Start Omhoog Email Inhoud Natuurrijk groen

Start
Omhoog

 

Uitgave: Natuurverrijking

Tekst: Kees Beaart

Illustraties: Fred Teunissen

ISBN 90 71870 06 5

 

 

BESTRIJDINGSMIDDELEN, MILIEU EN VOLKSGEZONDHEID

"Het wezenskenmerk van bestrijdingsmiddelen is dat zij bestemd zijn om levende organismen te doden of af te weren. In de Bestrijdingsmiddelenwet is dan ook onder meer te lezen, dat het gebruik ervan gevaren voor mens en milieu kan meebrengen, aangezien de bestrijdingsmiddelen over het algemeen uit giftige stoffen of preparaten met gevaarlijke werking bestaan.

Dat bepaalde middelen door de overheid in ons land zijn toegelaten, komt voort uit een afweging van nut en schade. Toelating betekent geenszins dat de middelen het milieu niet zouden schaden. Integendeel, alle bestrijdingsmiddelen verontreinigen in meer of mindere mate ons milieu. Het zijn immers alle chemische, biologisch uitermate actieve stoffen, die niet in het milieu horen."

Met deze zinnen werd ook in 1983 dit hoofdstuk ingeleid. De resultaten van onderzoek naar het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het milieu die, vanaf de tweede helft van de jaren tachtig gepubliceerd werden tonen keer op keer aan dat bestrijdingsmiddelen, ondanks toelating, het milieu zeer ernstig schaden.

ALARMEREND MILIEUONDERZOEK

Onderzoek naar het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het milieu wees uit dat bestrijdingsmiddelen die volgens de toelatingsgegevens niet in het grondwater zouden geraken en daarom op de zogenaamde "witte lijst" ge­plaatst werden, het grondwater wel verontreinigen. Eind jaren tachtig werden 9 van de 13 onderzochte "witte" bestrijdingsmiddelen ondanks beperkt onderzoek in het grondwater aangetroffen. Deze giffen vormen daardoor een bedreiging voor de drinkwatervoorziening.

Een aantal van de in het grondwater aangetroffen bestrijdingsmiddelen wordt ook door overheidsinstellingen gebruikt, zoals de plantendodende middelen amitrol, diuron en di­chlobenil. In ge­meentelijke plantsoenen werd een giftig omzettingsproduct van dichlobenil zelfs 1050 tot 1800 maal de maximaal toelaatbaar geachte norm van 0,1 microgram per liter aangetroffen. Onder een tegelpad werden resten van simazin tot meer dan 15 maal de norm aangetoond.

Vrijwel alle herbiciden of kruidenbestrijdingsmiddelen blijken het grondwater ernstig te vervuilen.

Eerste oriënterende metingen toonden aan dat het reeds lang verboden HCH, lindaan, bentazon, atrazin en het in veel ge­meenten gebruikte simazin zelfs in regenwater worden aange­troffen. Deze laatste stof in hoeveelheden tot meer dan 7 maal de voor drinkwa­ter geldende norm van 0,1 microgram per liter. In 1991 werd dichloorvos in Zuid-Holland in regen zelfs tot 3000 keer de volgens Rijkswaterstaat voor het ecosysteem schadelijke hoeveelheid gemeten.

De aangetoonde verontreinigingen vormen het topje van de ijsberg. Slechts van 85 van de ongeveer 400 toegelaten bestrijdingsmiddelen kan 0,1 microgram per liter worden aangetoond.

MILIEUCRITERIA NOTITIE

Volgens de Notitie "Milieucriteria ten aanzien van stoffen ter bescherming van bodem en grondwater" die de Ministers van Milieubeheer en Landbouw in januari 1989 aan de Tweede Kamer aanboden vormen bestrijdingsmiddelen een aparte categorie van milieugevaarlijke stoffen: "In het algemeen kan gesteld worden dat de omvang en wijze van gebruik van bestrijdingsmiddelen aanleiding geeft tot een mate van verspreiding van de middelen in het milieu die als ongewenst moet worden aangemerkt."

In juni 1991 werd door genoemde ministeries een tweede Milieucriteria Notitie aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin zijn een aantal operationeel te hanteren milieucriteria voor bestrijdingsmiddelen opgenomen m.b.t. uitspoeling naar het grondwater, persistentie in de bodem en de toxiciteit van bestrijdingsmiddelen bij kortdurende blootstelling voor waterorganismen.

In de Notitie zijn diverse lijsten opgenomen met bestrijdingsmiddelen die niet aan de te stellen milieueisen voldoen; op een pakket van 300 toegelaten werkzame stoffen voldoen, met inachtneming van overlap, ongeveer 195 stoffen niet aan de geoperationaliseerde milieucriteria.

BODEMVERONTREINIGING

Bestrijdingsmiddelen worden in de bodem omgezet tot weer andere stoffen, waarbij in de regel giftige omzettingsproducten of metabolieten ontstaan. Van vrijwel alle bestrijdingsmiddelen zijn intussen wel één of meer van deze metabolieten bekend. Sommige blijven jarenlang in de bodem aanwe­zig (per­sistentie), waardoor bij de volgende be­spuiting(en) een ernstiger verontreiniging ontstaat. Persistentie wordt wel uitgedrukt in de "halfwaardetijd" of DT-50 (Disappea­rance Time). Volgens de Milieucriterianotitie is een DT-50 van 1/2 tot 1 maand een veilige grens. Middelen met een halfwaar­detijd van meer dan twee maan­den worden i.v.m. toelating als te persistent beschouwd.

Daarom zullen in de toekomst veel nu toegelaten middelen worden verboden.

Vrijwel alle bestrijdingsmiddelen binden zich in meer of mindere mate aan bodemdeeltjes en zouden dan niet meer werkzaam zijn. Over het gedrag van deze grondgebonden residuen is echter weinig bekend. Problemen zijn te verwachten als de bodem na jarenlang herhaalde toepassing verzadigd is, door opname van gewassen, als gronddeeltjes door erosie verwaaien en als de grondgebonden residuen omgezet worden in combinatie met andere stoffen in de bodem.

WATERVERONTREINIGING

Water moet zonder extra zuivering voldoen aan de norm van de EG-richtlijn voor drinkwater van 0,1 microgram per liter per stof en van 0,5 microgram per liter voor alle bestrijdingsmiddelen samen.

In het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) worden m.b.t. bestrijdingsmiddelen voor het jaar 2000 de volgende doelstel­lingen geformuleerd:

- vermindering van bestrijdingsmiddelen uitgedrukt in kg werkzame stof per jaar met ten minste 50%

- middelen die vanuit milieuoogpunt als onaanvaardbaar schadelijk moeten worden aangemerkt zullen niet meer zijn toegela­ten.

Het Meerjarenplan Gewasbescherming (MJPG) geeft uitwerking van de criteria m.b.t. uitspoeling naar het grondwater, persistentie in de bodem en acute giftigheid voor waterorga­nismen.

In het MJPG staan lijsten met in totaal 142 verschillende werk­zame stoffen van bestrijdingsmiddelen die de overheid, ondanks toelating in het verleden, te schadelijk vindt. Er wordt aangekondigd dat deze 142 bestrijdingsmiddelen, waaronder vrijwel alle middelen die momenteel door ge­meenten gebruikt mogen worden, zo spoedig mogelijk, voor 1995, of in elk geval voor het jaar 2000 verboden zullen zijn. Een volledige lijst met deze 142 giffen, die voorkomen in duizenden handelsproducten, is aan het eind van dit hoofdstuk opgeno­men.

Het is dus een ernstig misverstand te denken dat alleen bestrijdingsmiddelen zijn toegelaten waarvan de overheid de risico’s toelaatbaar acht.

In de praktijk blijkt dat multinationale chemieconcerns al hun macht en mogelijkheden aanwenden om een verbod van de voor hen zo profijtelijke giffen tegen te gaan. Door beroepsprocedures heeft de chemie het verbod kunnen tegenhouden van een aantal giffen, zoals atrazin, simazin, diquat, paraquat en lindaan.

Bovendien tracht de chemie de overheid te dwingen giffen toe te laten die de overheid helemaal niet wenst toe te laten. Zo is eveneens door beroepsprocedures toelating verkregen voor het middel furathiocarb, ter behandeling van zaaizaad, terwijl bekend is dat een zangvogel sterft bij opname van slechts één zaadkorreltje.

VROM: GEMEENTELIJK GEBRUIK ONGEWENST

Het Ministerie van VROM meent dat het gebruik van bestrij­dingsmiddelen in openbaar groen grotendeels onnodig en dus ongewenst is. Dr.ir.A. Oudeman van het Ministerie van VROM zegt hierover:

"De schadelijke nevenwerking en de onnodige vervuiling van de directe leefomgeving van de mens behoren doorslaggevend te zijn voor de beoordeling. Dit betekent dat wij vanuit het oogpunt van milieubeheer streven naar een vrijwel volledige beëindiging van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in deze sector. En daarvoor pleiten in de Commissie Toelating Bestrijdingsmiddelen!"

GIFTIGHEID

De giftigheid van een bestrijdingsmiddel wordt bepaald door onderzoek met proefdieren, meestal ratten en muizen. De acute giftigheid wordt bijna altijd aangegeven met de LD-50 waarde. LD staat voor Letale (dodelijke) Dosis. De LD-50 waarde geeft de dosis van een stof aan, waarbij 50% van de proefdieren kort na de toediening sterft. Omdat proefdieren in gewicht verschillen wordt de waarde aangegeven in milli­grammen per kilogram lichaamsgewicht. Meestal wordt de orale LD-50 waarde aangegeven. Deze waarde zegt alleen iets over de hoeveel­heid van een middel, waarbij na toediening door de mond, de helft van het aantal proefdie­ren sterft. De waarde zegt niets over andere acute eigenschappen. Dieren die verlamd of blind worden of andere ernstige afwijkingen vertonen, maar de proef wel overleven, hebben geen enkele invloed op hoogte van de LD-50 waarde.

De mens kan gevoeliger voor een stof zijn dan de rat of een ander proefdier. Bovendien zegt de LD-50 waarde niets over de chronische effecten voor de gezondheid of over milieueffecten.

De Stichting Natuurverrijking betreurt het dat in de meeste literatuur over bestrijdingsmiddelen nog steeds veel aandacht geschonken wordt aan de LD-50 waarde, met name omdat gerelateerd aan deze waarde bestrijdingsmiddelen "niet gif­tig", "weinig giftig" o.i.d. genoemd worden. Dergelijke bewoordingen wekken bij lezers en eventueel gebruikers of voor gebruik verantwoordelijken, de indruk dat bepaalde bestrijdingsmiddelen vrijwel onschadelijk zijn en het gebruik ervan weinig kwaad zou kunnen.

Enerzijds leidt bekendmaking van informatie over middelen die op basis van LD-50 onderzoek "weinig giftig" zouden zijn in de praktijk tot onzorgvuldig en bovenmatig gifgebruik; anderzijds worden middelen die extreem giftig zijn -met gevaarsymbool op het etiket- "gewoon" toegelaten. Jaarlijks lijden en sterven wereldwijd honderdduizenden proefdieren voor LD-50 onderzoek.

De Stichting Natuurverrijking zou liever vandaag dan morgen zien dat LD-50 onderzoek werd afgeschaft.

LD-0 onderzoek, om te bepalen bij welke hoeveelheid van een stof geen proefdieren (nul procent) sterven wordt slechts zelden verricht en bekend gemaakt. Dan lijkt een stof veel giftiger, hetgeen niet in het belang is van het concern in wiens opdracht het middel wordt onderzocht.

Nog veel giftiger lijkt een bestrijdingsmiddel als gekeken wordt naar de NEL-waarde (No Effect Level). Dit is de maximale hoeveelheid van een stof waarbij na toediening aan proefdieren over een bepaalde periode geen gevolgen voor de gezondheid geconstateerd kunnen worden. Uiteraard gelden de met behulp van dierproeven verkregen NEL-waarden niet voor mensen, o.m. omdat uiterst kleine hoeveelheden van bestrijdingsmiddelen niet alleen lichamelijke, maar ook psychische gevolgen kunnen hebben, die in dierproeven niet of vrijwel niet geconstateerd kunnen worden.

Nog weer veel giftiger lijkt een stof als gelet wordt op de gevolgen van een stof voor het ecosysteem, waarbij getracht wordt te bepalen bij welke hoeveelheid van een stof ook de vermoedelijk meest gevoelige organismen in het ecosysteem nog juist niet nadelig beïnvloed worden. Dergelijk onderzoek naar ecotoxicologische giftigheid staat nog in zijn kinder­schoenen. Wie heeft er immers belang bij dergelijk onderzoek waarvan de resultaten zullen aantonen dat uiterst kleine hoeveelheden van een stof in het milieu ernstige gevolgen  hebben voor de natuur?

Vanuit het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zijn, in de nota "Kansen voor Waterorganismen", gege­vens gepubliceerd m.b.t. de ecotoxicologische giftigheid van bestrijdingsmid­de­len voor in het water levende organismen. Uit deze gegevens blijkt dat de norm van 0,1 microgram bestrijdingsmiddel per liter (drink)water volstrekt onvoldoende is om wat ons nog van de natuur rest te beschermen.

In het Meerjarenplan Gewasbescherming wordt aangekondigd dat gegevens m.b.t. giftigheid voor de mens, waaronder NEL-waarden, openbaar gemaakt zullen worden. In de prak­tijk blijkt echter dat vanuit het Ministerie van Volksge­zond­heid (WVC) deze openbaarmaking wordt tegengewerkt, omdat de gegevens het bezit van de chemie-concerns zouden zijn. De Stichting Natuurverrijking vermoedt dat deze tegen­werking vooral ook is ingegeven door het feit dat uit de documenten omtrent humane toxicologie onomstotelijk zal blijken dat de door WVC in ons voedsel toegestane hoeveelheden gif extreem hoog zijn. 

RISICO VOOR GEBRUIKERS

Gebruikers van bestrijdingsmiddelen zeggen vaak: "Wij werken alleen met toegelaten middelen", alsof toegelaten middelen geen nadelige gevolgen voor de gezondheid hebben. Zij vergeten vaak dat het bij gebruik van bestrijdingsmiddelen altijd van groot belang is om de voorzorgsmaatregelen op het etiket in acht te nemen om blootstelling aan bestrijdingsmiddelen zoveel moge­lijk te voorkomen. Bovendien weten gebruikers van bestrijdingsmiddelen vaak niet dat een middel nog lang na contact ermee nadelige chronische effecten kan hebben. Dit geldt ook voor middelen zonder waarschuwingsteken op het etiket. Deze waarschuwingen zijn gebaseerd op acute effecten, zoals LD-50 waarden en effecten als oog- en huidirritaties, effecten die kort na contact met bestrijdingsmiddelen kunnen optreden.

Het is moeilijk te bewijzen dat bepaalde symptomen door bestrijdingsmiddelen worden veroorzaakt, met name bij chronische effecten die nog jaren na blootstelling kunnen optreden. Zowel uit dierproeven als uit onderzoek bij de mens blijkt echter dat er verband is tussen blootstelling aan bestrijdingsmiddelen en chronische effecten, zoals effecten op de voortplanting, erfelijke afwijkingen en bepaalde vor­men van kanker.

BESTRIJDINGSMIDDELEN EN GEZONDHEID

Dr. Mary Griffiths heeft het boek "Bestrijdingsmidde­len en Gezondheid" geschreven, waarin een aantal van de gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen worden beschreven. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan de chronische effecten. Enige informatie uit dit boek wordt hieronder samengevat.

Uit een aantal Nederlandse rapporten blijkt dat huidaandoeningen relatief vaak voorkomen bij beroepsmatige gebruikers van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast komen oogaandoeningen en diverse andere vormen van acute vergiftiging voor. Storingen in de spier- en zenuwfunctie zijn gemeten in laboratorium onderzoek bij gebruikers die zelf nog geen gezond­heidsproble­men hadden bemerkt. In een uitgebreid onderzoek bleek dat mensen die lang en intensief werden blootgesteld aan bestrijdingsmiddelen niet alleen meer huidklachten en een lichte storing in het zenuwstelsel hadden, maar ook minder fit waren.

Kanker

Uit onderzoek blijkt dat huidkanker vaker voorkomt bij mensen werkzaam bij ongediertebestrijding. Beroepsmatige toepassers van bestrijdingsmiddelen bleken zowel in de Verenigde Staten als in Oost-Duitsland een hogere kans op longkanker te hebben. Er is bewijs dat mensen die veel met bepaalde middelen waaronder 2,4-D en MCPA werken, een hogere kans hebben om aan bepaalde soorten zacht weefsel kanker te lijden.

Uit dierproeven blijkt dat o.a. het onkruidbestrijdingsmiddel amitrol kanker kan veroorzaken. Midde­len waarvan het gebruik in meerdere landen wordt beperkt of verboden vanwege het risiko van kanker zijn o.a. daminozide, lindaan, maneb, captan en folpet.

Veel meer middelen hebben kanker veroorzaakt in een of meer dierproeven. In de tabel in "Bestrijdingsmiddelen en Gezondheid" is voor meer dan 120 middelen vermeld of zij kanker, erfelijke afwijkingen, aangeboren afwijkingen of effecten op de voortplanting hebben veroorzaakt in dier­proe­ven.

RISICO BEWONERS

Het gebruik van bestrijdingsmiddelen brengt altijd risico’s met zich mee. Ondanks een stipte naleving van alle voorschriften op de verpakking en het zorgvuldig opvolgen van alle verdere wettelijke bepalingen, kunnen mensen en/of dieren onbewust en onwetend met bestrijdingsmiddelen in aanraking komen. In het bijzonder zijn deze risico’s aanwezig op plaat­sen, die openbaar toegankelijk zijn, dus in feite vrijwel overal waar de overheid verantwoordelijk is voor het gebruik ervan. Elk jaar zijn er in ons land mensen of dieren, die nadelige gevolgen ondervinden van het gebruik van bestrij­dingsmiddelen. Zo worden bijvoorbeeld in Zuid-Hol­land vrijwel jaarlijks dergelijke incidenten bij de Inspecteur van Volksgezondheid gemeld. De Regionale Inspecteur van Volksgezondheid voor Zuid-Holland schrijft dit d.d. 15 juni 1982 in een waarschuwend schrijven aan alle Colleges van Burgemeester en Wethouders van Gemeenten in Zuid-Holland. Voorjaar 1984 werd een vrijwel identiek waarschuwend schrijven door alle Regionale Inspecties van Volksgezondheid voor de Hygiëne van het Milieu naar alle gemeentebesturen in Nederland gezonden, getiteld: "Het gebruik van bestrijdingsmiddelen op bestratingen en in het openbaar groen". "Naar Natuurrijk Groen" is opgenomen in de korte literatuur­lijst van deze nota. De gedeelten m.b.t. "Risico`s", "De noodzaak van het gebruik" en "Voorlichting" willen wij hier benadrukken en volledig citeren:

"Risico`s

Ondanks de wettelijke regelingen blijft aan het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen een zeker risico voor de omgeving verbonden, afhankelijk van de plaats en wijze van gebruik, de aard van het middel en de tijd van toepassing. Zelden kan worden gesteld dat chemische bestrijdingsmiddelen onschadelijk zijn voor andere organismen dan het te be­strijden organisme. Omdat de bestrating en het openbare groen (hieronder worden verstaan: parken, plantsoenen, laan- en straatbeplantingen, sport- en recreatieterreinen en wegbermen) voor het publiek toegankelijk zijn, dient bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen op deze plaatsen in bijzondere mate rekening te worden gehouden met de veiligheid van mens en dier. Een grote mate van terughoudendheid ten aanzien van het gebruik van deze middelen is hier dan ook in het bijzonder op zijn plaats.

De noodzaak van het gebruik

De meeste in het openbaar groen en op bestratingen optredende onkruiden, insecten, mijten en schimmels veroorzaken weinig of geen schade, zodat het gebruik van bestrijdings­middelen dan onnodig is.

Indien in bijzondere situaties toch een bestrijdingsactie nood­zakelijk zou zijn, dient te worden nagegaan in hoeverre het beoogde resultaat met andere middelen dan chemische be­strijdingsmiddelen kan worden bereikt.

Voorbeelden hiervan zijn:

-  mechanische behandeling ter bestrijding van onkruid (in plaats van herbiciden te gebruiken);

-  het gebruik van bodem bedekkende planten;

-  nathouden van het gras bij het optreden van engerlingen op sportvelden en gazons (in plaats van behandeling met insecticiden).

Met name op speelweiden en gazons dient in verband met het regelmatig betreden door kinderen en dieren geen behandeling met een chemisch middel te worden uitgevoerd. Men beperke zich tot maatregelen als beregenen en berollen van het gras bij aantasting door bodeminsecten en eventuele bemesting en dergelijke bij schimmelaantasting.

