>> tekstuitgave brieven >> HOMEpage
|
In de zeventiende eeuw was de familie het belangrijkste netwerk voor de carrière. Dienstbewijzen aan zelfs verre neven golden als een verplichting. - Vgl. J. de Jong, Een deftig bestaan. Het dagelijks leven van regenten in de 17de en 18de eeuw. Utrecht [1987], blz. 84. - Hoe ver dat kon gaan tonen de twaalf brieven die de student Gysbert Aernsma schreef aan zijn neef, raadsheer Johannes Saeckma. Ook enige nieuwe inzichten in het leven van laatstgenoemde komen hierbij ter sprake. Saeckma De Friese jurist en staatsman Johannes Saeckma (1572-1636) had zijn vader in 1581 verloren. Zijn verdere opvoeding dankte hij mede aan zijn ooms van moederszijde. Moeder Fedt van Rinia die als weduwe bij haar broer in Holwerd woonde, stuurde eind 1582 haar tienjarige zoon naar het Leeuwarder gymnasium. Vooral op aandringen van oom Ritske van Rinia, die zijn neef met vaderlijke zorg begeleidde, liet Saeckma zich op 8.8.1588 inschrijven aan de universiteit van Franeker. Daar volgde hij o.a. colleges in de Romeinse geschiedenis van oom Elardus Reinalda. Hij werd de favoriete leerling van de juridische hoogleraar Henricus Schotanus. Als baccalaureus begon hij in het voorjaar van 1594 aan een buitenlandse studiereis (peregrinatio academica) naar Heidelberg, Bazel en Genève. In Bazel behaalde hij op 29 maart 1595 cum laude zijn doctorstitel. Begin november van dat jaar werd hij advocaat bij het Hof van Friesland. Het door Schotanus beoogde hoogleraarschap rechten liep Saeckma mis. Najaar 1597 werd hij wel benoemd in een andere juridische functie, nl. die van secretaris van de in Dokkum gevestigde Admiraliteit van Friesland. Zijn oom Feycke Tetmans was aldaar een van de vier raden, zijn latere schoonvader Albert Everts Boner was er ontvanger-generaal. In 1600 keerde Saeckma terug naar Leeuwarden i.v.m. zijn benoeming tot procureur-generaal. Hij werkte mee aan de opstelling van de Nieuwe ordonnantie van Friesland, het nieuwe wetboek, dat in 1602 werd gepubliceerd. In 1603 werd hij raadsheer in het Hof van Friesland, in 1631 presiderend raadsheer. Hij genoot groot aanzien bij bestuurders in Friesland en Holland. Sedert zijn studie bevorderde hij het welzijn van de Franeker academie. Op 24 maart 1625 werd hij officieel curator; vgl. Statenarchief, Tresoar/Rijksarchief in Friesland 5-230: 1625 p. 33-36. De volgende dag stuurde professor Bernardus Schotanus hem een felicitatiebrief. Johannes Saeckma en Hylck Boner trouwden te Leeuwarden op 28 augustus 1603 en kregen negen kinderen. De geboortedata zijn bekend geworden uit het onderdeel Boner van het archief De Beaufort in Utrecht, waarvan ik kennis kon nemen dankzij Nick Posthumus te Castricum. 1605 Elisabeth (* 6-2, doop 20-2) Aernsma Een tweede vader was Saeckma voor neef Gysbert Aernsma (1597-1631). Diens moeder Margaretha Fockens was in 1615 of al eerder overleden. Vader Arent Aernsma/van Arentsma stierf medio 1617. Moeders plaats werd ingenomen door Gysberts oudste zus Margaretha en tante Wisk Tetmans, de vrouw van oom Martinus Fockens. Gysbert liet zich op 13 maart 1615 als student in de filosofie inschrijven aan de universiteit van Groningen. Een jaar later, op 4 mei 1616, vinden we zijn naam in het album studiosorum van Leiden met de toevoeging Frisius Leovardiensis, 19 [jaar oud] en ling. [= klassieke taal- en letterkunde]. Saeckma was niet zoals Aernsma in het adres van zijn Latijnse brieven schrijft cognatus maar affinis, niet door afstamming maar door huwelijk verwant: Gysbert en de vrouw van Saeckma hadden dezelfde overgrootvader, Albert Arentsma (overleden 31 mei 1541). Van Gysbert Aernsma zijn twaalf brieven bewaard gebleven, die hij 1616-1618 tijdens zijn studie te Leiden en "peregrinatio academica" in Frankrijk schreef aan zijn "oogappel" neef Saeckma. Daaruit blijkt dat de verhouding van Gysbert met zijn vader te wensen overliet. De financiering van zijn studie is een probleem. Nu was een kapitein bepaald niet arm - hij verdiende 150 gulden per maand -, maar de vader had vooral moeite met de hang naar luxe van zijn zoon. Elf van de Latijnse en Franse brieven worden hieronder in parafrase weergegeven, een brief van Daniël Heinsius in vertaling, de Nederlandse brief d.d. 13-7-1618 uit Saumur aan Johannes Saeckma letterlijk. Tussendoor en achteraf wordt enig commentaar gegeven. De tekst van alle brieven vindt men aan het eind. Leiden 1 • 19-8-1616. Saeckma heeft de briefwisseling hervat - van eerdere correspondentie is niets overgeleverd - en geschreven dat hij er alles aan doet om Gysbert weer bij zijn vader in de gratie te brengen. Hij heeft een broek meegestuurd en geld om een wambuis te kopen. Aernsma dankt daarvoor en vraagt hem zijn vrienden de groeten te doen en terug te schrijven. 2 • 21-8-1616. Twee dagen later schrijft Aernsma weer. Uit een brief die Saeckma negen dagen geleden aan neef Sjoerd Hania had gericht, heeft Aernsma begrepen dat vader tot dan toe moeilijk doet en geen geld voor levensonderhoud wil sturen, en dat Saeckma in beslag genomen wordt door een zekere mevrouw. Hij vraagt of zijn plan om de letteren, zij het niet helemaal, vaarwel te zeggen, in het leger dienst te nemen en over drie maanden Leiden te verlaten Saeckma's inspanningen voor hem "uitvlakt". Ook de mening van zijn vrienden wordt gevraagd. Zijn eigen overwegingen zijn: ook onder de wapenen kan hij zijn studie in de letteren en geschiedenis voortzetten; bovendien is het leven in Leiden zo duur, dat hij zonder geld van vader het moederlijk erfdeel in korte tijd zou opgebruiken. Hij doet de groeten aan vrouw en kinderen van Saeckma. Hania was sedert 20 februari 1600 gehuwd met Margriet Arentsma, een achternicht van Gysbert. Had Saeckma aan het Hof van Friesland een rechtszaak van een vrouw onder handen die hem veel hoofdbrekens kostte? Aernsma schrijft: ... mulierem illam magnas tibi dare turbas. Ook te denken valt aan Saeckma's op 2 februari 1615 overleden schoonmoeder Jaycke Dircks: de boedelscheiding t.g.v. de erven Boner-Dircks werd pas in 1617 afgerond, mede door toedoen van Suffridus Hania, ten huize van Johannes Saeckma; Huisarchief de Beaufort, Utrecht arch. nr. 53. 3 • 7-12-1616. Neef Feickens heeft een brief overhandigd, waarin Saeckma zich bezorgd heeft getoond om Aernsma als ware hij zijn eigen zoon. Het antwoord begint met dank daarvoor. Vader blijkt Saeckma opgezocht te hebben: deze zal met gene overleggen over het tijdstip van Aernsma's vertrek naar Frankrijk. Gysbert stuurt de lezing op die hij 12 dagen tevoren onder professor Petrus Bertius heeft gehouden. Als er iets in voorkomt dat niet "riekt" naar Saeckma's schitterende en waarlijk Ciceroniaanse Latijn, moet hij daar maar niet op letten. Was de genoemde neef Dr. Focco Feiconis ofwel Focke Feickens, die 1605 advocaat bij het Hof van Friesland was geworden, 1610 secretaris van het krijgsgerecht en in 1644 overleed? Hij woonde sedert 1612 in de (oude) Oosterstraat noordzijde naast het hoekhuis (Tweebaksmarkt) van predikant Bernardus Fullenius (Gr. Cons. 1612 f. 15). Waarschijnlijk was diens vader Feico Fockens familie van Gysberts moeder Margaretha Fockens. 