W. Eekhoff 1866: |
>> HOMEpage |
[blz. 1] De beroemde Fransche philosoof René Descartes of Renatus Cartesius, de schepper eener nieuwen wijsbegeerte, in 1596 te la Haye geboren, schijnt bij zijne diepzinnige studiën een man van een zonderlingen aard geweest te zijn en een zwervend leven geleid te hebben. Nadat hij eerst in Hollandsche en daarna in Beijersche krijgsdienst was geweest, waaruit hij in 1621 zijn ontslag nam, doorcruiste hij vele streken van Europa, kwam in het volgende jaar te Maastricht en, na eene zeer moeyelijke zeereis, in Friesland. In 1629 vinden wij hem te Amsterdam, van waar hij naar Franeker ging. In 1633 ontmoeten wij hem te Deventer en twee jaren later weder te Amsterdam, van waar hij naar Leeuwarden trok, waar hij ongeveer drie jaren vertoefde, dewijl hij op het einde van 1637 te Egmond op den hoef verkeerde. In 1638 was hij bij afwisseling te Harderwijk, vervolgens in een lusthuis bij Utrecht, alsmede te Leiden. Te Egmond was hij weder in 1641, en, na eenige reizen naar Frankrijk, vertoefde hij daar het langst, dewijl hij in 1649 van hier naar Zweden vertrok, waar hij in het volgende jaar aan het Hof van Koningin Christina overleed. (1) Verg. (Delprat) in de Navorscher, 1854, 137.
Welke de redenen waren, waarom hij zoo dikwijls van woonplaats veranderde, zal wel even moeijelijk zijn na te sporen, als waarom hij in 1622 Friesland bezocht, in 1629 een tijdlang te Franeker vertoefde en in 1635 en volgende jaren te Leeuwarden verbleef. Daar de [blz. 2] beide laatste plaatsen ons in 't bijzonder aangaan, en de Hoogleraar Millet te St. Quintin daaromtrent ophelderingen van de Gemeentebesturen van Leeuwarden en Franeker vroeg, zoo willen wij de opgespoorde bijzonderheden deswegens hier mededeelen, zooverre de ons bekende bronnen reiken.
Van zijn bezoek aan Friesland in 1622 is niets meer dan de vermelding bekend; doch vermoedelijk is het, dat hij toen zoowel als in 1629 zal vertoefd hebben te Franeker, welks beroemde Hoogeschool toen en later zoo vele vreemdelingen trok. Destijds droegen vooral de Hoogleeraren Adr. Metius en Mein. [Menelaus] Winsemius, Sixt. Amama en Henr. Rhala, Will. Amesius en Mein. Schotanus, Arn. Verhel en George Pasor veel tot haren roem bij. Niet alleen, dat Descartes den omgang van zulke geleerden zocht, maar hij liet zich ook in het Album inschrijven en wel in dezer voegen: 17 Apr. Renatus Descartes, Gallus, Philosophus. Bovendien schijnt hij ook in openbare lessen zijne denkbeelden medegedeeld te hebben. De Chalmot (Biogr. Woordenb. VI 186) zegt zelfs, dat hij te Franeker een aanvang maakte met zijne bovennatuurlijke bespiegelingen, en dat hij daar zijne verhandeling over de Luchtverschijnselen schreef.
Meer breedvoerig spreekt hierover de geleerde Delprat in zijn geschiedkundig overzigt van de Franeker Hoogeschool (in de Geschied. der Christ. kerk in Nederl. II 137), als hij zegt: "Het verblijf te Franeker was Descartes aangenaam behalve door het dagelijksch verkeer met den wiskundigen Adrianus Metius en andere bekwame mannen, ook door de gelegenheid hem aldaar, even als te Egmond geschonken, om de Roomsche misviering ongehinderd in een nabijgelegen slot te kunnen bijwonen. Uit zijne briefwisseling blijkt genoegzaam hoe gretig hij werd aangehoord en hoe gaarne mededeelde. Al mogen zijne wijsgeerige stellingen ook in Franeker geen onverdeelden bijval hebben ondervonden, de vorm, waarin hij die voordroeg, de waarheidszin dien men gedwongen was daarin te [blz. 3] eerbiedigen, wekten bij hoogleeraren en bij studenten belangstelling en lust tot onderzoek. Het wantrouwen op bloot traditioneele wijsheid nam toe, tot aanwinst voor het gezag van den Bijbel. Naarmate men zich in overeenstemming met de Cartesiaansche leerwijze meer onttrok aan het juk der schoolsche wijsbegeerte, was men te spoediger gereed om de uitspraken der openbaring als hoogeren toets van waarheid te eerbiedigen, en uitlegkundige studiën den aankomenden godgeleerde bij voorkeur aan te prijzen." In de later uitgegeven briefwisseling van Descartes (Epist. Amst. Elz. I, II 1668, III Blaeu 1682, 4o; in 1661 en 84 ook vertaald door J.H. Glazemaker uitgegeven) komt (II 374 en vert. 493) een ongedateerde brief voor aan den beroemden wiskundigen Mersenne, waarin hij, kort na zijne komst te Franeker, te kennen geeft, "dat hij daar eene woning gevonden had in een kasteel of kleine burgt, met eene gracht van de stad afgescheiden, waarin hij veilig de mis kon vieren, en dat hij voornemens was een deel van 't gebouw te huren en zich huisraad aan te schaffen, ja zelfs een bekwamen Franschen kok (!) in dienst te nemen, zoodra de vriend, dien hij verwachtte, zou aangekomen zijn; ten einde met dezen, afgezonderd van anderen hier een drietal jaren te blijven, en zijn vriend intuschen tijd te geven zijn plan met de glazen te volvoeren." Hieruit en uit eene andere plaats in den brief blijkt, dat zijn lust toen was gevallen op het slijpen van brillen en gezigtsglazen (perspicillorum constructione); eene liefhebberij, uitspanning, oefening of kostwinning, waarmede later zijn volgeling Baruch Spinoza zich te Amsterdam em elders insgelijks bezig hield.
