BESTELLEN PER E-MAIL MOGELIJK.                              
All in is de prijs 8,20 Euro (info: 010-5919528)
=klik eens hier


Henri Gagnebin Psaume LXI? Marcel Dupré Veni Creator Spiritus?(eigen) Christus is opgestanden ?(eigen) toegift?

CD1 - Franse orgelwerken

CD2 - Eigen koraalbewerkingen,
____ Eigen Improvisaties

Op onderstaande adressen is de CD 
te verkrijgen. Prijs € 6,-- 






 


MASTER SOUND Dr.Kuyperkade 17/18 Maassluis


G.VAN DER ENDT Govert Flinckplein 3 Maassluis

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Franse orgelwerken

César Franck (1822.1890) = Deuxiéme Choral, Troisiéme Choral

Met in zijn hoofd de klank van het orgel in de Sainte-C[Otilde in Parijs, waar hij sinds de plaatsing van het die zijn eigen koraalmelodie instrument door Aristide Cava[11é-Coll in 1858 organist was, werkte Franck tijdens de laatste maanden van zijn leven aan de Trois Chorals. Met deze gedurfde Synthesen van koraalkunst en fantasie zette decomponist de kroon op zijn werk. ontvouwt zich in de loop van het stuk', had Franck al eens tegen leerlingen gezegd.

Mogelijk als eerbetoon aan Bach roept Franck in het tweede Choral en si mineur (in b) met de structuur van een passacaglia en fuga vormen uit de Barok op. De componist verkent de variatiemogelijkheden die zijn eigen koraalmelodie biedt, aanvankelijk als een chaconne, die overgaat in een fugatisch deel. Daarna treedt een reprise op, waarin Franck met behulp van al het gebruikte materiaal zijn chaconne-gedachte naar de climax leidt. Voor het slot grijpt hij terug naar een meditafief thema dat al voor de fugatische episode klonk.

De sonatevorm diende als uitgangspunt voor het derde Choral en la mineur (in a). Het eerste thema verwijst duidelijk naar Bach (Prelude in a, BWV 543). Tegenover dit toccata-achtige thema staat een tweede thema, zangerig van aard, dat Franck ais zijn koraalmelodie zag. Het slot van de melodie is de basis voor een subliem Adagio. Gecombineerd met de speelse beweging van het begin klinkt ten slotte weer de koraalmelodie, de sluitsteen van Francks leven en werk. Hij overleed op 8 november 1890.

Henri Gagnebin (1..6-1977) = Psaume LXI, Psaume XLII

Naar de geest van zijn muziek misstaat de Zwitser Gagnebin allerminst in een Programma met Franse orgelwerken. Hij studeerde en werkte veertien jaar van zijn leven in Parijs. Onder zijn composities nemen de bewerkingen van Psaimmelodieën een bijzondere plaats in.

Hij droeg ze op aan de Eglise Nationale Protestante van Genève, waar de wieg van de hugenotenpsalmen stond. De gehele collectie, die tussen 1940 en 1967 in afleveringen verscheen, bevat honderd Psalmb-ellingen. De psalmen 61 (Ecoute-moi, je re pri.) en 42 (Comme on entend Ie cerf bruire Pourchassant Ie frais des eaux) maken deel uit van' de vijfde aflevering. Zij zijn exemplarisch voor Gagnebins diepgaande betrokkenheid bij de muzikale en tekstuele inhoud van de psalmen.

Louis Vierne (1870-1937) = Marche épiscopale

Een wedstrijd besliste in 1900 wie de vaste bespeler van het magistrale Cavaillé-Coli-orgel in de Parijse Notra-Dame zou worden. Vierne werd unaniem gekozen en zou 37 jaar lang tot zijn dood achter de vijf k[Wieren plaats nemen. De improvisaties van Vierné waren befaamd. In 1928 maakte 'Odeon' in de N~-Dame een opname van drie improvisaties. Viernes leerling Maurice Duruflé, zelf schepper van een klein en fijnzinnig orgeloeuvre, maakte een nauwgezette reconstructie, die in 1954 het licht zag. De Marche épiscopaie (Allegro maestoso) is de eerste van de drie improvisaties. De bisschoppelijke mars begint en eindigt fortissimo. Expressief klinkt de ingehouden episode daartussen.