4 • 18-12-1616. Nu hij weet dat zijn vorige brief is ontvangen, wenst Aernsma Saeckma's en vaders oordeel over een uitnodiging van Bertius, Daniël Heinsius en Petrus Scriverius om op te treden in een op verzoek van anderen geplande uitvoering van Plautus' blijspel "De krijgsgevangenen" en Seneca's treurspel "Trojaanse vrouwen". In de komedie hebben zij hem de rol toebedacht van voorlezer, in de tragedie die van Calchas, de Griekse waarzegger voor Troje. Ook vraagt hij Saeckma vader wat geld "af te persen", want zolang hij in Leiden is, heeft hij nog geen penning van vader ontvangen. In zijn meest recente brief aan zus heeft vader geschreven te zullen bekijken hoeveel hij per jaar voor hem zal uitgeven. Ook al wil vader een rekening van de uitgaven hebben, laat hij toch alvast wat geld sturen, "tekenen met zijn zegel" en zorgen voor zoveel als nodig zal zijn. Want dat Gysbert zonder geld in Leiden kan leven, daar is niets van aan. De in de vorige brief beloofde lezing stuurt Aernsma nu pas mee. Toneelschrijver Titus Macc(i)us Plautus (ca. 251 - 184 v. Chr.) volgde zoals gebruikelijk de Griekse originelen. Hij kruidde echter zijn stukken met echt-Romeinse alliteraties. Hij beschreef het Romeinse leven en de traditionele gebruiken. Naast echte volkshumor schrok hij niet terug voor grove scherts. Seneca's tragedies waren leesdrama's, niet voor opvoering bestemd, maar ze hebben in de zes- en zeventiende eeuw grote invloed uitgeoefend op het Franse klassieke drama en Vondel. G.J.M. Bartelink, Klassieke letterkunde. [Zesde, herziene druk. Utrecht 1989], 173-175 resp. 227. 5 • 18-1-1617. Op verzoek bevestigt Aernsma als het ware "met volle teugen en met één klap" hoe blij hij is dat het Saeckma en vader niet mishaagt dat hij in een blijspel optreedt, op voorwaarde dat de andere spelers niet van lagere stand zijn. Allen zijn van de beste komaf en op vier na zelfs van adel. Alle kleding is in goede orde ontvangen. Kan Saeckma vader overreden om z.s.m. een zijden wambuis, kousen, gouden schoenen en een zwaard te sturen? Over anderhalve week is immers het optreden. Dank voor het geld dat Saeckma heeft gestuurd. Het gevraagde commentaar van Schottus heeft Aernsma voor Saeckma in geen enkele boekhandel te Leiden kunnen kopen, wel de kleine verhandeling van Scaliger, die hij bij deze opstuurt. Ductim et tractim: Plautus, Curculio I,ii,109 resp. Amphitruo I,i,313. 6 • 28-1-1617. Per kerende bode beantwoordt Aernsma de nieuwste brief, waaruit hij begrepen heeft dat vader wat gunstiger is gestemd en er op voorspraak van Saeckma voor gezorgd heeft dat hij schoenen kan kopen en kousen laten maken. Uit vaders brief aan zus blijkt hij helemaal gunstig gestemd te zijn, behalve dat hij liever de rekening van de schoenmaker zelf ontvangen had, omdat hij denkt dat deze rekening vals is en hem een masker is voorgehouden, wat Gysbert ontkent; opdat hij geloofd wordt, stuurt hij vader de kwitantie van de schoenmaker. Het oude wambuis zal Aernsma tegen zo laag mogelijke kosten met zijde laten bewerken. Fijn dat Saeckma het werkje van Scaliger goed en wel heeft ontvangen. Een politieke rede die Heinsius heeft gehouden tijdens Aernsma's verblijf in Leiden, stuurt deze als een "plaatsvervangend geneesmiddel"; als hij het commentaar van Schottus in een vergelijkbare uitvoering elders kan kopen, zal hij dat aan Saeckma sturen. Nu het blijspel is opgevoerd en de opgelegde maaltijd achter de rug, vraagt hij te willen zorgen dat de betaling geschiedt zodra hij de rekening zal hebben opgesteld en gestuurd. In het naschrift drukt hij Saeckma op het hart voortaan geen geld meer te sturen met dezelfde bode, want deze heeft aan vader, zoals uit diens brief blijkt, aangegeven dat Saeckma onlangs geld heeft gestuurd. Ook andere boden mogen vader niet inlichten, want die heeft geschreven dat hij geld gestuurd zou hebben als de bewuste bode hem niet had ingelicht. Een kleine doktersrekening stuurt Aernsma mee om aan vader te overhandigen, en opdat die geld stuurt voor de betaling. De in 1614 bij L. Elzevier te Leiden verschenen politieke rede van Heinsius, getiteld De politica sapientia oratio: cui duae aliae, & praefationes sive dissertationes totidem, quarum argumentum primae paginae praefigitur, accedunt (48 bl., in-4), komt niet voor in de veilingcatalogus van de bibliotheek Saeckma. Blijkbaar verbleef Aernsma al eens in Leiden vóór zijn inschrijving aan de universiteit aldaar in 1616. Had hij zijn studie daar willen beginnen? Aan de in 1614 gestichte universiteit van Groningen was hij een van de studenten die zich inschreven op de eerste dag waarop dat mogelijk was: 13 maart 1615. 7 • 22-4-1617. Ofschoon niet de aangelegenheid maar wel Aernsma zelf verweten kan worden dat hij zeer dikwijls Saeckma's vrije tijd onderbreekt, die deze voor het welzijn van Friesland bestemt, maar omdat Saeckma vrienden niets weigert en Aernsma weet dat zijn brieven welkom zijn, spoort hij Saeckma weer eens aan zijn zaak bij vader te behartigen. Die is wel enigszins bedaard, maar beklaagt zich toch steeds dat Gysbert te veel verbruikt in Leiden. Laat vader per jaar een bepaalde som geld geven - ofwel 500 goudgulden en een kledingstuk met een mantel -, waarmee hij zich in Leiden op de been kan houden. Voorwaarde is daarbij dat hij zoals in Leiden gebruikelijk een kwart per drie maanden ontvangt en niet geld per half jaar. Wat de gestuurde rekeningen betreft moge Saeckma vader kalmeren. Een brief voor Saeckma die Aernsma dringend van Daniël Heinsius heeft gevraagd, stuurt hij mee, ook om vader te tonen. ![]() Heinsius aan Saeckma Leiden 21 april 1617, aan Johannes Saeckma, Leeuwarden - Originele brief in Tresoar/Provinciale Bibliotheek van Friesland te Leeuwarden, collectie Gabbema. Weledele heer, Aan de weledele, uitnemende heer Johannes Saeckma, de zeer eerwaardige raadsheer, Suffenus was een tijdgenoot van Catullus; hij was met zijn talloze gedichten zo ingenomen, dat hij ze altijd op eersteklas perkament schreef. Vgl. Catullus 22,1vv. 8 • 22-6-1617. Aernsma mist in Leiden al enige tijd de troost van Saeckma's brieven. Hij vertrouwt erop, dat deze niet veranderd is, maar vreest wel dat Saeckma beledigd is. Gysbert denkt daartoe geen aanleiding gegeven te hebben en schrijft de briefstilte toe aan Saeckma's bezigheden en zorgen voor Friesland op voorwaarde dat deze nu wel veel en lange brieven stuurt. Het gaat hem goed en wat de studie betreft heeft hij tot nu toe niet te versmaden moeite gedaan en spant hij zich nog steeds in, van nature daartoe aangedreven. Hoewel hij wanhoopt dat hij bij vader weer in de gunst kan komen, zal hij met Gods hulp de laatste hand leggen aan zijn studie. Er is geen enkel gevaar dat het hem overkomt als andermans slaaf te leven. Hij heeft nu één jaar in Leiden stand gehouden met instemming van vader, die beloofd had te zullen betalen. Maar nu onlangs tante met nichten en Aernsma's zus hun "tenten hebben opgeslagen" voor een bruiloft en hij daarbij enkele rekeningen aan vader heeft