Nadat Baco, Maurolicus, Porta en Keppler de wiskundige grondslagen gelegd hadden van het
slijpen van glazen tot wapening van het gezigt, waren in de 16e eeuw de [blz. 4] brillen in België in
gebruik gekomen(2), en schijnen Jan Lippersheim en Zacharias Jansen beide te Middelburg in
ons land omstreeks het jaar 1600 het eerst brillen en verrekijkers vervaardigd te hebben. Deze
waren echter zeer gebrekkig. Volgens het verhaal van den Hoogleeraar Adrianus Metius werd
eene betere wijze van glas slijpen uitgevonden door zijnen broeder Jacobus Metius, aan wien
hij zelfs de eer der uitvinding van de toenmalige brillen, verrekijkers en telescopen toeschrijft
(3). Descartes bevestigt dit in het begin van zijne Vergezichtskunde, bl. 55, waar hij zegt, "dat voor
ongeveer dertig jaren Jacobus Metius van Alkmaar, een man onbedreven in de wetenschappen,
schoon zijn vader en broeder beoefenaren der Wiskunde waren, vermaak vond in het
vervaardigen van brillen en brandglazen. Bij toeval hield hij voor zijn oog twee door hem
geslepen glazen, waarvan een in het midden dikker en het ander dunner was dan aan de randen.
Deze voegde hij zoo gelukkig aan de twee uiteinden van eene buis, dat daardoor de eerste
verrekijker ontstond. Naar het voorbeeld van dezen zijn vervolgens alle kijkers, die wij hebben,
vervaardigd, doch niemand heeft tot nog toe voldoende aangetoond, welken vorm de glazen
moeten hebben." Dit nu was een voorwerp van onderzoek van Descartes, die daarover eene
verhandeling wilde schrijven, welke hij ook acht jaren later uitgaf. (4) Welligt bevond deze
Jacobus Metius zich bij zijn broeder Adrianus [blz. 5] te
Franeker, dewijl ook deze in dit onderwerp zoo groot belang stelde, dat zijn levensbeschrijver
zegt, "dat Prof. Adr. Metius de groote eer toekomt van de eerste geweest te zijn, die het
denkbeeld had om de kijkers op meetwerktuigen toe te passen, waardoor in verband met de
uitvinding van den slinger, de nieuwere sterrekunde eene hoogere voortreffelijkheid bereikte,
waartoe dus Metius bijgedragen heeft. (5) De zamenwerkende krachten en inzigten van deze
drie voortreffelijke mannen hebben welligt te Franeker aan de zamenstelling en toepassing van
de optische werktuigen eene belangrijke verbetering toegebragt, welke door de uitvoerige
beschrijving en afbeeldingen, welke Descartes daarvan in 't licht gaf, meer wereldkundig zijn
gemaakt en die destijds voor onze groote zeevaart van zeer veel belang waren.
(2) In het zeldzame werk van den
Leeuwarder wiskundige en schilder Jan Vredeman de Vries, Theatrum vitae humanae, in 1577
te Antwerpen uitgegeven, zijn op drie der prachtige platen brillen en wel zoogenaamde
knijpbrillen afgebeeld. (Dit werk is onlangs te Brussel voor de sted. Bibliotheek van
Leeuwarden aangekocht.) Erasmus kende echter de brillen al. (3) Zie over dezen Vriemoet,
Ath. Fris. 99 en Geschiedk. overzigt der vorderingen van den menschelijken geest in de
wetenschappen, 305. (4) De titel van dit werk was Discours de la methode pour bien conduire
sa raison en chercher la verite dans les sciences, plus la Dioptrique, les Meteores et la
Geometrie, in 1637 door hem te Leiden uitgegeven en in 1659 door Glazemaker vertaald. Het
10e Hoofdstuk handelt over de wijze van glazen te slijpen. Brieven II 400. (5) Aanhangsel op
Nieuwenhuys' Woordenboek, IV 364.
Ook omtrent het kasteel, waarvan Descartes als zijne woning melding maakt, verkeeren wij
niet in het onzekere. Het was het beroemde slot van het adellijk geslacht Sjaerdema, dat in
1449 ter westzijde der stad "met sijne torens binnen sijne grachten met vele const en costen
(zoo als Schotanus zegt) was opgewracht" door Douwe Aylva, die den naam zijner vrouw
aannam en Edwert Sjaerdema, die het, in 1481 weduwe geworden, tot aan 1510 bewoonde.
Intusschen was zij gedwongen geworden, het in 1498 af te staan en aan den Hertog van
Saksen, die hier zijn hof en zetel vestigde, waarom hare erven nog in 1531 hiervoor en voor
het gebruik van hare " artillerye, munitie ende meubelen", 13.000 ponden schadevergoeding
van Keizer Karel eischten. Bij haar testament had zij het huis vermaakt aan de dochter van haar
overleden zoon Tjaard, Luts Sjaerdema, gehuwd aan Gerrolt van Herema, van Tjum, die het
tot 1536 bewoonde, toen hunne dochter Edwert het betrok. Deze was gehuwd aan Aesge van
Hoxwier, grietman van Franekeradeel, en in 1546 door [blz. 6] Keizer Karel benoemd tot Ridder van het
gulden vlies. Zij vermaakte het aan de twee kinderen van hare zuster Luts, getrouwd met
Minne van Camminga, waarvan eene dochter Luts het bewoonde met haren echtgenoot Carel
van Sternzee, na wiens overlijden in 1615 hun aangenomen zoon Bocke van Humalda,
genaamd Sternzee, het een tijdlang betrok. De eigendom was echter overgegaan op de dochter
van haren broeder Gerrolt, Edwert van Camminga, gehuwd aan Ruurd van Juckema, die het
huis tijdens Winsemius, in 1622, bezat. Daar deze nu, even als zijn zoon en opvolger Gerrolt
van Juckema (1635), ook eigenaar was van het slot Cammingaburgt bij Leeuwarden, hetwelk
beide bewoonden (6), zoo zal Sjaerdemaslot tot Franeker in 1629 ledig gestaan en Descartes
gelegenheid tot bewoning gegeven hebben. Tevens zal hij hierin nog een kapel gevonden
hebben om daarin zijne godsdienst te verrigten, dewijl Gerrolt van Juckema met zijne familie
Catholyk was gebleven (7).
