Was het zijn humor - of pogingen tot humor? Kwam het door
de pregnante, herkenbare beeltenis die tekenaar Dick Bruna van de
Schaduw maakte (kort zwart mannetje zonder nek, alpinopet,
onafscheidelijke sigaret in het hoofd)? Was het de spanning waarmee
de schrijver in bijna elke zin suggereerde dat de hel nu werkelijk
ging losbarsten? Of was het toch vooral zijn gezwollen - velen
zouden beweren: bloemrijke -taal?
Vraag het zijn biograaf en bibliograaf drs. J.P.M. Passage (76) en
hij zal antwoorden: 'U noemt het bombastisch, maar als neerlandicus
kijk ik dan terug naar schrijvers als Aart van der Leeuw en Arthur
van Schendel, want met enig historisch besef kun je zeggen dat de
taal van Havank op hun taalgebruik is terug te voeren'. Hij leest
een zin voor om te illustreren wat hij bedoelt. Maar wie Havank een
beetje kent, weet dat hij voor dat soort zinnen niet lang in het
Schaduw-oeuvre hoeft te zoeken. Uit De man in de verte: 'Met de
handen krampend om de leuningen van zijn stoel, zodat het rietwerk
kraakte en de knokkels onder het wit van de huid zichtbaar werden,
zag Silvère in de verte het noodlot van de wagen zich voltrekken -
en hij kon slechts toeschouwen, in pijnlijke, martelende
machteloosheid'. Uit Schaduw waarom?: '...en in de dol-fantasterige
beeldspraak van de Schaduw was die ene blik door die providentiële
spleet als een blik in het mollige hart van een rijpe meloen van
Avontuur'.
Al op jeugdige leeftijd raakte Passage door Havank gegrepen. Door
zijn boeken kreeg hij belangstelling voor Nederlandse en
buitenlandse literatuur, en ging hij Nederlands studeren. In 1980 -
'toen het in het onderwijs wat minder ging' - zette hij zich in de
avonduren aan een grondige analyse van Havanks werk, die resulteerde
in een bibliografie van '26 of 27 boekjes' over uiteenlopende
onderwerpen -van de reizen die de Schaduw maakte tot de plaatsen die
hij bezocht en de auto’s waarin hij reed. In 1996 vond Passage het
tijd worden voor het schrijven van een biografie, die in 1997
verscheen onder de titel Havank schets van leven en werk.
Het is een schets van een turbulent bestaan: roomse opvoeding in:
Leeuwarden, gymnasiumtijd bij de paters Augustijnen in Eindhoven (afgebroken
in het vijfde jaar), fabrieksarbeider 1934 beginnend schrijver te
Amsterdam (gage voor zijn eerste boek Het mysterie van St.Eustache,
in 1936: 250 gulden), reizen naar Parijs en door Frankrijk, huis in
de Proyence - belangrijkste inpiratiebron voor zijn Schaduw-boeken
-, vlucht in 1942 naar Londen, trouwt daar, redactiechef van het
Londense Vrij Nederland, leeft terug in Nederland gescheiden van
zijn vrouw, bekeert zich tot de r.k-kerk, gevoelig voor spiritisme
en openbaringen, levensgenieter, zit voortdurend zonder geld,
stevige drinker, ijverig schrijver.
Van der Kallen schreef 29 (politie)romans en twee verhalenbundels;
hij vertaalde meer dan vijftig boeken van Leslie Charteris over
Simon Templar, alias The Saint (Zwarte Beertjes). Op het laatst van
zijn leven logeerde hij in hotel Amicitia te Leeuwarden. Daar werd
hij op 22 juni 1964 dood op zijn kamer gevonden, overleden aan een
hartaanval, in zijn hand een onvoltooid manuscript, waarvan de
laatste zinsnede luidde: 'Diens waanzinnige, triomfantelijke lach...'
Nog hetzelfde jaar werd het uitgebracht als Menuet te middernacht,
na pagina 175 voltooid door Pieter Terpstra. In 1985 verscheen de
laatste Havank & Terpstra, De Schaduw en het moordjaar, als extra
dikke paperback. Daarna werd het stil. Op een enkele
gelegenheidsuitgave na werden er geen Havanks meer herdrukt
Maar de geest van de schrijver leeft voort, Er is een Stichting
Mateor (zo genoemd naar het boek De N. V. Mateor uit 1938) die met
steun van zo'n tweehonderd donateurs probeert het culturele erfgoed
van Havank te behouden. Elk jaar, op de sterfdag van de schrijver,
benoemt de stichting iemand tot 'vriend van het jaar' (Dick Bruna
was in 1995 de eerste, Pieter Terpstra werd het in 1997, J.P.M.
Passage in 2000). Het graf van Van der Kallen werd veiliggesteld en
voorzien van een monument. Er verscheen een Havank-wandelroute door
Leeuwarden, en op het geboortehuis van Havank werd een bronzen
reliëf aangebracht.
Plannen voor nieuwe herdrukken zijn er niet. Hillebrand Komrij,
secretaris van de stichting, vraagt zich ook af of Havank nog wel in
deze tijd zou worden gelezen. 'Hij schreef in een stijl die jongeren
van nu waarschijnlijk niet zal aanspreken. En zo gaat het natuurlijk
vaak met schrijvers: na hun dood worden ze vergeten'.
Er is een lichtpuntje: uitgever Bruna gaat volgend jaar één
Havank-deeltje opnieuw uitbrengen. Niet vanwege Havank, maar omdat
de Zwarte Beertjes-reeks dan vijftig jaar bestaat. De Stichting
Mateor is gevraagd er drie te selecteren. Dat is inmiddels gebeurd.
Welke gaat het worden ? De verkavelde bruidegom, Het probleem van de
twee hulzen of De Schaduw grijpt in ?
WimWirtz
|
|
|