gegeven en gevraagd ze via zus te betalen, heeft vader er twee gelijk voldaan, maar zich ronduit weerbarstig getoond de overige te betalen. Daarbij komt dat hij momenteel geen geld meer heeft; wat hij van Potter heeft gekregen, is al uitgegeven aan de onderstaande kleine rekeningen. Een wambuis voor dagelijks gebruik heeft hij niet zoals nichten en zus zullen getuigen. Hij verzoekt Saeckma, die gezag heeft bij vader, deze te overreden de overige rekeningen te betalen en te bewerken dat hij een wambuis kan krijgen. Laat Saeckma het geld van vader of elders vandaan z.s.m. sturen. Hij moge altijd zijn beschermheer en tweede vader blijven. Via zus heeft Saeckma vast de brief van Heinsius ontvangen; deze is van zijn bruiloft teruggekeerd en wacht verlangend op een antwoordbrief. Aernsma verzoekt Saeckma deze brief niet aan neef Hania of een ander van de vrienden te laten zien. De kleine rekening omvat negen posten voor het polijsten van zijn zwaard en het laten maken van een nieuwe schede 2 gulden, voor het honorarium van de dienstmeid van Bertius tijdens college 1 gulden en 4 stuivers, voor het wapen aangebracht in het album amicorum van een student ook 1 gulden en 4 stuivers, voor boetes en te houden redevoeringen tijdens college 17 stuivers, voor driemaal schoenreparatie 13 stuivers, voor zijden sluitlinten aan nieuwe kleren 18 stuivers, voor zijden schoenveters 6 stuivers, voor handschoenen 2 en voor een sleutel 5 stuivers; totaal 7 gulden en 9 stuivers. ![]() Quod mihi ne eveniat, ..., non nullum periculum est: Plautus, Captivi 1,91. In wiens album amicorum Gysbert zijn wapen heeft laten aanbrengen bleek niet te achterhalen. Prof. dr. Chr. Heesakkers dank ik voor het nakijken van een lijst van inscribenten van Nederlandse alba die te Leiden bewaard wordt. Albumkenner Kees Thomassen van de Koninklijke Bibliotheek bezorgde mij een aangename verrassing door mee te delen dat het album amicorum van Gysbert Aernsma in de universiteitsbibliotheek van Hamburg bewaard wordt. Het gaat om losse bladen - alba werden helaas wel meer uit elkaar gehaald - die in drie handschriftverzamelingen terecht zijn gekomen. Het handgeschreven inhoudsoverzicht van Kees Thomassen vindt men aan het eind van dit artikel, met enige aanvullingen van mijn hand. 9 • 22-10-1617. Zoals beloofd tijdens bezoek aan Saeckma te Leeuwarden schrijft Aernsma voor vertrek uit Leiden naar Frankrijk. De volgende dag, maandag 23 oktober, zal hij naar Den Haag reizen en vandaar via Rotterdam, Middelburg, Antwerpen, Mechelen en Brussel naar Parijs. Aankomst daar zal hij bij gelegenheid melden. De jaarbijdrage waarmee Saeckma hem heeft gesteund, vindt hij te klein; immers Gysberts neef heeft 200 gulden reisgeld mee en krijgt in Frankrijk elk kwartaal nog eens 200 gulden zoals tante zelf hem verteld heeft. Laat Saeckma tenminste 200 goudgulden toevoegen. Een aanbevelingsbrief van Heinsius voor de Nederlandse gezant in Frankrijk heeft hij op zak. Hij heeft zich voorgenomen zodra hij Frans geleerd heeft, "binnen te dringen" in diens hofhouding. In een naschrift verzoekt hij Saeckma goed te passen op zijn boeken en die welke hij nu stuurt en op de veiling Canter gekocht heeft, daaraan toe te voegen. Met de neef is zoon Saco/Saecke/Sabinus Fockens van tante Wisk Fockens-Tetmans en oom Martinus bedoeld. Deze studeerde vanaf 31-5-1616 te Franeker en vanaf 29-9-1618 te Heidelberg. In Heidelberg was hij samen met Johannes Camp, onder leiding van Johannes Hachting (1594-1630), de latere hoogleraar in de logica te Franeker. Deze studeerde vanaf 26 maart 1616 te Groningen en bezocht met zijn beide pupillen verschillende buitenlandse academies: Herborn (29-3-1618), Heidelberg, Bazel en Genève; vgl. W.B.S. Boeles, Frieslands hoogeschool en het Rijks Athenaeum te Franeker II,1, Leeuwarden 1879, blz. 120. Voordien zou neef Sabinus Fockens volgens deze brief van Gysbert Aernsma ook Frankrijk aangedaan hebben. Een inschrijving aan enige universiteit aldaar geeft het bestand van Samme Zijlstra wat Sabinus betreft niet. Hij werd in 1619, na mei, secretaris, in 1623 grietman van Opsterland, en overleed op 31 maart 1652 in zijn 53e levensjaar.Vgl. S. Zijlstra, Het geleerde Friesland - een mythe? Universiteit en maatschappij in Friesland en Stad en Lande ca. 1380-1650. Ljouwert 1996; met database op CD-ROM. Frankrijk 10 • Saumur 13-7-1618. Aernsma leert niet alleen de Franse taal maar ook de Franse omgangsvormen. Aan de rechtenstudie heeft hij nog niet veel gedaan. Die heeft volgens hem nergens in Frankrijk veel te betekenen, ja voor geld is alles te koop. De "ommegang" van Angers is net zo beroemd als die van Antwerpen. Hij wil op 2 augustus vanuit Saumur naar Parijs vertrekken en logeren te Orléans. ![]() Saeckma wordt nog steeds als bemiddelaar gebruikt, niet meer bij vader maar bij oom Fockens en neef Aysma, die nu blijkbaar geldschieter zijn. Oom Martinus Fockens, broer van Gysberts moeder Margaretha Fockens, was grietman van Opsterland (1614-1623) en Gedeputeerde; hij is 18-1-1635 overleden, 69 jaar oud, en begraven te Beetsterzwaag. Met neef Aysma is Albert Aysma (ca. 1577 - 1648) bedoeld, zoon van Johan Lieuwes Aysma en Joostje van Arentsma, jongste zuster van Gysberts grootvader; hij was van 1616 tot 1621 Gedeputeerde. Mon cousin
De oude koopman was waarschijnlijk een koopmansbode; vgl. brief 12. Jurjen van Vierssen was sedert 4 november 1616 muntmeester van Friesland. Een pistool was een buitenlandse gouden munt, in het bijzonder de Franse Louis d'or. 12 • Parijs 28-9-1618. In het Frans meldt Aernsma dat hij al twee of drie keer heeft geschreven zonder antwoord te krijgen. Hij wijt het aan degenen aan wie hij zijn brieven heeft meegegeven; hij durft en mag daarvan de schuld niet geven aan Saeckma, die hem immers nooit in de steek heeft gelaten. De 100 pistolen waarop hij al zeven weken wacht, hoopt hij z.s.m. te ontvangen. Over zeven weken wil hij met zijn neef via Rouen naar Engeland gaan en tegen Kerstmis in het Friese vaderland terugkeren, als Saeckma dat goed lijkt. Juist als hij zijn brief af heeft, worden hem twee brieven overhandigd, een van Saeckma en een van oom; de laatste met een wissel. De komende week zal hij hen en zus terugschrijven: nu heeft de bode haast. Hij zal in Parijs wachten op bericht over zijn voornemen. Laat Saeckma dat sturen via de koopman van Amsterdam. Is de neef die Gysbert Aernsma hier bedoelt weer Saecke/Sabinus Fockens? Vgl. brief 9. Had deze vanuit Genève de afspraak "over zeven weken" gemaakt? Noch van Aernsma noch van Fockens is bekend of ze in Engeland zijn geweest. Was er enig verband met de in november 1618 aan de hemel verschenen komeet? Die werd namelijk gezien als een voorbode van onheil, i.h.b. voor de "Duytsche Landen". Vgl. J. Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Deel 4: 1575-1675. Franeker 2000, p. 325-326. Terug in Friesland ![]() Op
26 december 1619 (3e proclamatie voor gerecht) is Gysbert te Leeuwarden getrouwd
met Catharina van Walta. Jan Janszoon Starter maakte een "Trouw-dicht ter eeren Ioncker