In bepaalde gevallen kan het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden voorkomen door de aanplant van voor planten­ziekten minder gevoelige cultivars (bijvoorbeeld rozencultivars met resistentie tegen meeldauw; schurftresistente culti­vars van Pyracantha en Malus).

Voorlichting

Het verdient aanbeveling om bestrijdingsacties van een goede en duidelijke voorlichting vergezeld te doen gaan.

Enerzijds wordt hiermede mogelijk bereikt dat het publiek rekening houdt met het feit dat op bepaalde plaatsen chemi­sche bestrijdingsmiddelen op of in de bodem of op planten aanwezig kunnen zijn in de tijd na toepassing, anderzijds kan hiermede onnodige onrust onder de bevolking worden ver­meden.

Het aan het publiek bekend maken van de plaatsen waar men desgewenst op eventuele vragen een antwoord kan geven, verdient eveneens aanbeveling.

Indien door het gebruik van bestrijdingsmiddelen op braak­lig­gende terreinen en dergelijke het risico van contactbesmetting voor mens of dier kan bestaan, ware dit voor de betreffende periode door middel van waarschuwingsborden of op andere wijze duidelijk aan te geven."

Einde citaat.

Meer recent zijn de waarschuwende woorden van Drs. H.W.A. Jans, arts en medisch milieukundige, werkzaam voor alle ge­zondheidsdiensten in de provincies Noord-Brabant en Zeeland:

"Ondanks wettelijke regelingen voor het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, blijven aan het gebruik in het openbaar groen risico's verbonden. Door de openbare toegankelijkheid moet rekening worden gehouden met de veiligheid en gezondheid van mensen en (huis)dieren. Terughoudendheid is bovendien op zijn plaats ten behoeve van het milieu. In het principe kan het gebruik beter geheel achterwege blijven; er bestaan voldoende alternatieven."

BESTRIJDINGSMIDDELEN ZIJN OVERAL

Het maken van onderscheid tussen milieurisico’s en gezondheidsrisico’s van bestrijdingsmiddelen is in feite kunstmatig. De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat bestrijdingsmiddelen in het milieu betekent dat deze giffen ook in ons lichaam geraken en onze gezondheid schaden. Bestrijdings­middelen zijn overal. In het boeket dat je geeft aan iemand van wie je houdt. In ons eten en drinken, in bodem, lucht en water, in planten en dieren en in ons eigen lichaam. Ons lichaam bevat van een aantal giffen hogere gehalten dan in ons voedsel is toegestaan.

Dat de huidige gehalten slecht afbreekbaar gif in ons lichaam onge­zond zijn lijkt logisch, maar pas in 1992 werd dit aangetoond. Recent onderzoek in de Verenigde Staten toont aan dat er een relatie bestaat tussen het voorkomen van borstkanker en het gehalte bestrijdingsmiddelen in het li­chaam.

De meeste bestrijdingsmiddelen worden door de landbouw in het milieu gebracht. De belasting van ons lichaam met name via voedsel is extreem hoog.

In dit hoofdstuk is met een aantal voorbeelden getracht een indruk te geven van de onzichtbaar voortwoekerende giframp. De huidige wetgeving en genomen maatregelen blijken onvoldoende om milieu en bevolking tegen bestrijdingsmiddelen te beschermen:

- Wie wenst bestrijdingsmiddelen in mist, dauw, sneeuw en regen? Giffen die via de huid in ons lichaam belanden.

- Wie wenst bestrijdingsmiddelen in voedsel? In de Verenigde Staten toont onderzoek aan dat ongeveer 6000 kinderen kanker zullen krijgen als gevolg van bestrijdingsmiddelen in voor het zesde levensjaar geconsumeerd groente en fruit.

- Wie wenst bestrijdingsmiddelen in drinkwater? - De maximaal toelaatbaar geachte hoeveelheid wordt in ons land regelmatig overschreden.

- Wie wenst bestrijdingsmiddelen in het eigen lichaam? - Moedermelk bevat veel hogere gehalten bestrijdingsmiddelen, zoals DDT en drins, dan de al veel te hoge normen die voor koemelk gelden.

- Wie wenst dat bestrijdingsmiddelen het milieu bederven, de natuur verwoesten en onze gezondheid bedreigen?

- Wie wenst contact met in de woonomgeving gespoten of gestrooid gif?

MILIEU-PERESTROJKA

Vanuit het Ministerie van Verkeer en Waterstaat wordt in de Derde Nota Waterhuishouding reeds gesteld dat een funda­mentele herbezinning op de huidige toe­passing van bestrijdingsmiddelen in de landbouw onontkoombaar is.

De tijd dringt. Drastische maatregelen zijn noodzakelijk. Als de politiek blijft aarzelen zal de bevolking zelf opkomen voor het recht op een gifvrij lichaam en een gifvrij milieu. Dan zal niet alleen de vervuiler betalen, maar ook de voor de vervui­ling verantwoordelijke bewindslieden zullen ter verantwoording worden geroepen.

Zolang het vertegenwoordigers van het Ministerie VROM ondanks verwoede pogingen niet gelukt is het gebruik van bestrijdings­middelen op openbaar toegankelijke plaatsen daadwerkelijk te verbieden, hebben gemeentelijke bestuurders de morele plicht niet-chemische methoden te gebruiken in de leefomgeving.

BESTRIJDINGSMIDDELEN WIJZER

De informatie in de vrijwel uitsluitend op basis van over­heidsgegevens sa­mengestelde tabel Bestrijdingsmiddelen-Wijzer toont aan dat bestrijdingsmiddelen gezondheid en milieu zeer ernstig bedreigen.

In 1992 zond de Stichting Natuurverrijking reeds alle Neder­landse gemeenten de uitgave "Bestrijdingsmiddelen Wijzer", waarin de eerste versie van deze tabel was opgenomen. Hieronder volgt een korte gebruiksaanwijzing van de tabel:

Achter 142 van de 164 stoffen op de Bestrijdingsmiddelen-Wijzer staat het woord "catastrofe". Met dit woord wordt aangegeven dat onze regering een verbod van de stof heeft aangekondigd in het Meerjarenplan Gewasbescherming, omdat het gebruik te schadelijk is voor het milieu.

Volgens ons Ministerie van Volksgezondheid zijn in Neder­land geen kankerverwekkende bestrijdingsmiddelen toegela­ten. De vermelding "kanker" met de letter B in de Bestrijdingsmiddelen Wijzer betekent dat de Amerikaanse overheid (EPA) het middel als waarschijnlijk kankerverwek­kend beschouwt. De letter C na het woord "kanker" geeft aan dat de stof volgens de EPA "mogelijk kankerverwekkend voor de mens" is.

De vermelding "zenuwgif" in de Bestrijdingsmiddelen-Wijzer berust weer volledig op informatie van de Nederland­se overheid. Daarvoor moet gekeken worden naar de kleine lettertjes op de verpakking. Als er achter "-toxicologische groep(en)" vermeld wordt ".... met cholinesterase remmende werking" is het een zenuwgif. Cholinesterase remming ver­oorzaakt ver­storing van de werking van ons zenuwstelsel. Kortdurende blootstelling aan geringe hoeveelheden kan direct merkbare vergiftigingsverschijnselen als misselijkheid, hoofdpijn en vermoeidheid veroorzaken. Langdurige, veelal onopgemerkte, blootstelling aan geringe hoeveelheden zenuwgiffen kan chronische vergiftiging veroorzaken met als verschijnselen: algemene vermoeidheid, koorts, spierzwakte, hoofdpijn, beschadigingen in het zenuwstelsel, gewichtsverlies, wisselende eetlust, hevige dorst en oogaandoeningen (Gezond­heidsraad, 1985).

Ons Ministerie van Volksgezondheid houdt bij de inschatting van de risico’s van bestrijdingsmiddelen geen rekening met het feit dat zenuwgiffen elkaars werking aanvullen, maar beoordeelt elk middel alleen afzonderlijk.

Via voedsel, lucht en regen komen we, onopgemerkt, dagelijks in aanraking met diverse zenuwgiffen, die ons lichaam aanzien­lijk belasten. Daarom verdient het aanbeveling geen bestrij­dingsmiddelen met cholinesterase remmende werking te gebruiken.

"Ecotox." betekent ecotoxicologische waarde. Dit is de hoeveelheid van een stof waarbij nog net geen effecten op levende organismen in het water aantoonbaar zijn. De in de Bestrijdingsmiddelen-Wijzer opgenomen ecotoxicologische waarden zijn gebaseerd op gegevens van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Vele bestrijdingsmiddelen blijken zo giftig te zijn, dat ze bij geringere hoeveelheden dan 0,1 microgram per liter water het ecosysteem schaden.

REKENEN MET BESTRIJDINGSMIDDELEN-WIJZER In de Bestrijdingsmiddelen-Wijzer is bij elke werkzame stof achter "Max.res." aangegeven welke hoeveelheid onze overheid maximaal toelaatbaar acht voor een of meer gewassen in milligram per kilo voedsel.

Het getal achter "ADI" (Acceptable Daily Intake) geeft de maximale hoeveelheid aan in milligram (mg) per kilo lichaamsgewicht, waar we volgens de Wereldgezondsheidsorganisatie op een dag mee in contact mogen komen.

Vergelijking van door ons Ministerie van Volksgezondheid toegestane residuen met ADI waarden maakt duidelijk dat de gehalten gif in ons voedsel van onze overheid extreem hoog mogen zijn.

Een rekenvoorbeeld:

We kijken in de wijzer naar Amitrol, een gif waarvoor in de V.S. en in Denemarken op het etiket voor kanker moet worden gewaarschuwd. De ADI is 0,00003 mg/kg. Alle voedsel dat maximaal 0,05 mg per kilo bevat voldoet aan de wettelijke norm. Een kind dat tien kilo weegt zou op een dag maximaal 10 x 0,00003 mg = 0,0003 mg Amitrol mogen opnemen. 100 gr. voedsel of drin­ken, dus bijvoorbeeld een klein bekertje vruchtensap, mag wettelijk 0,005 mg bevatten. Dat is dus al bijna twintig maal de hoeveel­heid die volgens de ADI uit oogpunt van gezondheid maximaal toelaatbaar is. Dit rekenvoorbeeld maakt overduidelijk dat overschrijding van de ADI, gezien de hoogte van toegestane residuen in voedsel, zeker niet denkbeeldig is. Daarbij moet bedacht worden dat bij de vaststelling van toegestane residuen in voedsel geen rekening wordt gehouden met opname van giffen op andere wijzen:

- door huidcontact of inademing als gevolg van privé gebruik in of om het huis,

- door contact met door de gemeente gebruikt gif in de woon­omgeving,

- als gevolg van contact met in bodem, water en/of lucht aanwezige residuen.

Ieder kan met de gegevens in de "Bestrijdingsmiddelen-Wijzer" per stof berekeningen uitvoeren, waardoor de noodzaak van het nemen van drastische maatregelen overduidelijk wordt aangetoond. In diverse uitgaven van de Stichting Natuurverrijking zijn meer van dergelijke rekenvoorbeelden opgenomen.

NIET IN BM-WIJZER GENOEMDE STOFFEN

Het is een ernstig misverstand als gedacht wordt dat de niet in de Wijzer vermelde middelen onschadelijk voor milieu en gezondheid zijn.

De lijst met giffen die volgens het Ministerie van Milieubeheer (VROM) verboden zouden moeten worden zal langer worden, want nog lang niet alle stoffen zijn herbeoordeeld.

Maar ook aan stoffen die wel zijn herbeoordeeld en niet in de Wijzer staan zijn ernstige bezwaren verbonden. Daarom volgen hieronder beknopt enige gegevens over het al wel herbeoordeelde gif glyfo­saat (Roun­dup) van Monsanto:

- Er zijn diverse gevallen bekend van huidirritatie bij kinderen, als gevolg van contact met in de woonomgeving gespo­ten Roundup.

- Het middel is verontreinigd met de vermoedelijk kankerverwekkende stof 1,4 dioxaan.

- De "niet-werkzame" bestanddelen (waaronder polyethy­leen­amine) zijn vermoedelijk giftiger dan het werkzame be­standdeel glyfosaat.

- In de bodem wordt glyfosaat omgezet tot verschillende giftige omzettingsproducten, waaronder de metabolieten aminomethyl-fosfonzuur en het vermoedelijk kankerverwekkende N-nitrosoglyfosaat.

- Voor een aanzienlijk deel wordt glyfosaat aan bodemdeeltjes gebonden en vrijwel niet meer afgebroken.

- Uit de uitspraak van een rechtszaak in Denemarken blijkt dat het middel abortus kan opwekken.

- Glyfosaat breekt in planten zeer slecht af. Daarom werd het toegestane residu in voedsel in de jaren tachtig tot het 400-voudige verhoogd.

- Glyfosaat is in oppervlaktewater aangetoond.

- Bij toelatingsonderzoek voor glyfosaat bleek begin tachtiger jaren te zijn gefraudeerd bij Industrial BIO-test Laboratories in de Verenigde Staten .

- Bij toelatingsonderzoek voor glyfosaat bleek begin negen­tiger jaren opnieuw te zijn gefraudeerd, nu bij Craven Laboratories in de Verenigde Staten .

- Uit gegevens van de Deense overheid blijkt dat het middel voor diverse boomsoorten via de bodem een dodelijke werking heeft.

- Jarenlang reeds wordt voor Roundup op zeer misleidende wijze reclame gemaakt en voorlichting gegeven. Zie hierover hoofdstuk 7 en bijlage 3.

Ieder die informatie wenst over bepaalde bestrijdingsmiddelen, met name de middelen die (nog) niet in Bestrijdingsmiddelen-Wijzer genoemd worden, kan contact opnemen met de Stichting Natuurverrijking.

WIJS, WIJZER, WIJST

Werkelijk milieubewuste gemeenten onderhouden niet alleen zelf bestrating en groen zonder gif, maar geven ook voorlichting om het gebruik door particulieren zo veel mogelijk te beperken. Dit niet alleen in het belang van natuur, milieu en de gezondheid van de inwoners, maar ook om in de toekomst de kosten voor extra zuivering van drinkwater, kompost en (water)bodemsaneringskosten zo veel mogelijk te voorkomen.

De in dit boekje opgenomen bestrijdingsmiddelenwijzer staat op een aparte pagina op deze website.

2.  BESTRIJDINGSMIDDELEN EN NATUURVERARMING

Het aantal soorten in ons land levende planten en dieren is, vooral sinds de tweede wereldoorlog, sterk achteruit ge­gaan. Het gebruik van chemische bestrij­dingsmiddelen heeft hierbij een zeer grote rol gespeeld; een veel grotere rol dan veel mensen hebben onderkend. Bestrijdingsmiddelen worden immers gebruikt op een groot deel van de opper­vlakte van ons land, op vrijwel alle in kultuur gebrachte gronden. Op akkers, tuin­bouwgronden, weilanden, in sloten, plantsoenen en zelfs in bossen, worden in ons land jaar in jaar uit onge­veer 20 mil­joen kilo bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze hoeveelheid betreft alleen de werkza­me stoffen. Daarbij komt dus nog een enor­me hoeveelheid oplosmiddelen (zoals xyleen of tolueen), vloei- en kleefmiddelen, talk, kaolien, verontrei­nigingen van de werkza­me stof en andere stoffen uit de handelsprodukten. Omdat de samenstelling van bestrijdings­middelen, uitgezonderd de werk­zame stof, geheim is, weet geen enkele gebruiker exakt welke stoffen worden verspreid.

Geen enkel chemisch bestrijdingsmiddel is alleen giftig voor de te bestrijden organismen. Bij elke bestrijding worden onbedoeld ook planten en/of dieren gedood, die niet het doel van de bestrijding zijn. Vaak wordt dit door de toepasser niet opgemerkt, omdat de "per ongeluk" vergiftigde organis­men vrij klein en onopvallend zijn, of omdat de slachtoffers in de bodem leefden. Het herbicide dichlobenil bijvoorbeeld is in de praktijkdosering dodelijk giftig voor regenwormen. Dit vormt voor de toelating kennelijk geen bezwaar, er behoeft zelfs geen melding van gemaakt te worden op het etiket.

De achteruitgang van de zanglijster wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het gebruik van slakkengif.

Ook na realisering van de in het Meerjarenplan Gewasbe­scherming aangekondigde sanering zullen bestrijdingsmidde­len planten en dieren vergiftigen, die niet het doel van de bestrijding zijn; het beleid is er immers niet op gericht het voort­bestaan van alle soorten te waarborgen. Volgens de notitie "Omgaan met risico's" van het Nationaal Milieube­leidsplan moet het maximaal toelaatbare risiconiveau (MTR) slechts minimaal 95% van het aantal soorten water­organis­men waarborgen. 

Alle herbiciden hebben een nadelige invloed op de bodem­struc­tuur. Elke gebruiker van bestrijdingsmiddelen kent het dicht­slaan van de bodem. Dit heeft een zeer nadelige invloed op de in de bodem aanwezige mikro-flora en -fauna.

In de regel kunnen we weinig zien van het leven van deze mikro-organismen, maar voor de natuur zijn ze van de grootste betekenis, o.a. omdat mikro-organismen belangrijke producenten van kooldioxide (CO2) zijn. Groene planten nemen kooldioxide uit de lucht op, waardoor ze mede onder invloed van zonlicht hun bestanddelen opbouwen en als afvalprodukt zuurstof vormen.

Als door bestrijdingsmiddelen grotere dieren als vogels, hazen of vissen vergiftigd worden is dat soms meer opval­lend. Het Centaal Diergeneeskundig Instituut te Lelystad toont herhaal­delijk aan dat in het wild levende dieren zoals hazen, meeu­wen, ganzen en roofvogels slachtoffer worden van bestrijdings­middelen.

Ondanks onze bijzondere zorg voor huisdieren, blijkt uit gegevens van het Nationaal Vergiftigingen Informatiecen­trum, dat ook huisdieren regelmatig slachtoffer worden van bestrij­dingsmiddelen. Honderden ver­gifti­gingen van honden en katten zijn gemeld, waarvan opvallend veel ver­gif­tigingen door paraquat. Dit middel, dat in Weedol nog steeds op open­baar toegankelijke plaatsen gebruikt mag worden, is "voor dieren zeer gevaarlijk". Kontakt met bespoten vegetatie kan een dodelijke afloop hebben.

Zeer waarschijnlijk is het aantal vergiftigingsgevallen in werkelijkheid veel hoger. Lang niet altijd zal men verband met een bepaald bestrijdingsmiddel leggen en nader onder­zoek laten verrichten 

Behalve direkte of akute vergiftiging door bestrijdingsmidde­len kan er ook sprake zijn van vergiftiging op langere ter­mijn, chronische vergiftiging.

Diverse stoffen zoals drins, DDT, PCB's en sommige meta­bolie­ten en verontreinigingen van bestrijdingsmiddelen, hopen zich op in de lichamen van levende wezens. Dat veel dieren door ophoping van dergelijke stoffen omkomen of verminderd vrucht­baar zijn is bekend, vooral sinds de publi­katie van Rachel Carsons "Dode lente". In het Wadden­gebied waren drins van Shell verantwoordelijk voor een sterke decimering van de kolonies eidereenden, lepelaars, sterns en visdiefjes.

Nog steeds worden op diverse plaatsen in ons milieu abnor­maal hoge gehalten PCB's, lindaan, DDT en drins aangetrof­fen.

Aanhoudende sterfte onder roofvissen in Diergaarde Blijdorp te Rotterdam werd veroor­zaakt door het hoge gehalte PCB van de uit het stroomgebied van de Rijn afkomstige voeder­vis. Door de vis uit een ander gebied te betrekken werd dit probleem opge­lost. Voor de enkele soorten vissen, die nog in de Rijn kunnen leven is geen oplossing. 

Er wordt nogal eens gesuggereerd dat alleen de oudere, nu in ons land vaak verboden middelen, zich stapelen. De laatste jaren blijkt steeds vaker, dat ook diverse "jongere" bestrij­dings­middelen, zoals synthetische pyrethroïden zich stapelen in levende organismen.

ECOTOXICITEIT

Vanuit het Ministerie van Verkeer en Waterstaat werd van 55 bestrijdingsmiddelen de ecotoxicologische waarde bepaald. Dit zijn getalswaarden die, met de huidige kennis van de toxicolo­gie, zijn geformuleerd op niveau's, waarbij in het laboratori­um juist geen effekten op populaties aantoonbaar zijn. Van 23 van deze 55 bestrijdingsmiddelen is een hoe­veelheid kleiner dan 0,1 microgram per liter schadelijk voor het ecosysteem. Voor zover betrekking hebbend op momen­teel toegelaten stoffen zijn deze waarden in de BMW in het vorige hoofdstuk opgenomen.