(6) Zie mijne
Geschiedk. Beschrijv. van Leeuwarden, II 400, Schotanus in Blaeu, Stedeboek, op Franeker,
en het Stamboek op verschillende plaatsen. De volgende bewoners van Sjaerdema-slot bleken
mij uit het Huis-Archief van Epema-state te IJsbrechtum, in 1838 door mij geordend. (7)
Behalve uit zijn testament van 1651 blijkt dit uit het stemkohier van 1640, bl. 194, 287, 291.
De vriend, dien Descartes uit Parijs bij zich verwachtte, kwam echter niet opdagen. Na lang wachten berigtte hij aan Mersenne, dat hij zich nu gereed maakte Franeker te verlaten om over vijf of zes weken naar Engeland te trekken (110e Brief). Volgens zijne levensbeschrijvers kwam hij den volgenden winter opnieuw te Amsterdam, waar hij zich [blz. 7] nu met ijver op de genees-, ontleed- en scheikunde toelegde, en vertrok in het voorjaar van 1633 naar Deventer, waar een zijner eerste en meest beminde leerlingen Hendrik Regneri tot Hoogleeraar in de wijsbegeerte was aangesteld. In het volgende jaar kwam hij te Amsterdam terug en deed toen met zijn vriend Ville-Brissieux [Bressieux] eene reis naar Denemarken en Duitschland, waarna hij zijne natuurkundige waarnemingen voortzette. Verder wordt uitdrukkelijk vermeld: "Op het laatst van den herfst des jaars 1635 trok hij naar Leeuwarden, alwaar hij tot in het jaar 1637 verbleef; en het was hier, dat hij zijne Verhandeling van de Werktuigkunde schreef, tot gebruik van zijnen vriend Const. (Christiaan) Huygens, Heer van Zuylichem." (8) Dit meldt de Chalmot, Biogr. Woordenb. VI 191, denkelijk volgens Niceron, Memoires des Hommes illustr. XXXI 301. Volgens Descartes ongedateerde brieven II 245 had hij van den Heer van Zuylichem vier verhandelingen ontvangen over natuurkundige onderwerpen.
Met regt mogen wij vragen: wat kan zulk een onderzoekenden geest
herwaarts hebben gedreven, en welke mannen, die zich door geleerdheid, philosphischen zin of
kunstbeoefening onderscheidden, bevatte de Hoofdstad van Friesland destijds. Onder de
toenmalige orthodoxe Hervormde predikanten, als Rippertus Sixti, Tobias Tegneus, Bernardus
Fullenius en Meinardus Schotanus (vroeger Hoogleraar te Franeker), hoe geleerd ook blijkens
hunne uitgegevene geschriften, zullen wij zijne vrienden niet behoeven te zoeken, en evenmin
onder de literatoren als den hoogbejaarden Rector Edo Neuhusius, Franciscus Heerman, door
zijne, dertigmalen herdrukte, Gulden Annotatiën uit de Ouden bekend, of den mysticus Dirk
Gerrits, van Enkhuizen, die zich hier toen in de godgeleerdheid oefende, zoodat hij, als
[blz. 8] ongestudeerde, in 1638 zijn examen kon doen en, beroepen tot predikant te Beers en
Makkum, later als Theodorus à Brakel grooten roem verwierf. Aan de geleerde Juristen, die
hier destijds waren als Joh. en Theodorus Saeckma, Hector en Joh. Bouricius, Joh. de Veno,
Joh. van den Sande of Hero à Schingen, allen door hunne werken bekend, zal hij zich zeker
ook niet hebben aangesloten. Waarschijnlijker is dat ten aanzien der Medici, waaronder hier
toen waren: Dr. Anchises ab Andla, die medicus van het Hof des stadhouders en van het
Landschap genoemd wordt en in 1639 ook eerste Heer en gecommitteerde ter generaliteits
rekenkamer was (Stamboek, II 166), of den bejaarden Dr. Isbrand Hieronymus Frank, Dr.
Johannes Swilda Flietius, H. Rassius, Dr. Henricus à Bra of Dr. Theodorus Brunsvelt, en den
Chirurgijn Mr. Frans Friese, die in de Burgerboeken van die dagen voorkomen. Doch meer
waarschijnlijk is het, dat hij de Mathematici zal hebben opgezocht. En van dezen kennen wij uit
dat tijdvak: Dr. Petrus Baardt, die zich "Medicus en Astronomus" noemde en ook door zijn
Ledenstemminge en dichtwerken bekend is; Gijsbert van Voort, die in dit jaar 1636 door
Gedeputeerden benoemd werd tot Ingenieur, en opgevolgd werd door zijn zoon Frederik van
Voort, die in 1649 Stoïsche Leeringen, uit Seneca vertaald, uitgaf, waarin hij zegt (bl. 210):
"De Philosophye formeert en verciert de ziele, sij ordonneert het Leven, sij regeert onse
wercken, sij sit aen het Roer, en richt haer cours door de Sorgelijcke Baren: sonder haer leeft
niemand veylich." (9) Verder Theodorus Hoen, die als "Landmeeter, Ingenieur en
Astronomus" in 1659 hier eene Natuurlijcke Astrology uitgaf met Geometrische questien,
waarin hij oplossingen mededeelde van "een Edelman, [blz. 9] in Arithmetica en Geometrica redelick
ervaren" en van den Konstrijcken Mathematicus Pibo Gualtheri, in 1631 Landtmeeter binnen
Leeuwarden, van wien wij eene schriftelijke "positie" van 1632 in het Natuurkundig
Genootschap alhier een in koper gegraveerd Sterrekundig werktuig bezitten. (10) Bovendien
kennen wij Lambert Laurens hier als uurwerkmaker en Claude Fonteijne als boekdrukker, als
dichter en vriend van Gysbert Jacobs, die hier in 1628 uit Parijs kwam en reeds dadelijk
benoemd werd tot Landschaps drukker. Zou hij dezen landsman, ook als geletterd persoon,
vroeger hebben leeren kennen en door hem herwaarts getrokken zijn? Hiervoor bestaat eenige
grond in den IIIen brief van Descartes aan Mersenne, waarin hij dezen kennis geeft van zijn
voornemen om zijne vier verhandelingen (over het ontwerp van eene algemeene wetenschap of
Redebeleid, Vergezichtkunde, Verhevelingen en Meetkunst) te doen drukken, "want, zegt hij,
met dat plan was ik in deze stad gekomen. Maar N.N. die vroeger betuigden, dat zij gaarne
mijne werken wilden drukken, hebben zich, nu zij mij hier zagen, laten bidden, denkende, naar
ik meen, dat ik hunne handen nu niet konde ontkomen. Daarom heb ik besloten mij van hun
werk niet te bedienen. En ofschoon ik hier drukkers genoeg vinden kan, wil ik met geen van
hen eene overeenkomst sluiten, voor gij mij antwoordt, of mijne geschriften ook beter te Parijs
gedrukt kunnen worden. Er komt echter een bezwaar bij, dat mijne kopij niet best is
geschreven, en dat de figuren zeer slecht geteekend zijn, zoodat, indien gij de beteekenis er van
niet uit den tekst opmaakt om zo den graveur te verduidelijken, hij er onmogelijk iets van
begrijpen kan. Daarbij zou ik wenschen, het werk met een fraaije letter op best papier gedrukt
te zien, en dat [blz. 10] de boekdrukker mij tenminste twee
honderd exx. toekende om ze wijd en zijd uit te deelen." Deze bezwarende voorwaarden en de
moeite om die figuren hier of elders in het hout te doen graveren, kunnen Claude Fonteyne
even als Mersenne afgeschrikt hebben om tot de uitgave te besluiten. Om die reden wendde
Descartes zich nu tot de bekwame Leidsche boekdrukker en landsman Jan Maire, die in 1626
met het drukken aanving en in 't volgende jaar, zonder naam des schrijvers uitgaf.
