Start Email Inhoud FAQ's

Start

 

Regelmatig gestelde vragen met de beantwoording

 

Vanmiddag heeft een lokale groenvoorziening in opdracht van de gemeente Barendrecht de randen van een speelveld in een woonwijk, waar dagelijks circa 10 kleine kinderen spelen, bestrooid met Casoron (Dichlobenil). Uiteraard heeft de betreffende groenvoorziener aangegeven dat er geen enkel gevaar is voor de kinderen, ook al zouden zij (hetgeen ook letterlijk gebeurt) met hun handjes in de bestrooide grond spelen. Wij maken ons als ouders toch zorgen hierover. Wat kunt u ons vertellen over de toxiciteit van dit herbicide voor onze kinderen?

Met vriendelijke groet,

 E. te B.

 

Beste heer E,

Het is droevig dat sommige gemeenten nog steeds bestrijdingsmiddelen gebruiken. Al in de tachtiger jaren waarschuwde de inspecteur van volksgezondheid de gemeentebesturen hiervoor. Met name wees hij op de gevaren van korrelvormige bestrijdingsmiddelen. Ik ga ervan uit dat u doelt op Casoron G. De G staat voor Granulaat, een korrelvormig middel dat helaas wettelijk nog steeds gestrooid mag worden, als tenminste alle voorschriften die op de verpakking staan opgevolgd worden.

Er moet beslist voorkomen worden dat kinderen met het gif in aanraking komen. Daarom beval de inspecteur van volkgezondheid gemeenten o.a. aan op speelweiden en gazons geen behandeling met en chemisch middel uit te voeren. Als, op andere plaatsen, wel granulaten gebruikt worden, zouden deze direct in de bodem gewerkt moeten worden. (Dit wordt zover wij kunnen nagaan nergens gedaan) De gemeente zou, weer volgens het schrijven van de inspectie van volkgezondheid, ook waarschuwingsborden moeten plaatsen als er risico van contactbesmetting voor mens of dier kan bestaan.

Uw gemeente denkt daat kennelijk anders over. Wij raden u aan uw kinderen voorlopig niet op het speelveld te laten spelen. Uiterst kleine hoeveelheden van het middel kunnen de gezondheid schaden, daarbij moeten we vooral ook denken aan gevolgen op lange termijn. Uit oogpunt van gezondheid is de maximale norm van dichlobenil in voedsel 0,1 mg/kilo. Helaas bevat Casoron G ook andere giftige stoffen.

 

Aan de rand van het dorp Sommelsdijk (gemeente Middelharnis) in de overgang van landbouwgebied naar nieuwbouwwijk heb ik een stukje weiland met daarop enkele schapen.Na aanleg van een toegangsweg naar de woonwijk is de berm grenzend aan mijn weiland overgroeit met akkerdistels. Door het nalaten van onderhoud (tijdig maaien) is mijn perceeltje onder de distels gekomen. Vorig jaar heb ik de gemeente tot driemaal toe verzocht de berm te maaien ( zelfs schriftelijk) De melding was in de knopfase ,de bloeifase en de zaadfase er is niet gereageerd.Nooit stonden er distels in mijn weiland. Deze week heb ik een volle dag distels geplukt.Ik word nu gedwongen om glyfosaat bevattende bestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen) in te zetten om deze distelinvasie te lijf te gaan.Hoewel ik tegenstander ben van bestrijdingsmiddelen ,zie ik geen andere mogelijkheden. volgens mij is er een distelwet die het mogelijk maakt de gemeente hiermee te confronteren en waar ik zo mogelijk hulp (fysiek en financieel) kan afdwingen.

Wie helpt mij nu de gemeente geen enkele boodschap heeft aan echt natuurbeheer, waarbij goed nabuurschap nodig is.Dit is een roep om hulp tegen de arrogantie van de plaatselijke overheid.

Helaas ken ik de situatie ter plaatse niet. Ik kan u echter wel zeggen dat een distelverordening waarnaar u verwijst al lang niet meer bestaat. Een plant, dus ook en distel, zal alleen daar groeien waar ruimte en groeikansen voor die plant zijn. Op elke vierkante decimeter grond belanden jaarluiks vele duizenden zaden en sporen van planten die nooit zullen ontkiemen, of kort na ontkieming sterven, doordat de groeiomstandigheden onvoldoende zijn. Als alle zaden van een bepaald soort planten tot planten zouden kunnen uitgroeien, zal het niet veel jaren duren of de gehele aardbodem is met die soort bedekt. 