Gysbert van Aernsma en Iuffrou Catharina van Walta"; zie Friesche Lust-hof, Amsterdam
1621. In 1620 liep hij als edelman mee in de lijkstoet van stadhouder Willem Lodewijk. Op 20
maart 1628 is hij benoemd tot grietman van Dantumadeel. Hij woonde (op Melkemastate?) te
Rinsumageest, alwaar hij in 1631 overleed. Als grietman werd hij op 6 oktober opgevolgd
door Saeckma's oudste zoon Sjoerd/Suffridus. "Saeckma" te Akkerwoude in Dantumadeel De Saeckma's stamden uit de grietenij Dantumadeel. Aan het eind van de vijftiende eeuw worden al twee Saeckma's genoemd als verkopers van land: "Sybrant Saekama in Ackerawald", aan Klaarkamp, en Renick Ritske Saekama. De betovergrootvader en de overgrootvader van Johannes Saeckma kochten het landgoed Saeckma in 1544 van Nitte Gerbrandtz. Grootvader Johannes Wopkes was al in 1536 grietman van Dantumadeel, als opvolger van Mr. Syds Tjaerda. Hij was getrouwd met Elisabeth Sappema. Er waren drie kinderen: Sjoerd, die notaris werd te Kollum en trouwde met Fedt van Rinia; Auck, echtgenote van Mr. Lucas Lucasz. Jarges, die ook notaris was, in 1576 secretaris van de Staten van Friesland en in 1580 als katholiek balling uit Dantumadeel; Bauck, die in 1593 trouwde met Laes Jellesz. Johannes' vader Sjoerd bleef eveneens katholiek en overleed als balling te Oldenzaal. Vgl. T.E. Teunissen, Ald Dantumadeel. De Dokkumer Walden yn eardere en lettere tiid. Kollum 1938, p. 180-183, Sakema State [en] De famylje Saeckma. Uit het correspondentie-archief van Tresoar/Rijksarchief in Friesland is het volgende
overgenomen. Johannes Wopkes was nog grietman in 1556; A.J. Andreae, Nalezing op de Nieuwe naamlijst van grietmannen van jhr. mr. H. Baerdt van Sminia. Leeuwarden 1893, p. 42. Diens achterkleinzoon Suffridus/Sjoerd Saeckma werd op 6 oktober 1631 grietman van Dantumadeel; professor Daniël van Dam feliciteerde vader Saeckma in een brief van 9 oktober met de promotie (van advocaat tot grietman) van zijn oudste zoon. Suffridus was wellicht de beoogde opvolger van grietman Tjaerd van Aylva. Toen die op 23 februari 1628 overleed, was Suffridus pas twintig en had hij zijn studie (rechten) nog niet afgesloten. Mogelijk is er een afspraak gemaakt met Gysbert Aernsma, zodat deze op 20 maart werd aangesteld. Sjoerd Saeckma kreeg zijn kans spoedig nadat hij in 1630 was gepromoveerd; Aernsma overleed immers in 1631 nauwelijks 34 jaar oud. Correspondentie Saeckma In zijn vrije tijd wijdde Saeckma zich aan verdere studie van de rechten en de klassieken en aan het dichten in het Latijn en Nederlands. Hij bezat een rijke bibliotheek. Die is door zijn tweede zoon, de raadsheer Theodorus Saeckma geërfd en uitgebreid; mogelijk is ook die van zwager resp. oom Evert Boner in 1639 daarin opgegaan. In 1666 is de verzameling geveild. Raadsheerschap, politieke bezigheden en gezins- en familie-aangelegenheden lieten Saeckma weinig tijd. Geen wonder dat er weinig van hem gepubliceerd is, d.w.z. in druk uitgegeven. Van zijn aantekeningen bij de Friese grondwet van 1602 circuleerden in de zeventiende eeuw diverse afschriften; er is o.a. door Ulricus Huber uit geciteerd. Gezien zijn karakter, niet op de voorgrond willen treden, maar stille diplomatie beoefenen, was hij wars van roem. In dit verband is het nog vermeldenswaard dat Saeckma in zijn wapen een griffioen had, die in het algemeen staat voor invloedrijkheid en bovendien scherpzinnigheid, overleg, gepaard aan omzichtigheid en doorzicht. Van de twaalf brieven van Aernsma zijn er zeker zes reacties op brieven van Saeckma; deze laatste zijn echter niet bewaard gebleven. Opmerkelijk is dat de overgeleverde Saeckma-correspondentie ruim 350 brieven aan hem telt en slechts elf van hem, nl. (in chronologische volgorde) aan Sabinus Odulphi Baerdt - 1: [1592] Saeckma archiveerde binnengekomen post zorgvuldig. Dat bijv. Franeker professoren daarin totaal tekortgeschoten zouden hebben, lijkt vreemd. Hun brieven vormen merendeels de zogenaamde codex Saeckma, al is daarin ook een enkel verzamelitem opgenomen zoals een brief d.d. 23-9-1579 van de toen nog Leidse hoogleraar Petreius Tiara aan zijn advocaat Christoffel Aernsma te Leeuwarden; nr. 27. Bekend is dat de brieven die Drusius uit binnen- en buitenland ontving, verloren zijn gegaan. Niet onvermeld mag de mogelijkheid blijven dat Saeckma in zijn brieven vroeg ze na lezing te verbranden. Bescheidenheid ten top en/of een gevolg van een vroege nare ervaring? Niet ondenkbaar is het dat Johannes Saeckma of zijn zoon Theodorus de brieven teruggevraagd heeft. Als Theodorus' vriend Simon Abbes Gabbema voor een editie gepleit zou hebben, dan was dat gezien de bescheidenheid van Saeckma senior zeker tevergeefs geweest. Inhoud album amicorum Gysbert Aernsma UB Hamburg, Cod. Scrin. 66, 68 en 69; staand formaat (i.t.t. het gebruikelijke oblong): ca. 15 x 9,5 cm. - Met dank aan Dr. Petra Blödorn-Meyer en Marion Sommer van de "Handschriftenabteilung".
Het jaartal 1616 op het "titelblad" is een verschrijving van Aernsma voor 1615 - op 13 maart van dat jaar schreef hij zich in aan de universiteit van Groningen -, of hij heeft zijn album inderdaad pas naderhand van zijn naam en lijfspreuk voorzien. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
>> begin
| Editie: M.H.H. Engels, januari 2005 | >> begin >> HOMEpage |
| 1: Leiden 1616 08 19 [ns] • Cum postliminio tandem ... 2: Leiden 1616 08 21 [ns] • Non erat mihi animus ... 3: Leiden 1616 12 07 [ns] • Literas tuas, vir amplissime ... 4: Leiden 1616 12 18 [ns] • Cum non ita diu ... 5: Leiden 1617 01 13 [ns] • Cum literas tuas ... 6: Leiden 1617 01 28 [ns] • Literas tuas postremas ... |
*: Leiden 1617 04 21 [ns] • Heinsius aan Saeckma 7: Leiden 1617 04 22 [ns] • Tam etsi vir clariss. ... 8: Leiden 1617 06 22 [ns] • Carere me hactenus ... 9: Leiden 1617 10 22 [ns] • Posses me merito meo ... 10: Saumur 1618 07 13 [ns] • U.L. brief van den 25 Maii ... 11: Parijs 1618 08 23 [ns] • Dese sal u dienen ... 12: Parijs 1618 09 28 [ns] • Je vous ay desia ... |
*** 1: 19-8-1616
Viro clariss. ampliss. D. Iohanni Sakama
Senatori S.P.
Cum postliminio tandem ad scribendi officium reverti animus mihi esset, a quo
uterque aliquam diu exulaveramus, non socordia ut satis mihi constat aut contemptu, sed
fortassis dulcedine intermissionis & fiducia amoris, id enim de me fateor de te opinor, omittere
minime potui, vir clariss., quin, cum tibi ea, quae scribo, accepta esse cernerem, responsi
aliquid ad literas tuas rursus meditarer. Itaque quod scribis te adhuc in eo totum esse ut me
reducas in gratiam apud parentem, solide gaudeo, petoque non solum sed & obsecro ut porro
enitaris, nam a nemine aeque commode quam abs te fieri posse arbitror, mihi totus persuadeo.
Adhaec braccam & pecuniam unde mihi thoracem compararem accepi: gratias pro iis & habeo
& refero maxumas, omnique obedientia compensare studebo, & tuorum in me promeritorum
semper memor ero, nullaque extinguet oblivio.
Dum memor ipse mei, dum spiritus his regit.
Vale. Ex musaeo nostro Lugduni in artus Batavis 14 Cal. Septemb. Ao. MDCXVI.
Amicis
meis verbis salutem dic, & rescribe.
