 |
.
|
Een half uur later reed de Schaduw met commissaris
Racine in diens kanariegele Simca naar het gehucht Anecdôre.
Carlier was niet tegenzin uit de trein gestapt, tien minuten
nadat de elf jarige Jules Jambon dwars tegen alle ongeloof van
de conducteur in volhield dat hij vanuit de trein had gezien
hoe een man bij een kerkhof een vrouw met een stok had
neergeslagen. Natuurlijk, het was bij het vallen van de
schemering geweest en je had alle kans dat de jongen toch
fantaseerde. Maar de Schaduw vond dat hij geen risico mocht
nemen en hij werd even later in die mening gesterkt door de
grijzende, maar nog zeer ambitieuze commissaris Racine, die de
indruk gaf in deze winterse verstilling bijzonder 'ingenomen
te zijn met de voorsmaak van iets dat wel op een bloedig
avontuur zou kunnen uitlopen. En het was hein een eer, zo zei
hij, dit verhoopte avontuur te delen met niemand minder dan de
welbekende collega Carlier uit Parijs. Waarop de welbekende
collega de eer bij de te grote oren pakte, omdraaide en
retourneerde aan afzender. Uit de tijdsopgave en beschrijving
concludeerde de commissaris dat de doodslag of wat het ook
maar mocht zijn had plaatsgevonden bij het kerkhof van Anecdôre,
een gehucht met dertien verspreid staande boerderijen, een café
en een kerkje. En daar reden ze dus, terwijl het al donker was
geworden, over een smalle, uit de sneeuw gegraven weg naar
toe. De zijweg, die het laatste stukje van de route vormde,
was onberijdbaar, maar volgens Racine waren ze dicht bij het
doel. Ze strompelden door hoge sneeuw en kwamen bij een
boerderij, de enige die ‑ zo zei Racine ‑ dicht
bij het kerkje en het kerkhof stond. Het gehucht had geen
straatverlichting en het was onmogelijk steeds het tracé van
de bochtige weg te vinden. Carlier zakte een keer tot zijn
middel in de sneeuw en de Inwendige Stem vertelde iets over
een enigszins warme trein waarin de Schaduw op dit ogenblik
iets dichter bij het vertrouwde Parijs zou zijn geweest als
hij de jonge Jules Jambon toch maar niet geloofd had. |
'Ze legt het aan met die
rottige Lemonnier,' bromde de boer. ,Als haar moeder dit nog
had moeten beleven... Maar ze ligt daar.'Hij knikte in de
richting van het kerkhof.Vijf minuten later, toen ze daar
waren, gaf hij een schreeuw. Tegen de haag van het kerkhof lag
een vrouw en in de sneeuw waren een paar grote, donkerrode
plekken. Ze was ongetwijfeld dood. Zo dood als een draadnagel'
zei de Schaduw droogjes. En aldus ging het gordijn op voor een
nieuwe episode in de Schaduwiaanse kronieken.Een vluchtig
onderzoek leerde Carlier en Racine diezelfde avond nog dat er
in de sneeuw bij de haag verschillende voetstappen stonden en
dat in de kerk ‑ waarvan de voordeur geopend was ‑
op de treden van de houten trap die naar de ruimte voor de
kleine kerkklok leidde, op slordige en blijkbaar haastige
wijze stof was weggeveegd.De Schaduw logeerde bij Racine. De
volgende morgen sneeuwde het en van de voetstappen bij de kerk
zou wel niet veel meer over zijn. Om negen uur vernam Carlier
van Racine dat de dode vrouw die ze bij het kerkhof gevonden
hadden, de 35‑jarige alleenwonende antiquaire Jeanne
Morand uit Poix was. Ze was gedood door een paar hevige slagen
op haar hoofd waardoor gapende wonden en waarschijnlijk
schedelbreuk ontstaan waren.
