ARNOULD, KAPITEIN EN RIDDER
IN DIENST BIJ DE GRAAF VAN HOLLAND

Hoofdstuk 1

 

'Sssst,' zei Arnould tegen Costyn, en hij fluisterde:
'Ik hoor wat achter de struiken.' Costyn pakte zachtjes zijn zwaard, en zag dat Arnould hetzelfde deed.
Arnould maakte een omtrekkende beweging met zijn hand tegen wapenbroeder Costyn, zodat deze de struiken vanaf de andere kant ging benaderen.
Plots sprongen er enkele gewapende mannen uit de struiken, en vielen Costyn en Arnould met bijlen, messen en speren aan.

 Een bijl zoefde langs Arnould zijn gezicht, hij kon die slag nog net ontwijken . Arnould die de krijgskunst meester was, hanteerde zijn zwaard op haast elegante wijze, en pareerde de bijlslag. Hij zag zijn kans en sloeg met zijn zwaard de bijlsteel doormidden. De overvaller was hierop zo verbouwereerd en verbijsterd, dat die het op een rennen zette. Hij had gedacht makkelijk aan een goede buit te kunnen komen, door twee slapende mannen met zijn kornuiten te overvallen.

Costyn inmiddels had het een stukje moeilijker. Drie mannen met speren en bijlen hadden hem met zijn rug tegen een boom gedreven. Ondanks dat ook Costyn een meesterlijk zwaardvechter was, werden de speren nu toch een serieuze bedreiging voor hem.

Arnould zag de benarde situatie waarin Costyn zich bevond en schoot hem te hulp. Een van de Mannen wilde op Costyn toesteken, waarop Arnould onmiddellijk zijn dolk trok en worp. De dolk boorde zich in de hals van de vagebond en hij zakte geluidloos ineen. Costyn kreeg weer wat meer lucht en ontwapende de derde man, waarbij ook Costyn zijn tegenstander met een zwaardslag in de borst verwondde. De laatste man zag Arnould op zich afkomen, en zag in, dat zijn situatie kansarm was geworden hierop gooide hij zijn wapens neer en smeekte om genade.

 

Arnould de Cupere en zijn onafscheidelijke vriend Costyn van Renesse beiden van edele afkomst en jonge ridders van de Zeeuwse eilanden, waren ondanks de donkere en vooral gewelddadige tijden, geen moordenaars. Zij gaven de vagebonden na ze eens stevig te hebben toegesproken hun vrijheid terug nadat zij eerst nog hun gewonde tegenstander hadden verzorgd. Het bleek een behoorlijke wond te zijn maar niet direct dodelijk na ontsmetten kon de wond verbonden worden In hun opleiding in de krijgskunst, hadden zij ook wondverzorging geleerd. Dit was naast een goede hantering van de wapenen een van de meest veelvuldige taken van een ridder om na de gevechten je mede en tegenstanders en jezelf in leven te houden.

Tenminste als de wonden geneesbaar waren. Dat wil zeggen, dat er een voorwaarde bestond dat besmetting en ontsteking niet de overhand kregen, anders stierven de gewonden een langere en pijnlijker dood dan die in de strijd, en was het humaner om de zwaargewonde te doden op het slagveld dan te verzorgen.

De vagebonden moesten na hun dode te hebben begraven, hun gevluchte makker opzoeken, en zich melden bij de wacht van het kasteel Renesse als lijfeigene. Dit waren mensen die bescherming, eten en een slaapplaats kregen tegen wederdiensten binnen de kasteelmuren. Zij konden dan dienst nemen in de kasteelbewaking en eerlijk hun kost verdienen. Ook konden zij dan hun kennelijk favoriete hobby het vechten zo nu en dan eens uitoefenen, want de Zeeuwse eilanden werden regelmatig aangevallen door afwisselend de Vlamingen en de Hollanders en Brabanders. 