Charles-Marie Widor (1845-1937) = Toccata, symphonie pour orgue V, opus 42/1

De Toccata uit de Vijfde Symfonie is niet de enige Toccata die in Widors tien groots opgezette orgelsymfonieën voorkomt, maar wel de bekendste. Met de Toccata van Widor weet iedere orgeftiefhebber welke muziek wordt bedoeld. De Vijfde Symfonie in f, die te zamen met de zesde, zevende en achtste als OPUS 42 in 1887 het licht zag, mag ook in haar geheel de populairste van de tien worden genoemd. Behalve aan de Toccata, waarmee het werk eindigt, is dat ook te danken aan het eerste deel, het Allegro vivace. Widor speelde het complete werk voor het eerst op 19 oktober 1879 in het Palais du Trocadéro, waarvoor Cavaillé-Coll het jaar daarvoor een orgel had gebouwd. De Toccata (Allegro) heeft een eenvoudige structuur. Bruisende toonreeksen klinken boven een rustig, majestueus pedaalthema. De grote werking die ervan uitgaat, is vooral te danken aan het suggestieve ritme in achtsten, dat deze Toccata als een 'perpetuurn mobile'beheerst en tot een imponerend, koraalachtig slot voert.

Jean Langlais (1907-1991) = prelude pastorale, Interlude, Cloches

Langlais' composities worden gedragen door een zeer persoonlijk, poëtisch geaard idioom. De 'Drie karakteristieke stukken' verschenen oorspronkelijk als Three Characleristic Pieces (1957). De componist bedoelde ze ais eerbetoon aan de Engelse organist-componist John Stanley (1712-1786), die evenals Langlais vanaf zijn kinderjaren blind was. Stanley schreef drie bundels orgel-voluntaties, een in Engelse erediensten veel gespeeld genre. Langlais heeft de drie stukken gecomponeerd als zelfstandige voluntaries, die voor concertgebruik tot een suite kunnen worden samengevoegd. Hij verklaarde voor het materiaal van'Klokken'direct te zijn geïnspireerd door muziek van Stanley.

Marcel Dupré (1886-1971) = Veni Creator Spiritus, Le Monde dans l'attente du Sauveur

De grootse carrière van Dupré als organist startte in 1920 met de eerste volledige uitvoering van Bachs orgeloeuvre, dat hij tijdens tien concerten uit het hoofd speelde. In 1926 werd hij orgelleraar, in 1954 ook directeur van het Parijse conservatorium, waar hijzelf les had gehad van Guilmant en Widor. In 1934 volgde hij de laatste op als organist van de SaintSulpice. Dupré was een pedagoog van wie iedereen les wilde hebben, van Olivier Messiaen tot MarieClaire Alain en Jean Guillou.

In 1942 bezocht Dupré in Rouen, zijn geboorteplaats, het graf van Jean Titeiouze (1563-1633), componist van de verzamelingen Hymnen en lvlagnificats, die voor de plaats van het orgel in de eredienst uitermate belangrijk waren, Daardoor geïnspireerd zette Dupré zich aan een serie van zestien 'koralen' over liturgische hymnen voor de Vespers, waaraan hij de titel Le Tombeau de Titelouze gaf. De koralen liepen op van een gemakkelijke tot een gemiddelde moeilijkheidsgraad. Deze pedagogische bedoefing staat een hoog niveau allerminst in de weg. In Veni Creator Spiritus is de oude Pinksterhymne krachtig in het pedaal geplaatst, begeleid door een indringend harmonisch contrapunt in de manualen.

Een belangrijk deel van Duprés composities is ontstaan uit zijn improvisaties. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Symphonie Passion, opus 23 (1924). Dupré improviseerde op 8 december 1921 in Philadelphia (VS) over thema's die hij kreeg aangereikt. Tot zijn verrassing waren daar vier gregoriaanse melodieën bij. Hij improviseerde een vierdelig werk, dat hij later aan het notenpapier heeft toevertrouwd onder de titel Symphonie Passion. Het eerste deel, Le Monde dans l'attente du Sauveur, schildert de chaos van een wereld zonder God. Repeterende akkoorden, als zijn de tongwerken van het orgel slagwerkinstrumenten, roepen een sfeer van angst en onrust op, tot een rustig motief licht brengt in de duisternis: de hymne Jesu Redemptor omnium, die in canonvorm wordt verwerkt.

