Geschiedenis

Inhoud
Hoofdstuk 1 - Inleiding
Hoofdstuk 2 - De geschiedenis van Kisar
Hoofdstuk 3 - De geschiedenis van de mestiezen van Kisar
Hoofdstuk 4 - De geschiedenis van de familie Lerrick

Hoofdstuk 1 Inleiding
Het ontstaan van een kleine besloten groep Europees-Aziatische mestiezen is begin vorige eeuw voor de Duitse Professor Ernst Rodenwaldt aanleiding geweest voor een erfelijkheidsonderzoek. Twee boeken met zijn bevindingen, getiteld 'De Mestiezen op Kisar', zijn begin 20e eeuw gepubliceerd en beschrijven de antropologie, biologie en ergologie van de mestiezen. Onderdeel hiervan zijn de stambomen van de verschillende families en delen van hun geschiedenis en die van het eiland.

De volgende hoofdstukken beschrijven een, zeer beknopt, stukje geschiedenis van het eiland Kisar, van de mestiezen en van de familie Lerrick. De informatie komt uit de zojuist genoemde boeken.

Hoofdstuk 2 De geschiedenis van Kisar
Even ten noordoosten van het Indonesische eiland Timor ligt 75 km2 rotseiland (zie figuur 1). De naam van het eiland, Kisar, komt voort uit de vraag van de eerste VOC ambtenaar of officier die in 1665 voet aan wal zette en, wijzende naar de het witte zand - Kiasar - onder zijn voeten, vroeg hoe het er heette.


Figuur 1 - Het eiland Kisar.

De 6000 mensen tellende bevolking bestaat, begin 20e eeuw, uit een aantal kasten. De 'inheemse' bewoners alleen al zijn onderverdeeld in de Marna (adel), de Wahoeroe (boeren) en de Stam (vroegere slaven) in de verhouding 1 : 20 : 3. Naar alle waarschijnlijkheid, zijn de Wahoeroe de eigenlijke oorspronkelijke bewoners.

In staatkundig opzicht is het eiland een aantal keren van bestuur veranderd:
1665: VOC - provincie Banda
1795: Engels
1803: achtereenvolgens Bataafse Republiek, Koninkrijk Holland, Franse Keizerrijk
1810: Engels
1817: achtereenvolgens Koninkrijk der Nederlanden - Gouvernement der Molukken, Koninkrijk der Nederlanden - Residentie Amboina
1912: Koninkrijk der Nederlanden - Residentie Timor
1926: Koninkrijk der Nederlanden - Gouvernement der Molukken

Hoofdstuk 3 De geschiedenis van de mestiezen van Kisar
Na 1665 wordt er op Kisar een wisselend aantal militairen gestationeerd. De afstammelingen van enkele van deze Europese militairen en hun Kisarese echtgenotes, worden de mestiezen van Kisar genoemd. De namen van deze families zijn Joostenz, Wouthuysen, Caffin, Lerrick, Peelman, Lander, Ruff, Bellmin-Belder, Coenradi, Van Delsen, Schilling en Bakker (de familie Bakker stamt eigenlijk af van een Radja van Kisar waarvan de afstammelingen met mestiezen zijn getrouwd).

Wanneer de aanduiding mesties, betekenende mens van van gemengd ras, in Nederlands-IndiŽ vanwege moderner wordende opvattingen steeds minder gebruikt wordt, blijft de term op Kisar mede als gevolg van het isolement van het eiland met trots gedragen worden. De mestiezen trouwen dan ook vaak alleen met andere mestiezen.

De bevoorrechte positie en het aanzien van de mestiezen verslechteren daarentegen, dit na het verdwijnen van de Nederlandse bestuurlijke zetel op Kisar in 1819. Levensonderhoud moet in plaats van uit soldij voorzien worden uit een klein stukje grond; de Nederlandse taal wordt niet tot nauwelijks meer gesproken. Het duurt tot na 1918 voordat de Nederlandse regering na herhaaldelijke verzoeken ingrijpt en voor de 10 overgebleven families huizen laat bouwen in Kupang, de hoofdstad van West Timor, ten einde hun kinderen in staat te stellen een Europese school te kunnen bezoeken.

Hoofdstuk 4 De geschiedenis van de familie Lerrick
Over de stamvader van de familie Lerrick, korporaal Hendrik Lerrick, is documenteel alleen bekend dat hij in 1787 als militair ontslagen is. Het is niet zeker of naam Lerrick van Friese of Duitse origine is. Wel is zeker dat hij met een vrouw uit de Marna familie Norimarna een verbintenis is aangegaan.

Van zijn oudste zoon, Pieter Lerrick, is bekend dat hij in 1775 soldaat werd, in 1794 korporaal, in 1803 commandant op Kisar, en hetzelfde jaar ontslagen is, met een vergunning om op Kisar te blijven. Over de vierde en jongste zoon van Hendrik Lerrick, Jacob, soldaat in 1789 op 26 jarige leeftijd, staat geschreven dat hij als soldaat is gestorven in 1808. Documenteel is een zoon van Pieter Lerrick, Christian, terug te vinden; hij werd soldaat in 1808.

Alleen de oudste twee zonen hebben mannelijke nakomelingen. Pieter Lerrick trouwde met een mesties, Lucas Lerrick met een 'inlandse', waardoor er een lichte en donkere tak ontstond.

Het is opvallend dat vele meisjes uit de familie Lerrick ongetrouwd zijn gebleven. Wellicht is het voor hen moeilijk geweest, een echtgenoot 'uit goede familie' te vinden.

Begin 20e eeuw hebben een aantal mannen dienst genomen in het leger, en 'bekleeden op reeds op jeugdige leeftijd posten van vertrouwen'. Anderen vervullen betrekkingen als commandant van de gewapende politie op Timor, als klerk op gouvernementskantoren en hebben functies verkregen 'in den handel op Soerabaja en Batavia'. Deze mannen worden, door hun chefs 'om hunne werklust, hunne vlijt en vooral om hunne betrouwbaarheid geprezen', aldus de schrijver van 'De Mestiezen op Kisar'.