Dat er juist op uw grond veel distels opkomen wordt naar ik vermoed veroorzaakt door  de wijze waarop uf uw land beheert. Vermoedelijk wordt veel gras vertrapt, zijn er nogal wat kale plekken en krijgen de distelzaden kennelijk kans te ontkiemen en op te groeien. Op een dichte grasmat krijgen distelzaden geen kans.

Wellicht verdient het overweging minder schapen te houden, vaker te verweiden, na beweiding te maaien als er nog wat hogere begroeiing aanwezig is en kale plekken met gras in te zaaien. 

Wij raden u beslist af te kiezen voor glyfosaat. Op onze website kunt u over de bezwaren van dit middel lezen.

 

Ik ben op zoek naar een adres waar lieveheersbeestjes te koop zijn, ivm ecologische luisbestrijding als jullie me verder kunnnen helpen?

veel dank voor een antwoord

Wij kunnen wel verder helpen, als het inmiddels niet te laat is. Informatie via internet: www.bomendienst.nl en www.biobest.be E-mailadressen zijn: bomendienst@arcadis.nl en info@biobest.be

Op ons tuincomplex, gelegen aan de voet van de duinen in W., zijn enorm veel veenmollen actief.

Op zich zijn het fascinerende diertjes die veel schadelijke bodeminsecten eten. Door hun hoeveelheid echter, doen ze meer kwaad dan goed. Is er bij U een manier bekend om deze dieren te bestrijden, zonder de omgeving schade te berokkenen ? Zo ja, dan zijn we zeer geïnteresseerd.

Wilt u de moeite nemen om ons van uw eventuele kennis op dit terrein te laten meedelen ?

Bij voorbaat dank.

 

De veenmol is een insect dat gemakkelijk van andere soorten te onderscheiden is. Het bruinzwarte dier kan ongeveer 5 cm lang worden, heeft een langgerekte vorm, graafpoten als een mol en leeft bijna uitsluitend onder de grond. De veenmol graaft en onderhoudt evenals de mol onderaardse gangen. Daarbij worden veel wortels afgebeten. Naast plantaardige kost eten ze ook dierlijk voedsel, zoals emelten, in de bodem levende rupsen en poppen en wormen. Door z’n leefwijze, waarbij de schade veel opvallender is dan het nut dat ook dit dier heeft, is deze  interessante soort niet altijd geliefd bij tuinliefhebbers. Vooral niet als ze massaal optreden.

 

Onder de naam “veemol” is het dier door onze landgenoot Johannes Goedaert (1617-1668) voor het eerst, op basis van eigen waarnemingen, vrij uitgebreid beschreven. In “Metamorphosis Naturalis” (eerste deel , 1662, 76-ste bevinding) beschrijft Goedaert de nestbouw als volgt (spelling/taalgebruik aangepast):

“De veemollen zijn zeer behendig in het maken van hun nesten. Zij verkiezen daartoe een vaste klomp aarde, waarin ze een gat maken. Daardoor kunnen ze in en uit komen. Van binnen is een holte ter grootte van twee okkernoten. In deze holte verbergen zij over de honderd, ja soms meer dan honderdvijftig eieren. Als alle eieren gelegd zijn maken ze de aarden klomp heel stevig dicht, want als deze breekt vergaan alle eieren. Die worden dan door bepaalde zwarte vliegen die in aarde leven opgegeten. Daarom waken ze zeer zorgvuldig over het bewaren en de vastheid van deze klomp aarde. Eromheen maken ze een soort loopgracht om alles goed in de gaten te kunnen houden. Ook maken ze onder deze aarden klomp verscheidene gangen om in geval van nood te kunnen vluchten.

Als ze opmerken dat het warm en droog weer is brengen zij het nest, op twee vingerdiktes na, naar de oppervlakte. Dit doen ze om de zon haar eieren te laten uitbroeden. Maar als het koud en vochtig weer is laten ze hun nesten dieper in de aarde zinken.”