Arnould en Costyn, waren op weg naar de Graaf van Vlaanderen Gwijde van Dampierre - de schoonvader van de Graaf van Holland Floris V- voor wie zij toekomstig leenridders zouden gaan worden. Dit waren titels van het Feodale stelsel wat in die tijd we schrijven anno 1280 gebruikelijk was. Voor hun ridderdiensten kregen zij in plaats van geldelijke betaling landerijen van de Graaf. Deze landerijen werden weer verpacht aan Hereboeren die op hun beurt weer een gedeelte van de opbrengst van het land aan de leenheren afstonden. Ook verplichten de hereboeren zichzelf en de pachtboeren - dit waren de mensen die het land bewerkten - te leveren voor de strijd in dienst van de leenheer.

Beiden ridders hadden hun opleiding zojuist voltooid als schildknaap bij de edele Heren van Voorne, feitelijk buren van Arnould en zijn broer Boudewijn die weer bij hen als leenheer in dienst was, en waren op hun twintigste jaar in de bloei van hun leven. Beiden moesten zij ook in het spoor van hun vader treden, en zouden zodoende kasteelheer worden. Ook hadden zij elkander de eed gezworen als een van hen zou sneuvelen zijn familie bescherming te bieden.

De weg naar Biervliet in Vlaanderen was zwaar, de paarden legde het modderige traject moeizaam af. Drie dagen deden ze er over om van het eiland Voorne, naar biervliet te reizen. Eindelijk kwam het kasteel waar Graaf Gwijde zijn legers verzamelde in zicht. Costyn riep tegen Arnould, 'Ha, nu zullen we mijn broers Jan en Hendrik, ook weer zien.'

Langzaam werden de contouren van het kasteel duidelijker zichtbaar. Ook het schouwspel buiten de muren werd duidelijk. Grote groepen legers hadden daar hun tenten opgezet. Arnould zei, ik zie het banier van Jan sr., je vader. Ook het banier van Arnould zijn oudere broer Boudewijn werd zichtbaar.

'Ze zijn er allemaal met hun legers,' riepen ze opgewonden bij het aanschouwen. Ook Wolfert van Borssele met zijn vader Hendrik. Er ging een grote dreigende kracht uit bij het zien van zoveel manschappen. Alle Zeeuwse leenheren van de Vlaamse Graaf waren met hun legers naar Biervliet gekomen. Arnould en Costyn, gaven hun paarden de sporen, en galoppeerden richting het kasteel.

Vanuit het Kasteel klonk klaroengeschal de leenheren gingen op de muren kijken wie er aankwamen. Boudewijn de Cupere riep, 'het zijn onze twee driftkikkers Costyn en Arnould.' Wolfert van Borselle die de jonge mannen ook kende, riep hen uitnodigend toe, 'hier moet je zijn voor roem, eer en glorie.' Het weerzien van Costyn en Arnould met hun familie en vrienden was aller hartelijkst.

Zij kregen een warm bad en een kwartier toegewezen en konden rusten tot de avondmaaltijd., hierna zou de Graaf zijn krijgsplannen bekend maken. Het avondmaal werd een groots banket. Vlees, fruit, brood, wijn en bier was er in overvloed te eten en drinken. Koks liepen aan en af om de diverse spijzen op de tafels te zetten, De honden liepen er rond om de gevallen resten op te peuzelen, en troubadours zorgden voor gezang en muziek. Danseressen en jongleurs zorgden voor het visuele vertier.

De jonge kameraden Arnould en Costyn, zaten links van de Graaf, zij realiseerden zich dat vandaag eigenlijk hun leven als leenridder is begonnen.
De Graaf maakte een beweging met zijn hand, enkele klaroenen schalden, hierna werd het stil. De bedienden en het vertier werd naar buiten gestuurd. Allen de Graaf en zijn leenheren waren nog aanwezig. Graaf Gwijde nam het Woord; 'Heren, morgen gaan wij gezamenlijk op krijgstocht tegen de Franse Koning Philips IV. Onderweg op deze tocht zullen de Vlaamse leenheren en hun legers zich bij ons voegen.

