Geschiedenis van Hoogstraaten

De naam 'Hoogstraten' is terug te voeren op de tijd dat Hoogstraten nog een Romeinse heirbaan was. Het was Hendrik I, Hertog van Brabant, die in 1210 Hoogstraten stadsrechten schonk. Deze vroege Middeleeuwen waren duistere tijden en de overwegend arme bevolking beschikte niet over afdoende middelen om zich tegen rovers, plunderaars en vreemde troepen te verdedigen. Telkens als er gevaar dreigde zochten de burgers, bij gebrek aan politiebescherming, hun heil binnen de veilige kasteelmuren. Het leenstelsel was nog in voege, en tal van mensen waren verplicht om een aantal dagen voor hun Heer te werken of een gedeelte van hun oogst of sommige producten van hun arbeid aan hem af te staan. Zo droegen de burgersbij tot de rijkdom en voorspoed van de kasteelheren. In feite was de Heer nagenoeg oppermachtig in het gebied dat hij bestuurde.

De historische tijd (dat wil zeggen vanaf het ogenblik dat men geschriften terugvindt) begint voor Hoogstraten in 1234.
Uit een oorkonde van dat jaar kan opgemaakt worden dat Joanna, Vrouwe van Hoogstraten, en weduwe van Wenemar van Gemmenich, Heer van Gelmel, toen in het kasteel verbleef. Haar dochter Sophia, huwde Willem van Cuyck, en zo ontstond een hele dynastie. De mannen uit het geslacht van Cuyck, die Heren van Hoogstraten werden genoemd, kregen zonder uitzondering allemaal de naam Jan (Jan van Cuyck I, II, III, IV en V). De relatief goede betrekkingen tussen het kasteel en de bevolking resulteerden in economische vooruitgang en de ontsluiting van het gebied. Wegen werden verhard, bos- en heidegronden werden ontgonnen, er werd handel gedreven en bepaalde ambachten kwamen tot bloei. Hoogstraten lag op de weg van Antwerpen naar het bestuurlijke centrum der Lage Landen, Breda. Handelaars passeerden, winkeliers deden zaken, er was nogal wat bedrijvigheid. De burgers hadden hun inkomen, maar waren aan de Heer bepaalde belastingen verschuldigd, die door zijn rentmeester werden geïnd.

Toen Jan I van Cuyck in 1357 stierf, werd de belangrijkste verbindingsweg bestraat met kasseien. Passanten met paarden en karren, met hoornvee of kudden schapen, varkens of zelfs ganzen, moesten tol ("kasseigeld") betalen om deze verbeteringen te kunnen bekostigen. De kasseien werden per schip aangevoerd uit het Doornikse, over de Schelde, de Rupel en de Grote Nete tot Lier, of over de Maas en de Mark, tot Ginneken, een voormalige gemeente vlakbij Breda. Daar moesten de inwoners van al de dorpen van Het Land van Hoogstraten die over paard en kar beschikten, naartoe om kasseien op te halen. Het werk zelf werd uitgevoerd door andere inwoners van het gebied, en eeuwenlang konden graven en hertogen zich beroepen op het karweirecht om in het gebied onder hun bestuur werken te laten uitvoeren in het algemeen belang of voor het onderhoud of verbetering van hun bezittingen.

Het kasteel komt later in handen van Jasper van Culemborg. Zijn echtgenote Joanna (familie van Filips de Goede en Karel de Stoute) bracht de pracht en praal van de trotse Bourgondische adel naar de Kempen en schonk in 1475 het leven aan Elisabeth, de eerste van vijf dochters. Als erfgename werd ze opgevoed zoals haar moeder, en werd ze hofdame bij Keizer Karel. In 1501 huwde ze met Jan van Luxemburg, Heer van Ville, een dorp bij Marche, in de provincie Luxemburg. Jan overleed echter in 1507 en in 1508 hertrouwde Elisabeth met Antoon de Lalaing. Antoon was een vertrouweling van Margaretha van Oostenrijk, die tot landvoogdes van de Nederlanden was aangesteld. Hij was de enige edelman uit de Nederlanden die haar volste vertrouwen genoot en werd opgenomen in haar Geheime Raad. Door zijn huwelijk met de eerzuchtige Elisabeth was het mogelijk de heerlijkheid Hoogstraten tot graafschap te laten verheffen. Dit gebeurt op 25 november 1518.