(9) Hoewel hij dit schreef in
1649, kan Descartes zulk een geestverwant gekend hebben, daar hij hier in 1637 huwde, toen
hij eerst klerk der Staten van Friesland was. (10) Geen der opgenoemde Mathematici komen voor in de Oratie van
prof. C[ornelis] Ekama, die zeer onvolledig is.
Maar aan die komst te Leeuwarden was eene voorwaarde verbonden: de zekerheid, namelijk, dat hij de viering van de mis hier in veiligheid kon bijwonen: want in het derde hoofdstuk van het boek, dat hij hier ter perse legde, verklaart hij, dat zijn "eerste grondregel was, de wetten en gewoonten van zijn land te gehoorzamen, en standvastelijk die godsdienst te bewaren, in dewelke God mij de genade bewees van sedert mijne kindsheid daarin onderwezen te zijn". En inderdaad, tijdens zijn vroeger verblijf te Franeker had hij zeker vernomen, dat hij daarop hier kon rekenen. Immers uit de Conscriptio exulum, of lijst der katholyke ballingen van 1580, en de stemkohieren van 1640 blijkt duidelijk, dat het getal aanzienlijke personen en burgers, die aan de oude kerkleer getrouw bleven of daartoe terugkeerden, grooter was dan wij ons gewoonlijk voorstellen. Van der Heyden's Verhaal van de verrigtingen der Jezuiten in Friesland overtuigt ons bovendien hoeveel ijver de priesters dezer orde sedert 1593 aanwendden om velen in het oude geloof te bevestigen en anderen voor hunne zaak te winnen. Reeds in 1606 vestigde een wereldlijk priester, Lambringa, zich te Leeuwarden; zijn opvolger, Carbonelli, verwierf den lof wel 600 zielen te hebben gewonnen, en van dit jaar 1636 getuigt van der Heyden, dat hij in dit gewest acht priesters tot medehelpers had; terwijl hij alleen 523 kinderen gedoopt en 600 personen in den echt verbonden had, waarna 480 personen alhier van hem absolutie ontvingen. In de eerste jaren na de hervorming waren er scherpe plakkaten tegen hen uitgevaardigd, maar sedert 1622 waren deze toen niet vernieuwd. Toen zij daardoor al te stout werden en hunne ceremonien bij [blz. 11] het begraven al te openbaar vertoonden, oordeelde de Magistraat in 1630 "de superstitie der papisten bij d'begraeffenissen der doden" bij plakkaat te moeten verbieden. De "alliantie ofte nader verbondt met den Koninck van Frankrijk", in Maart 1635 gepubliceerd, gaf ook eenige meerdere veiligheid aan Descartes en zijne geloofsgenooten.
En onder deze bevonden zich een aantal aanzienlijke en adellijke personen. Met verwondering toch zagen wij in de genoemde kohieren van 1640, dat leden der geslachten Juckema, Burmania, Eminga, Camminga, Aebinga, Camstra, Liauckama, Unia, Wytsma, Roorda, Aggema, Donia, Aylva, Douma, Rinia, Sytsma, Beyma enz. als "Papist of Catolycq" vermeld staan en nog de oude kerkleer beleden. Te Leeuwarden was de voornaamste van hen Gerrolt van Juckema, bewoner van het aloude Cammingaburg, waarbij hij, even als vele andere edelen op hunne stinzen en staten, eene kapel onderhield, en tevens bezitter van Sjaerdemahuis te Franeker, dat Descartes van hem gehuurd zal hebben en waardoor hij met dezen bekend geraakt zal zijn. Zeker zal die kennismaking hier voortgezet zijn en was de bescherming van zulk een aanzienlijk persoon voor den eenzaam wonenden geleerde uit den vreemde van veel belang. Want welk een steunpilaar Jr. van Juckema voor de jeugdige gemeente was, bleek ook uit zijn testament van 1651, dat wij bezitten, dewijl hij daarin f. 350 besprak aan de "Catholyque Roomse Armen binnen Leeuwarden", terwijl hij 14 pondematen lands aan de Potmarge legateerde aan den Advokaat Dr. Arnoldus van Bolten, om daarvan jaarlijks 42 GGld. uit te keeren aan hem "bekende aelmoesen".