               

De Engelsen zullen vanuit zee aanvallen, hierom heb ik een pact gesloten met Koning Edward I van Engeland. Uiteraard is deze krijgstocht in het diepste geheim ontworpen, en ook dit krijgsberaad is hieraan onderworpen. Mijn nobele veldheer Kapitein Boudewijn de Cupere, zal u de krijgsdetails uitleggen.'

Boudewijn, vertelde: 'Het doel is Duinkerken. Wij zullen met als tussenstop Brugge optrekken. Het krijgsterrein is verkend door onze spionnen, en ik heb hier een gedetailleerde kaart.De Vlaamse leenheren vallen de Franse troepen vanuit het zuiden aan, de Zeeuwse leenheren vanuit het westen, en de Engelsen vanuit de zee.

De Fransen zijn een troepenmacht aan het samenbrengen in dat gebied met de intentie Vlaanderen nog dieper binnen te dringen Met een korte verrassingsaanval willen wij hen een gevoelige klap toebrengen, en hun oorlogstuig vernietigen zodat ze die aanval voorlopig wel even uit hun hoofd kunnen zetten. Verder willen wij Duinkerken weer terug bij Vlaanderen inlijven.'

Hendrik van Borssele de vader van Wolfert, bracht naar voren, 'zijn de Engelsen wel te vertrouwen. In het verleden hebben zij het ook nog wel eens laten afweten.' Boudewijn reageerde hierop, 'het is juist ook is het belang van de Engelsen dat Frankrijk verzwakt wordt. Indien de Fransen Vlaanderen zouden overmeesteren, is dit een te gevaarlijke bedreigende situatie voor Engeland.'
De leenheren joelden enthousiast, en riepen krijgslustige taal onder het slaan met hun bekers op de tafels. Tevreden liet de Graaf het feest weer doorgaan.

                   

In die tijd waren de Vlamingen, de Zeeuwen en de Hollanders afwisselend bondgenoot van Engeland of van Frankrijk en Duitsland. Eigenlijk waren die stukjes landerijen net datgene wat de sterkte van de drie groten tegenover elkander bepaalden. Dit gaf de leengraven natuurlijk bepaalde onafhankelijke macht Ook de Graaf van Vlaanderen was weer een leenheer onder de Rooms Franse Koning Philips IV, maar de Graaf wilde zich onafhankelijker maken tegenover Philips IV. Nu lag dat voor Vlaanderen iets moeilijker dan voor bijvoorbeeld Holland.

Vlaanderen had intern veel meer last van zelf bestuurlijke steden waardoor verdeeldheid optrad in de belangen. Ook was de Franse Koning de directe buurman van Vlaanderen, en Philips IV, wilde geen stukje macht afstaan.
Zo was de Hollandse Graaf Floris V, zoon van de vermoorde Rooms Koning Willem II, weer leenheer onder de Rooms Koningen Rudolf van Habsburg en Adolf van Nassau. Deze Koningen hadden veel minder macht dan de Franse Koning, wegens brandhaarden in het gehele Duitse rijk.
Verder zat het Graafschap Namen - gekocht door Gwijde van Dampierre van Vlaanderen en geregeerd door zijn oudste zoon-, het Hertogdom Brabant en het Bisdom Utrecht er nog tussen. Ook die stonden weer op een hiërarchische lijn met de Graven van Holland en Vlaanderen gelijk De Koningen vielen weer onder het gezag van het Heilige Roomse Rijk.

Door aansluiting te zoeken met Engeland de aartsvijand van Frankrijk, probeerde de Vlaamse Graaf samen met bevriende Zeeuwse edelen onder het gezag van de Fransen uit te komen.

De volgende ochtend waren jonge ridders Arnould en Costyn vroeg uit de veren want zij moesten helpen om de legers op weg te krijgen. Opdrachten moesten uitgedeeld worden, tenten afgebroken en wagens ingespannen. Dit moest allemaal ordelijk en gedisciplineerd verlopen.