Het gravenpaar bleef kinderloos en op iniatief van de godvruchtige gravin werden in Hoogstraten indrukwekkende bouwwerken en diverse kunstwerken gerealiseerd. Tussen 1525 en 1540 lieten ze het kasteel verbouwen tot een indrukwekkend hooggothisch gebouw met wallen, wachttorens, ophaalbruggen, een wapenzaal en een slotkapel. Daarnaast werd Hoogstraten verrijkt met de imposante Sint-Katharinakerk (bedoeld als grafkerk voor de graven en hun nakomelingen), het stadhuis en een kapel voor het Clarissenklooster.Volgens bouwrekeningen uit die tijd werden er ter plaatse zowel voor het kerkgebouw als voor de toren en het kasteel in veldovens minstens driemaal 5 miljoen bakstenen gemaakt en verwerkt.

In 1542 viel de Gelderse krijgsman Maarten van Rossum met zijn benden Hoogstraten binnen. Uit angst voor plundering zocht de bevolking van de Vrijheid zijn toevlucht binnen de muren van het Kasteel. De graaf zelf was niet aanwezig en de drossaard (beheerder) wist het onheil en een belegering af te wenden door een paar stukken vestinggeschut en een beurs goudstukken prijs te geven. Voor die bescherming moest de bevolking nog jarenlang brandschatting en oorlogsbelasting betalen. Drie jaar later overleed de tweede graaf, gouverneur van Gelderland, te Arnhem en ook hij werd in Hoogstraten begraven. Het zou tot echter tot 1555 duren voor diens oudste zoon Antoon II het grafelijk slot in zijn bezit zou nemen.Antoon II was erg geliefd door de bevolking die hem bedacht met talrijke geschenken. Ondanks zijn jeugdige leeftijd werd de jonge graaf gouverneur van Mechelen. In 1566 brak de beeldenstorm uit en verving hij als gouverneur van Antwerpen de prins van Oranje, Willem de Zwijger. In die periode groeide ook het verzet tegen Filips II, koning van Spanje, en net als andere misnoegde edellieden uit die tijd zou Antoon II een vooraanstaande rol spelen op het politieke toneel.

Willem de Zwijger had in maart 1566 zijn voornaamste onderdanen ontboden in Breda om hun positie te bepalen, maar uiteindelijk werd de vergadering in Hoogstraten gehouden. Volgens sommige bronnen was er een schitterend banket en werd hier het smeekschrift opgesteld dat door het Verbond der Edelen aan de landvoogdes, Margaretha van Parma, werd aangeboden. En hoewel de handtekening van de Graaf van Hoogstraten ontbreekt, werd hij net als de andere edelen van dan af beschouwd als ´vijand van God en koning´. Net als de graven van Egmont en Hoorne werd ook Antoon II de Lalaing door de Hertog van Alva gedagvaard om in Brussel voor de Raad van Beroerten te verschijnen. Toen hij echter onderweg vernam dat beide graven in hechtenis zijn genomen, maakte hij echter rechtsomkeerts en vluchtte te paard naar Keulen. De Hertog van Alva was woedend en beschuldigde de graaf van opstandigheid en majesteitsschennis. Om duidelijk te stellen dat de Spaanse suprematie boven alles stond, werden Egmont en Hoorne onthoofd. Graaf Hoogstraten werd voor eeuwig en altijd verbannen en de grafelijke bezittingen werden verbeurd verklaard.