Als voedsel geeft Goedaert naast plantaardige ook dierlijke kost aan. Hij wijst op kannibalisme en

beschrijft in het tweede deel van zijn “Metamorphosis Naturalis”, negentiende ondervinding, een diertje (uit de tekening van Goedaert blijkt het een larve van een loopkeversoort te betreffen) dat eieren van de veenmol eet en op zijn beurt zelf door  volwassen vee(n)mollen gegeten wordt. 

Goedaert geeft als eerste ook al informatie over de bestrijding:

“Door sommigen worden kleine potten, met de bovenrand tot aan de oppervlakte, in de aarde gezet. Als de veemollen daarin komen, kunnen ze er niet uit. Men kan ook hun nesten openbreken, zodat de eieren niet uitkomen.”

 

In literatuur van latere datum, worden als vijanden van de molkrekel (een naam voor het dier die in de achttiende eeuw gebruikelijk werd) ook mollen, spitsmuizen en diverse vogels genoemd. Vooral de hop zou veenmollen op het menu hebben, maar deze prachtige oranje gekuifde vogel is helaas in ons land zeer zeldzaam geworden. Ook vogels als eksters, kraaien, roeken e.d. eten veenmollen. Sommige boeren zagen graag molkrekels in hun grasland, omdat ze kruiden vernielen, die het gras anders verstikken.

De veenmol is een weerprofeet. Als plotseling veenmollen te voorschijn komen geeft dit weersverandering aan.

Hoewel het lijkt alsof de veenmol ons met z’n kaken flink zou kunnen verwonden, is dat niet zo. In de tijd dat er nog niet zo veel speelgoed gekocht werd, speelden kinderen vaak met de diertjes. Net als van meikevers, wist toen iedereen dat ze ons niet kunnen bijten.

Veel echt opzienbarende ontdekkingen over de veenmol zijn er de afgelopen eeuwen niet meer gedaan.  Diverse onderzoekers bevestigden in feite de waarnemingen van Goedaert.

 

 Bestrijding:

 

Chemisch:

In tuinen mogen veenmollen sinds 2002 wettelijk niet meer chemisch bestreden worden.  

Jarenlang mochten veenmollen bestreden worden met het middel methiocarb. Het bekendste merk dat deze stof bevat was Mesurol (vooral ook bekend als middel tegen slakken). Door de vele ernstige nadelen van dit zenuwgif, zowel voor de natuur als voor de consument van geteelde gewassen, heeft onze overheid het gebruik van het middel in tuinen sinds 2002 verboden.

 

Biologisch:

Ook mensen, die nog niet overtuigd zijn van de bezwaren van chemische bestrijdingsmiddelen, zullen dus bij de bestrijding van veenmollen niet-chemische methoden moeten toepassen.

Voor de Tweede Wereldoorlog bestonden er bijna geen chemische middelen. Toen zag men meer dan tegenwoordig het belang in van het in stand houden van een zeker natuurlijk evenwicht. Dan zijn er altijd diverse soorten natuurlijke vijanden aanwezig. Hierdoor zal een bepaalde soort minder snel problemen kunnen veroorzaken.  Een oude opvatting, over het nut van de mol, is bijvoorbeeld: “De Mollen die men uit oorzaake van het omwroeten des gronds, zo vinnig vervolgt, zuiveren het land van Mol-krekels.” (uit: “Algemeen Huishoudelijk Woordenboek”, Chomel/Chalmot, vierde deel, 1778) Ook vogels als kraaien, roeken en eksters helpen ons bij de veenmolbestrijding. Jonge veenmollen, die al op de volwassen dieren lijken, maar na het uitkomen ongeveer zo groot zijn als een mier, hebben nog veel meer natuurlijke vijanden. Bijvoorbeeld spitsmuizen, spreeuwen, kikkers, padden en salamanders zullen zeker de veenmol op het menu hebben.

Veenmollen houden zowel niet van veel water, als van droogte; uit een stuk tuin dat kaal gehouden wordt zullen ze verdwijnen door gebrek aan voedsel.

Volgens oude berichten lokt paardenmest veenmollen aan. Bij guur weer verbergen ze zich in deze mest, zodat ze dan gemakkelijk gevangen kunnen worden. Terwijl paardenmest dus veenmollen aantrekt, worden ze door varkensmest juist verdreven. 

Boven het nest is de beplanting verdord of dood. In de periode juni-juli-augustus loont het zoeken van de nesten de moeite.