Het voetvolk bestond zoals bekend hoofdzakelijk uit boeren en buitenlui, enkele huurlingen, en wat handwerkslieden van de diverse Gilde's uit de steden. Alleen de ridders hadden een krijgsopleiding gehad, en zij hadden een aantal eigen kasteelsoldaten bij zich voor het overige moest de ervaring komen van het verdedigen van eigen boerderij, haard en huis.

De jonge ridders vervoegden zich bij hun onderdeel, Arnould bij zijn broer, Costyn bij zijn vader en broer Jan. Na de kampementen te hebben opgebroken vertrok de stoet legers richting Brugge. Arnould, voelde zich trots, nu hij direct naast zijn broer Boudewijn, en zijn luitenants optrok aan het hoofd van hun leger. Hier had hij van gedroomd. Dit was wat hij wilde.

Zijn jongste broer Diederik was geen krijger. Die wilde met de wetenschap en chemie werken. Tja dacht Arnould je mag niet verwachten dat alle familieleden zich voor krijgskunst interesseerden.

Het leek wel of Boudewijn voelde wat Arnould dacht. Hij zei, 'weet je Arnould, ik heb van Diederik een van zijn nieuwste vindingen meegekregen.' Hij trok een apparaat klein handzaam vanuit het paardetuig te voorschijn. 'Wat is dat,' vroeg Arnould ? 'Diederik heeft dit een handkruisboog genoemd,' zei Boudewijn. 'Hij heeft het na een reis naar Zwitserland ontworpen en gemaakt.' Ik zal je een demonstratie geven. Kruisbogen waren in Zeeland wel bekend, maar de gangbare exemplaren wogen wel dertig kilo, en moesten met handen en voeten worden gespannen. Hierdoor waren de kruisbogen traag in gebruik ten opzichte van de handbogen.

Boudewijn spande de kruisboog met een beugel, legde een pijl in, en gaf zijn paard de sporen. Hij zag een konijn en reed er met volle vaart achter het dier aan, en schoot het uit de losse hand. Raak. Boudewijn stapte af en hield het konijn omhoog. 'Vanavond hebben wij een lekker maaltje,' riep hij naar Arnould..

Ongeloof en bewondering straalde in Arnould's ogen. 'Heb je er nog een vroeg hij, wat een machtig wapen.' Zijn bewondering voor Diederik en de wetenschap ging met sprongen vooruit. 'Nee' antwoordde Boudewijn, 'maar ik zal je leren ermee om te gaan en dan mag jij hem wel hebben.' Laat tegen de avond kwam de stoet legers aan bij Brugge inmiddels hadden zich ook al wat Vlaamse leenheren met hun legers zich aangesloten.

 

Na het kamp te hebben opgeslagen, ging Arnould op zoek naar zijn vriend en met z'n tweeën gingen zij Brugge in.

'Laten we afspreken dat we hier niet over ons reisdoel spreken' zei Costyn, juist in een vreemde stad hebben muren oren. Arnould was het hier roerend mee eens. 'We gaan eens even wat lol maken vanavond.' Brugge staat bekend om zijn vermaak en taverne's. 'We gaan naar de havens' riep Costyn.

Een herberg aan de haven zag er voor onze vrienden gezellig uit. Het eten rook lekker en met een stevige pint bier zouden zij zich wel vermaken.
'Herbergier' riep Costyn, 'breng ons je beste eten en bier en zorg voor wat vermaak.' De herbergier trommelde wat mooie jonge vrouwen op, die voor het gezelschap begonnen te dansen en zingen, en schonk heerlijk bier in.

 In de hoek van de herberg zaten enkele personen die zich kennelijk aan het schouwspel stoorden. Een van de mannen een boomgrote kerel liep op onze vrienden af en sprak hen aan.
'Kan het allemaal niet wat rustiger,' blafte hij. Arnould antwoordde gevat 'als je rust wil dan ga je maar naar bed man.' Hierop haalde de man met zijn vuist uit naar Arnould, die de slag ontwijkt.
Omdat de man wel erg sterk was maar niet zo snel, kon Arnould hem direct enkele slagen terug toedienen die de man kennelijk ook niet zo deerde.