Maar er was nog eene reden waarom Descartes Leeuwarden ter woonplaats koos tot het afwerken en ter perse brengen van zijne vier verhandelingen. Terwijl de dertigjarige oorlog in Duitschland woedde, Frankrijk met Spanje oorloogde, en geduchte legers in het zuidelijk deel van Nederland elkander het bezit van België en de grensvestingen betwistten, had hij behoefte aan [blz. 12] rust. "Ik", zegt hij in een zijner brieven (II 172), "die de rust zoo vuriglijk bemin, dat ik zelfs de schaduw van hetgeen mij ontrusten kan wil schuwen; ik begeer den roem niet, maar haat haar zelfs voor zoo veel zij strijdt tegen de rust, welke boven alle dingen bij mij in waarde is." Maar vooral merkwaardig is te dezen aanzien de volgende betuiging aan het slot van het 3e Hoofddeel van zijn Redebeleid, dat te Leeuwarden is geschreven en bepaaldelijk op déze stad moet zien, als hij zegt: "Doch, daar ik voor niets anders wil gehouden worden dan ik ben, heb ik gemeend, alle krachten te moeten inspannen om den lof waardig te worden, mij reeds door velen toegezwaaid. Daardoor aangespoord ben ik vóór acht jaren (dus in 1629) begonnen, om mij van alle belemmeringen te bevrijden, die men te midden van vrienden en bekenden ontmoet, en naar deze streken geweken, waar de dwang van den langdurigen oorlog zulk eene goede krijgstucht heeft ingevoerd, dat men er groote legers om geene andere reden schijnt te onderhouden dan om de inwoners alle voordeelen des vredes te geruster te laten genieten. En terwijl ik in het groot gedrang van bezige menschen, die meer op hunnne eigene zaken letten, dan zich met die van anderen te bemoeyen, niets van dat alles ontbeer, wat bloeyende en volkrijke steden alleen opleveren, leef ik intusschen niet minder eenzaam en rustig dan of ik mij in onbewoonde of onbebouwde streken bevond."
Zie daar wat ik uit historische narigten en omstandigheden en allermeest uit de brieven en geschriften van Descartes zelven heb kunnen nasporen ten aanzien van zijn verblijf te Franeker en te Leeuwarden. Of hij die rust hier vond in 1635, toen hier hevige twisten tusschen de staatsleden heerschten, - hij zal zich daaraan weinig bekommerd hebben. Zelfs de pest, die hier in het volgende jaar heerschte, verstoorde hem niet. Eerst nadat zijne vier verhandelingen reeds een jaar op de pers geweest waren, en hij slechts eens in de week iets naar Leiden [blz. 13] kon zenden, kon hij daarin aanleiding vinden om derwaarts te gaan en Leeuwarden te verlaten, waar hij "op de vrije verkeering en vriendschap van eenige geestelijken het meest prijs stelde". (Brieven, II 172). De rust, welke hij hier in eenzaamheid genoot en waardoor hij welligt onopgemerkt onder onze toenmalige stadgenoten leefde, heeft hij echter besteed aan de volmaking van de wetenschappen, aan de verheldering van ons denkvermogen en aan de uitbreiding onzer kennis van het Hoogste Wezen en van de menschelijke rede, waardoor hij de hervormer der wetenschappen en de verlichter des menschdoms is geworden, waaarvoor wij en alle volgende geslachten hem, den eenvoudigen en bescheidenen geleerde, steeds dankbaar zullen zijn. Met belangstelling mogen wij ons toch verheugen, dat eenige stralen van de zon der wijsheid, welke hij over de menschheid uit schoot, ook van hier zijn uitgegaan.
22 Maart 1866
W. Eekhoff
Prof. Millet vertaald toegezonden den 24 Mei 1866.
Tresoar/Provinciale Bibliotheek van Friesland: Adriaan Adriaansz Metius (1571-1635), Primvm mobile astronomicè, sciographicè, geometricè et hydrographicè : nova methodo explicatum ... : opus absolutum, IV tomis distinctum. Amstelodami: apud Ioannem Ianssonium; Franekerae: excudebat Vldericus Balck, 1631
Dankzij de bemiddeling van Arjen J. van der Sluis en Guido Stockmann van 'Puentes Culturales' van Mexico stad schonk José-Luis Franco Carrasco in de zomer van 1995 zijn exemplaar aan de Provinciale Bibliotheek van Friesland, de erfgenaam van de Franeker academiebibliotheek: men zou nu kunnen spreken van een Metius uit Mexico. De schenker is op 22 november 1995 op 78-jarige leeftijd overleden. Een indicatie van de grootte van diens bibliotheek geeft de potloodaantekening op de binnenkant van het voorplat: 4150 - JLFC.
Jelle Reiners' beroep was glazenier, meestal aangeduid als glazenmaker; het viel onder het St. Lucasgilde van de schilders. Ook de benamingen glasbakker, glasschilder, glastekenaar en glasschrijver komen voor. Eekhoff en anderen waren er niet zeker van of de maker van gebrandschilderde ramen, glazenier Jelle Reiners de tekenaar van de genoemde begrafenisstoet was. Dat nu wordt bevestigd door de hieronder weergegeven archivalia; de vondst uit het pleidooiboek heb ik te danken aan oud-archiefmedewerker Wim Dolk.
In 1628 heeft Jelle Reiners het burgerrecht van Leeuwarden verworven. Dat was vereist om lid van een gilde in de Friese hoofdstad te kunnen worden en zelfstandig een beroep te kunnen uitoefenen. Chr. Kramm citeert Houbraken: Jelle Reiniers was een konstig glasschilder ... te Sneek is heden (1718) noch een konstig geschilderd glas te zien, door het timmermansgilde aan de [Martini]kerk geschonken, waarin verbeeldt staat De Vlugt van Jozef (hun patroon) met Maria naar Egypten ... wort geoordeelt ... Gouda te overtreffen.
Ook op een portret van de rond 1600 geboren Schotse dichter George (de) Lauder staat "I. Reyniers fecit" en "I. Hermanni sculpsit"; met een epigram van diens landsman John Leech (Joannes Leochaeus), schoolmeester en dichter.

