 |
.
|
buiten Bouillource rijden.
De man aan de telefoon werd bedreigd. Ze wilden hem doodslaan!
Plotseling werd het gesprek afgebroken zonder dat hij een naam had genoemd.
Maar de mooie telefoniste, sinds enkele dagen in dienst en nog niet gewend aan de barre werkelijkheid waarmee de Surete Nationale elk uur van de dag te maken had, bezwoer de Schaduw dat het allemaal ontzettend echt, verschrikkelijk luguber en angstaanjagend had geklonken.
En welke man zou dan nuchter zeggen 'Laat maar zitten liefje?'
De Schaduw, beschermer van weduwen en wezen, zéker niet!
Hij had de lakonieke en enigszins sombere inspecteur Deloire gekozen om hem te vergezellen, was in de zilveren jaguar door het zuiden van Parijs, over de Route Nationale naar Arpajon en daarna over een iets minder comfortabele weg in de richting La Ferté Alais gesneld, was halverwege rechts afgebogen en had tien minuten later Bouillource bereikt.
De glasfabriek was hem door dorpelingen aangeduid.
Bij de lege fabriek ontmoetten Deloire en de Schaduw in een klein huis, dat wel eenmaal de portierswoning zou zijn geweest, mevrouw Vallois, die afgemeten zei dat ze van niets en zeker van geen bedreigd manspersoon wist.
Maar nu had ze de bedreigde manspersoon gezien en ze stond ontdaan over te geven.
Toen ze een beetje herstelde, het afschuwelijke tafereel |
Maar die woorden zouden niet in vervulling gaan.
Een kort onderzoek leerde dat de man die ze dood in de glasfabriek hadden gevonden, bij zijn leven naar de naam Louis Cocteau had geluisterd.
En Deloire sprak: 'Het lijkt me kras dat die mevrouw Vallois hem niet kende.
Ik vertrouw haar niet.
Eerst was ze onvriendelijk en later wilde ze ons met een drankje naar binnen lokken.
Ik zou haar kleren en die van haar man maar eens laten nakijken op bloedsporen..'
Carlier knikte een beetje afwezig. 'Merkwaardig', mompelde hij in zichzelf, terwijl ze naar de Jaguar liepen. 'Hoogst merkwaardig...'
Het waren woorden die hij 's avonds herhaalde na een telefoontje dat plotseling afgebroken werd: 'Kom direct naar de glasfabriek bij Bouillource! Ik word bedreigd! Ze willen me doodslaan! Ik..'
Voor de zekerheid stuurde hij een inspecteur. Maar in en bij de glasfabriek was niets bijzonders te zien.
's Avonds na de gruwelijke dood van zijn oudere broer Louis was er geen zinnig woord uit de mond van de poelier Daniel Cocteau te krijgen.
Hij was volkomen van z'n stuk.
Daarom keerden de Schaduw en inspecteur Deloire de volgende dag terug.
De poelierszaak was in verhouding tot het kleine dorp omvangrijk.
Een plaatselijke politieman vertelde dat de firma tot ver in de omtrek leverde. |
speurdersverhaal
door HAVANK(Terpstra)
|
de rug toekeerde en naar huis wilde lopen kwam haar man, teruggekeerd van zijn korte afwezigheid, haar tegemoet.
De heer Vallois was een fors en buikig persoon met een opvallend lange hangsnor.
Neen, iets bijzonders was hem niet opgevallen de laatste tijd.
Of het moest dat briefje op het autokerkhof zijn.
'Briefje?' vroeg de Schaduw zeer nieuwsgierig.
Ja. Vallois had een briefje gevonden.
Er stond iets in in de trant van 'Zet hier geen poot meer op het terrein of we slaan je dood.'
Maar hij had het weggegooid omdat hij dacht dat het wel iets met een spelletje te maken zou hebben.
Er kwamen wel eens kinderen op het autokerkhof...
Ja, dat autokerkhof.
De Schaduw besloot ook daar even te gaan kijken.
Hij belde eerst de Sureté op, bestelde een collega en de deskundigen die zich maar over de dode man in de glasfabriek moesten ontfermen en dwaalde even later met Deloire tussen de wrakken en roestige overblijfselen van wat eens snelle, geliefde, met moeite gespaarde en danig vertroetelde voertuigen waren geweest.
Alleen een afgedankte autobus leverde hen wat op.
Ze vonden er een koffiemelkfles met een restje, dat nog niet zuur was en een briefje, waarop getypt was: 'De heer A. Millet.
Vanaf 1 mei is het u verboden op het terrein bij de glasfabriek te komen en anders...'
Daar brak de brief af.
Het papier had een briefhoofd met een firmanaam: Daniel en Louis Cocteau, poeliers, Bouillource.
'Laten we: zei de Schaduw tegen de sombere Deloire, 'in ons geestelijk notitieboekje vastleggen dat we over niet al te lange tijd de heren Cocteau een bezoek gaan brengen.'
|
Carlier en Deloire werden ontvangen door een wel knappe, iets te gezette typiste, die direct vrijmoedig vertelde dat ze Eva Bonheur heette, de uitgaande correspondentie behandelde en dat de hele zaak op haar was aangewezen nu de ene broer dood was en de andere een zenuwinzinking had.
Even later bleek dat Daniel -een veertiger, lang, slank, slordig gekleed, dunne stalen bril, zich onophoudelijk achter z'n oor krabbend - heel wat rustiger was dan de vorige avond, al had hij, naar hij vertelde, de hele nacht wakker gelegen en zich vergeefs afgevraagd wie zijn broer kon hebben gedood.
De Schaduw toonde hem de in de autobus gevonden gedeeltelijke brief met het briefhoofd van de firma.
Maar van de heer A. Millet had Daniel nooit gehoord en hij wilde direct de typiste ter verantwoording roepen om haar te vragen hoe het in godsnaam mogelijk was dat briefpapier van hun firma...
Maar de Schaduw gaf hem een knipoogje en zei dat hij zelf de typiste wel onder handen zou nemen.
'Eva?' vroeg de poelier. 'U wilt toch niet zeggen dat die iets met de zaak te maken heeft?'
De Schaduw zette ter verhoging van dekorum en aanzien zijn zware bril op en begaf zich naar de typiste.
'Wilt u', zo vroeg hij, 'voor mij een kort briefje typen?'
Ze keek hem een beetje verbaasd aan, maar antwoordde: 'Ja... als ik u daarmee helpen kan..?
'Dat kun je,' bevestigde de Schaduw en hij dicteerde: 'De heer A. Millet. Vanaf 1 mei is het u verboden op het terrein bij de glasfabriek te komen en anders...'
'En anders?' vroeg Eva Bonheur onverstoord. |
|
|
|