Het zal niemand verbazen dat bestrijdingsmiddelen die zo giftig zijn voor waterorganismen ook bij gebruik volgens de voorschriften in het water geraken en planten en dieren in het water doden. In het MJPG wordt in bijlage 6 "Overzicht huidige kennis van effecten op de natuur" dan ook o.m. vermeld: "Op grond van nu beschikbare veld- en laboratori­umgegevens leidt het weinig twijfel dat de concentraties van bestrijdingsmidde­len in de Westlandse oppervlaktewateren en waarschijnlijk in alle glasteeltgebieden schadelijke nevenef­fecten hebben." In deze bijlage wordt gekonkludeerd dat de entomofauna (insekten) op en in de direkte nabijheid van bespoten perce­len ingrij­pend door bestrijdingsmiddelen wordt beïnvloed.

In het Westland zijn veel sloten "ekologisch dood"; voor parathion en dichloorvos worden waarden gemeten tot 60.000 maal de norm.

BESTRIJDINGSMIDDELEN IN REGEN

Helaas worden in regenwater al zoveel verschillende bestrij­dingsmiddelen in zodanige grote hoeveelheden aangetroffen dat de nadelige effekten van bestrijdingsmiddelen op planten en dieren niet tot bespoten percelen beperkt blijven. Het herbi­cide atrazin werd bij eerste oriënterende metingen in regenwa­ter in hoeveelheden tot 10x de ecotoxicologische waarde van de stof aangetroffen. Het insekticide dichloorvos werd in 1991 in Zuid-Holland zelfs in regen­water tot 3000x de voor het ecosysteem schadelijke hoeveel­heid gemeten. Dit maakt duide­lijk dat het zeer aannemelijk is dat bestrij­dings­middelen een voorname rol spelen bij het uitster­ven van plant- en diersoor­ten. Het is dan ook weinig verba­zingwek­kend dat onze ministers van Landbouw en Milieu in ant­woord op kamervragen stellen dat het noodzakelijk is om na te gaan of er relatie bestaat tussen de afnemende vitaliteit van onze bossen en de aanwezigheid van herbiciden en fungiciden in regenwater.

Het feit dat de ecotoxicologische waarde van veel bestrij­dingsmiddelen lager is dan 0,1 microgram per liter geeft aan dat het van het grootste belang is dat nog geringere hoe­veelhe­den meetbaar moeten zijn.

DE PURPERSLAK STERFT UIT

Veel plant- en diersoorten stierven vrijwel onopgemerkt uit, voordat onderzoek verricht kon worden naar de oorzaak. Ook nu is het bewijs dat een soort uitsterft als gevolg van toepas­sing van bestrijdingsmiddelen heel moeilijk te leveren. Een diersoort waarbij dit bewijs wel geleverd is alvorens de soort uitsterft is de nu nog in de Noordzee levende purperslak. Door organotin-bestrijdingsmiddelen zijn deze dieren steriel gewor­den. De slakken planten zich niet meer voort, zodat de soort over enkele jaren zal uitsterven.

ONKRUID BESTAAT NIET MEER

Door de gigantische hoeveelheden bestrijdingsmiddelen die gebruikt worden is er voor de vele van nature in ons land voorkomende planten en dieren vrijwel geen leefruimte meer beschikbaar. Wij menen helaas te moeten constateren dat "on­kruid" niet meer bestaat:

Jac. P. Thijsse (1865-1945) heeft nog juist het begin van de ontwikkelingen m.b.t. het gebruik van bestrijdingsmiddelen meege­maakt. Hij waarschuwde reeds: "Het is zeer wel mo­gelijk dat, wat nu zeer algemene onkruiden zijn, mettertijd tot heel zeldzame planten zullen worden". Helaas zijn deze woorden waarheid geworden. In Nederland zijn intussen van de ongeveer 1500 soorten wilde planten er ruim 750 zeld­zaam tot zeer zeldzaam geworden, of zelfs geheel uitgeroeid.

Veel mensen beseffen niet, dat waar men herbiciden gebruikt er ook voor zeer veel diersoorten, die op of nabij de bodem hun voedsel zoeken, geen levenskansen meer zijn, zoals bijvoor­beeld het roodborstje en het winterkoninkje. Deze soorten ontbreken in "chemisch behan­delde" plantsoenen als broed­vogel: buiten het broedseizoen kunnen ze als dwaalgast soms wel waargenomen worden.

ACHTERUITGANG FLORA EN FAUNA

Betreffende de achteruitgang van onze flora en fauna citeren wij uit "Nederland Natuurlijk" een uitgave van CRM, 1981:

"Van de in 1900 in ons land voorkomende plante­soorten is nu 5% uitgestorven en verkeert 53% in gevaar. Daarnaast nam ook de spreiding over ons land van tal van plante­soorten af. Zo zijn een aantal vroe­ger vrij algemeen voorkomende soorten nu zeldzaam geworden.

Dit blijkt uit de afname van het gemiddeld aantal plante­soorten per vierkante kilometer. In 1900 be­droeg dit aantal 120 soorten, in 1970 nog maar 70.

Bovendien is het aantal exemplaren van veel soorten sterk achteruit gegaan.

De inventarisatie van het dierenleven, de fauna, geeft al evenmin een opwekkend beeld te zien: van de 56 in ons land voorkomende zoogdieren zijn sinds 1950 33 soorten in aantal sterk achteruit gegaan, bijvoor­beeld de vleer­muis, de zee­hond, de otter, de das en de steenmarter.

Van de insekten weten we dat van de 66 inheemse dagvlin­ders er tussen 1968 en 1978, 8 soorten niet meer in ons land zijn gezien en 40 soorten sterk tot zeer sterk achteruit zijn gegaan.

Van de 68 inheemse soorten libellen zijn er sinds 1950, 10 verdwenen en 23 achteruit gegaan.

Bij de vogels werd de afgelopen jaren sterke achter­uit­gang gekonstateerd bij onder meer de nachtzwa­luw, grauwe klau­wier, korhoen, zomertaling, kwartel­koning, nachte­gaal, geel­gors, grote karekiet, water­snip, kemphaan en tureluur."

Uit het Natuurbeleidsplan (NBP, Ministerie van Landbouw en Visserij, 1989) blijkt dat de situatie inmiddels niet verbe­terd is. Het NBP vermeldt o.m. het volgende:

"Teruggang plant- en diersoorten

De achteruitgang van het aantal planten en dieren in ons land blijkt nog steeds door te zetten. Dit geldt niet alleen voor de zeldzame soorten. Er is sprake van een algehele achteruit­gang. De diversiteit neemt af. De achteruitgang van de natuur is vooral zo ernstig omdat het tempo waarin dit geschiedt niet is afgeno­men.

Uitgesproken slecht gaat het met reptielen (alle soor­ten gaan achteruit), amfibieën (driekwart van de soor­ten gaat achteruit) en met dagvlinders (90% van de soorten gaat achteruit)."

In 1973 werden 58 soorten in ons land voorkomende wilde plan­ten en een groot aantal diersoorten beschermd verklaard.

Uit bovenstaande gegevens blijkt dat deze bescherming onvol­doende positief effekt gehad heeft. Ook de bebouwde omgeving kan gunstige kondities bieden voor de aanwezig­heid van (beschermde) planten en dieren.

In het NBP wordt (te) intensief groenbeheer genoemd als een van de be­langrijkste knelpunten voor de na­tuurwaarden in en rond de bebouwde kom.

LEEFRUIMTE

In de duizenden hektaren plantsoenen, die gemeenten in ons land beheren, moeten naar onze mening de plant- en dier­soor­ten, die oorspronkelijk in ons land voorkomen veel meer dan tot heden het geval is, kans krijgen om te leven.

Voor deze soorten is vooral leefruimte nodig. Die ruimte is er op de in kultuur gebrachte grond niet. In de plant­soenen is die ruimte er wel.

Sinds het gebruik van bestrijdingsmiddelen in wegbermen verbo­den werd (uitgezonderd het gebruik van MCPA, uit­sluitend bij pleksgewijze bestrijding van de akkerdistel), zijn de bermen een belangrijke rol gaan spelen bij de instandhou­ding van onze natuur. De Stichting Natuurverrijking meent dat deze rol ook voor plantsoenen is weggelegd. Wij zouden graag plantsoenen zien, niet alleen met een zo rijk mogelijke variatie inheemse bomen en struiken, maar ook met vele soorten wilde planten en de daarbij behorende vogels, kevers, rupsen, vlinders, kik­kers, padden en wellicht egels, wezels, hermelijnen enz. In bijvoorbeeld Lelystad leven ook deze laatste soorten weer in de plantsoenen.

Er dient in de plantsoenen naar gestreefd te worden dat er een soort natuurlijk evenwicht ontstaat. Een explosieve ontwikke­ling van een bepaalde diersoort (denk bijv. aan "rupsenplaag") zal door de aanwezigheid van diverse natuur­lijke vijanden weinig voorkomen en indien dit toch het geval is in de regel zonder ingrijpen van de mens "opgelost" wor­den.

Met "Natuurrijk Groen" levert elke gemeente een bijdrage aan de verwezenlijking van het Nationale en Provinciale Natuurbe­leid, zoals aangegeven in het Natuurbeleidsplan en Provinciale Natuurbeleidsplannen.

3. AFVAL VAN DE BESTRIJDINGSMIDDELENINDUSTRIE

Niet alleen de vele miljoenen kilo's be­strijdingsmiddelen, die jaar in jaar uit in ons land gebruikt worden, maar ook het produktieproces en de afvalstoffen die bij de produktie vrij­komen, vormen een bedrei­ging voor gezondheid en milieu. De gebrui­ker van bestrijdingsmiddelen is hiervoor medever­antwoorde­lijk.

In de media worden we helaas herhaaldelijk gekonfronteerd met ongelukken bij de pro­duktie en de onverantwoordelijke wijze waarop bestrijdingsmiddelenfabrikanten met hun afval­stoffen omgaan.

De tot heden meest ernstige ramp bij de produktie van be­strijdingsmiddelen vond eind 1984 bij Union Carbide in Bhopal, India, plaats. Enkele tienduizenden men­sen werden getrof­fen, toen een wolk methylisocyanaat ont­snapte. Ten­minste 2500 mensen stierven als gevolg van akute vergifti­ging.

In 1986 ging een bestrijdingsmiddelenopslagplaats van San­doz te Bazel in vlammen op, waarbij vrijwel alle leven in de Rijn werd vernietigd.

Dat onverantwoord met afvalstoffen wordt omgegaan blijkt o.a. uit de volgende voorbeelden van bekende verontreinigin­gen van een viertal bedrijven: a) AKZO, b) Duphar, c) Aagrunol en d) Shell:

a) Onder verantwoordelijkheid van AKZO werden duizen­den tonnen van het zeer giftige en persistente HCH (hexachloor­cyclohexaan) afge­voerd. Op vele plaatsen in Twente werd de bodem ernstig met HCH verontreinigd.

In de Botlek vervuilt AKZO water en slib met stoffen, die vrijkomen bij de pro­duktie van o.a. MCPA, een middel dat wel door gemeenten wordt gebruikt. MCPA bevatte tot voor kort 50% niet-werk­zaam MCPA (isomeer). Feitelijk is met het bestrijdingsmid­del gedurende tientallen jaren miljoe­nen kilo's chemisch afval gedumpt.

b) Duphar (nu Solvay Duphar of Pro Agro) is verantwoor­delijk voor ernstige verontreinigin­gen door het dumpen van afval in de Volger­meerpolder en aan de Diemerzeedijk. Jarenlang heeft Duphar giganti­sche hoeveelheden afvalstof­fen geloosd op het Noordzeekanaal, waarbij met name dioxinen, die vrijkomen bij de produktie van het door veel ge­meenten gebruikte met dioxine verontreinigde herbicide dichlobenil (merkna­men o.a. Casoron G, Fydulan en Corsage).

c) Het inmiddels door Aagrunol (nu Scheering AAgrunol) verlaten bedrijfsterrein te Groningen is bekend als het ern­stigste geval van bodemver­ontreiniging in de pro­vincie Groningen. Diverse zeer schadelijke stoffen worden ook in de omgeving van het terrein en in het grond­water aangetrof­fen. De reinigings­kosten worden geraamd op 50 mil­joen gulden.

d) In Rijnmond en wijde omgeving is Shell verantwoor­delijk   voor ernstige verontreinigingen als gevolg van lozingen en dumpingen van afvalstoffen, vrijgekomen bij de produktie van o.a. drins. Shell levert nog steeds dieldrin en aldrin voor de export. Deze stoffen mogen al jaren niet  meer in ons land worden gebruikt. In Gouderak moest een groot aantal hui­zen wor­den afge­broken, omdat de bodem ernstig is verontreinigd met drins van Shell.

Het konsumeren van vis uit de Hollandse IJssel en het zwemmen in deze rivier wordt door het Provinciaal Be­stuur  van Zuid-Holland afgeraden, vanwege de ernstige verontrei­nigi­ng met drins.

Worden we door deze schade en schande ook wijs?

- Nog dagelijks verontreinigen de bestrijdingsmiddelen­in­dus­trieën, met of zonder lozingsvergunning, onze bodem, lucht en water met grote hoeveel­heden afval­stoffen.

- Chemische afvalstoffen die in ons land niet meer ge­dumpt/verwerkt kunnen worden, werden geëxpor­teerd en soms zelfs "hergebruikt" in bestrijdingsmid­delen. Een voor­beeld van dergelijk "hergebruik" is dichloorprop­een. Di­chloor­propeen is afval bij de synthese van glycerine. Na de ontdekking van de insecticide werking van deze stof werd dit afval o.a. door Shell verkocht als grondontsmet­tingsmid­del. Helaas bevat ook dichloorpropeen vele veront­reini­gingen, waaronder dichloorpropaan, die het milieu ernstig verontrei­nigen.

- Vele overheden werken als grootverbruikers van be­strij­dings­middelen zelf nog steeds mee aan vergroting van de hoe­veelheden afvalstoffen in het milieu.

- Verontreiniging bij de productie van een stof speelt geen enkele rol bij de toelating van bestrijdingsmiddelen.

- Fabrikanten van bestrijdingsmiddelen worden nog steeds niet verantwoordelijk gesteld voor de gevolgen van hun producten. Zelfs als de herkomst (lees fabri­kant) van een in (drink)water aangetroffen bestrij­dingsmiddel bekend is, wor­den de kosten van zuive­ring niet verhaald op de vervuiler, maar op de afne­mer van het water, de consument. Bijzonder wrang is het daarbij te bedenken dat voor de bedrijven die de verontreiniging veroorzaken, als groot­verbruiker, zelfs lagere watertarieven gelden.

4. ESTHETISCHE EN ETHISCHE OVERWEGINGEN

Hoe betrekkelijk is het schoonheidsideaal van de mens! In een bos vindt iedereen onderbegroeiing normaal en mooi. In ons gemeentelijk openbaar groen krijgen een aantal mensen hun schoonheids/netheidsideaal, zwarte aarde onder de bo­men, nog steeds verwezenlijkt, zonder veelal te beseffen dat dit ten koste gaat van levens van duizenden dieren en plan­ten, risico’s voor de volksgezondheid, milieuaantasting en andere bezwaren in dit boekje genoemd.

Wij vinden plantsoenen met een rijk gevarieerder kruidenlaag en de daarbij behoren­de vogels, kevers, rupsen, vlinders, kik­kers enz., mooi.

Wij menen dat meer kennis van onze natuur ook zal leiden tot een grotere waardering van de schoonheid ervan.

Hier ligt een belangrijke taak voor de overheid.

Ons inziens moet de overheid zelf een goed voorbeeld geven wat betreft milieuaangele­genheden.

Kan de overheid wel aan anderen regels stellen wat betreft milieubescherming en zelf honderden, zo niet duizenden kilo's chemische stoffen, in de vorm van bestrij­dingsmiddelen in het milieu brengen?

Is het ook ethisch wel verantwoord zoveel planten te doden en dieren het leven onmo­gelijk te maken (voedselgebrek), omwille van het schoonheidsideaal van een aantal mensen?

Is het doden van planten en dieren met chemische stoffen eigenlijk niet vergelijkbaar met het doden van jonge zee­hond­jes, hetgeen vrijwel iedereen afkeurt?

Het laatste gebeurt ver bij ons vandaan, het eerste gebeurt vaak vlak bij onze eigen deur, veelal zonder dat de meeste mensen het zien of opmerken en beseffen welke bezwaren aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen verbonden zijn voor mens, dier en milieu.

5. EDUKATIEVE ASPEKTEN

In de plantsoenen die door de gemeenten in de directe om­geving van de woningen worden beheerd, zouden de bewo­ners jaarlijks van 1 januari tot en met 31 december moeten kunnen genieten van al wat de natuur op die plaatsen in al zijn verscheiden­heid kan bieden.

Door middel van plaatselijke uitgaven en ondersteuning van het onderwijs kan extra de aandacht worden gevestigd op hetgeen de natuur in een bepaalde omgeving en periode biedt.

Wij citeren hieromtrent uit "Gemeenten Natuurlijk", een uitga­ve van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten:

"Te denken valt aan een stelselmatige aandacht voor bestaande flora en fauna in zowel stedelijke als landelijke gebieden; een gevarieerde aanleg van groenvoorzieningen (parken, plant­soenen, heemtuinen, vijvers, enz.)."

In het begin van deze eeuw pleitten Heimans en Thijsse er al voor dat bij biologieonderwijs uitgegaan dient te worden van het jaargetijde en de omgeving van de school.

In diverse publicaties over biologiedidactiek komen we o.a. de volgende doelstellingen tegen:

-               het kunnen benoemen van wilde planten, bomen en struiken en dieren uit de eigen omgeving,

-               eerbied voor het leven bijbrengen,

-               het waarderen van de rijkdom aan vormen bij levende organismen,

-               leiden tot liefde en eerbied voor de schepping Gods,

-                leerlingen milieubewust maken en de samenhang in de natuur doen beseffen.

Als de omgeving van de school chemisch wordt behandeld, is het bereiken van deze doelstellingen erg moeilijk.

In "De tuin om de school, wat doe je ermee?" - een uitgave van de Stichting voor de Leerplanontwikkeling en het Insti­tuut voor Natuurbeschermingseducatie -, staat dan ook o.m. over de overeenkomsten van verreweg de meeste schoolter­reinen in ons land:

-               de eventueel aanwezige beplanting lijkt sterk op het conventionele plantsoen: grasveldje, struiken (cotoneaster en berberis), enkele bomen, het geheel vaak saai en steriel,

-                pedagogische en onderwijskundige overwegingen hebben bij de inrichting van het schoolterrein een ondergeschikte rol gespeeld: het gebeuren in het schoolgebouw heeft maar weinig relatie met de om­geving buiten.

Het moet duidelijk zijn dat vanuit pedagogisch en onderwijs­kundig oogpunt het de onderwijsgevenden moeilijk gemaakt wordt genoemde doelstellingen te bereiken, indien gemeenten het openbaar groen op zo'n steriele, weinig creatieve wijze behe­ren, zoals nog steeds vaak gebruikelijk is.

Hoe kan een onderwijzer(es) aan zijn leerlingen de noodzaak van bespuitingen met chemische middelen door de overheid uiteenzetten? Moet hij verbieden tussen de bomen te lopen, takken te breken of bloemen te plukken, terwijl de overheid vrijwel het gehele bodemleven d.m.v. herbiciden onmogelijk maakt?

Ter illustratie een waar gebeurd verhaal uit de praktijk in ons onderwijs te Lekkerkerk:

Klas 4 van een school uit deze "bekende" plaats gebruikt de taalmethode: Taal-totaal, deel 4a.

In september begint de klas met het thema "de natuur". Dit wordt in genoemde taalmethode ingeleid met "de groene tien", waarvan regel 2 en 3 luiden:

                2. We laten bloemen en struiken staan.

                3. We laten vogels en andere dieren met rust.

Na diverse lesjes wordt o.m. het gedicht "mens toch" behan­deld. Hiervan luidt het laatste couplet:

                Mens toch, wat ben je begonnen?

                Steeds iets nieuws heb je verzonnen.

                De natuur? die heb je mooi verpest,

                en dat weet je best!

Na weer diverse lesjes begint de klas aan de bespreking van les 5, blz. 50:

                "We moeten voorzichtig zijn met de natuur. Maak een affiche, waarop dat aan alle mensen duidelijk wordt gemaakt."

Als de klas juist bezig is met bespreking van deze opdracht komen er voor het lokaal werklieden van de Gemeentelijke Plantsoenendienst voorrijden, met hun luid ronkende motor­spuit  en beginnen op losliggende bladeren te sproeien.

Er liggen veel afgevallen bladeren op de bodem, wilde plan­ten zijn er vrijwel niet te zien.

Natuur in de woonomgeving is noodzakelijk om een verdere vervreemding van de natuur te voorkomen.

Gemeentebesturen verwachten terecht van hun bewoners natuur- en milieubewust gedrag. Er valt weinig tegen in te brengen dat de gemeente dan zelf wel het goede voorbeeld moet geven.