Olivier Messiaen (1908-1992) = Les Enfants de Dieu, Les Anges

Messiaen, leerling van Dupré, is een van de origineelste componisten van de twintigste eeuw. Zijn naam werd het eerst bekend als componist van orgelmuziek. Hij was vanaf 1931 organist van de Parijse Sainte-Trinité, waar zijn spel op zondag bezoekers van heinde en vertrok. Tot de composities waarmee Messiaen in de jaren dertig opzien baarde, behoort La Nativité du Seigneur, bestaande uit negen meditaties over de geboorte van de Heer, waarvoor hij het gregoriaans als bron gebruikte. De componist bediende zich toen nog hoofdzakelijk van bijzondere samenklanken en ritmische profileringen. Zijn emoties staan in dienst van de katholieke theologie, waaraan hij voor La Nativité du Seigneur enkele hoofdgedachten ontleent. Voor de meditatie Les Enfants de Dieu is dat de geestelijke geboorte van de christen, voor Les Anges de gestalten die bij het kerstfeest een poëtische noot plaatsen.

Les Enfants de Dieu bestaat uit een 'fanfare', een crescendo boven een orgelpunt in het pedaal, gevolgd door de uitroep 'Vader, Vader!'en een prachtig contrasterende epiloog. De componist plaatst bij dit deel twee nieuwtestamentische teksten:'Allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden'(Johannes 1, 12);'God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader` (Galaten 4, 6). Les Anges wordt voorafgegaan door de tekst uit het Lucas-evangelie (2, 13-14): 'een grote hemelse legermacht, die God loofde, zeggende: Ere zij God in den hoge'. Messiaen noemt dit'Gloria in excelsis' het eerste van alle kerstliederen, vreugdevol gezongen door engelen. In een fascinerend ritme zweven deze lichaamsloze wezens af en aan om ten slotte hun 'paradijselijke dans' in verder verwijderde sferen voort te zetten.

Jean Alain (1911-1940) =Variations sur un thème de Clement Jannequin, Litanies

Duprés leerling Alain sneuvelde, 29 jaar jong, op 20 juni 1940 in de strijd met de Duitsers bij Saumur, enkele dagen voordat een wapenstilstand tot stand kwam. De 24 orgelwerken die hij heeft nagelaten, vormen een vernieuwende bijdrage aan de Franse orgelkunst. Alain vond het thema voor de Variations sur un thème de Clément Jannequin (1936) In een verzameling Chansons uit 1529. Gebleken is dat het niet gaat om een melodie van Clement Jannequin (ca. 1485-1558), maar waarschijnlijk om een meerstemmige zetting door deze 'Compositeur ordinaire du roi'van een lied waarin een man aan een vrouw vraagt zijn liefde voor haar snel te beantwoorden. Alain heeft het thema met veel gevoel voor het origineel bejegend. Hij tekende erbij aan dat eigentijdse muziek voor hem meer parallellen heeft met oude muziek dan met de klassieke en romantische. Het variatiewerk klinkt dan ook 'ancien', zoals een Geneefse psalm uit de zestiende eeuw. De derde bewerking gaat in dialoog tussen twee solostemmen, waarvan de cornet het meest aan bod komt.

Litanies is Alains bekendste compositie. Hij schreef dit bewogen werk in 1937, waarschijnlijk na de plotselinge dood van zijn zuster Marie-Odile. Bij de partituur plaatste hij de volgende tekst: "Wanneer de christelijke ziel in nood geen nieuwe woorden meer vindt om Gods erbarming af te smeken, herhaalt zij zonder ophouden steeds sterker hetzelfde gebed. Het verstand heeft zijn grenzen bereikt. Alleen het geloof houdt het vol naar de hemel op te zien."