Door glazen potten met de rand enkele centimeters onder de oppervlakte in te graven kunnen veenmollen gevangen worden, doordat ze er niet uit kunnen. Met wat bier in het glas worden meteen ook slakken gevangen.

Ik hoop dat u de ingevoegde informatie kunt gebruiken. Uiteraard kunt u altijd contact opnemen voor nadere informatie.

succes met de bestrijding en vriendelijke groeten,

 

Mijn buurtuin is nogal royaal bespoten met  ROUNDUP wegens teveel onkruid.

Wat is de beste aanpak van de eetbare producten en de grond in mijn tuin,

die ook door het spuitmiddel geraakt zijn?

Hoe kan ik zien hoever het middel gespoten is en na hoeveel tijd.

Hoelang duurt het voordat dit middel uit gewas en bodem verdwenen is?

 Bij voorbaat dank.

 Met vr. groet,

 

Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in tuinen in Nederland is een groot probleem. In ons land mag in principe een middel tot aan de grens van de tuin gebruikt worden, hoewel elk middel wel zodanig moet worden toegepast dat het niet in een buurtuin terecht komt. Onze tuinen zijn vaak relatief klein en bepalingen tot hoever een middel van de grens met andere tuinen gespoten mag worden, zijn er in ons land niet. In Denemarken bijvoorbeeld zijn dergelijke bepalingen er wel.

Helaas komt het regelmatig voor dat bestrijdingsmiddelen ongewenst in aangrenzende tuinen terecht komen. In zo'n geval is de wet overtreden en zou proces-verbaal opgemaakt kunnen worden. Om ruzie met buren te voorkomen komt het meestal niet zo ver. Het is ook niet altijd gemakkelijk aan te tonen dat er door buren gebruikt gif in je tuin gekomen is. Zelfs niet, zoals in uw geval, waar het Roundup, met als werkzame stof glyfosaat, betreft. Alleen als de hoeveelheid Roundup in uw tuin zo groot is dat er planten door dood gaan, is het bewijs gemakkelijker te leveren. Dan worden uw planten na een tot twee weken geel en sterven daarna volledig af. Dergelijke planten kunnen natuurlijk niet gegeten worden en horen ook niet op de composthoop thuis. Het is bekend dat met glyfosaat bespoten, afgestorven plantenresten, zoveel residu bevatten, dat ze een kruidendodende werking kunnen hebben.

Hoever het middel gespoten is, is niet te zien. Na een tot twee weken is, door de geelkleuring, alleen te zien tot hoever het middel in dodelijke hoeveelheid in uw tuin gekomen is.

Tenslotte een antwoord op uw vraag hoe lang het duurt voordat het middel uit gewas en bodem verdwenen is.

Veel gebruikers van Roundup denken dat het middel vrijwel onschadelijk is en in korte tijd volledig wordt afgebroken. Dat is helaas niet zo. Bespoten gewassen bevatten altijd residuen van glyfosaat. Zo mogen haver en soja bijvoorbeeld maximaal 20 mg glyfosaat bevatten van onze overheid. Dat is wel erg veel, maar anders kon glyfosaat in deze teelten niet worden toegelaten. Toen genetisch gemanipuleerd, glyfosaat-ongevoelig, soja op de markt kwam, werd het toegestane residu van glyfosaat in soja in ons land zelfs vertweehonderdvoudigd. Glyfosaat verdwijnt pas uit een gewas na consumptie of nadat het gewas op een andere wijze is ontbonden.

De afbreekbaarheid in de bodem is zeker niet zo volledig als in de reclame wel wordt beweerd. Monsanto, de bekendste fabrikant van het middel is door de Reclame Code Commissie vele malen veroordeeld voor het maken van misleidende reclame. Een deel van het middel bindt zich aan bodemdeeltjes en breekt vermoedelijk in het geheel niet meer af. Na vele malen herhaald gebruik zijn hierdoor in de toekomst problemen te verwachten, met name als de bodem als het ware verzadigd is en niet nog meer glyfosaat kan opnemen. Hiervoor hoeft u zich uiteraard, zeker als u zelf niet spuit, geen zorgen te maken.

Veel meer informatie over glyfosaat kunt u vinden op de website van de Stichting Natuurverrijking: home.wanadoo.nl/natuurverrijking

Ik raad u aan bij het bestuur van uw tuinvereniging het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op het complex ter discussie te stellen.

met vriendelijke groeten,

Kees Beaart