Cognatus tuus
Gisbertus ab Aernsma
[Adres:] Ampliss.
spectatiss.que viro D. Iohanni Sakama, Senatori in suprema Frisiorum Curia, cognato suo non
e multis,
Leovardiam
*** 2: 21-8-1616 * overzicht brieven Aernsma
Viro clariss. spectatiss.que D. Iohanni Sakama
Senatori S.P.D.
Non erat mihi animus, vir clariss., hoc tempore ad te literas dare, sed, cum,
quia debeo & valde volo, tum, quia intellexi ex literis, quas abhinc diebus novem ad cognatum
Hania misisti, patrem adhucdum se admodum difficilem praebere, pecuniamque pro victu nolle
mittere, & mulierem illam magnas tibi dare turbas, semel tandem deliberavi & consilium inivi
de eligendo vitae genere. Itaque ut consilium meum & rem omnem aperte tibi fabuler.
Cum
deliberassem diu mecum, quodnam vitae genus sequerar, tandem lectis tuis literis & penitius
consideratis, nihil aeque consultum mihi visum fuit, quam, si misso literis repudio - non
totaliter hoc intellige - ad militiam animum applicarem, & elapsis tribus mensibus Leida abirem.
Causae hae sunt quae me impulere:
1. quod studium hoc literarum & historicum etiam
continuare queam, ut poeta ait
Dum versor in armis;
2. quod cum se diffilem praebeat pater,
pecuniamque pro victu nolit mittere, sine qua Leidae commorari non possum, nam admodum
care ibi vivitur, adeo ut haereditatem maternam brevi ibi consumerem, inconsultum plane visum
fuit diutius ibi commorari.
Habes hic consilium meum, quod te maxime scire volui, si forte
quid ad tuas cogitationes perlineret. Tu expende quaeso & in consilium adhibe amicos &
quodnam illis de eo videatur rescribe & vale. Saluta uxorem tuam cum tota familia. Datum 12
Cal. Sept. Ao. MDCXVI.
Cognatus tuus
Gisbertus ab Aernsma
[Adres:] Clariss.
spectatiss.que viro D.D. Iohanni Sakama I.U.D. et Senatori in suprema Frisiorum Curia,
cognatorum suorum ocello,
Leovardiam
*** 3: 7-12-1616 * overzicht brieven Aernsma
Viro clariss. consultiss. D.
Iohanni Sakama Senatori S.P.
Literas tuas, vir amplissime, a cognato Feickens nuperrime
accepi, ex quibus propensum in me tuum animum perspexi. Video enim tantopere te sollicitum
de me esse, ac si tuus essem, adeo ut si minutissima saltem tua in me promerita considerem,
inficias ire nequeam, quin me omnia tibi debere fatear. Verum haec huiusmodi sunt.
Ad literas
autem tuas quod attinet. Scribis primo loco patrem ad vos venisse, cumque eo te acturum de
tempore profectionis in Galliam, quod si facere tibi commodum erit, gratias tibi habebo
maximas.
Adhaec secundo loco mitto tibi orationem quam abhinc 12 diebus in collegio sub
Bertio recitavi. Tu relege, & si forte quid erit quod tuam latinitatem, utpote splendidam & vere
Ciceronianam non redoleat, ignosce, & vale, nosque deama. Datum e musaeo nostro Lugd. in
Batavis 7 Iduum Decemb. Ao. MDCXVI.
Cognatus tuus
Gisbertus ab Aernsma
[P.S.:] Patri, si
perlacuerit, orationem meam exhibe. Saluebunt a me omnes amici, & inprimis uxor
tua.
[Adres:] Viro ampliss. clarissimoque D.D. Iohanni Sakama I.U. Doctori et Senatori in
suprema Frisiorum Curia, cognato suo oculissimo,
Leovardiam
*** 4: 18-12-1616 * overzicht brieven Aernsma
Ampliss.
clarissimoque viro D.D. Iohanni Sakama Senatori S.P.
Cum non ita diu sit, vir ampliss., quod
ad te literas dederim, adeoque non statuissem hoc tempore ad te literas dare, tamen cum, quod
acceptae tibi sint literae meae, sciam, tum, quod habeam aliquid, de quo tuum iudicium mihi
expetam omittere non potui quin perfunctorie ad te scriberem.
Itaque ut propositum mearum
literarum scopum tibi ostendam, scies abhinc pauculis diebus me serio invitatum fuisse a D.
Petro Bertio, Daniele Heinsio, Petro Scriverio, ut quoniam rogatu aliorum constituissent s[cilicet]
Captivi Plauti Comoediam, simulque s[cilicet] Troades Senecae Tragoediam in publico agere, me
reliquo studiosorum numero quoque adiungerem, cui petitioni illorum instanter urgentium,
cum aversari sine honestate non possem, ut pote qui tantos viros authores mihi haberem fidem
dedi - ea tamen lege si patri tibique consultum videretur - me una cum aliis acturum. Itaque in
Comoedia prologi, in Tragoedia Calchantis mihi personam decreverunt. Verum tu si isthaec
tibi incesserit lubentia supra hac re quam brevi possibile erit iudicium tuum nobis
transcribe.
Adhaec est quod oratum te maximo velim opere scilicet ut patrem adeas & si
possibile sit, ut pro me ab eo aliquantum pecuniae extorqueas. Nam toto eo temporis // spatio,
quo Lugduni fui, ne obulum a patre accepi, maleque illum habet me adhuc tantillum insumeret
scripsitque in literis novissimis ad sororem, se observaturum, quantum pro me annuatim
expendat. Qua de causa peto abs te, ut ipsi dicas si omnium meorum sumptu[u]m rationem habere
animus sit, tamen pecuniae aliquid mittat, & consignet, & observet quantum sat erit. Nam sine
pecunia me Lugduni commorari posse nihil est quod autumet.
Orationem quam in superiore
proxima epistola me mittere scribebam, nunc primum tibi offero, petoque ut legas & relegas,
nostrique memor semper vivas, rescribasque quamprimum quid super his rebus omnibus tibi
videatur.
Vale ocelle mi. Datum ex nostro musaeo. 15 Cal. Ianuarii MDCXVI.
Cognatus
tuus
Gisbertus ab Aernsma
[Adres:] Ampliss. spectatissimoque viro D.D. Iohanni Sakama
I.U.D. et in suprema Frisiorum Curia Senatori, cognato suo oculissimo,
Leovardiam
*** 5: 18-1-1617 * overzicht brieven Aernsma
Clariss. spectatiss. viro D.D. Iohanni Sakama Senatori S.P.
Cum literas tuas &
accepissem & legissem, vir clariss., ex iisque intelexissem, te petere ut quamprimum tibi
rescriberem, omittere non potui, quin ductim & tractim quasi aliquid consignarem. Itaque ut ad
argumentum veniam, maxima cum voluptate percepi, tibi patrique non displicere, ut personam
aliquam in Comoedia representarem, ea tamen conditione ut ceteri actores non inferioris
essent conditionis quam ego essem. Ad quod scies, omnes esse supremae conditionis,
praeterque quatuor nullum dari, quin primae nobilitatis adolescens siet.
Adhaec secundo loco,
quod ad vestimenta attinet, omnia commodato accipiemus. Sed si patri ullo modo persuadere
possis, vellem ut mihi thoracem ex serico, ocreas, & deaurata calcaria gladiumque mitteret
quam citissime posset. Nam elapsa sesquiseptimana acturi sumus. Haec ut pro me cures oro te,
atque obtestor.
Pecuniam quam mihi misisti accepi, proque ea tibi & maximas habeo referoque
gratias. Commentarium Schotti nusquam in officinis librariis comparare potui. Scaligeri vero
dissertatiunculam mihi comparavi & hic ad te mitto. Tu cum bono Deo lege & relege, nosque
deama . Vale & salve. Datum Lugd. Bat. Ipsis Idibus Ianuarii MDCXVII.
Cognatus
tuus
Gisbertus ab Aernsma
[Adres:] Clariss. spectatiss. viro D.D. Iohanni Sakama I.U.