De Stichting Natuurverrijking is verheugd te kunnen constateren dat steeds meer gemeentebesturen deze voorbeeldfunctie vervullen, het bestrijdingsmiddelengebruik beëin­digen, het groen natuurrijk beheren en een actieve rol spelen bij de bevordering van natuur- en milieubewust gedrag.

6. BESTRIJDINGSMIDDELEN, WETTELIJKE ASPEKTEN EN ADVIEZEN VAN DIVERSE INSTANTIE

Gemeentebesturen zijn verantwoordelijk voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen in hun gemeente. Gemeen­telij­ke ge­bruikers, dus de verantwoordelijke ge­meentebestu­ren, dienen zich te houden aan vele aanwijzingen, verorde­ningen, voorschriften en wettelijke bepalingen in deze.

Bij de toe­passing van bestrijdings­middelen hebben we in de eerste plaats te maken met hetgeen op het etiket is vermeld. Bij toelating en eventuele ver­lenging van toelating wordt bepaald op welke wijze elk afzonderlijk handelsprodukt dient te worden gebruikt en voor welke toepassing(en) het middel is toegela­ten.

TOELATINGSBESCHIKKING

In de zogenaamde "Wettelijke Toelatingsbe­schikking" is vrijwel letterlijk vastge­legd wat de fabrikant op het etiket van een produkt moet vermelden. Niemand die enigszins op de hoogte is van bestrijdingsmiddelengebruik zal tegenspreken dat in de praktijk lang niet altijd de voorschriften van het etiket worden opgevolgd, waardoor gezondheid, natuur en milieu nog eens extra worden belast. Niet-naleving van de gebruiksvoor­schriften en veiligheidsmaatregelen is dan ook strafbaar. Controleurs Bestrijdingsmiddelen van de Algemene Inspectie­dienst (AID) zijn belast met kontrole op de naleving van alle bepalingen m.b.t. bestrijdingsmiddelen­gebruik en kunnen eventueel verbaal opmaken bij overtredin­gen. Kon­trole op de voorschriften bij de toepas­sing van be­strijdings­middelen is echter zeer moeilijk uitvoer­baar en overtredingen worden slechts zelden gekonstateerd en bestraft. Als er in een gemeente nog bestrij­dingsmiddelen gebruikt worden, zouden de hiervoor verantwoordelijke bestuurders de Toelatingsbe­schikkingen van alle in gebruik zijnde middelen moeten opvragen bij het Bureau Bestrij­dingsmiddelen om erop toe te kunnen zien dat de specifieke voorschriften van elk middel tenminste worden opgevolgd. -Het is ook mogelijk het etiket van de verpakking en eventu­ele bijsluiters te kopiëren, maar omdat de verpakkingen niet altijd aan de wettelijke voor­schriften voldoen is het verstan­diger direkt van de wette­lijke toelatingsbeschikking uit te gaan.

Uiteraard is het altijd van belang dat toepassers van bestrij­dingsmiddelen daarbij doelmatige kleding, handschoenen en laarzen dragen. Veelal zijn bij specifieke middelen nadere eisen gesteld. Uit de Toelatingsbeschikking van Roundup blijkt bijvoorbeeld dat bij de toepassing van dit middel een beschermingsmiddel voor de ogen gedragen moet worden, aange­zien het middel irriterend voor de ogen is.

Van de vele voor­beelden van onwettig gebruik van bestrij­dingsmiddelen noemen we hier verder slechts de toepassing van Roundup op sloottaluds. Dat deze toepassing van Roundup illegaal is, is eveneens weer af te leiden uit de Toela­tingsbe­schikking van Roundup. In het Wettelijk Gebruiks­voorschrift wordt vermeld voor welke toepassingen het middel uitsluitend is toegestaan. Aangezien de toepassing op slootta­luds niet genoemd wordt in het Wette­lijk Ge­bruiks­voor­schrift is deze toepassing dus verbo­den. Bovendien moet op de verpakking de volgende opmer­king afgedrukt worden:

"-behandeling van het talud is niet toegestaan. 

Naast de voorschriften op het etiket dienen uiteraard de bepalingen uit de Bestrijdingsmiddelenwet opgevolgd te worden o.a. met betrekking tot transport, opslag en direkte toepas­sing.

Bij elke toepassing van bestrijdingsmiddelen kunnen we bovendien te maken hebben met verschillende wetten, zoals:

  •   Afvalstof­fenwet,

  •   Bestrijdingsmiddelenwet,

  •   Grondwaterwet Waterleidingbedrijven,

  •   Natuurbeschermingswet,

  •   Wet Bodembescherming,

  •   Wet Gevaarlijke Stoffen,

  •   Wet Milieubeheer,

  •   Wet Milieugevaarlijke Stoffen,

  •   Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren.

In de jaren 70 werd een begin gemaakt met dit zogenaamde sektorale milieubeleid; met afzonderlijke wetten werd ge­tracht problemen m.b.t. kwaliteit van water, lucht en bodem, afval, geluid en natuur aan te pakken.

Al deze afzonderlijke wetten maakten en maken de milieu­proble­matiek moeilijk hanteerbaar. Ondanks de milieu­wetten verslechterde de toestand van ons milieu ook in de jaren 80 steeds verder.

De eerste stap op weg naar een meer samen­han­gend, inte­graal milieubeleid werd in 1989 gezet met het Natio­naal Milieubeleidsplan (NMP). Het ontstaan van een duurzame samenleving en duurzame ontwikkeling staat voorop. De aanpak is niet langer sektoraal, maar the­matisch. Het mi­lieube­leid wordt ingedeeld in thema's als: verzuring, vermes­ting, verspreiding, verwijdering en versto­ring. In het NMP+, Derde Nota Waterhuishouding, Natuur­beleidsplan en MJPG werkt de regering de uitgangs­punten van het NMP verder uit (zie ook hoofdstuk 1).

Op provinciaal niveau wordt hard gewerkt om voort te bou­wen op het huidige integrale natuur- en milieubeleid.

Zichzelf enigszins respekterende gemeenten kunnen deze natio­nale en provinciale ontwikkelingen niet naast zich neer leggen en dienen er uiteraard ook het gemeentelijke natuur- en mi­lieubeleid op af te stemmen.

Hieronder volgen enkele citaten uit Provinciale Nota's, Be­leidsplannen e.d. die betrek­king hebben op ge­meentelijk beheer van openbaar groen en/of bestrating, waar­bij opge­merkt dat van enkele provincies citaten zijn opgeno­men die nog stam­men uit de periode van voor het NMP:

- Gedeputeerde Staten van Gelderland:

"Natuur 90", september 1990 (blz. 78, 79):

" 4.7. NATUUR IN DE STAD

Zo natuuronvriendelijk als verstedelijkte gebieden lijken te zijn, zo opmerkelijk is het dat de bebouwde omgeving een gunstige omge­ving biedt voor bepaalde, soms waarde­volle levensgemeenschap­pen. Diverse reptielen, aan rots­achtige milieu's gebonden vogel­soorten en vleermuizen kiezen voor deze woonomge­ving. De floristische waarde van de stad kan tot uiting komen op muren, in parken, plant­soenen, (natuur)tui­nen, op begraafplaatsen en bij stede­lijke waterpar­tijen. De natuur in de bebouwde omgeving kent in het alge­meen een hoge belevingswaarde.

Knelpunten vormen een te intensief groenbeheer, lucht-, bodem- en watervervuiling, en te vergaande verdichting van groenzones door bebouwing. Ook de verdroging van groen­elementen door het grondwater­beheer kan bedreigend zijn.

Via de ruimtelijke ordening kan de provincie stimule­ren dat het oppervlak van de stedelijke groenelemen­ten wordt be­schermd.

Via het instrumentarium van het waterbeheer is de grond­waterspie­gel in de stedelijke gebieden te be­nvloeden door waterschap of gemeente.

Nieuwe inzichten op grond van experimenten met "verande­rend groenbeheer" en "niet meer spuiten" blijken voor de gemeenten te vertalen in een rationeel, milieuhygiënisch en ecologisch verant­woord groenbe­heer. Natuurvriendelijk groenbeheer is een belang­rijke bijdrage aan de ecologie van de stad.

Vaak gaan in de praktijk openbaar groenbeheer en publieksvoor­lichting hand in hand, en hebben zo ook hun uitstra­ling op het particulier beheer van tuinen e.d.. Bezoe­kerscentra, schoolbiologi­sche diensten etc. spelen hierin een stimulerende rol. Uit de instel­ling van een Consulentschap Stedelijk Groen in elke pro­vincie blijkt het belang dat het ministerie van LNV aan stads­natuur hecht.

Versterking van de verbindingen tussen groenzones in de bebouw­de kom en het landelijk gebied kan bijdra­gen aan behoud en ontwikkeling van de flora en fauna en brengt de natuur letterlijk "dichter bij de mens".

Groenbeheersplannen zijn een geschikt kader voor een plan­matig beheer en voor samenspraak met de bewo­ners hierover.

Behoud en ontwikkeling van stadsbiotopen, die van grote betekenis zijn voor het voortbestaan van aan het stede­lijk milieu gebonden inheemse plant- en dier­soorten kan de provincie ondersteunen, bijvoor­beeld met projectsubsidies. Middelen daarvoor kunnen worden ingezet via de voorgeno­men subsidieregeling Leefom­geving Plan­ten en Dieren (zie thema Soortenbe­leid). Publieksvoor­lichting is subsidiabel met na­tuur-educa­tiegelden (zie hoofdstuk Draagvlak voor het beleid).

De rijksoverheid stimuleert e.e.a. ondermeer via het project "natuur in de stad/stadsrandzone" uit het Na­tuur­beleidsplan. Daar waar in Gelderland nadere invulling gegeven wordt aan dit project kan de pro­vincie in stimu­lerende en ondersteunen­de zin bijdra­gen."

- Provincie Groningen:

"Bij Nader Inzien", Milieubeleidsplan 1991-1994, december 1990, (blz. 31):

"Milieugevaarlijke stoffen

Het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw zal moeten worden beperkt. Met het oog daarop zal de ontwik­keling van milieuvriendelijke vormen van landbouw, waar­onder geïntegreer­de landbouw, zoveel mogelijk worden gestimuleerd. Door middel van gerichte voorlichtings- en edukatie- aktiviteiten zal worden bevor­derd dat het gebruik va bestrijdingsmiddelen door huishoudens en overheidsin­stanties afneemt."

- Provincie Noord-Holland:

In januari 1984 ontvin­gen alle ge­meen­ten in Noord-Holland de nota: "Groenbeheer door over­heids­in­stanties - moge­lijke alter­nativieven voor het gebruik van chemische  bestrijdings­middelen".

Deze nota werd uitgegeven om het streven naar een zo gering mogelijk gebruik van chemische bestrij­dingsmidde­len bij het beheer van openbaar groen, zoveel mogelijk in eigen kring als daarbuiten te on­dersteunen en te stimule­ren.

Citaat:

"Ook al lijken chemische bestrijdingsmiddelen op korte termijn een goed hulpmiddel bij het onder­houd van openbaar groen, op de lange termijn kan het gebruik verve­lende mi­lieubelastende conse­quenties hebben.

Met name bij het gebruik van chemische bestrijdings­midde­len in openbaar (voor iedereen toegankelijk) groen is daarom de vraag op zijn plaats of de voorde­len van deze middelen wel opwegen tegen de nadelen.

Aangezien in openbaar groen, in tegenstelling tot de situatie in land- en tuinbouw, geen maximale pro­duktie van een gewas wordt nagestreefd, wordt de functie van het openbaar groen niet direkt aangetast bij een zeker per­centage uitval of een ander uiterlijk. Juist een beplan­ting waarin ook (on)krui­den geaccep­teerd worden brengt een extra dimensie met zich mee. Op deze wijze wordt de natuur als het ware de stad binnengehaald, waardoor de kwaliteit van de woon­omgeving vergroot wordt.

Een plantsoen, waarin zowel een boom-, struik- als kruid­laag aanwezig is, vormt een biotoop voor onder andere diverse soorten insecten en (zang)vogels. Zo­wel uit ecolo­gisch, maar ook uit esthetisch en recrea­tief oogpunt is dit een belangrijk gegeven."

De nota bevat, op zeer overzichtelijke wijze, niet chemi­sche alternatieven voor situaties waarbij het gebruik van bestrij­dings­middelen in de praktijk wordt overwogen.

De in 1990 door de Provincie N-H uitgegeven Beleidsnota "Milieuvriendelijk Groenbeheer" moet gezien worden als vervolg op de al in 1984 uitgebrachte nota. Op verzoek van het Provin­ciaal Bestuur van N-H hield Kees Beaart, voorzit­ter van de Stichting Natuurverrijking, een toespraak bij de presentatie van de provinciale nota. De tekst van deze toe­spraak is uitgebracht als deel 12 van de serie "Bestrijden": "Gif uit 't Groen". Om alle gemeenten nogmaals van de ernstige gevolgen van bestrijdingsmiddelen op de hoogte te stellen is deze brochure in februari 1990 o.m. naar alle Nederlandse Gemeenten verzon­den.

Enkele citaten uit "Milieuvriendelijk Groenbeheer":       

"Waarom deze nota

Hoofddoelstelling van het provinciaal milieubeleid is het bereiken en handhaven van een duurzame, even­wichtige kwaliteit van het milieu ten behoeve van de mens, de flora en de fauna. Het tegen­gaan van de verspreiding van milieu­vreemde stoffen en het bevor­deren van een variëteit aan flora en fauna zijn onder­deel van deze doelstelling.

Deze nota heeft tot doel het gebruik van chemische be­strij­dings­middelen bij het beheer van openbaar groen te beper­ken, en aldus een milieuvriendelijk beheer van openbaar groen te bevorderen

Ecologische motieven voor beheer van openbaar groen

Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen stuit ook vanuit ecologische overwegingen op grote be­zwaren. Door de toepassing van chemische bestrij­dingsmiddelen worden natuurlijke processen in het openbaar groen ernstig ontregeld. In sommige geval­len zal dit zelfs ongewenste ontwikkelingen van ruig­te- en storingssoorten stimuleren, die dan weer op­nieuw moeten worden bestreden. Bovendien kunnen door ophoping van microverontreinigingen in de voedselketen predatoren (vogels) vergiftigd worden.

Indien men kiest voor volledig achterwege laten van bestrij­dings­middelengebruik, dan biedt een ecologi­sche opzet en beheer van openbaar groen hiervoor een mogelijk­heid. Ont­werp, inrichting en beheer worden hierbij van meet af aan afgestemd op het scheppen en instandhouden van een opti­male relatie tussen orga­nismen (mens, dier, plant) en de omgeving. Daardoor kunnen allerlei problemen die achteraf intensief on­derhoud blijken te vergen voor­komen worden. Naast ecologische- en milieuhygiënische overwe­gingen spelen hierbij esthetische en educatieve aspecten een rol bij de keuze voor een andere opzet en beheerwij­ze.

Openbaar groen is in wezen een klein ecosysteem in de stedelijke omgeving. Een natuurlijke opbouw van het open­baar groen, met diversiteit en variëteit, vormt een biotoop voor verschillende soorten planten, insec­ten en vogels. De bodemfauna vervult hierbij een sleutelrol; door allerlei ver­teer- en graafactiviteiten komen er weer voedingsstoffen beschikbaar voor diverse plantensoorten. Natuurvriendelijk beheerd openbaar groen heeft daarmee dus meer betekenis dan alleen een visuele.

Voorbeeldfunctie

Vanwege hun specifieke verantwoordelijkheid voor een goede leefomgeving hebben overheden op het punt van milieuvriendelijk groenbeheer zonder meer een voorbeeld­functie. Ook in eigen huis - op bij ons in beheer zijnde terreinen - zullen wij daarom dit uitgangspunt in de praktijk brengen."

- Provincie Overijssel:

Milieubeleidsplan 1991-1994, januari 1991 (blz. 67):

"5.8  Overheden

5.8.2  Wat van de partners wordt verwacht

- terugdringen/afschaffen van gebruik van bestrijdingsmid­delen bij beheer van parken, plantsoenen, wegen en water­gangen;

- bevorderen van ecologisch verantwoord beheer waarbij met name gedacht wordt aan bermen en landschapselementen."

- Provincie Utrecht:

Beleidsplan, Natuur en Landschap Provincie Utrecht, Ont­werp, december 1990 (blz. 104):

"Natuur in de bebouwde omgeving

Niet direct betrekking hebbend op het landelijk gebied, maar toch belangrijk voor natuur- en landschapsbeleid is de natuur in de bebouwde omgeving. Natuur in de dagelijkse leefom­geving werkt stimulerend op het natuur- milieuvriendelijk gedrag van mensen. Daarnaast kan het van groot belang zijn voor specifie­ke planten- en diersoorten. Het aangewezen kader voor uitwer­king van dit thema is een Gemeentelijk Groenstructuurplan. Een positieve ontwikke­ling is dat de aandacht van gemeenten voor een meer samenhan­gende en planmatige aanpak reeds groeiende is. De provincie zal ter verdere stimulering binnen 2 jaar een informatiebundel over natuur in de bebouw­de omgeving uitbren­gen."

- Provinciaal Bestuur Zeeland:

Kerend Tij, Zeeuws Milieubeleidsplan, juni 1990 (blz. 20-21):

"Aanpak per Stof

Bestrijdingsmiddelen

 - Het gebruik van bestrijdingsmiddelen moet zoveel mogelijk wor­den worden beperkt. Directe regulering is mogelijk in grond­water­beschermings- en bodembeschermingsgebieden. In waterwin­gebie­den is het gebruik verboden, in intrekgebie­den aan beperkin­gen onderhevig. Nagegaan wordt of - tegen de achtergrond van het algemene reductiebeleid - het gebruik van bestrijdingsmiddelen in intrekgebieden aanpassing be­hoeft.

Voor bodembeschermingsgebieden wordt het beleid nog uitge­werkt.

 - De distelverordening wordt ingetrokken. Deze leidt in veel geval­len tot onnodig gebruik van bestrijdingsmiddelen.

 - Binnen de eigen organisatie zal de provincie het gebruik van bestrijdingsmiddelen in 1993 beëindigen. Van waterschappen en gemeenten wordt verwacht dat ze het gebruik drastisch terug­bren­gen. In dit kader moeten gemeenten een visie voor ecolo­gisch groenbeheer opstellen. Binnen twee jaar moet in elk geval toepas­sing van bestrijdingsmiddelen in en direct langs watergangen zijn beëindigd."

- Provincie Zuid-Holland - zie schrijven aan B en W (in Z-H), 19 april 1972 - Hierin wordt gewezen op een groot aantal gevaren en schadelijke neveneffecten.

Citaat:

"In verband met deze schadelijke neveneffecten zijn wij van oordeel dat het onderhoud van wate­ren, bermen en taluds van wegen en dijken en be­plantingen zoveel mogelijk zonder gebruik­making van chemische be­strijdingsmiddelen dient te geschieden."

Het Provinciaal Bestuur van Zuid-Holland oefent door middel van begrotingstoezicht invloed uit op het gebruik van bestrijdingsmid­delen door waterschappen. Op deze wijze werd bijvoorbeeld het gebruik van bestrijdingsmid­delen door het waterschap "De Groote Waard" drastisch verminderd. Om formele redenen is een dergelij­ke opstel­ling bij het financieel toezicht op gemeenten niet moge­lijk.

In het "Milieubeleidsplan" van februari 1990 wordt aangege­ven dat de de Provincie Zuid-Holland van Ge­meen­ten o.a. de vol­gende acties verwacht (blz. 210):

"Algemeen

3 Het nemen van initiatieven voor het uitwerken van het idee van een netwerk van regionale steunpunten voor milieueducatie.

Verspreiding

5 Het gebruik van bestrijdingsmiddelen conform de bro­chure "Openbaar Groenbeheer".

Verontreiniging van oppervlaktewater en waterbodem

11 Het vermijden van milieuschadelijke verduurzamings­midde­len bij beschoeiingen langs gemeentelijke waterwegen."

Gemeentebesturen dienen zich o.i. te houden aan aanwijzin­gen en voorschriften m.b.t. gebruik van bestrijdingsmiddelen, welke gegeven worden vanuit Inspecties van Volksgezond­heid. Bovendien dienen gemeentebesturen zich reken­schap te geven van opvattin­gen van de Vereniging van Neder­landse Gemeenten:

- Inspecties van Volksgezondheid - zie het reeds in hoofd­stuk 1 genoemde schrijven aan B en W (in Z-H) van Drs. W.E.M.C. Krul, d.d. 15 juni 1982-. Hierin wordt o.m. uit­eengezet dat er altijd risiko be­staat voor mensen en dieren, die onbedoeld en onwe­tend met bestrijdingsmidde­len in kontakt komen.

