De adel in Nederland bestaat uit families die een adellijke titel of predikaat mogen voeren. Adeldom wordt verleend bij koninklijk besluit. Een politieke functie heeft de adel niet meer. Dit was in het verleden anders.
Na het herwinnen van de onafhankelijkheid in 1813 werd Nederland onder koning Willem I een constitutionele monarchie. De adel kreeg in dit staatsbestel een vaste plaats. In de provinciën vormde de Provinciale Staten het vertegenwoordigende lichaam. De Provinciale Staten bestonden uit afgevaardigden van de drie standen: de adel (Ridderschap), de steden en het platteland. De vertegenwoordigers werden benoemd of via getrapte verkiezingen gekozen.
De Nederlandse adel was in voorgaande jaren in omvang afgenomen. Om de politieke rol te kunnen vervullen was dringend aanwas nodig. Koning Willem I zorgde samen met de Hoge Raad van Adel voor een aanzienlijke uitbreiding van het aantal adellijke families door benoeming, erkenning, inlijving en verheving.
Met de grondwetherziening van 1848 werden de Provinciale Staten voortaan rechtstreeks gekozen en verviel de indeling in standen. De adel verloor daarmee haar politieke functie.
De gewestelijk ridderschappen verloren in 1848 hun politieke functie, maar zijn niet allemaal opgeheven. Thans bestaan nog:
Daarnaast kent de Nederlandse adel een drietal ridderorden:
Naast deze organisaties is er de Hoge Raad van Adel. Deze raad adviseert de minister van Binnenlandse Zaken over verzoeken tot verlening van adeldom. De Raad bestaat uit vijf leden.