In het Fries Museum worden zes vensters bewaard met in een ovaal een "juffer" die het familiewapen Eysinga, Heerma, Feytsma, Heringa/Osinga, Mockema/Douma en nogmaals Heerma vasthoudt. Alle dateren van 1630; één van de teksten luidt: wijllen Iuffrouw Siouck van Heeringa zijn eerste wijf, wijllen Iuffrouw Rintien van Osinga zijn anderde wijf 1630. Een standaard tekening van een adellijke dame werd blijkbaar vaker gebruikt. De eerste echtgenote van Ulbe Douwes van Aylva (overl. 1617, 66 jaar oud) was Siouck Hobbesdr. van Heeringa, die overleed in 1589; zijn tweede vrouw, Rintien van Osinga stierf in 1605 op 26-jarige leeftijd. De glazen stammen uit een huis op de Waeze; vgl. Catalogus Museum Friesch Genootschap 1881, nr. 327-332. Als iemand een nieuw huis bouwde, dan schonken de vrienden de ramen. De stijl van de tekening van de dame en de datering passen in het oeuvre van Jelle Reiners.
Volgens de betalingsordonnanties van Gedeputeerde Staten heeft Jelle Reiners glazen voor de kerken van Herbaijum, Huins en Wyns gemaakt; per glas kreeg hij 30 gulden resp. 25 pond; vgl. Tresoar 5-2669, resp. 70, 71: 24 februari 1625, 7 juli 1630, 24 mei 1634; zie ook nadere toegang 5.12. In 1625 was "Jelle Reinersz." nog "Mr. glasmaker binnen Harlingen"; drie jaar later is hij naar Leeuwarden verhuisd. Geen van de glazen is bij mijn weten bewaard gebleven. Zsuzsanna van Ruyven-Zeman te Maastricht werkt aan een Engelstalig boek over glasschilderkunst in Nederland: Sytse ten Hoeve levert daarvoor gegevens van Friesland aan.

Uit de door W. Dolk verzamelde copieën van archivalia volgen hier nog drie stukken. Het eerste werpt licht op de nalatenschap van Abraham van den Rade; het tweede verhaalt van een niet geleverd glas vanwege het overlijden van Jelle Reiners; betrokken is in beide gevallen (1637) Claude Fonteyne, als stiefvader van Abrahams kinderen resp. als voogd van het weeskind van Jelle Reiners.
In het derde geval (1648) gaat het om Fonteyne zelf, d.w.z. om de gevel van zijn huis aan de Grote Kerkstraat. De onlangs opnieuw, in geschilderde vorm aangebrachte tekst van de gevelsteen die zijn pand sierde - Die door bedrogh sijn naesten schent, Die woord en waarheit bits ontkent, En met sijn tong het hert beliegt, Zijn ziel, maer Godt hij niet bedriegt -, liet Sybille van Griethuysen in haar gedichtenbundel "Hemelsche troost-borne" van 1651 (blz. 436) voorafgaan door: Een Gheest, in onsen Tijdt, en laet niet sonder Reden, Tot ijder Wandelaer, die d'Aerde Aerdts betreden, Aldus sijn Roomsch Ghebouw, ten wonder op-ghericht, Begroeten Bloedt en Gheest, met dit volmaeckt Ghedicht. Op blz. 182 van "Eekhoff en zijn werk" (Leeuwarden 1980) werd betwijfeld of met het Rooms (= Romeins) gebouw Fonteyne's huis bedoeld kon zijn. Dat dit wel degelijk het geval was, blijkt nu uit het derde stuk.
Volgens 207r van het Groot Consentboek 1647 hebben Claude Fonteyne en zijn vrouw op 30 januari van dat jaar het belendende pand ten Oosten van hun woning gekocht van de erven Broersma. Verfraaiïng van de gevel vond in het volgende jaar plaats; van beide gevels om een eenheid aan de straatzijde te scheppen? Het betreft de huidige huisnummers 23 en 25, het derde en vierde pand vanaf de Doelestraat. In de achtertuin, aan de gracht - praktisch voor aanvoer van materiaal en verspreiding van drukwerk per schip - stond de drukkerij. De bovengenoemde gevelsteentekst is op nr. 25 aangebracht. Nummer 27 (nu met huisnummer 29) was het huis van Vomelius; "seeckere schone ende nieuwe huysinge, kuecken, plaets ende bleeckvelt", volgens Groot Consent 1646 (115r) in de Grote Kerkstraat "recht tegensover de Bollemansstraet"; in 1661 verkocht de weduwe Vomelius, Adriaentie Rommerts, de woning (Gr. Cons. 175v). Literatuur: R. Visscher, Iets over eenige huizen in de Groote Kerkstraat te Leeuwarden. In: De Vrije Fries XXXII (1934), 57-74.
[1]
Twee woorden behoeven enige toelichting: ter slete betekent ter verkoop uit de hand; vertynge (of: vertiïnge) staat voor het afstand doen. Uit de ondertekening van dit stuk blijkt o.a. de leeftijd van Claude Fonteyne (1597-1654).
[2]
[3]
>> begin
Wat ging er aan de uitspraak van het gerecht vooraf? In de Magistraatsresolutiën (M5, 91) wordt op 2 juni melding gemaakt van "de sake van Joannes Womelius ende Claude Fonteine"; er is echter geen aantekening van een extra vergadering. - Mededeling van W. Dolk. Laatstgenoemde attendeerde ook op het volgende in HCL pleidooiboek h 13.
[74 recto]
Extraordinaris den XIen July 1648
Claude Fonteyne ordinaris Landtschaps drucker Impt.
contra
Dn. Joannes Vomelius praedicant binnen deser stede reqrde
roll.
D'reqrnt ende Impt. overleggende requeste, sampt attestatie daerinne verhaelt, contendeert deur de redenen ende middelen vandien, sampt verclaringe ende praesentatie cir[c]a finem requesti gedaen ten eynde d'reqrde sal werden gecondemneert, ten minsten bij provisie, ende onder vorige praesentatie te gehengen ende gedogen, dat d'reqrnt sijn gebou, in voegen aengelecht, op- ende voltrecke, ende in sulx doende te gedogen, dat d'capitelen, architraven ende listen soo van de onderste als bovenste colomnen ten oosten voor aen des rqrnts huisinge, voorbij des reqrdes voor- ofte zuydergevel, nae proportie vant werck, comen te schieten; ende sijn oppositie daertegenst gedaen ende noch te doen, cost- ende scadeloos aff te doen, ende d'reqrnt te boeten alle scaden ende interessen, die hij door weygeringe van sulx ende stilstant vant werck als andersints heeft gehadt ende geleden noch thebben ende lijden. Cum expensis.