Voorjaar 1984 werd een waarschuwend schrijven gezonden naar alle gemeentebesturen in Nederland, door alle Regio­nale Inspecties van Volksgezondheid voor de Hygiëne van het Milieu. Gedeelten hieruit zijn in hoofdstuk 1 geci­teerd.

- Vereniging van Nederlandse Gemeenten - zie o.a. "Natuur in de stedelijke omgeving", 1981 - en "Natuur­lijker Groenbeheer in Nederlandse Gemeen­ten", 1991. Het eerste boekje, extrakt van het hoofdrapport van een werk­groep, bestaande uit vele deskundigen, is speciaal voor bestuurders ge­schreven, in de hoop een bijdrage te geven aan een aktief ge­meentelijk beleid bij het beheer van de natuur in het ste­delijk gebied.

De volgende zin uit dit werk, dat vele aanwijzingen bevat, laat aan duidelijkheid niets te wensen over:

"Voor het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen valt zelfs geen enkel redelijk argument aan te voeren."

In "Natuurlijker Groenbeheer in Nederlandse Gemeenten" (1991) van A. Koster en M. Claringbould, wordt onder "schone omgeving en een schoon milieu" vermeld:

"Met betrekking tot een schoon milieu kunnen plantsoenen­dien­sten vooral een bijdrage leveren door chemische bestrij­dings­middelen af te schaffen. Er is momenteel een duidelijke ten­dens om dat te realiseren en naar we hopen worden deze midde­len volledig en definitief afgeschaft."

Wij betreuren het dat niet-naleving van de vele verordenin­gen, voorschriften, regels, aanwijzingen en wetten m.b.t. het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de regel niet bestraft wordt of niet bestraft kan worden.

In dit verband menen wij er echter op te moeten wijzen dat bij elk gebruik van bestrijdingsmiddelen beschermde dieren en/of planten gedood kunnen worden. Dit kan ingevolge artikel 26 van de Natuurbeschermingswet bestraft wor­den met een hechte­nis van ten hoogste drie maanden..... In be­paalde geval­len zelfs met een hechtenis van zes maan­den......

Bovendien menen wij dat het gebruik van bestrijdingsmidde­len door de overheid in strijd is met het door het parlement goedge­keurde "Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa."

Hierbij slechts enkele gedeelten uit dit verdrag (Zie Natuur­beschermingswet):

"Art.1.1.  Dit verdrag heeft ten doel te zorgen voor instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten en de daarbij behorende natuurlijke leefmi­lieus.

 Art.3.2.  Iedere verdragsluitende partij verbindt zich ertoe om bij haar beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en ontwikkeling en bij haar maatregelen tegen veront­reiniging, rekening te houden met de instandhouding van de in het wild voorko­mende dier- en plantensoorten.

 Art.3.3.  Iedere verdragsluitende partij bevordert de voorlichting en de verspreiding van algemene informatie betreffende de nood­zaak tot het instandhouden van de in het wild voorko­mende dier- en plantensoorten alsmede de daarbij behorende leefmi­lieus."

Redelijkerwijs kan zelfs gesteld worden dat het gebruik van be­strijdingsmiddelen door overheidsinstanties in strijd is met artikel 21 van de Grondwet. Artikel 21 van de Grondwet luidt immers:

"De zorg van de overheid moet gericht zijn op de bewoon­baarheid van het land en de bescherming en verbe­tering van het leefmilieu."

Alle tot hier aangeduide bepalingen, wetten en adviezen zouden moeten leiden tot afschaffing van het gebruik van bestrij­dingsmiddelen door de overheid. Het is zeker niet ondenkbaar dat in de toekomst het gebruik van bestrijdings­middelen in openbaar groen verboden wordt. In hoofdstuk 1 is reeds uiteen­gezet dat vanuit het Ministerie van Milieube­heer voor een dergelijk verbod gepleit wordt.

De werkelijkheid leert ons echter, dat in een aantal gemeen­ten in ons land nog steeds vrij veel bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Eén adviserende en tegelijk meestal uitvoe­rende instantie is dan ook nog niet genoemd: Gemeentelijke Plantsoe­nendienst en/of Openbare Werken.

Door gemeente­besturen worden de medewerkers van deze dienst(en) veelal als natuur- en milieudes­kundigen beschouwd. Ondanks een toenemende bewustwording zijn er bij deze diensten nog steeds te veel mensen die tevreden zijn met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en de vele risico’s en bezwaren die er aan verbonden zijn, niet (willen) kennen. Wij hebben gekon­stateerd, dat hun mening omtrent "veilig­heid" en "milieu­vriendelijkheid" van gebruikte middelen soms nog steeds geba­seerd is op zgn. "wetenschappelijke gege­vens", die bepaalde fabrikanten van bestrijdingsmiddelen aan deze dien­sten verzen­den en op door de Plantenziekten­kundige Dienst en de Consu­lentschappen verstrekte gegevens.

Dat wette­lijk toege­laten middelen geen nadelige gevolgen voor milieu en gezondheid kunnen hebben, of dat middelen zonder gevaar­symbool niet giftig zouden zijn, wordt helaas nog herhaalde­lijk ten onrechte beweerd en anno 1992 zelfs opgenomen in diverse gemeentelijke Milieubeleidsplannen!!

7. MISLEIDING

RECLAME

Reclame wordt gemaakt om de verkoop van producten te bevorde­ren. Fabrikanten van bestrijdingsmiddelen deinzen er niet voor terug om in hun reclame volstrekt onjuiste en misleidende gegevens te verstrekken.

De afgelopen 10 jaar is de Stichting Na­tuurverrijking regel­ma­tig gebleken dat reclame voor bestrijdingsmiddelen (waar­on­der advertenties, reclamefolders, brochu­res, informatie­mappen en persberichten van fabrikanten) in vele gemeenten een rol speelt bij discussies betreffende het al dan niet ge­brui­ken van bestrijdingsmidde­len en wordt reclamemateriaal, of kopieën ervan, overlegd om anderen te overtuigen van de onschadelijk­heid van bestrijdings­middelen voor mens, dier en milieu.

Als voorbeelden van misleidende reclame werden al in 1982 klachten inge­diend bij de Reclame Code Commissie, betref­fende reclame-uitingen van Aagrunol B.V., Gronin­gen en Duphar B.V., Amsterdam.

Aagrunol suggereerde in een aantal reclame-uitingen dat het middel "Roundup" (glyfosaat) milieuvriendelijk zou zijn.

Duphar vermeldde bij het middel "Casoron G" (dichlobe­nil) o.m. "Veilig voor mens en dier". Ook tegen het post­stempel van Duphar werd bezwaar gemaakt. Dit luidde: "Duphar, voor de ge­zondheid van mens, dier en plant".

In 1983 zijn deze klachten tegen beide bedrijven door de Reclame Code Commissie behandeld en alle gegrond ver­klaard.

De beslissing van de Commissie betreffende "Roun­dup" is als bijlage 3 in zijn geheel opgenomen.

Betreffende "Casoron G" kwam de Commissie terug op het oor­deel, dat zij eerder in 1980 uitsprak. Toen werd een identieke klacht afgewezen. In de beslissing d.d. 7-2-1983 (dossier 3317) wordt vermeld:

"De Commissie huldigt thans de op­vatting dat zij het gebruik van kwalificaties "veilig" en "voor de gezondheid van mens, dier en plant" evenals kwalificaties als "milieuvriende­lijk" in relatie tot bestrijdingsmiddelen reeds hierom onaan­vaardbaar acht, omdat het een wezens­kenmerk van deze middelen is, dat zij bestemd zijn om organismen af te weren of te doden."

VERPAKKING

Zelfs de wettelijke voorschriften m.b.t. de verpakking van bestrijdingsmiddelen worden door de fabrikanten lang niet altijd opgevolgd. Naar aanleiding van op veel punten door de Stichting Natuurverrijking gewonnen klachten over de ver­meldingen op de verpakking van bestrijdingsmiddelen, wer­den in juni 1984 in de Tweede Kamer schriftelijk vragen gesteld. O.a. werd gevraagd in hoeverre het gewenst zou zijn regels voor reclame voor bestrijdingsmiddelen op te stellen. Uit het antwoord van de minister bleek dat de overheid het opstellen van een dergelijke regeling aan het bedrijfsleven wil overla­ten.....

In april 1985 velde de Reclame Code Commissie opnieuw een oordeel over door de Stichting Natuurverrijking inge­diende klachten. Nu over reclame van ICI voor Paraquat. Op alle meer dan 20 punten werd de "informatie" die ICI ver­strekte als misleidend en/of onjuist beoordeeld. Informatie hierover is te lezen in Bestrijden deel 4 "Paraquat Info".

De afgelopen 10 jaar werden door de Stichting Natuurverrij­king bij de Reclame Code Commissie vele klachten over misleidende reclame voor bestrijdingsmiddelen ingediend en op zeer veel punten gewonnen. Diverse klachten betroffen echter landbouw­middelen en gif voor "huishoudelijk" ge­bruik. In dit kader zijn de klachten over reclame voor het middel "Finale" (glufosinaatammonium) van Hoechst ver­meldenswaard, die in 1990 in samenwerking met de Vereni­ging Milieudefensie werden ingediend.

De Reclame Code Commissie achtte een brochure onvolledig en daardoor misleidend, omdat van het bestaan van "bijzon­dere gevaren" en "veiligheidsaanbevelingen" melding had moeten worden gemaakt (dossier 4609). Misleidend achtte de Commissie de volgende vermeldingen in de reclame voor Finale:

                - weinig risico voor mens en milieu,

                - dat Finale beschouwd kan worden als een product met een grote mate van veiligheid ten aanzien van de gezond­heid van de mens,

                - Glufosinaatammonium wordt volledig in de grond afgebro­ken tot koolzuur, water en andere van nature voorkomende stoffen.

Helaas leiden beslissingen van de Reclame Code Commissie zeker niet altijd tot belangrijke verbeteringen van de gifreclame. Dit wordt geïllustreerd met reclame voor "Roundup". In 1990 werden door de Stichting Natuurverrijking opnieuw klachten ingediend tegen reclame voor Roundup dat nu door Monsanto op de markt wordt gebracht. Bezwaar werd gemaakt tegen de slogan "Care for the environment" en een groen vignet met een vogel en de tekst waarin o.m. gesproken werd over de "zeer gewaar­deerde ecologische eigenschappen" en de "biologische afbreek­baarheid" van Roundup. De Reclame Code Commissie achtte de reclame opnieuw misleidend en maakte haar oordeel nu openbaar, omdat de Commissie in 1983 ook al, naar aanleiding van een klacht tegen reclame voor Roundup, had aanbevolen voortaan niet meer te adverteren in strijd met de Nederlandse Code voor het Reclamewezen.

Monsanto ging tegen de uitspraak in beroep, maar het Colle­ge van Beroep bevestigde de uitspraak van de Reclame Code Commis­sie. Ook deze uitspraak leidde echter niet tot belang­rijke verbeteringen in de reclame voor Roundup. Nog in 1991 werden opnieuw klachten ingediend, nu in samenwer­king met de Stich­ting Natuur en Milieu. Hieronder volgen enkele citaten uit het oor­deel van de Commissie dossier DM 91.7127 en dossier 91.7157:

                -De tekst "maar wie de natuur als grondstof beschouwt, is ook begaan met het milieu" in samen­hang met "Rendement en ecologie gaan hand in hand" doet de reclame-uiting misleidend zijn. Daarmee wordt immers ten onrechte gesug­gereerd dat Roundup en het milieu elkaar wederzijds gunstig beïnvloeden, terwijl het daarentegen vaststaat dat Roundup een giftig chemisch middel is dat organismen bestrijdt c.q. doodt.

                -De Commissie acht de reclame-uiting onvolledig, omdat de verpakking van Roundup is afgebeeld zon­der dat daarop het wettelijk voorgeschreven gevaar­symbool of andere veilig­heidsvermeldingen zichtbaar zijn.

                -De kop "Roundup en de ecologie" in combinatie met de daarop volgende tekst suggereert een positieve invloed van Roundup op flora, fauna en leefomgeving van de mens en wekt ten onrechte de indruk dat Roundup geen enkele schade toebrengt aan het milieu, terwijl vaststaat dat het een giftig chemisch middel is, dat organismen bestrijdt c.q. doodt. De reclame-uiting is op dit onderdeel mislei­dend.

                -Het is misleidend Roundup in deze context (Round­up en de ecologie) als "uiterst doeltreffend" aan te bevelen, omdat ten onrechte gesuggereerd wordt dat Roundup geen schadelijke gevolgen heeft voor het milieu.

                -Ook de claim "snelle en volledige afbraak tot na­tuur­lij­ke elementen en niet persistent" acht de Com­missie te vergaand en misleidend, omdat als onvol­doende weersproken vast­staat dat na gebruik van Roundup giftige residuen in de bodem achterblijven."

De dossiers m.b.t. reclame voor Roundup bevatten inmiddels vele honderden pagina's. In vijf uitspraken van de Reclame Code Commissie wordt nu al aanbevolen voortaan niet meer op een dergelijke wijze voor Roundup reclame te maken.

Veel verbeteringen hebben deze uitspraken niet opgeleverd. Wel wordt steeds duidelijker dat het van groot belang is dat er regels voor gifreclame moeten komen, met straf­maatrege­len als deze regels worden overtreden.

Door mislei­dende reclame wordt nonchalant, onvoorzichtig en onnodig gebruik van bestrijdingsmiddelen in de hand gewerkt. Bestrij­dingsmiddelen worden slechts zo beperkt en bewust mogelijk gebruikt, als men de bezwaren en risico’s kent, die aan het gebruik van deze middelen verbonden zijn.

Zolang er geen regels m.b.t. gifreclame zijn zal ieder erop bedacht moeten zijn dat door fabrikanten verstrekte gegevens volkomen onjuist en/of misleidend zijn.

VOORLICHTING

Niet  alleen reclame heeft invloed op de meningsvorming m.b.t. de risico’s van bestrijdingsmiddelen en de beslissing wel of geen gebruik van deze stoffen te maken. Ook de voorlichting die door overheidsinstanties gegeven wordt speelt een grote rol. Dit blijkt uit veel van de reacties, die de Stichting Natuurverrijking de afgelopen tien jaar ontving, naar aanlei­ding van de informatie die in 1983, 1985, 1988, 1990 en 1992 naar alle Nederlandse Gemeenten werd ver­zonden.

In gemeen­ten waar nog gespoten wordt blijkt de informa­tie die door de Plantenziektenkundige Dienst en de Consulent­schappen, zowel gevraagd als ongevraagd aan gemeenten wordt verstrekt, een voorname rol te spelen. Ter illustratie enkele citaten:

Een directeur van Publieke Werken schrijft:

"Informatie over het gebruik en de werking van bestrijdings­middelen worden door mijn bedrijf uitsluitend ingewonnen bij de Plantenziek­tenkun­dige Dienst in Wageningen en bij het Rijkstuinbouw­consu­lent­schap te Tilburg. Op de bijlagen zijn door mijn Bedrijf ver­werkte bestrijdings­middelen vermeld met aanvul­lende gege­vens over eventuele giftigheid en ge­bruiksmo­gelijkheden."

In deze bijlagen worden alle in deze gemeente gebruikte herbi­ciden, insecticiden en fungiciden "niet giftig" en "onge­vaar­lijk" genoemd. (In Denemarken kan het "niet giftig" noemen van een bestrijdingsmiddel bestraft worden met een gevangenis­straf van max. 1 jaar.)

Burgemeester en Wethouders van een andere gemeente schrijven:

"Het wel of niet gebruiken van bestrijdingsmiddelen in deze gemeente is in deze vergadering niet ter discussie geweest i.v.m. het feit dat er in deze gemeente alléén bestrijdings­middelen worden gebruikt zoals door de Plantenziektenkun­dige Dienst en het Ministerie van Landbouw en Visserij worden voorgeschreven."

Uit veel meer reacties van gemeentebesturen blijkt ook in de negentiger jaren de grote invloed van de voorlichting van de Plantenziek­tenkundige Dienst en de Consulentschappen.

De Stichting Natuurverrijking vindt het heel begrijpelijk dat gemeentebestuurders uitgaan van de juistheid van deze voor­lichting. De Stichting Natuur­verrijking heeft de informatie die door deze diensten wordt verstrekt uitgebreid bestudeerd. Ondanks het feit dat medewer­kers van zowel Plantenziekten­kun­dige Dienst als Consulent­schappen zeker niet tot de voorstan­ders van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in openbaar groen gerekend willen worden, is de voorlich­ting die over bestrijdingsmiddelen wordt verstrekt op veel punten mis­leidend en/of onjuist.

Een uitgangspunt van deze informatie is dat bestrijdingsmid­de­len alleen worden toegelaten als vaststaat dat bij voorge­schreven gebruik geen schadelijke nevenwerkingen zullen optre­den. Bij de informatie over giftigheid staat de LD-50 waarde cen­traal. Zoals reeds vermeld zegt deze waarde echter alleen iets over het sterven van 50% van de proefdieren bij orale toe­die­ning van een hoeveelheid van een bepaald be­strijdings­middel. Proefdieren met ernstige afwijkingen, die tijdens de proef nog juist in leven zijn gebleven hebben geen enkele invloed op de hoogte van de LD-50 waarde. Vrijwel geen aandacht wordt besteed aan de giftigheid op langere termijn, de chroni­sche toxici­teit. Soms wordt de LD-50 waar­de van een bestrij­dingsmiddel zelfs vergeleken met die van een stof die normaal in ons voedsel voorkomt.

Over simazin wordt geschreven:

"De LD-50 acuut oraal voor ratten bedraagt 5000 mg/kg (keukenzout: 2500 mg/kg)."

Hiermee wordt de suggestie gewekt dat simazin minder schade­lijk dan keukenzout zou zijn. Keukenzout komt echter normaal in ons voedsel voor, terwijl bijvoorbeeld uit NEL- en ADI-waarden (zie hoofdstuk 1) blijkt dat uiterst kleine hoeveelhe­den van elk be­strij­dingsmiddel onze gezondheid kunnen schaden.

In "Chemische bestrijdingsmiddelen in het openbaar groen", een uitgave van de Plantenziektenkundige Dienst, die aan alle gemeenten werd toegezonden, wordt er nadrukkelijk op gewezen, dat "voor openbaar groen alleen middelen zijn toegelaten die geen gevaar voor het publiek kunnen opleve­ren."  Bij blootstel­ling aan de spuitoplossing zou de kans dat men een schadelijke hoeveelheid opneemt te verwaarlozen zijn. Hierbij baseert de Plantenziektenkundige Dienst zich kennelijk weer op de LD-50 waarden, want niet alleen in de praktijk blijkt herhaaldelijk het tegendeel, ook een verge­lijking met de waarden uit de Residubeschikking of met de ADI-waarden zou tot een geheel andere conclusie moeten leiden:

Zo bevat bijvoorbeeld eén gram van een 1% amitrol-spuit­oplos­sing 10 mg ami­trol. De door de Wereldgezondheidsor­ganisatie vastgestelde ADI-waarde van amitrol is 0,00003 mg per kilo lichaamsgewicht. Een gram amitrol-spuitoplos­sing bevat 333.333 x de ADI of anders gezegd een gram 1% amitrol-spuitoplossing bevat voldoende gif om meer dan 10.000 kinderen die 33 kilo wegen met de uit oogpunt van volksgezondheid maximale hoeveel­heid te belasten.

Op de verpakking van amitrol bevattende middelen staat in Neder­land geen gevaarsymbool. Dit voorbeeld maakt dan ook duidelijk dat het onzin is te stellen dat mid­delen zonder gevaarsymbool "weinig giftig zijn en ook overigens geen gevaar opleveren", zoals in publicaties van de Plantenziek­tenkundige Dienst wel gesteld wordt. Overigens is bijvoor­beeld in Denemarken en de VS het doodshoofdsym­bool op amitrol bevattende middelen verplicht, terwijl tevens voor het gevaar van kanker gewaarschuwd moet worden. In een aantal landen is amitrol i.v.m. kankerverwekkende eigen­schappen in het geheel niet toegelaten.

SPUITCURSUS

De vele honderden medewerkers van gemeentelijke diensten die een spuitcursus volgden van de CAD Gewasbescherming, Wagenin­gen, hebben veel geleerd waardoor wettelijke bepa­lingen m.b.t. het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet stipt opgevolgd worden. In het dictaat van de cursus "On­kruidbe­strijding Stede­lijk Groen", vijfde druk, wordt bij­voor­beeld de volgen­de infor­matie over de gif­tig­heid van Roundup (glyfo­saat) gegeven:

"Giftigheid

De giftigheid van glyfosaat is gering, de LD50 acuut oraal rat bedraagt 4320 mg/kg. Roundup wordt niet via de huid opgenomen en werkt ook niet irriterend op de huid. Bij contact met de ogen van het onverdunde middel kan lichte irritatie optreden. Roundup heeft geen gevarenteken op de verpakking."