Doctori, et in suprema Frisiorum Curia Senatori, cognato suo oculissimo,
Leovardiam
*** 6: 28-1-1617 * overzicht brieven Aernsma
S.P. Cognate oculissime
Literas tuas postremas 5 Cal. Februarii accepi ex
quibus quantum perspicere potui, intelligo animum patris aliquantulum placatum esse eo, quia
ab illo pro me impetrasti calcaria, ocreasque ut mihi ibi confici curarem, nam ut alia omittam,
in ipsis literis ad sororem omnino placatus esse videtur, praeterque quod uno in loco scribat,
male eum habere quod rationem hanc a calciario ad eum miserim. Causam addit. Putare se
rationem hanc adulterinam esse, & os me illi su[stin]uisse, quod quam a vero alienum sit, Deum
testem laudo, & quo magis credat, apocham illi a calciario mitto. Ad thoracem quod attinet,
confici curabo, veteremque serico superinducam minimi sumptus gratia.
Adhaec, quod
dissertatiunculam Schaligeri de re nummaria certam tectamque acceperis gaudeo, mittoque tibi
rursus quasi succedan[e]um quid orationem hanc Heinsii politicam, quam meo tempore Leidae
habuit. Schotti commentarium eiusdem faciei si mihi alibi comparare potero, mittam tibi.
Ad
extremam unum a te peto, ut quoniam nunc Comoediam egerimus, & convivium quod
instructuri sumus absolverimus, statim ubi rationem perscripsero pecuniam facere velis ut
habeam, ego rursus omni obedientia gratum me exhibebo. Vale 5 Cal. Feb. 1617.
Cognatus
tuus
Gisbertus ab Aernsma
[P.S.:] Peto abs te, ut, si posthac mihi pecuniam mittas, nunquam
simili tabellario tradas, nam is, ut aperte pater scribit, ipsi indicavit te mihi nuper pecuniam
misisse, quare oro, ut semper iis interdicas, ne patri indicent, nam pater scribit, nisi ille indicasset,
pecuniam mihi mississet. Ratiunculam a chirurgo hic mitto; tu patri exhibeas ut si ipsi placuerit
mittat pecuniam ut solvem.
[Adres:] Clariss. spectatiss. viro D.D. Iohanni Sakama I.U.
Doctori, et Senatori in suprema Frisiorum Curia, cognato suo oculissimo,
Leovardiam
*** 7: 22-4-1617 * overzicht brieven Aernsma
Viro ampliss. clariss. D.D. Iohanni Sakama Senatori S.P.
Tam etsi vir clariss. non
abs re, sed meritissimo meo, me accusare possis, quod literis meis saepissime otium tuum,
quod commodis patriae destinaras, interrumpam, tamen quia nihil non amicorum causa facere
minime deneges, literasque nostras tibi gratas esse sciam, omittere non potui quin hoc tempore
tibi semel scriberem, utque causam meam apud parentem ageres, sedulo hortarer, qui licet
aliquantulum placatus esse videatur, tamen semper conquaeritur me nimium Leidae consumere.
Quamobrem ut huic malo subveniatur, peto abs te, ut eii persuadere velis, ut mihi certam
summam - videlicet aurios quingentos & vestimentum unum cum novo pallio - annuatim det
qua me Leidae sustentem, hac tamen conditione, ut singulis trimestribus quartam quoque
partem exacte habeam, ne pecuniam pro victu singulis semiannis - quod nusquam Leidae moris est,
solvunt enim singulis trimestribus - imposterum coger denumerare. Rationes aliquot patri misi,
iniquo scio feret animo, te oro ut in placando eo operam des.
Literas quas a D. Heinsio
efflagitavi hic videbis, tu ubi legeris, patri etiam exhibe, iique rescribe, & nos deama. Vale cum
tota familia. Raptim Leidae 22 Aprilis 1617.
Cognatus tuus
Gisbertus ab Aernsma
[Adres:]
Amplissimo clariss. viro D.D. Iohanni Sakama, in suprema Frisiorum Curia
Senatori
Leovardiam
*** 8: 22-6-1617 * overzicht brieven Aernsma
Ampliss. spectatissimoque viro D.D. Iohanni
Sakama Senatori S.D.
Carere me hactenus alloquio tuarum literarum, vir ampliss., non re
solum, sed & cogitatione molestum est. Illud, quia ea voluptate me destitui nihil acerbius. Illud
quia animus in hoc grandiusculo literarum intervallo variis suspicionibus circumagatur. Quid
censebo, mutatum esse te? Non hoc per tuum erga me amorem non per fidem licet. Offensum?
Timeo. Verum cum penitius omnia considero, nec ulla in re te laesum esse a me quod sciam
arbitrer, condonandum tibi hoc silentium propter occupationes patriaeque curas esse duxi, hac
tamen conditione, si nunc saltem plurimas & longissimas literas miseris. Haec enim mihi sola
excusatio vera, cui satisfaciendae ut tanto facilius accedas, has a me cape literas, in quibus
videbis, quonam tibi amore proximi simus, adeoque etiam scripsimus ea de nobis quae te scire,
partim velle, partim nolle arbitramur.
Sed ne te diutius detineam, scies nos bene valere,
studiisque adhuc hactenus & navasse & navare non poenitendam operam, utpote ad quae
quodam impetu natura feramur. Verum cum aliquando rebus nostris desperatis oculum
immittemus, patremque nullo modo in gratiam revocari posse putamus, ita me Deus respiciat,
parum abest quin supremam studiis manum adhibituri simus. // Nam cum dedecore sub alicuius
servitio unde vivere, minime generosi animi est, ut ille ait: Quod mihi ne eveniat, ut Plaut. verbis
utar, nonnullum periculum est nunc. Substiti enim per annum iam Leidae, idque consensu patris
qui se soluturum promiserat. Nunc autem cum nuper ad nuptias amita, cum cognatis, & sorore
tenderent, ratiunculas quasdam dedi ad patrem utque eas exsolveret per sororem petii, sed
duabus saltem satisfecit, in reliquis exsolvendis se plane refractarium praebuit. Accedit & eo,
quod hoc tempore nihil plane pecuniae habuerim, neque etiam nunc habeam, nisi quod nuper a
Pottero aliquid acceperim, quod omnino iam expendi, ut ex ratiuncula infra posita videbis.
Praeterea nec thoracem quotidianum alicuius valoris habeo, ut cognatae sororque testabuntur.
Quia propter, vir clariss. & cognate charissime, te, quias authoritate apud patrem vales, &
cuius authoritatem pater nec debet nec cupit subterfugere, te inquam obnixe oro, ut sicuti te
hactenus in causa mea strenuum praebueris, ita porro agas, & studeas in id ut parenti
persuadere possis, ut reliquas rationes exsolvat. Praeterea etiam atque etiam rogo, ut patrem
adeas, & si possibile sit, si non multum saltem aliquid pecuniae mihi conficias, vel a patre, vel
aliunde, & quamprimum mittas, nam nihil pecuniae habeo, & diu sine pecunia Leidae esse
nequeo. Adhaec etiam, ut thoracem habere possim quaeso apud patrem efficias. Haec te per
dextram, per perspectam mihi integritatem & magnitudinem animi tui, per amorem erga te,
cuius, cum ab uxore domesticoque discessisti, mihi primas defers, oro atque obtestor, ut in
perpetuum amicum me tibi assumas, // utque mihi patronus & pater sis.
D. Heinsii literas, quin
a sorore acceperis, non dubito. Is iam a nuptiis rediit, literasque tuas avide expectat. Tu ei
rescribe si placuerit. Vale & nos ama. Datum Lugd. in Batavis 10 Cal. Iulii Ao. Domini
MDCXVII.
Salutem uxori tuae reliquaeque familiae tuae, aliisque amicis adscribo, tu dicito.
Quaeso ne has literas cognato Hania, aut alii alicuio ex amicis exhibeas. Iterum
vale.
Ratiuncula
Ad perpoliendum gladium meum a rubigine & ad novam vaginam
conficiendam 2-0-
Pro honorario, quod ancillae D. praesidis nostri Bertii in collegio orat
dedimus 1-4-
Pro insigni quod albo studiosi cuiusdam imponi curaveram 1-4-
Pro mulctis &
orat. habendis in collegio 0-17-
Pro refeciendis ter calceis 0-13-
Pro sericis ligaminis
novis vestibus 0-18-
Pro sericis ligaminibus in calceis 0-6-
Pro chirotecis 0-12-
Pro clave 0-5-
Somma 7 gl. 9 st.