In de daaropvolgende jaren woedde de oorlog volop verder en de krijgskansen wisselden voortdurend. In 1572 bezette Willem de Zwijger het kasteel. In 1573 werd het weer ingenomen door de Hertog van Alva. Plunderingen en brandstichting waren schering en inslag, ziektes braken uit en velen vluchtten naar het Noorden. In 1574 werd hoogstraten beroofd door de Geuzen. In 1576, bij de Pacificatie van Gent, kwam het opnieuw in handen van de familie de Lalaing. Het geweld bleef ook de jaren daarna aanhouden. In 1581 werd het kasteel door brand geteisterd, en twee jaar later werd het veroverd door de graaf van Mansfeld. Nog decennialang bleven bendes rovende en plunderende soldaten die geen soldij ontvingen, het land onveilig maken met strooptochten en brandstichtingen. In 1603 bezetten duizenden muitende Spaanse soldaten gedurende negen maanden het kasteel. Het water van de Mark werd opgehouden zodat de watermolens stilvielen en de weilanden overstroomden, akkers werden omgewoeld en loopgrachten aangelegd; er werden massaal bomen gekapt om te gebruiken als wegversperring. Het kasteel werd eens te meer belegerd, maar dank zij de steun van het leger van Prins Maurits van Nassau, hielden de muiters stand. Ruim 30.000 soldaten stonden tegenover elkaar, na afloop van het mislukte beleg was het landschap grondig verpest. Het kasteel had zwaar geleden en in het dorp lagen 45 huizen in de as. De pest brak uit en gedurende enige tijd was de ontreddering nagenoeg totaal.

Maar eens de ravage goed en wel overzien, ging men noodgedwongen opnieuw over tot de heropbouw. De loopgrachten werden gedempt, de akkers opnieuw geploegd en bezaaid, moeizaam hernam het leven in de Noorderkempen zijn normale gang. Men kwam overeen het kasteel tot neutraal terrein te verklaren, en om te verhinderen dat het nog van groot strategisch belang zou zijn, dienden de versterkingen ervan te worden gesloopt. Het kasteel bleef in handen van de familie de Lalaing, die er vrijwel nooit meer verbleef. Het verkommerde dan ook zienderogen en de graven hadden te veel schulden om het echt te kunnen restaureren.

Met de Vrede van Munster in 1648 was er definitief een einde gekomen aan de Tachtigjarige Oorlog. De bevolking herademde echter, voor het eerst in tijden was er sprake van een zekere voorspoed. In 1657 huwde de laatste telg uit het geslacht de Lalaing, gravin Maria Gabriëla de gouverneur van het kasteel van Breda, Rijngraaf Carolus-Florentinus van Salm. Het kasteel is dan inmiddels vervallen tot een ruïne. Verdwenen waren de Bourgondische pracht en praal van weleer. Bij de verarmde adel was het armoe troef. Slechts met veel moeite kon men in het kasteel een paar vertrekken bewoonbaar houden. Koetsen en rijpaarden, vuurwapens en ander krijgstuig waren er niet meer. Het weinige waardevolle dat er nog was, had de gravin naar Antwerpen laten overbrengen. Bij de dood van gravin Gabriëla in 1709, ging het Land van Hoogstraten over in handen van haar kleinzoon, vorst Niklaas Leopold van Salm.

Er waren nogal wat strubbelingen met de nieuwe vorst over het kappen van bomen die van belang waren voor de bouwnijverheid, en ook het eeuwenoude karweirecht waar de graven zich nog steeds op beriepen, was een bron van discussie. Zo eiste de jonge graaf, door zijn huwelijk in 1719 meerderjarig verklaard, in 1723 48 manschappen uit de omliggende dorpen op voor het ruimen van de grachten rond het kasteel. Na veel vijven en zessen verleenden de dorpsbesturen hun instemming, maar ze eisten voor iedere arbeider, "buiten drinkebier, ook een pond boter en tien pond brood per week, telkens ´s maandags te leveren". Zoals in het verleden vroegen zij op hun beurt bescherming in geval van oorlog, en bepaalde vrijstellingen.

Met het uitbreken van de Franse Revolutie in 1794 kwam er abrupt een einde aan het oude, feodale regime, en werden de eerste pogingen ondernomen om de staat te democratiseren. Ingrijpende hervormingen kondigden zich aan, het land was in rep en roer. Iedereen wachtte gespannen en onzeker het verloop van de nieuwe gebeurtenissen af. Niet in het minst, hertog Konstantijn, Vorst van Salm Salm de toenmalige eigenaar van Kasteel van Hoogstraten. Hoewel hij enigszins tegemoet kwam aan de toenmalige maatschappelijke ontwikkelingen - hij richtte o.m. Weldadigheidskassen op en stimuleerde het lager onderwijs- ging dit voor de bevolking niet ver genoeg, die onder invloed van de Revolutie toenadering zocht tot de kersverse Franse Republiek.