Arnould ontweek behendig ieder slag van de man, en gaf er tegelijk meerdere terug. Toen de man geheel rechtop en klaar stond om nogmaals te slaan, zag Arnould zijn kans schoon. Hij trapte de man hard op zijn tenen, waarop hij begon te hinkelen. Hierna schopte Arnould ook zijn tweede been onder hem weg waarna hij met een doffe klap op de grond viel. 'Arhhh mijn rug,' riep hij, 'ik kan niet meer op.' Arnould bekeek hem een beetje meelijwekkend, en riep hem toe; 'Ik hoop dat je goede vrienden hebt daar. Misschien kunnen die je wel ophelpen. Voortaan kun je misschien het beste maar nog een keer nadenken voor je weer andere mensen gaat bedreigen.' Samen met zijn vrienden droop de man af.

De kameraden gingen nog lekker even door met plezier maken.

Na drie dagen kwamen de legers nu volledig op sterkte aan op de plaats van bestemming. Van de verkenners had Boudewijn de Cupere het bericht ontvangen dat de Franse legers zich op 5 kilometer afstand bevonden en nog steeds op versterkingen wachten.Een groep ruiters kwam in de verte aanrijden, het zijn de Engelsen riep een wachter. Boudewijn en Graaf Gwijde maakten hun opwachting. De Engelsman welke de leiding van de expeditie had stelde zich voor als Thierry de Clifort, Zeemaarschalk van de Engelse vloot Kapitein van de Marine. Hij vertelde; 'mijn troepen liggen in de duinen klaar voor de aanval.'

Graaf Gwijde, stelde voor dat de Vlaamse, Zeeuwse en Engelse veldheren gezamenlijk de situatie ter plaatse te bespioneren, en hierop het juiste aanvalsplan af te stemmen.

Boudewijn vroeg Wolfert van Borssele en Jan van Renesse, hem te begeleiden. Ook de Engelse Thierry de Clifort, en de Vlaamse veldmaarschalk Bertrand van Kassel, namen enkele secondanten en herauten mee. Tevens gingen er enkele ridders waaronder onze vrienden Arnould en Costyn, ter bescherming van de legertop mee. Na een uur kwam het militair gezelschap aan bij de rand van het dal waar de Franse troepen waren gelegerd. Alles scheen rustig bij de Franse Lelie.

Wolfert zei; 'Ik stel voor te wachten met de aanval tot vijf uur in de ochtend. Boogschutters kunnen dan hun brandende pijlen op het Franse leger afschieten. Hierop kan de cavalerie van drie kanten het kampement bestormen, waarop het voetvolk het karwei kan afmaken.' De andere heren vonden dit een goed plan, 'Denk erom' zei de Vlaamse veldheer, 'alle wapenen ofwel buitmaken ofwel vernietigen. We mogen niet het risico lopen dat de Fransen zich herstellen. Het voetvolk mag na afloop plunderen.'

Het plunderen was eigenlijk de vergoeding aan de pachters, boeren en buitenlui om hen te motiveren goed te strijden zodat ze er na een overwinning een lekker extraatje aan overhielden.


Mistige sluiers lagen over het dal, het was stil alsof er iets onheilspellends te gebeuren stond. Dieren waren nergens te horen. Normaal zou dit op zich al enigszins vreemd bevonden moeten worden, want het vroege ochtendgloren laat de vogels toch uitgebreid fluiten.

In het Franse kampement sliep iedereen op enkele wachters na die eigenlijk ook meer lagen te soezen dan waakzaam op te letten. Door hun grote aantal en in eigen land voelden de soldaten zich veilig. Wie zou het nu in zijn hoofd halen om zo'n grote troepenmacht van de beruchte Franse Lelie aan te vallen.

          

Opeens zoefden er allemaal lichtjes door de lucht, het was eigenlijk wel een mooi gezicht. Duizenden lichtjes richting het centrum van het dal van drie kanten.