Een groot deel van de dag
verliep niet het onderzoek dat niet de deskundigen werd gedaan
bij het kerkhof en in de kerk en toen het kwart voor vier was
kon niemand van het gezelschap zeggen dat hij veel wijzer was
geworden. ik wilde,' sprak de Schaduw, mi graag een bezoek
brengen aan onze antiekhandelaar in de arbeiderswoning.
Tenslotte gaat het hier om collega s, en naijver, broeder
Racine, heeft al meer heiligen in verzoeking gebracht dan jij
en ik kunnen verzinnen, wat?'
|
speurdersverhaal
door HAVANK(Terpstra)
|
|
Toen ze de boerderijen
naderden kwam er iemand naar buiten. In het licht stond een
kleine gedrongen man van een jaar of zestig en achter hem, in
de hal, een jonge vrouw. De man groette niet, keek hen
argwanend aan en vroeg onvriendelijk: 'Wat is er aan de
hand?',Politie,' zei Racine. Hebben jullie hier een uur
geleden ‑ om ongeveer vier uur, zeg maar ‑ iets
bijzonders gehoord?'De man schudde meteen het hoofd. Hier
gebeurt nooit iets bijzonders,' zei hij. Wat komen jullie hier
doen?'Racine vertelde hem wat het jongetje in de trein gezien
had. De boer haalde zijn schouders op en zei: Zoiets gebeurt
hier niet. We zijn onder elkaar. Of...' Hij aarzelde
plotseling.Of?' drong de Schaduw aan.,Nou ja, sinds een half
jaar woont hier in een arbeidershuis, dat al een paar jaar
leeg stond, een scharrelaar in antiek met z'n moeder. Niet van
het beste volk, om eerlijk te zijn. En je weet maar nooit...De
jonge vrouw kwam snel en geagiteerd naar voren. Haar stem
sloeg over van verontwaardiging, hou je bek, vader! 'riep ze
uit. Dat is gemeen. George Lemonnier is een beste vent en...
Racine kwam er snel tussen. We zullen bij het kerkhof gaan
kijken,' zei hij. Loopt u even mee, eh. ..',Dujardin,' zei de
boer. Heeft u een lantaarn! Ik neem er ook één. Ik zal m'n
jas even opzoeken die kon ik zonet niet zo gauw vinden want
hij hing niet op z'n gewone plaats. We hebben niets gehoord.
Niets bijzonders, nietwaar lrène?' Maar z'n dochter was al
verdwenen. |
George Lemonnier ontving
Carlier en Racine heel hartelijk. Zijn moeder bleek niet thuis
te zijn. Het kleine woonvertrek was warm en gezellig.
Lemonnier, een ronde, ondanks de tijd van het jaar gebruinde
man van een jaar of dertig, vertelde dat bij de vorige dag om
een uur of vier niets bijzonders had opgemerkt. Op de vraag
wat hij op dat ogenblik had gedaan antwoordde hij:Jk eh... o
ja, ik zat de krant te lezen. Die was net gekomen, zie je?'Ja,
hij had al gehoord, dat Jeanne Morand het slachtoffer was. Hij
kende haar nauwelijks; was wel een keer in haar zaak geweest
om antiek aan te bieden, maar ze was hautain en vinnig en
bijzonder zuinig ook. Verder van de doden niets dan goeds,
natuurlijk. Om kwart voor vijf, toen er een pauze in het
gesprek viel hoorden ze plotseling een paar slagen van de
torenklok. En omdat het torentje geen uurwerk had en de klok
alleen zondagsmorgens en bij begrafenissen geluid werd schoot
de Schaduw overeind en beende snel naar buiten. Racine en
Lemonnier volgden hem. De sneeuw lichtte wat op in het duister
maar de Schaduw aarzelde eer hij zich een weg koos. Plotseling
zag hij een schim die zich snel voortbewoog. Hij schoot erop
af, greep toe, worstelde en collega Racine schoot te hulp. Ze
hadden een opgeschoten jongen te pakken.Ik... ik heb niets
gedaan... stotterde de jongen. Ik schrok zo ontzettend van het
slaan van de klok... Ik ben alleen de krantenjongen en ik... |
|
|
|