Alle bestrijdingsmiddelen kunnen in meer of mindere mate via de huid worden opgenomen. Dat dit zeker bij Roundup het geval is blijkt uit de volgende vermelding op de verpak­king onder "Veiligheidsaanbevelingen:

                Vermijd contact van het middel met de huid".

Dat het middel gevaarlijk is voor de ogen blijkt uit de vol­gende vermeldingen onder "Veiligheidsaanbevelingen:

                Een beschermingsmiddel voor de ogen dragen.

                Na aanraking met de ogen onmiddellijk met over­vloedig water afspoelen."

Bovendien moet letterlijk en zonder enige aanvulling op de verpakking worden vermeld:

"Bijzondere gevaren: irriterend voor de ogen."

Dat Roundup geen gevarenteken op de verpakking heeft is, afge­zien van de relevantie van een dergelijke opmerking, onjuist. Op de verpakking moet het gevaarsymbool ""Andre­askruis" zijn aangebracht, met als onderschrift "Irriterend".

Ook de informatie die gegeven wordt over het gedrag van bestrijdingsmiddelen in de grond is op veel punten onjuist. Om bij glyfosaat te blijven: dit middel zou volgens het dictaat van de spuitcursus in de grond vrij snel afgebroken worden tot water (H2O) en koolzuurgas (CO2). Men behoeft niet veel kennis van scheikunde te hebben om te be­grijpen dat dit onvolledig is, aangezien uit de structuurformule van glyfosaat blijkt dat dit middel ook N (stikstof) en P (fosfor) bevat.

Zoals reeds eerder is vermeld, kunnen in de bodem de vol­gende metabolieten van glyfosaat ontstaan: N-nitrosoglyfo­saat en aminomethyl-fosfonzuur. Bovendien is het de over­heid bekend dat glyfosaat 1 tot 3% "onzuiverheden" bevat, waaronder de kankerverwekkende stof 1,4 dioxaan.

Bovendien zou volgens het cursusdictaat opname van glyfo­saat vanuit de grond niet mogelijk zijn. Uit gegevens van het Deense Ministerie van Landbouw blijkt echter dat veel soorten bomen en struiken gevoelig tot zeer gevoelig zijn voor Roun­dup. Daarom wordt het spuiten van Roundup ontraden onder o.a. diverse soorten naaldbomen, berken, els, iep, lijsterbes, sering en meidoorn.

De bewering dat bepaalde overheidsinstellingen misleidende en onjuiste informatie over bestrijdingsmiddelen verstrekken is een ernstige beschuldiging, maar aange­zien de ernstige consequenties die een derge­lijke voor­lichting heeft of kan hebben voor gezond­heid, natuur en milieu menen wij dat e.e.a. niet onver­meld mocht blijven.

Bij de toelating van bestrijdingsmiddelen adviseert de Plan­tenziektenkundige Dienst voornamelijk m.b.t. de deugdelijk­heid van een middel. Voorlichting die deze Dienst geeft zou zich moeten beperken tot het geven van voorlichting over planten­ziekten. M.b.t. de risico’s en neveneffecten die aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen verbonden zijn adviseren wij gemeentebesturen zich te laten informeren door instanties die zich juist daarmee bezig houden, zoals het Ministerie van Milieubeheer (VROM), de Regionale Inspecties van de Volksge­zondheid voor de Hygiëne van het Milieu of Milieu­organisaties. De Stichting Natuurverrijking baseert haar informatie over milieueffecten van bestrijdingsmiddelen voor een belangrijk deel op gegevens van het Ministerie  VROM.

Minister Nijpels vertelt

In 1988 hield Minister Nijpels van het Ministerie van Mi­lieu­beheer (VROM) een toespraak, waarin hij duidelijk maakt dat veel toegelaten bestrijdingsmiddelen het milieu zeer ernstig schaden. Daarmee erkent de minister dat er bij de toelating van bestrijdingsmiddelen in het verleden geen rekening gehouden is met het milieu. De toespraak van Minister Nijpels levert een belangrijke bijdrage om de mis­verstanden of fabels over bestrijdings­middelen uit de wereld te hel­pen. De Stich­ting Natuurverrij­king heeft de volledige tekst uitge­bracht als deel 9 in de serie "Bestrijden": "Milieu­minis­ter Nijpels vertelt".

Omdat de toespraak diverse aanbevelingen bevat die voor het gemeentelijk beleid van belang zijn werd "Milieuminister Nijpels vertelt" in maart 1988 naar alle Nederlandse Ge­meenten gezon­den.

Meerjarenplan Gewasbescherming

Inmiddels is in 1991 het Meerjarenplan Gewasbescherming (MJPG)- Regeringsbeslissing, verschenen. In deze rege­rings­be­slissing wordt een verbod aangekondigd van 142 toegelaten bestrijdingsmiddelen, omdat de milieueffecten van deze midde­len onaanvaardbaar schadelijk zijn. In feite wordt daarmee erkent dat deze stoffen nimmer toegelaten hadden mogen worden.

De informatie in het MJPG toont ondubbelzinnig en onmis­kenbaar de onjuistheid aan van een groot deel van de bestrij­dingsmidde­leninformatie die vele honderden medewerkers van gemeentelijke diensten ontvingen tijdens spuitcursussen van de CAD Gewasbe­scherming, Wageningen. Ter illustratie volgen hieronder nog enkele van de vele voorbeelden:

Amitrol: citaat uit het cursusdictaat "Onkruidbestrijding Stede­lijk Groen":

"In de grond wordt amitrol snel geabsor­beerd en het wordt in enkele we­ken volledig afgebroken.....is de kans op uitspoe­ling gering."

MJPG: Amitrol staat op de lijst van met voorrang te saneren bestrijdingsmiddelen, gemeten in een concentratie hoger dan 0,1 mg/liter in het grondwater.

Dalapon: citaat cursusdictaat:

"Het middel wordt in de grond volledig afgebroken tot kool­zuurgas en andere natuurlijke stoffen."

MJPG: Dalapon staat op de lijst stoffen die de grens van 10 mg/liter overschrijden. Deze stoffen zullen met voorrang worden gesaneerd.

Dichlobenil: citaat cursusdictaat:

"Door de lage oplosbaar­heid en de sterke binding blijft de stof in de bovenste grond­laag achter, zodat ze niet in het grondwater kan komen."

MJPG: Dichlobenil staat op de lijst stoffen die de grens van 10 mg/liter overschrijden. Deze stoffen zullen met voorrang worden gesaneerd. Dat dichlobenil in de bovenste grondlaag achter blijft, zoals ook het dictaat vermeldt is eveneens volgens het MJPG juist: daarom staat dichlobenil op de lijst van stoffen die met voorrang gesaneerd zullen worden op grond van persis­tentie in de bodem.

Medewerkers van Plantenziektenkundige Dienst, Consu­lent­schappen e.d. zullen in de negentiger jaren hun informatie over de effecten van bestrijdingsmiddelen drastisch moeten aanpassen als zij hun geloofwaardigheid niet geheel willen verliezen. Het vertrouwen in de autoriteit en de deskundig­heid van medewerkers van dergelijke diensten is echter groot; in het vakblad "Tuin en Landschap" 5, 1991, verscheen een artikel van een medewerker van "de Dorschkamp" waarin het middel "Corsage" o.a. een "goed alternatief" en "geschikte vervanger" voor simazinhoudende middelen wordt genoemd. Dit terwijl "Corsage" een middel is dat dichlobenil en diuron bevat, stoffen die beide in het toen verschenen MJPG al genoemd werden in de lijst met in principe te saneren be­strijdingsmiddelen. Dichlobenil wordt zelfs vermeld in twee lijsten van met voorrang te saneren bestrij­dingsmidde­len.

Het is de Stichting Natuurverrijking helaas gebleken dat een aantal gemeenten op grond van een dergelijk misleidend artikel uit milieuoverwegingen beslisten het "nieu­we" middel "Corsage" toe te passen.

TOEKOMSTVERWACHTING

Het voorgaande heeft duidelijk gemaakt dat als gevolg van openheid vanuit het Ministerie VROM de milieurisico’s van bestrijdingsmiddelen meer aandacht krijgen en ook meer bekend worden. Bij de toelating van bestrijdingsmiddelen zijn echter nog drie ministeries betrokken: Volksgezondheid (WVC), Sociale Zaken (SZW) en Landbouw (LNV).

Vanuit deze ministeries wordt nog maar al te vaak de schijn opgehouden dat toegelaten bestrijdingsmiddelen "veilig" zijn als de voor­schriften worden opgevolgd. Vanuit het Ministerie van Landbouw wordt telkenmale getracht toepassingen en middelen van verbod uit te zonderen.

In het MJPG ontbreken saneringslijsten i.v.m. o.a. kanker­verwekkende, mutagene eigenschappen van bestrij­dingsmid­de­len en luchtemissie. De niet-actieve bestanddelen van bestrijdings­middelen krijgen vrijwel geen aan­dacht. Vanuit het Ministerie van Volksge­zondheid wordt de in het MJPG aangekondigde openbaar­heid van humane toxiciteitgegevens zelfs tegengewerkt.

Maatregelen om de in voedsel toegestane gehalten van be­strij­dingsmiddelen te verlagen worden niet aangekondigd, waardoor ook volgende generaties via voedsel met grote hoeveelheden bestrijdingsmiddelen belast zullen worden.

Vanuit het ministerie van Volksgezondheid volhardt men in het standpunt dat ons voedsel veilig en betrouwbaar is en dat toegestane residuen van bestrijdingsmiddelen in voedsel zo laag zijn, dat ADI-waarden niet kunnen worden overschre­den. Dit terwijl ieder die kan rekenen gemakkelijk kan vast­stellen dat toegestane hoeveelheden gif in voedsel extreem hoog zijn in vergelijking met uit oogpunt van volksgezond­heid vastgestelde ADI-waarden.

- Zie voorbeeldberekeningen in deel 14 van "Bestrijden",  "Giffraude" en in "Bestrijdingsmiddelen Wij­zer", beide uitga­ven van de Stichting Natuurverrijking.

Helaas worden in het MJPG geen maatregelen aangekondigd om misleidende voorlichting over bestrijdingsmiddelen in de toekomst te voorkomen. Als de in het MJPG aangekondigde sane­ring van bestrijdingsmiddelen gerealiseerd is, is zelfs te verwachten dat "voorlichters" opnieuw zullen beweren dat toegelaten bestrijdingsmiddelen "veilig" of zelfs "milieu­vriendelijk" zijn. Doelstelling van het MJPG is immers het realiseren van een "veilige, concurrerende en duurzame land­bouw."

OPMARS NATUURRIJK BEHEER

De Stichting Natuurverrijking is verheugd te constateren dat de opmars van gifvrij-beheer, ondanks misleidende reclame en misleidende voorlichting, niet meer te stuiten is. Vanuit vele kanten worden gemeenten overspoeld met informatie die ertoe aanzet om het gifgebruik te beëindigen en groen en bestrating gifvrij, ecologisch, natuurlijk of natuurrijk te beheren. Bij deze positieve informatiestroom spelen ook de in dit hoofdstuk genoemde diensten en tijdschriften een steeds grotere rol. Vanuit o.a. het Ministerie van Landbouw, Adviesgroep Vegeta­tiebeheer, Consulentschappen, Insti­tuut voor Bos en Natuuronderzoek (IBN-DLO), Ver­eniging van Nederlandse Gemeenten en vakbladen zoals "Tuin en Land­schap" verschijnen steeds meer artikelen en uitgaven die ertoe aanzetten over te schakelen op gifvrij-beheer.

Het zou voor de mensen in de praktijk veel duidelijker zijn als deze instellingen in de toekomst het chemisch groenbe­heer volledig afwijzen, zoals het Ministerie van VROM.

Mede naar aanleiding van een interview met de voorzitter van de Stichting Natuurverrijking worden in het blad "Moes­tuin" sinds 1990 alleen nog milieuvriendelijke adviezen gegeven en worden geen gifadvertenties meer opgenomen. Een blad als "Tuin en Landschap" zou veel aan geloofwaar­digheid winnen voor lezers en adverteerders van milieuvrien­delijke producten, als de redactie in navolging van "Moes­tuin" eveneens zou besluiten niet meer medeafhankelijk te willen zijn van chemische con­cerns door gifadvertenties te weigeren en alleen milieu­vriendelijke adviezen op te nemen.

8. ENKELE FINANCIËLE EN BESTUURLIJKE ASPECTEN

ZO BEPERKT MOGELIJK GEBRUIK

Uit reacties die de Stichting Natuurverrijking ontvangt blijkt dat er nog steeds gemeentebesturen zijn die het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet ter discussie willen stellen. Als argumenten worden dan o.m. aangevoerd: "Bestrijdingsmid­delen worden reeds zo beperkt mogelijk gebruikt", "Bestrij­dingsmid­de­len worden binnen de gemeente slechts selectief ge­bruikt."

Dergelijke opmerkingen zijn ech­ter nietszeggend. Geen enkele gifgebruiker zal immers erkennen meer gif te gebrui­ken dan beslist noodzakelijk is. Gemeenten waar men zegt bestrijdings­middelen zo be­perkt mogelijk te gebruiken, spui­ten en strooien in de praktijk veelal grote hoe­veelheden gif. Meestal worden dan groen en bestra­ting nog tra­ditioneel -intensief- beheerd. Een (te) intensief groenbeheer schaadt niet alleen gezond­heid, natuur en milieu, maar is ook vol­gens het Na­tuurbeleidsplan (blz. 59) een van de belangrijk­ste knel­punten voor de natuur­waarden in en rond de bebouwde kom.

Bij bestrating is door bezuiniging soms sprake van achter­stallig beheer/onderhoud. Als dan de kruiden verder uitgroei­en wordt daardoor soms bewust chemische bestrijding uitge­lokt.

Indien werkelijk zo beperkt mogelijk bestrij­dingsmiddelen gebruikt worden, worden géén bestrijdings­midde­len gebruikt, zoals de inmiddels meer dan 100 ge­meenten en provincies op de Groe­ne Lijst van de Stichting Natuurverrijking (Bijlage 1) in de praktijk aantonen.

FINANCIELE ASPEKTEN

Wanneer gemeentebesturen overwegen het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen te stoppen zullen de mensen van plantsoenen- en groen­dien­sten vaak stellen dit alleen te kunnen, als ze meer perso­neel in dienst mogen nemen, dus meer geld krijgen.

Als men dezelfde eisen blijft stellen aan het uiterlijk van plant­soenen en bestratingen, is deze eis niet onte­recht. Veel van de hiervoor genoemde bezwaren, o.a. betreffende natuur­ver­ar­ming en onderwijskundige bezwa­ren blijven dan echter geheel of gedeel­telijk bestaan.

Er moeten volgens de Stichting Natuurverrijking meer wilde planten in de gemeenten gewenst worden. Deze planten schaden het milieu en de aanwezige bomen en struiken in de regel niet; als men deze planten dan toch wil bestrijden is dit een luxe. Het is immers alleen nodig vanuit een achterhaald schoonheids- of netheidsideaal. Het is toch zeker een luxe als je bepaalde handelingen doet, kosten maakt,  alleen omdat men in feite vindt dat het zo hoort en zo netjes is?

Er worden wel kostenvergelijkingen van beheer met en zonder bestrijdingsmiddelen gemaakt. Diverse kostenbegro­tin­gen vanuit gemeenten waar men ervaring heeft met groen­beheer zonder bestrijdings­middelen, zoals Huizen, Sneek en Lelystad tonen aan dat groenbeheer zonder bestrijdings­mid­delen zeker niet duurder hoeft te zijn dan beheer met chemi­sche middelen. Er is dan wel een geheel andere aanpak vereist, een aanpak waarbij "onkruid" niet slechts bestreden wordt, maar waarbij de meeste soorten wilde planten op de bodem getolereerd en/of gewenst worden. Door onnodige bestrijding na te laten kan bezuinigd worden. Schoffe­len zonder plantenkennis is kostbaar. Als laag­blijvende bodem­bedekkende kruiden ver­wijderd worden kan de vrijgekomen ruimte immers ingeno­men worden door hoger groeien­de, woekerende kruiden. Dan zal opnieuw ingegrepen moeten worden, dus opnieuw kosten moeten worden gemaakt.

De mensen, die plantsoenen chemisch beheren, zullen hun in­stelling moeten veranderen. Men zal meer moeten leren van wilde planten en de mogelijkheden om de groei ervan te beheer­sen, d.m.v. bodemgesteldheid, licht en donker, voch­tigheid van de bodem. Als de mensen in de betreffen­de diensten echt welwil­lend zijn om het groen milieu­vriendelijk te beheren, lukt het ook met hetzelfde aantal personeelsleden. Eenvoudig zal het voor een aantal mensen niet zijn, om de planten die ze lang als "onkruid" beschouwd hebben, te leren waarde­ren als wilde, misschien wel beschermde plan­ten.

Ook de houding ten opzichte van zgn. "ongedierte" zal bij sommigen moeten veranderen. Bij het zien van een rupsje, slakje, spinnetje, enz. zal men niet meteen moeten denken aan schade, maar aan de functie die het diertje heeft, in het geheel van samenhang in de na­tuur. Ook in een plantsoen kan een door de mens geleid "natuurlijk evenwicht" ontstaan.

Helaas zijn er nog steeds gemeenten waar men stelt dat groenbe­heer met bestrijdingsmiddelen veel goedkoper is dan niet-giftige methoden. Vaak baseert men zich dan op kos­tenver­gelijkingen van de Consulentschappen, waarin inder­daad wel gesteld wordt dat chemische bestrijding tot zelfs 24x goed­koper zou zijn dan "alternatieve" methoden; met "alternatie­ve" methoden wordt dan met name gedoeld op schoffelen. Als hetzelfde traditionele uiterlijk wordt nage­streefd - zwarte aarde, kale bodem - is schoffelen inderdaad veel duurder dan gifgebruik. In het moderne groenbeheer worden kruiden echter niet meer zonder meer bestreden, maar wordt het groen, de kruiden, beheerd! Hoewel een derge­lijke kostenvergelijking dus weinig realistisch is worden milieu­vriendelijke, natuur­verrijkende ontwikkelingen er nog steeds ernstig door belem­merd.

Het valt op, dat in verschillende gemeenten, waar zonder, of vrijwel zonder chemische bestrijdingsmidde­len gewerkt wordt, de aanzet hiertoe veelal vanuit de beheerders van de plantsoe­nen zelf gekomen is, zoals bijvoorbeeld in Lelystad, Drachten-Smallingerland en Zwolle.

In Ouderkerk worden al sinds 1980 geen bestrij­dings­midde­len in de plantsoenen gebruikt. Ook hier werd het initia­tief niet genomen door het gemeentebestuur, maar door het hoveniers­bedrijf Ramler uit Boskoop. Als bijzonderheid geldt hier, dat het onderhoudswerk aan dit bedrijf gegund is, omdat het goedko­per werkt dan andere inschrijvende bedrij­ven.

Het is natuurlijk het beste, indien afschaffing van het gebruik van chemische bestrijdingsmid­delen, in overleg en overeen­stem­ming gebeurt tussen gemeente­bestuur en de uitvoerders. Toch menen wij dat het initiatief ook door het gemeentebe­stuur genomen moet kunnen worden. Dit bestuur draagt immers ook de verant­woordelijkheid voor het te voeren beleid.

Een voorbeeld van een raadsvoorstel waarin voor­ge­steld wordt het gebruik van bestrij­dingsmiddelen te beëin­di­gen is, als Bijlage 2, opgeno­men. 

Veel belangrijker dan het krijgen van meer personeels­leden, is de wil om aan de slag te gaan zonder chemi­sche bestrij­dings­middelen, met een nieuwe aanpak, gericht op natuurge­leiding en natuurverrijking.

MOTIVATIE PERSONEEL

Voor het welslagen van de omschakeling is het van het grootste belang dat het personeel gemotiveerd is. Vanaf het begin moet daarom duidelijk zijn dat het accepteren of liever waarderen van een groener uiterlijk van de gemeente geen gevolg is van bezuinigingen, maar dat naast de post die jaarlijks al op de begroting stond voor bestrijdingsmiddelen geld vrij gemaakt wordt om het personeel te motiveren en vooral ook om aan een aantal wensen van het personeel tegemoet te kunnen komen. Daarbij kan worden gedacht aan:

                -voorlichtingsbijeenkomsten over bezwaren van gif en mogelijkheden van natuurrijk beheer,

                -excursies naar enkele "Groene Gemeenten" (zie Bijlage 1), die een natuurrijk beheer voeren. Opge­merkt wordt dat een bezoek wordt afgeraden aan gemeenten die weliswaar het gifgebruik afschaften, maar krampachtig trachten het traditionele uiterlijk te handhaven.