Hierna begon het ijselijke geschreeuw en gekerm van mensen in nood. In het dal zag je door de mist sluiers de vlammen opkomen, daarna bijna direct een vuurzee. Nog een salvo brandende pijlen, en nog een, en nog een. Hierna direct met de laatste salvo, wilde horden paarden. Je zag haast niets maar de geluiden waren zo onheilspellend, dat eenieder wist dat er iets vreselijks gebeurde. Arnould reed naast zijn broeder Boudewijn voorop in de cavalerie. Zijn lans in de hand naar voren. Hiernaast had hij nog zijn zwaard en aan zijn paard een aks - strijdbijl - en zijn kruisboog. De cavalerie reed op het kamp af, en de lansen zaaide dood en verderf. Hierop sloegen zij alles wat zij tegen kwam neer.

Na enkele seconden hadden zij het kamp doorkruist, en gingen zij in dezelfde vaart nogmaals op die manier door het kamp. Ook het voetvolk was onder luid geschreeuw hun opmars begonnen. In feite was het Franse leger na de cavalerie aanval al verslagen, nochtans probeerde de officieren het leger te hergroeperen.

Na het eerste contact van het voetvolk met de Fransen volgde er man tegen man gevechten. Arnould sloeg tegenstander na tegenstander neer. Hij zag de Engelse Thierry in een man tegen man gevecht met een Franse officier te paard. Thierry kreeg plots een pijl in zijn schouder en liet zijn zwaard vallen. De Franse officier wilde inhakken op Thierry.

Arnould bedacht zich geen moment en schoot met zijn kruisboog op de Fransman, die zijn zwaard liet vallen en gewond neerzakte. De Franse officier die er nogal rijk uitzag nam hij gevangen, en snel trok hij Thierry op zijn paard en bracht hem uit de gevechten in veiligheid. 'Thank you sir, i,ll oned you one.'

De Fransman bond hij aan een paal vast. Die zou een goed losgeld kunnen opleveren. Arnould ging snel weer terug naar het slagveld, hij zag Jan en Costyn van Renesse en Wolfert van Borssele die de hand aan hun laatste vijanden legden. Dat gaat wel goed dacht hij. Hij zocht zijn broer Boudewijn. De laatste Fransen ridders gaven zich over. 

'Totale overwinning voor Vlaanderen' werd er geroepen. 'Vlaanderen, Vlaanderen.' De gewonden onder het voetvolk - het was niet anders in die tijd zoals eerder beschreven - werden afgeslacht. Gewonde edelen konden nog een losgeld opleveren.

Arnould werd gegrepen door een angstig gevoel. Nergens zag hij het blazoen van zijn broer een groen gotisch schild met van onder een accolade met daarover in hermelijn het Heilige Andreaskruis Plots zag hij zijn broer tussen de doden en gewonden op de grond liggen. Een speer in het midden van zijn rug had hem ernstig verwond. Arnould ging op hem af maar zag dat Boudewijn te ernstig gewond was.

Boudewijn stamelde 'Arnould mijn broeder, hier heb je de eerste veldslag geleverd. Ik zag dat je zelfs de Engelse commandant hebt gered. Ik ben trots om zo te mogen sterven. Jij erft mijn bezittingen samen met je Broer Diederik en zuster Dorothea. Jij zult voortaan de familie moeten beschermen en als hoofd van ons leger rijden. Ik weet dat je het kan. 

Broertje zorg goed voor de fami...........'         

Boudewijn was in Arnould zijn armen gestorven, waardig als een veldheer. Ontzet vouwde hij Boudewijn zijn handen samen legde zijn schild eroverheen.

Het zwaard wat Boudewijn droeg was van zijn grootvader geweest en was ook door zijn vader gebruikt. Hij pakte het zwaard op en....verbeelde hij het zich nu, of ging er werkelijk een warmte door zijn lichaam. Arnould voelde een warme lichtgevende gloed door zijn lichaam gaan, en het zwaard werd licht als een veertje.
                        

Het was maar heel even, en hij wist niet eens of het nu werkelijk gebeurde, maar hij voelde zich wel direct één met het zwaard. In het boek Merlijn, had hij wel gelezen dat deze dingen gebeurden, en dat de kracht van de vorige rechtmatige eigenaren die streden in dienst van God, via het zwaard overgingen.