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

 

Koos Bons: Koraalbewerkingen en improvisaties

Improviseren zat Koos Bons in het bloed. in Marcel Dupré en Oor Kee vond hij autoriteiten die hem inspireerden de fijne kneepjes van dit handwerk onder de knie te krijgen. Van Bons' improvisatiekunst profiteerden In de eerste plaats de kerkgangers. Zij hoorden elke zondag een organist die gedreven was door de liturgie en door de zeggingskracht van de melodie en tekst van een psalm of gezang. Vanaf de orgelbank stimuleerde hij de bezoekers tot gemeentezang die gastorganisten tot jaloersheid bracht. Het postludium was vrijwel altijd een improvisatie waarin de sfeer die de dienst had opgeroepen een muzikale uitweg vond. In de Maassluise Immanuekerk was tot zijn laatste kerkdienst in november 1996 altijd een groep bezoekers die tot de laatste noot Neef luisteren naar Bons' afstuffende impressie.

Improviseren is bijna componeren. Het lag voor de hand dal Koos Bons zich ook aan composities zou wijden. Zelf bestempelde hij ze merendeels als gebruksmuziek': kerkcantates, nieuwe geestelijke liederen, de Valerfuscantate Neemt mij in de hand, die bij de première de medewerking kreeg van bijna een partita aan het volledige Maassluise koor- en muziekwezen in opdracht van de gemeente Maassluis componeerde hij de Hymn of Spirituals voor koor en symfonieorkest. Zijn Cantate Concertante uit 1965 was bestemd voor het vijftigjarig organistenjubileum van zijn leraar Piet van den Kerkhoff.

Voor orgel schreef Bons enkele concertwerken en vijftig koraalbewerkingen. De laatste ontstonden tussen 1966 en 1969, nadat de Gereformeerde Kerken met de bundel 119 Gezangen een ruimere plaats inruimden voor het kerklied. Er was veel belangstelling voor Bons' bewerkingen, door hem ook wel 'koraalimpressies' genoemd. Ze verschenen bi Harmonia te Hilversum in acht deeltjes. Niet alleen de melodie, ook de tekst inspireerde hem tot een vorm die in de beknoptheid van een voorspel recht doet aan het lied. Hij zorgde tevens voor een verscheidenheid van vormen. De uitgave met de bewerkingen van zes kersfliederen is daarvan een voorbeeld, Ze kunnen op zichzelf worden uitgevoerd, ze kunnen ook gezamenlijk als Kerstsuite worden gespeeld. In de uitvoering waarvan voor de cd gebruik is gemaakt, beperkte Bons zijn Kerstsuite tot vier delen. Bij de bewerkingen voor de Passie- en de Paastijd treft men behalve vrije vormen een fuga en een partita aan.

Koos Bons vond de thema's voor zijn improvisaties in kerkliederen, negro-spirituals en volksliedjes, in eigen thema's en in thema's die hem door collega's worden opgegeven. "Een paar noten kunnen genoeg zijn voor een thema om over te improviseren", zei hij over dit facet van het orgelspelen. 1k doe het zo graag omdat ik in het improviseren al mijn creativiteit kwijt kan' " Soms bestond een concert geheel uit improvisaties.

De improvisaties die op de cd zijn vastgelegd, zijn alla afkomstig van concerten. De meeste zijn tevens een afspiegeling van Bons' spel in kerkdiensten. Zoals in de koraalbewerkingen maakte hij ook in de improvisaties gebruik van verschillende vormen. Naast de vrije improvisaties over een lied of spiritual stelde hij zich tot taak een thema tot een passacaglia of fuga te verwerken. Over deze vormen schreef hij in een programmatoelichting: "Wat de verwerking van de thematiek betreft lette men in de fuga op het streven naar een logische en vrije compacte doorvoering van het thema in alle stemmen, waarbij vaak een orgelpunt in de bas (liggenblijvende toon) een belangrijk element is aan het slot. De passaóaglia vraagt een goede opbouw van variaties over een voortdurend terugkerend basthema, dat ook enige mal~n in de hogere liggingen toegepast kan worden.

Behalve door het thema als bron voor een improvisatie liet Bons zich ook inspireren door de mogelijkheden en de kleuren van het orgel dat hij bespeelde. Klankenspel is daarvan een origineel en verfijnd voorbeeld. Sanctus en Benedictus komen uit een programma dat geheel was gewijd aan een geïmproviseerde Missa Oecumenica. Aan de basis van alle onderdelen ligt een passend koraal uit de protestantse traditie.