Implorato off. jud.
A. Siccama
7.11.
1648
Dient den 11 July 1648 ende leggende de stucken in desen geroert op de exhibeerde stucken.
Extraheert uyt het Recesboeck der stadt Leeuwarden
Claude Fonteyne accut. Johannes Vomelius predecant binnen deser stede de cont. om te antwoorden volgens sGerechts appointemente op de eisch staende op de cladde met No. 2o sijnde daertoe per Dirck ad dom. gecit. op negen uiren d'clock tien geslagen. Actum den 13en July 1648.
Claude Fonteyn accut. Dn. Johannes Vomelius de cont. ter causa uts. per Dirck in personam gecit. op een uir d'clock twe geslagen. Actum den 13en July 1648.
[74 verso]
Antwoordende onder dienstighe rechts presentatien ende protestatien, dat de twede accusatie hierom onder de eysch staende is gedaen ende gevallen op een ende deselve dach als d'eerste acte, twelck strijdet tegens rechte ende stijle van procederen, ende vervolgens is deselve twede acte van accusatie ipso jure nul, daermede comende ten principale wort express. ontkent t'onwaer aengeven ten requeste van de Reqrnt verhaelt, ende besonder dat hij de Reqrnt soude hebben geconsenteert om sijn capitelen, architraven en lijsten voorbij des Reqrdes gevel te mogen laten schieten. Concluderende contendeert mitsdien de Reqrde uyt tgene rede gesecht nae geaddeert ende uyt tgene de heren ex officio gelieven sal te suppleren, ten eynde de Reqrnt sijn versoeck sal werden ontsecht ende de Reqrde bij ordine geabsolveert. Cum expensis.
Implorato Jud. Off.
T. Ipkema
Replicando verblieft ende voecht d'reqrnt vorige request ende daerbij overgelechte attestaties verhael, sampt sijn eysch daerop neffens de provisie genomen, voor eerst, dat de doleancien, op de becomene accusatien (door dien t'antwoort wort angenomen) irrelevant is, sijnde des gedhes vordere antwoorts verhael, bestaende in een temeraire, ende met des reqrnts vorige overgelechte attestatie stridige ontkenninge, alhier neffens de versochte provisie, onder vorige verclaringe ende praesentatie ten requeste gedaen, tot geenen anderen eynde voortgebracht, als omme de saecke te dilayeren ende in factis te brengen, ende daerdoor den reqrnt noch langer in sijn gebou, tot irreparabile scade, te verachteren, omme welcke d'reqrde aff te snijden, versoeckt d'reqrnt, dat het E. Gerechte gelieve ex officio (op maniere als veel in dusdanige provisien ac quasi summarissimis judiciis gedaen wort) de getuigen ten attestatie benoemt, op deselve te edigen, ende nae sulx geschiet, daerop neffens de versochte provisie, onvercort partijen wedersijts hun recht ten principa
le, onder de verclaringe ende praesentatie ten requeste gedaen, desisoir te verlenigen. Te meerder daer de reqrnt noch boven vorige gedane verclaringe ende praesentatie, in cas van des reqrdes triumpheringe ten principale niet alleen de uyt ofte voorbij des reqrdes gevel stekende listen ende architraven ofte capitelen, weder aff te breken, maer oock in vs. cas alle interest, anders daerdoor ofte bij geleden scaden, te boeten, waermede dan d'reqrnt des saecks gelegentheit ende noodtwendige voltreckinge des gebous het E. Gerechte in bedencken gevende, persisteert dan hiermede voor replicq ende concludeert.
A. Siccama
7.13.1648
Dient den 14en July 1648
[75 recto]
Implicerende verblijft de reqrde bij sijn gedane ontkenninghe, adderende tot versterckinghe vandien ende tot refutatie van des reqrnts replicq, dat op de attestatie int minste tot des reqrdes nadeel can werden gelet, aengesien de personen deselve gepasseert hebbende des Reqrnts eygen werkbasen sijn die nae rechte niet admitteert werden voor den reqrnt getuigenisse te geven; daerbij noch comt dat deselve personen des reqrdes formele partien, sijn insonderheyt Eilert Dirx, gelijck t'sijner tijdt sal werden geprobeert, als hebbende hij Eilert den reqrnt gedient in verscheydene dingen, directel. strijdende tegens het gemaeckte contract tusschen partien opgericht ende bij hem Eilert selffs als getuyghe mede bevesticht gelijck hij hem oock expresse int bouwen van de gevel heeft vergrepen tegens de royinghe van de heren politie waerover hij van de heren magistraet in sekere amende gedoemt sijnde, naderhants met hevige redenen en dreygende woordem tegens d'reqrde in sijn absentie is uytgevaren, gelijck hij mede al voort passeren van de attestatie gedaen hadde. Bovendien is de overgelechte attestatie geen geloof meriterende, doordien de reqrnt door verscheydene personen versoeck aen de reqrde heeft gedaen om te consenteren t'gene waertoe hij hier contendeert, ende in de overgelechte attestatie geseyt werde, hoewel met onwaerheyt dat de reqrde gecontenteert soude hebben, alles lange naedat hij voorgeeft consent gehadt te hebben. Wat aengaet het vordere impertinente verhael, als dat de reqrde den reqrnt soude soecken op te holden ende te trayneren, wert ontkent, maer gebruyckt sodanige defensien als hem nae rechte georloft sijn. Ende dat de reqrnt versoeckt sijn getuyghen bij provisie verhoort te hebben, ende daerop recht gedaen te hebben, strijdet niet allene tegens beschreven rechte, maer selffs tegens stijle van procederen, want indien sulx soude mogen geschien, soude iemant in possessie van een ander sijn recht bij provisie werden gestelt, ende daernae soude gedisputeert werden off t'selve wel off qualick was, quod nihil absurdius, derhalven de nulle praesentatien waerop sodanig versoeck gefundeert is expresse refuserende daermede, affslaende ende ontkennende wes schadiges ende proffijt daeraen accepterende, de reqrde persisteert voor duplicq ende concludeert van gelijcken.