                -bezoeken heemtuinen,

                -aanschaf literatuur,

                -bevorderen volgen van cursussen,

                -aanschaf interessante wilde planten, bollen en zaden

                -inhuren van een kruidenspecialist voor bijvoorbeeld een jaar,

                -investering in kostbare, arbeidsbesparende apparatuur                 (zie hoofdstuk 10).

Plantenkennis is niet alleen noodzakelijk om vast te stellen welke soorten wilde planten op bepaalde plaatsen als onge­wenst worden beschouwd; kennis van wilde planten zal zeker ook bijdragen tot meer tolerantie of liever waardering van kruiden en bijbehorende dieren in het groen. Naast cursussen en bestudering van plantengidsen is het vooral van groot belang in de praktijk ervaring op te doen met de verschillen­de kruiden en hun voorkeursgroeiomstandigheden.

Wanneer werknemers van uitvoerende diensten het nieuwe beleid niet volledig ondersteunen zal men klach­ten van bewo­ners of raadsleden over "onkruid" maar al te graag aangrijpen om weer opnieuw te gaan spuiten. Dit is helaas in een aantal gemeenten het geval ge­weest, gemeenten waar men meestal vast hield aan de eisen die traditioneel aan het beeld van plantsoenen en bestra­ting gesteld werden; gemeen­ten waar weinig of niets gedaan werd aan het geven van voorlichting aan zowel medewer­kers van de gemeente als de bevolking.

VOORLICHTING BEWONERS

Van groot belang is het de redenen uiteen te zetten waarom gekozen is voor het nieuwe beleid. Er zal dus aandacht besteed moeten worden aan de bezwaren die aan bestrij­dingsmiddelen verbonden zijn, evenals aan het feit, dat de aanblik van de gemeente bewust groener, natuur­rijker zal worden.

Artikelen in gemeentebladen, regionale kranten e.d. moeten bewoners inlichten over deze problematiek. In overleg met de Stichting Natuurverrijking kunnen teksten en/of tekeningen uit diverse uitgaven van de Stichting worden overgenomen. De Stichting is ook graag bereid mee te werken aan specifiek voorlich­tingsmateriaal, aangepast aan de situatie in een bepaalde gemeente.

Plaatselijke uitgaven dienen de aandacht te vestigen op wilde planten en dieren in de bebouwde kom; wijs daarbij vooral op opvallende soorten die in een bepaalde periode van het jaar op bepaalde plaatsen waar te nemen zijn.

Aan natuurliefhebbers kan worden gevraagd een bijdrage te leveren. Er kunnen inventari­saties gemaakt worden van de spontaan groeiende wilde planten in de gemeente. Daarvan uitgaande kunnen lijsten worden gemaakt van soorten, die in bepaalde plantsoenen als gewenst worden beschouwd en van de soorten die minder gewenst zijn.

 

VOORBEELDFUNCTIE

Een goed voorbeeld doet goed navolgen. Andere groenbe­heerders in de gemeente en particulieren kunnen worden gewezen op de wenselijkheid van het niet langer toepassen van chemische middelen. Daarbij kan ook gedacht worden aan de vele huis- en tuinmiddelen, zoals mierenlokdozen, insectenpennen, vlooienban­den enz.

Alleen een gemeente die zelf het goede voorbeeld geeft is geloofwaardig als getracht wordt het milieubewustzijn van burgers en jongeren te ver­groten.

 

ONDERSTEUNING ONDERWIJS

Met voor leerkrachten gemakkelijk inpasbare lesprogramma's kan het natuur- en milieuonderwijs door het gemeentebestuur onder­steund worden.

Ter ondersteuning van het onderwijs kan gedacht worden aan:

- videobanden/diaseries met informatie over planten en dieren in het openbaar groen,

- wilde planten in potjes en/of takken met begeleidend materi­aal, lesbrieven e.d.,

- organisatie kleur-, teken-, kruidenkweek-, fotowed­strij­den met als onderwerp bijvoorbeeld "natuur in de bebouwde kom",

- tentoonstelling van bijdragen aan dergelijke wed­strij­den.

Om het milieubewustzijn van jongeren te vergroten ontwik­kelde de Stichting Natuurverrijking o.a. het "Fijne Wereld­boek" met prenten en gedichten, het "Bestrijdingsmiddelen Fabeltjesboek" met tekeningen en verklarende tekst en de "Bestrijdingsmiddelenfabeltentoonstelling" met 17 posters.

Diverse gemeenten in ons land hebben reeds een school­bioloog in dienst. Wellicht kunnen kleinere gemeenten geza­menlijk een dergelijke deskundige aanstellen, die de gemeen­ten moet kunnen adviseren betreffende natuurge­leiding en -verrijking en tevens voorlichting aan bevolking en scholen moet kunnen geven d.m.v. te maken boekwerkjes en/of lesbrieven betreffende natuur- en milieueducatie.

Betreffende e.e.a. kan contact opgenomen worden met de Consu­lent voor Natuur- en Milieueducatie, die in elke pro­vincie is aangesteld, met het Instituut voor Natuurbe­scher­mingseduca­tie (IVN) te Amsterdam of met de Stichting Natuurverrijking.

Indien ondanks de voorlichting aan de bewoners en ondersteuning van het onderwijs (waardoor ook ouders bereikt worden) over "onkruid" geklaagd wordt, dient aan "klagers" een informatiepakket over de bezwaren van bestrijdingsmiddelen en de voorde­len van het natuurrijke beheer te worden toegezonden. Daarbij zou gevraagd kunnen worden actief deel te nemen in bewonersgroepen.

 

MEDEWERKING BEWONERS

Het gemeentebestuur is verantwoordelijk voor het te voeren beleid en de uitvoering ervan. De uitvoering mag niet volledig gebaseerd worden op hulp van de bewoners.

Uiteraard kunnen bewoners wel geactiveerd worden mee te helpen, bijvoorbeeld door trottoir en goot voor de eigen woning "schoon" te houden. De gemeente kan ook bijeenkomsten organiseren om groepen van bewoners te betrekken bij aanleg en onderhoud van plantsoenen, speelweiden, fruittuinen, bloembakken, geveltuinen, boomspiegels e.d. Als bewoners vanaf de planning bij de aanleg van nieuwe voorzieningen worden betrokken is dat motiverend om mee te helpen bij aanleg en onderhoud.

Voor hulp bij onderhoud van plantsoenen moet men geïnstrueerd worden over de soorten planten die wel of juist niet gewenst zijn. Hiervoor kunnen bijeenkomsten worden belegd of er kan gewerkt worden in kleine groepjes onder leiding van een "plantenkenner".

Plekken met ongewenste, woekerende kruiden kunnen worden "schoon" gemaakt en ingeplant met gewenste soorten of ingezaaid met in de omgeving ingezamelde zaden, die voor de betreffende plaats geschikt zijn.

In verschillende gemeenten, waaronder Zwolle, heeft men veel positieve ervaring opgedaan met bewonersparticipatie.

We hopen in dit hoofdstuk duidelijk gemaakt te hebben, dat ook extra geld goed en nuttig te besteden is, maar zeker niet in de eerste plaats voor meer uitvoerend personeel om weer het "onkruid" te lijf te gaan. Zo er personeel aangenomen wordt, dan wel mensen met kennis en ervaring of in elk geval interesse, m.b.t. groenbeheer zonder bestrijdings­midde­len.

 

9. NATUURRIJK GROENBEHEER

Indien men door te schoffelen of andere vormen van mecha­nische "onkruid"-bestrij­ding, dezelfde resultaten wil berei­ken, als met het gebruik van bestrijdingsmid­delen gebruike­lijk was, zal dit op een mislukking uitlopen. Telkens zullen de dan onge­wenste planten weer opgroeien. De "strijd", die men op deze wijze met de planten voert is gedoemd te mislukken. Er wordt geen min of meer blijvend resultaat bereikt. Een meer blij­vend resultaat kan alleen worden be­reikt, indien in de plant­soenen een onderbegroeiing van planten wordt toegestaan en ervan wordt uitgegaan, dat deze planten met de bomen en struiken en dieren een eenheid vormen. Dit wil niet zeggen, dat alle planten altijd maar over­al zouden mogen groeien. Netheid behoort een onder­deel van het beheer te zijn, maar niet het hoofddoel.

 

KRUIDEN GELEIDEN

In plaats van "onkruid" te bestrijden, kan men ook de wilde planten gelei­den, door beïnvloeding van de groei­om­standig­heden, die voor vrijwel elke plantensoort verschillend zijn. Gepoogd zou moeten worden om een gewenste vegetatie te verkrijgen en in stand te houden, door beïnvloeding van o.m. hoeveelheid licht en de structuur, vruchtbaarheid en vochtig­heid van de bodem. Voor wel gewenste soorten zullen gun­stige omstan­dighe­den gecreëerd moeten worden, waardoor minder ge­wenste soorten weinig of geen groeikansen krijgen.

Van groot belang is, dat men kennis heeft van de optimale groei­omstandigheden van de verschillende soorten, de concurrentiepositie of tolerantie die plan­ten ten opzichte van elkaar hebben en de effecten die boom- en plantengroei op de bodem kunnen hebben. Zo zal men bijvoorbeeld bij elzen in de regel brandnetels mogen verwachten. Elzen vormen namelijk stikstof in de bodem en de brandnetels groeien, als er voldoende licht is, juist op plaatsen met veel stikstof. Aangezien brandnetel­bladeren een onmisbare voedselbron vormen voor de rupsen van prachtige vlinders als dagpauw­oog, atalanta en kleine vos en bovendien veel vogelsoorten schuil- en nestgelegenheid vinden tussen brandnetels, menen wij dat deze planten meer waardering verdienen, dan ze over het algemeen krijgen.

Genoemde kennis, die de beheerders van het groen dienen te bezitten, kan men voor een deel uit boeken leren en door te leren van ervaring, opgedaan in gemeenten die zonder che­mische middelen werken. Daarbij is het vooral van be­lang zelf te experimenteren en praktijker­varing op te doen, betref­fende de geschetste "kruiden­geleiding".

In het algemeen kan gesteld worden, dat planten het meest "explosief" groeien op een lichte standplaats met daarbij een voedselrijke bodem. Verschraling van de bodem, door ver­menging met zand of bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laag zand, zal de groei van kruiden remmen en het onderhoud verge­makkelij­ken. Eventueel ongewenste planten zijn gemakkelijker te verwij­deren. Deze methode om de kruidengroei te beheer­sen door bodemverschraling wordt nog slechts weinig toegepast, maar is zeker aanbevelenswaardig. Indien men weinig planten­groei wenst, kan deze methode bijvoor­beeld worden gecombineerd met de aanplant van bladrijke struiken, om lichttoevoer tot de bodem te beperken.

Het is in de regel niet nodig en ons inziens ook onge­wenst om in het geheel geen kruidengroei toe te staan. Verschillen­de in dit boekje genoemde bezwaren blijven dan gelden. Er zal dan immers vrijwel geen bodemleven mogelijk zijn (zie o.m. educatieve aspecten en natuur­verarming).

Dat kruidengroei schadelijk zou zijn voor de beplanting is een veel voorkomend misverstand. Dit geldt slechts in het jaar van aanplant, soms ook het daaropvolgende jaar en vooral in ver­band met lichtconcurrentie.

Slechts enkele soor­ten, zoals de Gelderse roos, zijn gevoelig voor wortelconcurrentie. In een aan de bodemge­steldheid aangepas­te aanplant behoeven alleen in het eerste jaar rond de lagere boompjes kruiden verwijderd te worden om deze boompjes snel te doen groeien. Daarna zullen beheers­maatre­gelen voornamelijk kunnen bestaan uit uitdunnen en snoeien.

Woekerende kruiden die ongewenst zijn, dient men het liefst in een zo vroeg mogelijk stadium te herkennen. Er zouden lijsten gemaakt moeten worden van ongewenste soorten in een bepaald plantsoen(gedeelte). Waar onge­wenste kruiden zijn verwijderd door schoffelen of uittrekken, kunnen uiter­aard afhankelijk van de groei­omstandigheden ter plaatse, soorten als longkruid, dagkoekoeksbloem, gele dovenetel, judaspenning, stin­kende gouwe, lelietje van dalen enz., enz. worden gezaaid of ge­plant.

Uiteraard kunnen ook lijsten worden gemaakt van de juist wel gewenste kruidensoor­ten.

Indien men om een bepaalde reden in het geheel geen krui­den­groei wenst, kan worden gewerkt met een laag schors, hout­snippers of afgemaaid gras. Men dient wel te beseffen dat hierdoor voedingsstoffen in de bodem gebracht worden, waardoor na een aantal jaren een explosieve kruidengroei kan optreden.

In Huizen is een schoffelmachine ontwikkeld, die in meerde­re gemeenten voldoet. Gereedschappen die ook goede dien­sten kunnen bewijzen zijn bosmaaier, houtverhakselaar, frees en zeis.

 

VERRIJKING VAN FLORA EN FAUNA

Enkele punten c.q. tips waaruit de gemeentelijke zorg voor verrijking van flora en fauna blijkt bij het beheer van het groen zijn:

- acceptatie en waardering van kruidengroei op de bodem.

- bij aanleg grondverzet om niveauverschillen aan te bren­gen, zodat leefruimte geschapen wordt voor flora en fauna van zowel natte, vochtige als droge milieus.

- de grond van de bestaande natuurlijke bodem wordt zoveel mogelijk benut.

- de aangevoerde grond is voedselarme grond; zwarte aarde wordt nimmer opgebracht.

- er wordt rekening mee gehouden dat voedingsstoffen in de bodem naar lager gelegen gedeelten getranspor­teerd worden. Voedselarme grond wordt daarom in de hoger gelegen ge­deel­ten gesitueerd.

- plantvlakken zijn zo groot en breed mogelijk. Aanleg van arbeidsintensieve lange smalle groenstroken wordt verme­den.

- spontaan opkomende bomen en struiken worden zo­veel moge­lijk gehandhaafd en/of in het ontwerp op­genomen.

- oude fundamenten, puin e.d. worden niet opgeruimd, maar zo veel mogelijk, eventueel na (gedeeltelijke) afdekking met grond, gehandhaafd. Dit is niet alleen kostenbesparend, maar hierdoor worden vele dier­soorten leef-, schuil- en overwinteringsmogelijkheden geboden.

- bij het plannen van nieuwe plantsoe­nen zoveel mo­gelijk aan­sluiten bij bestaand groen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, om groene lin­ten te vor­men, zodat de natuur de gemeente kan doordringen.

- bij locatiekeuze voor nieuwe groengebieden wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de nationale en pro­vinciale ecologi­sche (hoofd)structuren, zoals aangege­ven in het Natuurbe­leidsplan en de diverse Provinciale Natuurbeleids­plannen.

- er wordt actief getracht gelden te verwerven, zoals door sponsoring, om ter versterking van de ecologi­sche struc­tuur terreinen aan te kunnen kopen waar extensief natuur­rijk beheer kan worden toegepast.

- waar mogelijk worden grotere groengebieden geschikt ge­maakt voor begrazing (info: Ecoplan, biologisch adviesbu­reau, zie adressen).

- gras wordt waar mogelijk i.v.m. gebruiksfunctie ex­tensief beheerd; maximaal 2x per jaar gemaaid. Voor de fauna is het van belang dat niet te laag en bij droog weer wordt gemaaid.

- gemaaid gras wordt, nadat de bloemzaden kans ge­kregen hebben te vallen, altijd afgevoerd. Dit bevor­dert ver­schraling waardoor grasvelden en bermen bloemrijker wor­den.

- "klepelen" en andere soorten van bemesting worden nim­mer toegepast.

- zorg voor inzaai en/of aanplant interessante planten­soor­ten.

- in centrumgebieden met een relatief hoge "netheidseis" ontstaan bij gifvrij beheer vaak vrij saaie vakken met uitslui­tend bodembedekkende struiken. Een combinatie met hoog bloeiende kruiden, zoals vingerhoedskruid en toortsen, geeft dan wat meer variatie.

- aanplant van zeer gevarieerde soorten bomen en strui­ken op daartoe geschikte plaatsen.

- bij keuze assortiment rekening houden met vruch­tenaan­bod voor dieren en eventueel mensen.

- geen of weinig plantvakken met "sierrozen" en dergelijke. Liever soorten als rosa rugosa en rosa canina (honds­roos). Deze soorten vragen minder onderhoud en bieden schuil- en broedgelegenheid voor vogels. Bovendien zijn de bottels eet­baar voor mens en dier.

- zorg voor schuil- en broedgelegenheid voor vogels o.a. door aanplant van ondoor­dring­bare struiken.

- in grotere plantsoenen eilandjes, waar planten en dieren zoveel mogelijk met rust gelaten worden.

- aanbrengen van diverse soorten nestkasten.

- bij uitdunnen van bomen de zogenaamde "nestbomen" laten staan.

- takken met vruchten pas na de winter snoeien, i.v.m. voed­selaanbod.

- gevallen blad blijft zoveel mogelijk liggen. Dit is niet alleen goedkoop, maar de strooisellaag beschermt de bodem 's zomers tegen uitdroging en hitte, terwijl het bladafval 's winters een isolerende deken vormt die van belang is voor o.m. insecten, spinnen, kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen (info: Bomenstichting).

- op een aantal plaatsen, in de bredere plantvak­ken, takken en boomstronken laten liggen. Deze bieden leef- en schuil­gelegenheid voor veel die­ren. Ook veel soorten padde­stoe­len krijgen de gelegenheid zich te ontwikkelen.

- wondafdekmiddelen worden niet gebruikt. Dit heeft bij gezonde bomen helemaal geen enkele zin en werkt alleen maar kostenverhogend en milieubelastend.

- de boomspiegels zijn groen.

- bevorderen van de aanleg van geveltuintjes.

- bevorderen aanleg begroeide daken. In enkele Duitse steden is het aanbrengen van begroeiing op platte daken verplicht.

- er worden geen insecticiden gebruikt. In veruit de meeste gemeen­ten acht men dit niet noodzakelijk.

- groei van planten aan de waterkant, zoals gele lis, egels­kop en lisdodde wordt zoveel mogelijk bevor­dert.

- oevers zijn milieuvriendelijk, licht glooiend met een zo natuurlijk mogelijke overgang tussen water en land (info: "Milieuvriendelijke oevers", Dienst Weg- en Waterbouw­kun­de).

- verticale beschoeiingen tot boven het wateroppervlak wor­den nimmer toegepast. Deze beschoeiingen zijn niet alleen zeer kostbaar, maar ook zeer nadelig voor de ont­wikkeling in flora en fauna.

- waterkwaliteit wordt verbeterd door o.m.:

·                     beperking inlaat gebiedsvreemd water,

·                     gebiedsvreemd water wordt zoveel mogelijk slechts ingelaten via moerasgedeelten. (Moerasplanten hebben een filterende, zuive­rende werking, waardoor de wa­terkwaliteit van het ingelaten water sterk verbe­tert.)

·                     toestaan bepaalde schommelingen in water­hoogten,

·                     tegengaan verbraseming.

-verduurzaamd hout wordt niet gebruikt. Dit verontrei­nigt door uitloging het oppervlaktewater. De toepas­sing van verduurzaamd hout wordt daarom door steeds meer waterbe­heerders aan een vergunning in het kader van de Wet Ver­ontreiniging Oppervlakte­wateren gebonden. Het Hoogheem­raadschap Rijnland heeft het gebruik per 1 januari 1993 verboden.

SOORTENBELEID

Natuurrijk Groenbeheer geeft flora en fauna in de woonom­geving meer leefmogelijkheden, zodat vanzelfsprekend reeds een bijdrage geleverd wordt aan het bevorderen in het voor­komen van plant- en diersoorten die volgens het Natuurbe­leidsplan zijn geselecteerd op grond van de criteria (inter)na­tionaal belang, signaalfunctie en herkenbaarheid/naamsbekendheid.

De moge­lijkheden het soortenbeleid actief te onder­steunen zijn mede afhankelijk van het regionale voor­komen van de soorten die priori­teit krijgen.

Enkele voorbeelden van soortgerichte maatregelen ter onder­steu­ning van het in het Natuurbeleidsplan aangegeven soortenbeleid zijn:

- zoogdieren: vleermuizen: plaatsen vleermuis­kasten en aanleg en inrichting van (onderaard­se) verblijfplaat­sen.

- das: onderhoud burchten, aanleg dassentunnels (info: Vereniging Das en Boom).

- vogels: ganzen, zorg voor rust op winterlocaties, jachtverbod (info: Kritisch Faunabeheer).

- amfibieën: aanleg voort­plantingspoelen voor kikkers, padden en salamanders, zorg voor geschikt biotoop en zo veilig mogelijke trekroutes van en naar de paaiplaatsen (info: RAVON).

Jaarlijks zijn met name op betrekkelijk warme regenachtige avonden omstreeks begin maart, vele tiendui­zenden padden, kikkers en salamanders slachtoffer van het verkeer. Dit probleem wordt krijgt terecht steeds meer aan­dacht. Overzetacties, aanleg amfibieëntunnels, plaat­sing van waar­schu­wingsborden en aangepast rijgedrag dragen ertoe bij dat het aantal slachtoffers zal afnemen.