Cognatus tuus
Gisbertus ab Aernsma
[Adres:] Ampliss.
spectatissimoque viro D.D. Iohanni Sakama I.U. Doctori et in suprema Frisiorum Curia
Senatori, cognato suo oculissimo,
Leovardiam
[door Saeckma in oude stijl:] Recepta 16 Iunii 1617
*** 9: 22-10-1617 * overzicht brieven Aernsma
S.P.
Posses me merito meo culpare, vir clariss., si hoc tempore ad te literas
non darem. Causam te quaeritare non puto? Nam cum a vobis abiremus, promiseramus nos
scripturos simul ac Leida discederemus, itaque ne datam fidem falleremus, has a nobis cape
literas, ex quibus intelliges nos die Lunae, qui est 23 Octobris Leida Hagam Comitatensem
discessisse, unde iter nostrum instituemus per Roterodamum Middelburgam, hinc Antverpiam
inde per Mechliniam & Bruxellas recta Luetiam Parisiorum. Ubi Lutetiam venerimus pro ut
occasio feret, eo nos conferemus.
Haec de itinere, at sumptus annui, quos mihi suppeditastis
nimis exigui sunt, nam cognatus meus ducentos secum aufert in viaticum aureos, et singulis
trimestribus - sicuti & amita ipsa mihi dixit - ducentos itidem illic in Gallia accipiet. Precor
itaque ut negotii huius curam habeatis, & sumptibus meis ad minimum 200 aureos
addatis.
Literas praeterea habeo commendatitias a D. Heinsio ad D. Legatum, & constitui
simulac linguam Gallicam didicero, insinuare me aulae eius.
Haec hactenus. Tu vale, & salve.
A me saluebunt amici omnes. Raptim. Leidae 22 Octob. 1617.
Cognatus tuus
Gisbertus ab
Aernsma
[P.S.:] Librorum meorum quaeso curam habeas, & hos quos nunc tibi mitto, emptos
in auctione Canteriana, reliquis adiunge. Iterum vale.
[Adres:] Clariss. spectatissimoque viro
D.D. Iohanni Sakama, I.U. Doctori et Senatori in suprema Curia Frisiorum,
Leovardiam
*** 10: 13-7-1618 * overzicht brieven Aernsma
Mon cousin
U.L. brief van den 25 May laestleden heb ik den 9 July ontvangen,
waerut met blijtschap u goede dispositie verstanden; bidde Godt dat sij mach lanckdurich sijn.
Wat angaet dat ghi in die absentie van mijn oom Fockens & neef Aysma den boode van
Orleans hebt betaelt, is mij seer aengenaem end hebt hierdeur mij seer obligeert. Vorders so
bedancke ick mijn neef voor die goede vermaninge als te weeten dat ick, mij comporterende
buyten landt na mijn conditien ende eerlijck levende end niet in al te exterordinaris
dep[e]nsen vervallende, niet mij alleen profitelijck maer den vrund[en] sal angenaem sijn. Welcke
vermaninge als goet wesende ick verhope oock achter te volgen end begere nochtans dat mijn
neef sal willen considereren dat ick hier buyten landts wesende met so weinich niet can
toecomen ofte ick in mijn landt was, end begere derhalven dat mijn vrunden patientie nemen so
ick hier wat meer verteer, want ick niet alleen mij contenteer om den spraeck te leren maer
oock om met den Fransosen converserende die manieren mach mede aenleeren, twelcke veel
niet doen end daerhalven wederom comende so sij den spraeck conen van den rest niet gesien
noch geleert hebben end daerom ist niet wonder so sij oock so veel niet verteren gelijck
mogelijck den experientie wel sal leeren.
Wat aengaet van altoos te reisen is wel waer dat dat
niet profitelijck is maer nochtans so meine ick niet dat dat een plaets bij mij sal hebben, want ick
noch niet ser gereist hebbe, want in al wat steden daer ick geweest heb, ben daer altas teminsten
3 maenten stil geweest end so lang daer geweest sijnde so isser niet meer te sien ut reden dat
het cleine nesten en gaten sijn end daerom bidde ick dat neef hiervan niet sal besommert sijn
end of ick schoon al veel reisde - twelck ick niet en doe - sal noch den spraeck wel leren end
elckeen van den vrunden genoech contentement geven. //
Wat het studium iuris aengaet: het is
wel waer dat ick wel belooft hebbe omdat er wat in te doen, maer nademael in sowel difficulteit
in den spraeck vinde principalijck int beginsel, sal mijn neef mij excuseren so ick daer noch niet
in veel in heb geleert; belove nochtans als ick den spraeck wat vaster heb, daer mijn vlijt gans te
sullen op leggen en ick hoepe noch den beloften aen neef gedaen te sullen nacomen.
Wat
aengaedt Poicteers is wel een grote woeste stadt gelijck Gendt in Flaenderen alwaer men saeit
en maeidt in den stadt, maer wat die studia iuris aengaet is gelijck als overal in Vranckrijck
twelcke te seggen is dat het nergens veel te beduiden heeft, utpote auro hic omnia venduntur.
Tot Saumeurs is alheel geen Professor in Iure maer allegaer sijn aut in Theologia aut
Medicina aut Philosophia. Ou il n'y a que des escoliers de la religion car ordinairemant ceux de
la religion de Poictou, Gascongne et des autres cantons de la France emvoyent la leurs enfans
pour estudier qui sont presque touts Gentilhommes ou de grande maison, pour apres ayant
acheve le cours en philosophie, aller ou a Paris ou aux autres academies.
Tot Angers is het
noch best van allen alwaer ick oock ach dagen gewest heb, doe het laestmael ommegang was -
welcke in Vrankrijck so seer vermaert is als die van Antwerpen - end soude daerhalven daer
gebleven hebben, maer omdat daer soveel Neerlanders end Duytschen haestich quamen, ben
weder na Saumeurs gekeert alwaer so te seggen giemant was. Ben daerhalven alnoch tot
Saumeurs alwaer ick blive tot op den 2 Augusti end ben aldan geresolveert om na Paris op te
trecken - want tot Saumeurs alle compagnie van Fransosen die ick henteerde, op het lant nu is
gaen woonen end soude dan nu met mijn lantsluyden moeten converseren twelck mij veel in
den spraeck soude beletten - eensdeels om te Paris alles te besien om also daer 2 maenten
geweest hebbende tegen den winter mij op een seker vaste plaets stil te begeven - end meine
dan den spraeck al vast te konen - alderdeels omdat mijn gelt opgaet end dat ick mijn wissel
alledaeg verwachte end tot Saumeurs ofte tot Angiers wesende soude // sij se bequaem niet
conen overcrigen, maer ut reden dat het tot Paris te deur is, so sal ick tot Orleans subsisteren
totdat mijn wissel sal comen.
Bidde daerhalven dat mijn neef so wel wil doen end dese brieven
gecregen hebbende, dat hij doch wil met mijn oom end neef Aysma conveneren end mij doch
so ras als het mogelijck is een wissel van 100 pistolen ofte 200 cronen overmaken alwaer ick
sal voorts in Vranckrijck met toecomen end bidde voorts dat sij hier doch niet willen in
suymachtich sijn, want ick maer voor een maent gelt heb en sal al een maent te cort comen eer
ick mijn wissel heb. Begere daerhalven dat mijn vrunden mij niet willen verlegen laten end so
ras alst mogelijck is mij een wissel met den muntemeister willen overmaken tot Paris aen mijn
oulden coopman. Dit doende sullen mijn seer obligeren. Ick sal gaen logeren tot Orleans bi
Madam Lucas au Cloistre S. Estienne alwaer men mijn briven sal adresseren. Begere
daerhalven vruntlijck dat mijn vrunden mij niet verlegen laten maer mijn gelt mij doch willen
overmaken.
Nieuss is hier niet als dat den Koninck met die van Bearn weder gereconcilieert is
end men praet hoe datter tot Paris enige conspiratien tegen den Koninck sijn. Hiermede den
Heer befolen ut Saumeurs den 13 July 1618.
Alle vrunden moeten van mij gegroet sijn. Mijn
neef sal mij excuseren so ick hem nu niet int Vrans geschreven heb; belove het den
naestcomende mael te doen. Eyntelijck bidde mijn neef dat hij doch wil beschicken dat ick mijn
wissel mach hebben opdat ick doch niet verlegen ben van gelt. Adieu.