T. Ipkema
[in de marge:] T'Gerechte wijst het playdoy in factis binnen acht dagen peremptoir, ordonnerende partijen binnen scht dagen daerna het playdoy in staet van visie te brengen. Actum praesentibus partibus, den 19en Julii 1648, ante merid.
[78 recto]
Dns. Joannes Vomelius dienaer des Goddelijcken woorts binnen Leuwarden Reqrnt
contra
Claude Fonteyne Ordinaris Drucker deser Landschappe Reqrde
roll.
Notandum: De Reqrnt versoeckt dat desen bij de samptlijcke heren pensionarien mach werden affgedaen.
Extraordinarie den 2en Augusti 1648 voor den E. Gerechte der stede Leuwarden
De reqrnt secht cortel. waer te sijn, dat partien voor dese gerechte in proces staen, waerinne soverre geprocedeert is, dat partien wedersijds productie van getuighen gedaen hebbende, den reqrde onder andere als getuighe heeft geproduceert enen Heyn Cornelis timmerman, dewelcke geciteert ende beneffens partien voor de praesiderende borgemr. Sybe Sybes ende d'secretaris Gabbema gecompareert sijnde, geweygert heeft den eed in forma off ooc
k conform s'landts ordonnantie te praesteren, gevende voor reden van weygeringhe, dat hem sulx volgens sijn religie niet georloft was. Ende niettegenstaende bij de gedachte heren burgemr. ende secretaris diverse redenen van inductie werden gebruyckt, is hij evenwel in weygeringhe gebleven om d'eed in voegen vs. te doen, sodat partien daermede dienaengaende ongedaner saken van den raedhuyse sijn gescheyden, ende is nu wijder so dat de reqrnt uyt opvanghe[n] van des reqrdes informatie bevindet, dat de vs. Heyn Cornelis op deselffde dach als partien voor noen ten fine vs. comparitie hadden gehouden, te weten op den 24en July naestleden, in absentie van de reqrnt is verhoort geworden, sonder, so vs. getuighe selffs verclaert den eed in forma off conform s'lands ordonnantie, namelijck Godt tot een getuige nemende om de waerheyt te sullen getuyghen, te hebben gedaen, t'welcke also dan strijdet tegen rechte ende stijle van procederen. So concluderende concludeert de reqrnt ex iam dictis, postea addendis, et ex officio judicium supplendis, ten eynde verclaert sal werden de vs. getuyghe Heyn Cornelis onwettelijck behandelt ende verhoort te sijn, diesvolgens off andersins de reqrde gecondemneert. Desselffs depositie van partien proceduren te amoveren off andersins dat sijn depositie sal werden geannuleert en gecasseert ende dat op deselve int videren der proceduren niet sal werden gelet. Off contendeert tot sodanighe andere fine aut fines coniunctim vel diversim, vel alio quovis modo ac via als t'gerechte voor de reqrnt orbarlixt sal bevinden. Cum expensis.
Implorato jud. Off.
T. Ipkema
Timmerman Hendrick Cornelis woonde blijkens het Groot Consentboek (1603:139) in de Grote Kerkstraat.
[78 verso]
Voor antwoort op de enorme frivole eysch van D. Joannes Vomelius secht Claude Fonteyne onder behoorlijcke rechts praesentatien ende protestatien, dat offschoon de beleyde getuyge Heyn Cornelis ten eerste male over de te doene eede wel enige swaricheyt heeft gemaect, soo heeft hij nochtans sich naderhants bedacht ende bereyt gemaeckt om den eede conform de ordonnantie te doen. Waerover d'reqrde den reqrnt wederom op naenoen den 24 Juli heeft laten roepen om de eede van vs. Heyn Cornelis te aenhooren, maer alsoo hij reqrnt daerop niet compareerde, soo heeft d'reqrde hem daerover geaccuseert van contumacia vermogens de acte hier copiel. met A. bijgaende. Waerover den getuige is binnen ontboden, den eede conform de ordonnan. gedaen ende voorts sijn depositie nae behooren voltoyt in voegen geblijckt uyt deselve depositie hier met B annex, sulx dat den reqrde int eene noch het andere poinct daerover int minste niet heeft te clagen, dan strecte sijn eysch niet anders als een openbare vexatie om den reqrde in sijn gebou te meerder te verhinderen. Want hij voort verhooren van de getuygen mede een tale quale oppositie heeft gebaptiseert ten eynde d'getuyghe tot te doene oppositie niet soude werden geadmitteert, bij welcke hij reqrde t'eenemael is affgelopen, ende nu wederomme met dese ende diergelijcke quade middelen den reqde besprinckt. Op welcke onbehoorlicheden t'Gerechte gelieve reguard te nemen. Voorts concluderende contendeert d'reqde ten einde d'reqrnt sijn nulle ongefundeerde versoeck sal werden ontsecht, alias verclaert niet ontfangbaer ende bij ordine d'gereqde geabsolveert. Cum expensis.
Implorato etc.
A. Siccama
In h 14 (parallel aan h 13) 87r, 87v, 88r: 17 juli 1648 resp. 89r, 89v, 90r: 21 juli 1648 eist Siccama "om ... getuigen te sien edigen ... Eyllert Dircks Mr. Metseler ende Heyne Cornelis Mr. Timmerman" en antwoordt Ipkema dat "getuighen ... den Rqrnt in dit gebou waerover partien quaestie is causerende als Mrs. metseler ende timmerman ... alsnoch sijn continuerende ... niet conen werden geadmitteert" waarop het gerecht "condemneert den geden. te gehengen ende gedogen dat die geciteerde getuigen op de arlen. werden verhoort onvercort hem sijn recht van de reprochen etc. Reservatis expensis ad finem litis. Actum den 22en July 1648."
Joris Jacobs was een van de opvolgers van Jan Jacobs: zie J. Loosjes, Jan Jacobsz. en Jan-Jacobsgezinden. In: Nederlandsch archief voor kerkgeschiedenis XI (1914), 185-240. i.h.b. 232.
>> begin