Costyn, Jan en Wolfert zagen op afstand wat er gebeurde. Jan van Renesse, riep een aantal manschappen om een draagbaar te brengen, en Boudewijn in zijn tent op te baren. Jan en Wolfert legden hun hand op Arnould's schouders, Costyn zijn vriend troostte hem, en zonder woorden te spreken liepen zij op gepaste wijze voor een groot veldheer achter de draagbaar aan. Alle edelen gaven blijk van condoléance aan Arnould. Boudewijn was vooral in het Zeeuwse kamp een zeer gewaardeerde heer. Ook de hereboeren en pachters waren zeer tevreden over hem.

Thierry de Clifort stapte op Arnould af, Zijn arm was in een draagdoek. 'Sir de Clifort,' zei Arnould, 'hoe is het met uw schouder ?' 'Het komt allemaal wel goed,' zei hij 'voornamelijk dank zij jou hulp Arnould. Ik zou mezelf zeer vereerd voelen als ik me tot je vriend mag rekenen.'

'Ach' zei Arnould, 'ieder ander zal hetzelfde hebben gedaan. Ook ik voel mezelf vereerd en ik accepteer uw vriendschap graag.' Costyn kwam zich in het gesprek mengen met de satirische opmerking, 'nou, die Fransman had anders heel andere plannen met Sir Thierry.' Hartelijk werd hierom gelachen en zij hieven de bekers wijn en proosten.

Graaf Gwijde, nam Arnould apart en vroeg hem wat zijn verdere plannen waren nu hij als hoofd aan de familie de Cupere stond. Arnould zei; 'Daar heb ik nog niet over nagedacht.' 
De Graaf zegde hem toe zijn positie als leenheer niet te betwisten en bevorderde Arnould tot luitenant van zijn leger, en vroeg hem wie er volgens hem het beste in aanmerking kwam voor de functie van Veldheer ? Arnould wist dat dit de broer van Costyn moest worden.

'Heer,' zei Arnould, 'als onbetwiste Zeeuwse veldheer staat heer Jan van Renesse bij mij voorop.' 'Ja,' zei de Graaf, 'die keus dacht ik ook al.' De Graaf maakte een gebaar en klaroen geschal vulde de grote tent. Alle aanwezigen werden stil.

'Ik, Gwijde van Dampierre, Graaf van Vlaanderen, wil een toost uitbrengen op de daverende overwinning, die u allen Vlaanderen heeft bezorgd. Tevens wil ik onze dappere gesneuvelden waaronder onze Zeeuwse Veldheer Boudewijn de Cupere postuum onderscheiden. Boudewijn de Cupere gaat de geschiedenis in als Veldmaarschalk van Vlaanderen.' 'Wegens getoonde moed en het redden van onze bondgenoot heer van Clifort, wordt zijn broeder Arnould bevorderd tot luitenant van het Vlaamse leger en krijgt het kasteeltje Vliethof met landerijen nabij Geervliet en Heenvliet.' Ravenstein.

'Jan van Renesse, word benoemd tot Veldheer van het Vlaamse leger, zijn broer Costyn wordt wegens betoonde moed bevorderd tot luitenant van het Vlaamse leger.'

'Wolfert van Borssele de zoon van mijn goede vriend Hendrik van Borssele wordt wegens betoonde moed bevorderd tot mijn persoonlijke raadgever.' Ook aan Vlaamse en Engelse zijde werden nog loftuitingen en benoemingen gedaan. Tot laat in de nacht ging het overwinningsfeest door. De gevangen Franse ridders zouden een goede buit aan losgeld opleveren. Het leger mocht Duinkerken plunderen

De volgende dagen stootte het leger nog door tot aan de grens bij Calais, tegenstand was er na de grote overwinning bij Duimkerken nauwelijks meer. Vlaanderen had zijn gebied weer terug veroverd.

 

 

Volgende hoofdstuk

Terug naar de inleiding.