U.L. neef
Gisbert van
Aernsma
[P.S.:] Voor het sluyten van dese mijne brieven heb ick noch verstanden van enige
die van Paris quamen, hoe dat men daer alle dagen veel justificieert end hoe datter in ach dagen
wel 80 onthooft sijn die men seit dat enige seditieuse schryften ofte pasquillen end conspiratien
tegen den Koninck gedaen te hebben. Den broeder van een praedicant van Charanton is
laestmael verbrandt om een boeck twelck noch niet gedruckt was, maer van enige gelesen was;
het schijnt dat hij den Koninck daer wat in geraeckt had. Sijn boeck is met hem verbrandt. Den
Koninck gaet seer strictelijck met den Justicie voort, perdonneert niemant end heeft den titel
van Justus aengenomen.
[Adres:] Ampliss. spectatiss. viro D.D. Iohanni Sakama Senatori,
cognato suo,
cito, cito, cito,
Leovardiam
*** 11: 23-8-1618 * overzicht brieven Aernsma
Vrundelijcken groet.
Gunstige
neef,
Dese sal u dienen om u eendeels [t']adverteren van mijn goede gesontheit anderdeels om
u te doen weten hoe dat ick den 16 Augusti tot Paris van Orleans sijn bekomen end hoe dat ick
van Orleans een gans packet met brieven na Paris heb gesonden in welcke ick om een wissel
schreef want ick geen meer gelt en hadde end dese brief was al afgesonden den 13 July. Nu tot
Paris comende ben bij mijn coopman gegangen om te vragen of hij mijn brieven al over na
Neerlant gesonden had; welcke mij geseit heeft dat hij sie niet vernomen hadde, also dat ick nu
seer verlegen ben binnen Paris, want ick daer nergens geen gelt trecken can.
Also dat ick mijn
neef bidde gelijck ick in die andere brieven die verloren sijn oock gedaen hadde, om mij doch
niet te willen verlegen laten, maer mij die vruntschap doen end soras als ghi dese mijne brieven
silt ontvangen hebben bij den muntemeister gaen end mij een wissel van 100 pistolen
overmaken laten. Dat doende sult mij seer verobligeren, want ick nu tot Paris sonder gelt ben
end daerhalven so mijn vrunden mij binnen 4 weken met gelt niet en versien, souder met
schande seer daerbij geintresseert sijn. Protestere derhalven op alle vruntschap dat men mij
doch wil ontsetten end mijn wissel mij doen terstont hebben end door geen ander doen als door
den muntemeister doen overmaken. Ontset mij derhalven end laet mij niet met schande in
Vranckrijck sijn. Ick ben gelosiert in die rue S. Martin in den dubbelden aerent bi den pont van
Nostre Dame. Niet meer op dit pas als dat ick, u alle recommanderende in die genade Godts, u
bidde om op mijn saken te willen letten end mij mijn wissel terstont doen hebben end so het u
belieft alle vrunden giemant utgenomen te groeten. Ut Paris den 23 Augusti 1618.
U bevrunde
neef
Gisbert van Aernsma
[Adres:] Ampliss. spectatiss. viro D.D. Iohanni Sakama, I.U.
Doctori et Senatori in suprema Frisiorum Curia, cognato suo,
Leovarden
cito
cito
cito
*** 12: 28-9-1618 * overzicht brieven Aernsma
Monsr. mon cousin
Je vous ay desia escrit deux ou trois fois, sans toutefois
avoir receu aucune response de vostre part, dont je m'esmerveille grandement, ne sachant, a
qui j'en doi imputer la faute, ou a ceux, auqeuls j'ay donne mes lettres a vous, a vous je
n'oseray, ou plustost je ne devroi, ceque vous m'avez tousiours trop oblige, & faict certain que
vous ne me voudriez jamais laisser en peine, dont je vous seray a jamais oblige. Mais parceque
neantmoins je voy, que mes affaires ne vont pas bien, contraint de vous escrire derechef, pour
vous remercier de vostre bonne affection envers moy, & en vous offrant toutes sortes des
services, vous prier, de vouloir prendre garde, & considerer un peu plus pres mes affaires, & si
le cas y peut eschoir, de me faire tenir avec la primiere commodite la somme de cents pistoles,
pourcequ'il y a pourtant six septmaines, que je les attende, &, s'il falloit attendre quelcque
temps, asseurement seroi grandement en peine. Tellement donc que je proteste sur nostre
amitie, qu'on ne me faut plus attendre, mais qu'on se depesche, en recompense de quoy je vous
serviray.
D'avantage, je ne peux laisser aussi, que je ne vous adverte de mon desyr comme j'ay
prins la resolution de m'en aller, dans six septmaines avec mon cousin, en Angleterre & de la
retourner au païs a Noel. La cause de ceste resolution est, que voyant me faire icy si grande
despense, sans que je faisoi encor de choses superflues & non necessaires, & que je fesoi ainsi
sans doubte en peu du temps grande parte des mes biens. Et ayant presque tant avances en la
langue Françoise, que je me contenteray bien, il m'a estè advis d'estre mon profit, de me retirer
de la France, & retourner au païs, tant pour reparer le dommage, que j'ay faict a mes biens,
que pour poursuyvre mes estudes, lequels, de que je suis en France, j'ay presque entierement
abondonnè.
Voila donc la raison de mon dessein, laquelle je vous prie de vouloir examiner, &
me rescrire, s'elle vous bonne semblera. Je suis maintenent a Paris & si tost que j'auray receu
response de vous, j'iray a Rouen et de la par la mer en Angleterre. Depeschez // donc si tost
que vous pourrez, & envoyez vos letters au mesme marchand, auquel vous envoyerez mes
lettres de change. Ce que faisant, vous m'obligerer beaucoup.
Au reste, si je puis vous rendre
quelque agreable service, je vous prie, de m'honnorer des vos commendements, pour m'en
pouvoir revanger de la courtoisie & affection, que vous me portez, et pour vous monstrer, que
je suis & seray a jamais
Monsieur
Vostre tres humble serviteur & cousin
Gisbert
d'Arensma
[P.S.:] Mon cousin & moy apres avoir offert nos humbles recommendations,
baisons les mains a touts nos amys. Adieu.
Mon cousin
Ayant acheve ces lettres on m'a
apporte une lettre de vous & de mon oncle, dans laquelle j'ay trouvè une lettre de change.
Tellement que je suis bien resyoui, & je vous rescriray a celles la septmeine, qui viendra, vous
remerciant grandement & priant de me vouloir tenir tousiours en vostre bonne
grace.
J'escriray aussi a mon oncle, & a ma soeur. Et je les eusse escrit, si le messager n'eust
trop hastè. Adieu. Faict a Paris le 28 du Sept. 1618.
Rescrivez moy, je vous prie, vostre advis
sur ma resolution, avec la primiere commodite. Je demeureray a Paris jusques a tant, que je vos
lettres aureay receu. Adieu encores, & envoyez les moy par mon marchand que j'ay a
Amsterdam.
[Adres:] A Monsr. Monsieur Jehan Sakama Conseillr. au grand Conseil de Frise,
a Levarden
Cito Cito
[Door Saeckma in oude stijl:] Recepta den 17d. Octobr.
>> begin
Daniël Heinsius, Leiden 21 april 1617, aan Johannes Saeckma, Leeuwarden - Originele brief in Provinciale Bibliotheek van Friesland te Leeuwarden, collectie Gabbema. * overzicht brieven Aernsma
Nobilissime vir,
Cum nuperrime ex literis quas mecum eruditus adolescens Gisbertus Arisma communicabat,
intelligerem quam praeter omne nostrum meritum prolixe de nobis sentires, quanquam non
sum adeo Suffenus ut in me quid tale agnoscam, tamen faciendum putavi, ut pro eximio amore
et iudicii benignitate gratias tibi agerem; simulque adolescentis diligentiam industriamque
commendarem, cuius luculenta apud nos quotidie in omni studiorum genere ac inprimis
eloquentia, cuius exercitio se totum dedit, exhibet specimina. Nuper quoque in actione
dramatum duorum, quae hic publice a generosis aliquot iuvenibus repraesentari videmus, talem
se praebuit, ut ingenii et eximiae [Grieks:] philokalías non vulgarem reportarit laudem.
Vale, nobilissime domine, et amare nos perge.
Lugd. Bat. MDCXVII, XXI Aprilis.
A.T. addictissimus
Daniel Heinsius.
[Adres:] Nobilissimo atque eximio viro IOHANNI SACAMA, senatori dignissimo.
Leovardiam.
>> begin