|
De lange, bleke en moeilijk verstoorbare inspecteur Jacques Deloire gaf een lichte kreet van schrik en verrassing.
'Dââr!' zei hij - en zijn stem was een beetje hees. 'Wat?'
'Daar... daar steekt een poot... een voet onder de stenen uit!'
Hoofdinspecteur Charles C. M. Carlier van de Sureté, dikwijls genaamd de Schaduw, keek.
'Merkw. . .' begon hij, maar meteen viel hij zichzelf in de rede met een iets krachtiger en zeer hartgrondig: 'Verrek!'
Uit de steenhoop zag hij een voet met een bruine herenschoen en een vuurrode sok steken.
'Vlug!' zei hij. 'Misschien...'
Deloire was al bezig met het steenblok voorzichtig weg te wentelen.
De benen van een man kwamen vrij.
Op zijn lichaam lag een flinke berg stenen.
De beide mannen zwoegden hard om ze zo snel mogelijk te verwijderen.
Het hoofd kwam het laatst vrij. Het was bebloed.
De Schaduw klom hijgend bij de stenen op en boog zich over het hoofd.
In de schedel zat een grote, gapende wonde.
'Die is bést geraakt', mompelde hij.
Deloire kwam er ook bij. 'Daar zit geen leven meer in...'
Buiten klonk de stem van mevrouw Vallois.
'Zijn de heren soms hier?' 'O', zei Carlier kregelig, 'daar heb je die vrouw weer.'
Die moet het eigenlijk niet direct weten.'
Maar ze was er al.
'Ik dacht zo bij mezelf: misschien heb ik wel wat onaardig tegen jullie gedaan.
Ik wilde jullie vragen of je iets wilt komen drinken, dat zou...'
Ze bleef in haar woorden steken en keek ontzet naar de dode man, die tegen de stenen lag.
Ze werd bleek en gaf een gil.
|
'Tsja...' zei de Schaduw, 'dat ziet er niet zo mooi uit.
Kijk de andere kant maar op. Of eh... ként u deze man?'
'Nee,' zei ze - en kokhalsde.
Mevrouw Vallois was een kleine, grijze vrouw van een jaar of vijftig, die hen een kwartier geleden nors te woord had gestaan.
Haar man, toezichthouder op een reeds jaren verlaten en gedeeltelijk met slordige hand afgebroken glasfabriek en een aangrenzend autokerkhof bij het dorpje Bouillource was afwezig, maar werd binnen een uur thuis verwacht.
De Schaduw was zeer onverwacht en door een hoogst merkwaardige aanleiding in deze streek terecht gekomen.
Hij bevond zich op deze zomerse morgen, zonnig gehumeurd, in z'n werkkamer toen een geminirokte, bruingebrande, fraai geschapen, ontwapenend jeugdige maar op dat moment zéér nerveuze telefoniste onaangediend binnenkwam en hijgend uitbracht: 'Ze willen iemand d-doodslaan!
Ik had hem net aan de t-telefoon!' 'Wie?' had de Schaduw vrolijk gevraagd, 'de dader of het slachtoffer?'
Maar nu hij naar de dode man op de stenen die eens de glasfabriek mee omhoog hielpen houden, neerblikte was hij niét vrolijk.
Dus tòch! Het gebeurde vaak dat de politie gebeld werd over iemand die vermoord dreigde te worden.
De helft bestond uit overdrijvers en de andere helft uit grappenmakers.
Dat hij deze keer Hoogst Persoonlijk op het telefoontje was ingegaan kwam doordat de duidelijke plaatsmelding hem opviel en hij direct de indruk kreeg dat de man aan de telefoon geen grappenmaker was geweest.
De mooie telefoniste mocht onthutst zijn, ze wist nog heel goed wat ze gehoord had.
De politie moest direct naar de oude glasfabriek, een paar kilometer |