Onder invloed van de turbulente ontwikkelingen op politiek en militair vlak, verloor de adel gaandeweg steeds meer invloed op de gebeurtenissen en verminderde hun macht. In 1792 versloeg de Franse generaal Dumouriez de Oostenrijkers te Jemappes. Goed twaalf dagen later werden hem de sleutels van de stad Antwerpen overhandigd, ruim twee maanden later werd de overgave van de stad Breda gevierd. De Pruisen sloegen echter terug en na een halfjaar was de Franse bezetting, weer opgeheven. Een jaar later vielen de Fransen opnieuw binnen, en de voornaamste edelen, geestelijken en rijken kozen eieren voor hun geld en sloegen op de vlucht. Het goud en zilver uit de kerken, voedsel, dieren, werklieden en materialen werden door de bezetter opgeëist. Begin 1795 werd de bevolking op broodrantsoen gesteld. In 1797 werd de voorlopige vrede tussen de Keizer en generaal Napoleon aangekondigd waardoor de Franse Republiek feitelijk de rechten op België kreeg.

In 1801 werd dan de Vrede van Lunéville getekend, waarbij de Rijn als grens werd erkend en het gebied aan de linkeroever aan Frankrijk werd toegewezen. Op het kasteel in Hoogstraten verbleven inmiddels Franse gendarmes met hun vrouwen en kinderen, evenals de vrederechter en zijn gezin. Een jaar later leek het echter een uitgeplunderde woning, en veel van de prachtige, omliggende bossen waren helemaal vernield. In 1803 werd het kasteel bestemd tot senatoriaal verblijf van Joseph Bonaparte, broer van de Eerste Consul Napoleon. Bij keizerlijk decreet richtte Napoleon in 1808 te Mechelen het Bedelaarsgesticht der beide Nethen in. Twee jaar later verhuisde dit naar het kasteel van Hoogstraten waardoor het Gelmelslot definitief een andere bestemming zou krijgen, namelijk als instelling van maatschappelijk nut.

In alle gemeenten van de provincie Antwerpen werden aanplakbrieven verspreid met het volgende keizerlijk bevel: "Al wie zonder bestaansmiddelen is en genoodzaakt is te bedelen, zal zich binnen de twintig dagen bij het bestuur van zijn lokaliteit aanbieden om opgenomen te worden in Hoogstraten. Wie aan dit bevel niet gehoorzaamt, zal door de Maréchaussées aangehouden worden en naar het gesticht worden gevoerd. Alleen de gouverneur kan bevel tot ontslag verlenen". Aanvankelijk werd de bewaking in het Bedelaarshuis afwisselend toevertrouwd aan een militaire en een burgerwacht, en moesten de gemeentebesturen dagelijks 15 centiemen bijdragen in de onderhoudskosten van bedelaars uit hun gemeente, die te Hoogstraten geïnterneerd waren. Uitzonderlijk, en vermeldenswaard, is dat in de jaren 1840 ook de Amerikaanse goudkoorts in Hoogstraten toesloeg. In 1850 werden 17 gedetineerden van Hoogstraten naar Antwerpen gevoerd van waaruit ze op kosten van het stadsbestuur met een driemaster naar New-York konden vertrekken. Het jaar nadien kwamen 13 daklozen zich in Hoogstraten aanmelden met het verzoek eveneens gratis naar Amerika te kunnen reizen.

Door de wet van 1891 werd het eigenlijke Bedelaarswerkhuis overgebracht naar buurgemeente Merksplas, en werd het Kasteel van Hoogstraten ingericht als Toevluchtshuis voor zwakke en zieke mannen. Van 1914 tot 1924 verbleven op het kasteel de Zusters Norbertinessen. In 1931 kreeg het zijn huidige bestemming van Penitentiair Schoolcentrum.

Bron: Penitentiair Schoolcentrum Hoogstraten

 

Terug naar overzicht plaatsnamen