Onopvallend en daardoor veel minder bekend is het feit dat veel putten amfibieënvallen zijn. Tijdens de trek van en naar de voortplantingspoelen zijn stoepranden barrières waar de dieren dicht langs lopen, totdat er een moge­lijkheid is om weer de juiste richting naar de poel te kiezen. Vaak is er langs de stoeprand een put waar de dieren in vallen en daar ellendig omkomen.

Herkenning en erkenning van dit pad-put-probleem is voor vele duizenden amfibieën de eerste stap op weg naar redding.  Een schuine stoeprandband aan weerszijden van de put is een mogelijke oplossing. In Duitsland is een trottoirband ontwikkeld met een uitsparing, waardoor de dieren niet in de put vallen (info: Stichting Natuurverrijking).

- reptielen; ringslang, aanleg broedhopen voor eiafzet (info: RAVON).

- dagvlinders: aanplant plantensoorten die voor vlin­ders en andere bloemenvrienden zoals bijen, hommels en zweefvlie­gen van levensbe­lang zijn (info: Vlinderstichting).

NATUURRIJK GROENBEHEER

Natuurrijk Groenbeheer is erop gericht dat de inwoners van 1 januari tot en met 31 december, de gelegenheid heb­ben de natuur in zoveel mogelijk ver­schil­len­de levensvormen waar te nemen en ervan te ge­nieten.

Natuurrijk Groenbeheer is een volledige integratie van milieu-, natuur- en waterbeleid, gericht op het streven naar een duurzame ontwikkeling, zoals aangegeven in het Natio­naal Milieubeleidsplan-Plus van juni 1990.

Uitgangspunt van het natuurverrijkend groenbeheer dient te zijn het beëindigen van het gebruik van bestrij­dingsmiddelen.

Het inlassen van een "proefperiode" raden wij af. Het mis­luk­ken zal dan voor sommigen een mogelijkheid zijn weer naar de oude situatie terug te keren.

In plaats van een "proefperiode" kan het inlassen van een korte "overgangsperiode" wel zinvol zijn, zodat vakmensen en bewo­ners zich in kunnen stellen op het zich wijzi­gende beeld.

De Stichting Natuurverrijking is verheugd te constateren dat steeds meer personen en instanties beseffen dat de voorde­len van bestrijdingsmiddelen niet opwegen tegen de nadelen. Steeds meer gemeenten en instanties beëindigen het gebruik van chemi­sche middelen, want het kan niet alleen zonder, het moet! Steeds meer plantsoenen en groengebieden spelen een rol bij de instand­houding en verrijking van de natuur. Steeds meer mensen kunnen vlak bij huis de natuur waarnemen. En genieten van Natuurrijk Groen.

10. SCHONE STRATEN

Gemeentebesturen worden zich bewust van de risico’s van chemische be­strijdingsmiddelen voor gezondheid, natuur en milieu en wensen niet meer mee te werken aan verdergaande verontrei­ni­ging van o.m. sloot-, regen-, grondwater, bagger en bo­dem in de eigen omgeving. Daarom wordt bestrating niet langer met gif "schoon" gehouden. In werkelijk schone straten groeien hier en daar planten tussen de tegels.

UITVOEREND PERSONEEL

In de regel is het uitvoerend personeel tevre­den met de wijze waarop de bestrating de afgelopen decennia is onderhouden. Men is gewend geraakt aan een volledig kruiden­vrij straat­beeld en wil dit ook zo houden: "Alle onkruid moet worden bestreden. Onkruid verstopt de goten, vernielt de bestrating en is gevaarlijk voor het verkeer."

Gediplomeerde spuiters zullen de tijdens de spuitcursus geleerde kennis aanvoeren om aan te geven dat de gebruikte bestrijdingsmiddelen onschadelijk zijn (zie hoofdstuk 7). Het is natuurlijk niet verwonderlijk dat uitvoerend personeel tevreden is met de wijze waarop men zelf jarenlang gewerkt heeft. Het vergt dan ook van deze medewerkers een grote inzet en aanpassingsvermogen om de omschakeling naar gifvrij beheer tot stand te brengen.

GROENER STRAATBEELD

Essentieel voor het welslagen van een milieuvriendelijke aanpak is een meer tolerante houding ten opzichte van "on­kruid": wat planten in de goot belemmeren heus niet meteen de afvoer van hemelwater. Kruiden zijn zeer zelden de oor­zaak van het losraken van tegels. Plantenwortels helpen juist met het vasthouden van de stenen. Gevaar voor het verkeer valt ook erg mee. De Stichting Natuurrverrijking kent geen gedocumenteerd ongeval als gevolg van kruidengroei.

Het beeld van een volle­dig kruidenvrije bestrating is alleen te bereiken met gif; met kiemremmende bestrijdingsmiddelen en middelen met langdurige werking. Zonder gif kunnen kruiden pas bestreden worden als er eerst ook werkelijk kruiden groeien. Kruiden borstelen of branden is immers zinloos als er geen kruiden te zien zijn. Acceptatie van een groener straatbeeld is dus inherent verbon­den aan milieuvriendelijke kruidenbestrijding. Uitgebreide voorlichting hierover naar zowel uitvoerend personeel als bevolking is dan ook van groot belang, zodat gedurende de omschakelingsperiode en ook daarna voor ieder duidelijk is dat het groenere straat­beeld niet een gevolg is van verwaarlo­zing en/of bezuiniging, maar een (milieu)bewuste keuze.

SOORTEN KRUIDEN

In plaatselijke uitgaven kan aandacht besteed worden aan de verschillende soorten kruiden die op verhardingen te zien zijn. In elke gemeente kunnen vele interessante en zelfs beschermde soorten aangetroffen worden.

Bestrijding van mos en andere zeer laag blijvende plantjes tussen de voegen is meestal niet nodig. Verwijdering van deze soorten is kosten­verhogend, omdat daardoor groeiruimte gecreëerd wordt voor hoger groeiende soorten, die lastiger te verwijderen zijn.

Bij de bestrijding is het van belang onder­scheid te maken tussen één- en tweejarige kruiden en meer­jarige soorten. Grassen en planten die tot de laatste groep behoren en zich vermenigvul­digen met wortelstokken zijn door snelle groei het lastigst te bestrijden.

Handgereedschappen zoals schoffel en schop zijn niet erg geschikt om de bestrating kruidenvrij te houden. Deze wijze van werken is zeer arbeidsintensief en bovendien is door het voortdurend stoten tegen oneffenheden de kans op blessures groot. In de praktijk blijken twee methoden wel goed te vol­doen: branden en borstelen.

BRANDEN

Door een trekker getrokken stootbranders, eventueel in com­bi­natie met infrarood branders, zijn vooral geschikt om vrij lage kruidengroei te behandelen. In een droge periode, bij droog weer, kan met een snelheid van 4 km per uur gewerkt worden. Propaangas blijkt een grotere hitte te leveren dan LPG. Met propaangas kan dus de werksnelheid wat hoger zijn.

Als de vegetatie na behandeling zwart geblakerd is wordt te langzaam gereden. Door de hitte moeten wel de celwanden knap­pen. Dat is gebeurd als behandelde planten donker kleuren en er vocht vrij komt wanneer er zacht in geknepen wordt.

Planten met wortelstokken zullen na behandeling weer uitlo­pen. Om deze soorten uit te putten moet de behandeling een aantal malen herhaald worden.

De werkbreedte van de branders is uiteraard afhankelijk van de gebruikte apparatuur. Voor hogere kruidengroei zijn branders minder geschikt. Eventueel moet dan eerst de be­strating worden gemaaid en het maaisel afgevoerd. Een wat hogere begroeiing kan het best worden behandeld met me­cha­nische borstels.

BORSTEL-VEEGMACHINES

Er zijn momenteel diverse borstel-veegmachines be­schik­baar die met snelheden tot boven de 5 km per uur in één werk­gang de bestrating krui­denvrij borstelen en meteen de kruiden opnemen.

In de praktijk wordt nog steeds vaak gebor­steld met trekkers voorzien van een kruidenborstel. Natuur­lijk kan met deze machines goed gewerkt worden, maar voor het opvegen van de geborstelde kruiden moet opnieuw personeel en apparatuur ingezet worden, dus kosten gemaakt worden.

De Stichting Natuurverrijking pleit er daarom voor, als ge­stopt wordt met gifgebruik, te investeren in de aanschaf van een kostbare borstel-veegmachine (zie dealerlijst aan het slot van dit hoofdstuk). Een dergelijke machine kost onge­veer f 200.000, maar is zeer arbeidsbesparend, omdat bor­stelen en vegen in één werkgang plaats vinden.

Uiteraard kunnen buurge­meenten een dergelijke machine ook gezamenlijk aanschaffen. Zo'n aanschaf maakt bovendien zowel naar uitvoerend personeel als bevolking duidelijk dat het groenere straatbeeld geen gevolg van bezuiniging is. Indien eventueel werk aan loonwer­kers wordt uitbesteed, dienen alleen loonwerkers die over dergelijke apparatuur beschikken in aanmerking te komen, omdat anders de kosten veel te hoog worden.

KOSTEN

Dat borstelen en branden niet al lang in alle gemeen­ten toegepast worden heeft vooral te maken met het kostenaspect. M.b.t. de directe kosten van borstelen en branden worden in de vakliteratuur zeer uiteenlopende bedragen per vierkante meter genoemd. Vrijwel altijd zijn de opgegeven kosten veel hoger dan de directe kosten van chemische bestrijding.

De Stichting Natuur­verrijking betreurt het dat dergelijke kostenvergelijkingen niet gebaseerd zijn op situa­ties waarbij zo efficiënt mogelij­ke borstel-veeg en/of brand­ap­paratuur op zo efficiënt mogelijke wijze gebruikt wordt. Bovendien is het toestaan van een groener straatbeeld niet alleen, zoals aange­geven noodzakelijk, maar de mate waarin kruiden getolereerd worden is bovendien zeer kosten­bepa­lend.

Gelukkig laten steeds meer gemeentebesturen zich niet langer afschrikken door misleidende kos­tenberekeningen. De Stich­ting Natuurverrijking stelt voor niet eens te trachten een prijs per vierkante meter te berekenen, maar de werk­snelheid in km per uur en de werkbreedte van gebruikte appara­tuur aan te geven. Het beleid dient erop gericht te zijn zo efficiënt mogelijke apparatuur op zo efficiënt mogelijke wijze te gebrui­ken.

Voor gemeenten die overgaan op gifvrij beheer zijn de nu volgende adviezen van groot belang:

SCHONE STRATEN TIPS

·                     bevorder door voorlichting de acceptatie van een groener straatbeeld,

·                     werk zoveel mogelijk met machines die in één werk­gang de geborstelde kruiden ook opnemen (uitgezon­derd het buiten­gebied, waar geborstelde kruiden in de berm kunnen ach­terblijven),

·                     zet branders alleen in bij een lage begroeiingsgraad en droog weer,

·                     neem zoveel mogelijk maatregelen ter bevordering van de werksnelheid van de ingezette apparatuur,

·                     verwijder, indien mogelijk, straatmeubilair en/of pas het zodanig aan dat de werksnelheid niet wordt belemmerd. Dit kan bijvoorbeeld door rond obstakels een gesloten verhar­ding van cement/beton aan te brengen,

·                     pas de breedte van bestrating aan bij de werkbreedte van de borstel-, brandapparatuur; het is zeer efficiënt als de breedte van de te behandelen oppervlakken gelijk is aan de werkbreedte van apparatuur of een veelvoud ervan,

·                     pas de breedte van bestrating aan bij de gebruiksintensi­teit. Verwijder zo mogelijk weinig gebruikte bestrating,

·                     maak bochten in wegen rond en niet haaks. Dit bevordert niet alleen de werksnelheid van borstel-, brandappara­tuur, maar tevens wordt kruidenbestrijding door het verkeer veel beter benut,

·                     kies verharding met minder voegen. Denk bij keuze van verharding aan het percentage dat door voegen wordt inge­nomen,

·                     regelmatig vegen voorkomt in belangrijke mate kruiden­groei,

·                     stel zodanige regelingen op dat op bepaalde tijdstippen tenminste één zijde van een straat vrij is van geparkeer­de auto's,

·                     stel de eerste kruidenborstel of -brandbehandeling zo moge­lijk uit tot eind juni. Dan is de periode met de sterkste groei voorbij en heeft een behandeling een langer zichtbaar effekt,

·                     verwijder zoveel mogelijk de kruiden in herfst en winter, zodat het nieuwe groeiseizoen zo schoon mogelijk start.

GEEN STANDAARD-OPLOSSING

Voor gifvrije bestrijding bestaat geen standaard methode. Het tijdstip en de keuze van in te zetten apparatuur is afhanke­lijk van de situatie ter plaatse. Een rol spelen o.m.: het weer, grondsoort en bodem, kruidensoorten en hun ontwikkeling, getolereerde "groengraad" op een bepaalde lokatie, beschik­baarheid van apparatuur en personeel.

VOORBEELDGEMEENTEN

In Blaricum en Esch werd nooit gif op straat gespoten. In de Groene Lijst (Bijlage 1) is aangegeven welke gemeenten en provincies hun bestrating zonder gif onderhouden en daar soms al jarenlange ervaring mee hebben. Andere gemeenten en pro­vincies kunnen van deze ervaring profite­ren door met de voor­beeldgemeenten en -provincies kontakt op te nemen.

DEALERLIJST BRAND- EN BORSTELAPPARATUUR

Agro Dynamic,

Balsemienlaan 238, 2555 RH Den Haag

tel.: 070 - 3689511, fax.: 070 - 3683852

o.a. Weedmaster en Weedstar infrarood-stootbranders

Bekker Reinigingstechniek,

Energieweg 50, Postbus 130, 3130 AC Vlaardingen

tel.: 010 - 4341411, fax.: 010 - 4602770

o.a. Schmidt borstel-veegkombinatie

Benegas

Zuiderzeestraatweg 1, Postbus 34, 3880 AA Putten

tel.: 03418 - 57744, fax.: 03418 - 60216

diverse propaangasbranders

De Binckhorst Handelsmaatschappij B.V.,

Dobbeweg 2, Postbus 184, 2250 AD Voorschoten

tel.: 071 - 600200, fax.: 071 - 224655

o.a. Rolba City Cat borstel-veegkombinatie

Drost Machines B.V.,

Utrechtsestraatweg 204a, 3911 TX Rhenen

tel.: 08376 - 19017, fax.: 08376 - 14447

o.a. Nimos borstelmachines.

Deluvo Nederland B.V.,

Eisenhouwerweg 30, Postbus 300, 5460 AH Veghel

tel.: 04130 - 43579, fax.: 04130 - 43306

o.a. Ygry veegmachine met (on)kruidborstel

Jean Heybroek B.V.,

Wilgenkade 6, Postbus 228, 3990 GA Houten

tel.: 03403 - 94611, fax.: 03403 - 94655

o.a. K 1500 van IKF borstel-veegkombinatie

Hofmans B.V.,

De Louwstraat 13, Postbus 23, 5374 ZG Schaijk

tel.: 08866 - 1686 of 3400, fax.: 08866 - 3434

o.a. HMF veegmachines met (on)kruidborstel

Jongerius

Arkansasdreef 16, 3565 AR Utrecht

tel.: 030 - 627879, fax.: 030 - 624624

o.a. LM Trac met (on)kruidborstel

Marechal Groentechniek,

Kievitsweg 151, Postbus 110, 2980 AC Ridderkerk

tel.: 01804 - 15555, fax.: 01804 - 15777

o.a. Burtec (on)kruidborstel

Mowi - Milieu,

Rivierdijk 18, Postbus 37, 3360 AA Sliedrecht

tel.: 01840 - 33483, fax.: 01840 - 19017

o.a. Roterbant en Nimos borstelmachine

Nannings Groentechniek,

't Kolkske 7, 5371 MX Ravenstein

tel.: 08867 - 2144, fax.: 08867 - 3191

o.a. Hansa borstel-veegkombinatie en

     Wurfix borstelmachine met handmatige bedie­ning

Wilser Import,

't Kolkske 10, 5371 MX Ravenstein

tel.: 08867 - 1036, fax.: 08867 - 1325

o.a. UBS borstelmachine met handmatige bediening

 

ADRESSEN

Bomenstichting, Donkerstraat 17, 3511 KB Utrecht, tel.: 030 - 331328

Bureau Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE Wageningen, tel.: 08370 - 75478

Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Projectbureau Milieu­vriendelijke Oevers, Rijkswaterstaat, Postbus 5044, 2600 GA Delft, tel.: 015 - 699475

Ecoplan, Biologisch Adviesbureau, Mozartstraat 12, 9722 EC Groningen, tel.: 050 - 271534

Instituut voor Natuurbeschermingseducatie, IVN, Postbus 20123, 1000 HC Amsterdam, tel.: 020 - 6228115

Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, IBN-DLO, Bosrandweg 20, Postbus 23, 6700 AA Wageningen, tel.: 08370 - 95111

Kritisch Faunabeheer, Amsteldijk noord 135, 1183 TJ Amstelveen, tel.: 020 - 6410798 of 08373 - 16879

Ministerie VROM, Directoraat-Generaal Milieubeheer, Postbus 30945, 2500 GX Den Haag

Nederlands Platform voor Stedelijke Ecologie, p.a.NI­ROV, Postbus 30833, 2500 GV Den Haag, tel.: 070 - 3469652

Provinciaal bestuur van Noord-Holland, Dienst Milieu en Water, Provinciehuis, Dreef 3, 2012 HR Haarlem, tel.: 023 - 143800

RAVON, Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Neder­land, Postbus 1413, 6501 BK Nijmegen, tel.: 080 - 225736

Stichting Natuur en Milieu, Donkerstraat 17, 3511 KB Utrecht, tel.: 030 - 331328

Vereniging Das en Boom, Rijksstraatweg 174, 6573 DG Beek-Ubbergen, tel.: 08895 - 42294

Vereniging Milieudefensie, Damrak 26, 1012 LJ Amster­dam, tel.: 020 - 6221366

Vlinderstichting, Postbus 506, 6700 AM Wageningen, tel.: 08370 - 11220

LITERATUUR

Deze literatuuropgave bevat slechts een greep uit de geraadpleegde literatuur. Ieder die informatie wenst over bepaalde in deze uitgave vermelde gegevens kan daarover contact opnemen met de Stichting Natuur­verrijking.

Arbeidsinspectie, Nationale MAC-lijst, diverse uitgaven

Beaart, Kees, Bestrijdingsmiddelen Fabeltjesboek, Stichting Na­tuurverrijking, 1987

Beaart, Kees, Spuiten Maakt Ons Giftig, De Kleine Aarde, 1984

Beaart, Kees, Bestrijdingsmiddelen Wijzer, St. Natuurverrijking, 1992

Bestrijdingsmiddelenwet, diverse uitgaven

Bomenstichting, Bomen en Beesten, Bomen en Mensen e.d. bro­chures

CAD Gewasbescherming, Cursussen Spuiten in de Land- en Tuinbouw en Stedelijk Groen, Onkruidbestrijding Stedelijk Groen, 1988

Canton, J.H., e.a., Inhaalmanoeuvre oude bestrijdingsmiddelen: een integratie, RIVM, Rapportnr. 678801001, 1990

Carson, Rachel, Dode Lente, 1963

Commissie Toelating Bestrijdingsmiddelen, Bureau Bestrijdings­middelen, Beoordeling van Bestrijdingsmiddelen m.b.t. Milieuas­pecten en Landbouwkundig Nuttige Organismen, 1992

Consulentschap in algemene dienst voor het Stedelijk Groen e.a. Consulentschappen, Tussen Spuit en Kruid, 1985

De Dorschkamp, Natuur in de Stad, Rapport nr. 641, 1991

Environmental Protection Agency, Pesticide Fact Handbook, 1988

Jans, H.W.A., Openbaar Groen met of zonder vergif(t)? Nederlands Instituut voor Preventieve Gezondheidszorg/TNO, 1989

Griffiths, Drs. M., Bestrijdingsmiddelen en Gezondheid, Stichting Natuurverrijking, 1987

Gezondheidsraad, Advies inzake Bestrijdingsmiddelen, 1985

GGD Stadsgewest Breda, Bestrijdingsmiddelen in het openbaar groen, Stand van zaken in het Stadsgewest Breda, 1990

Hrubec, J., Bestrijdingsmiddelen en Drinkwater, artikel in : H2O, nr. 11, 1988

Koster, Arie en Claringbould, Mariëtte, Natuurlijker Groenbeheer in Nederlandse Gemeenten, VNG

Koster, drs. A., Stedelijk Groen Natuurlijker, Ministerie van

Landbouw en Visserij, Adviesgroep Vegetatiebeheer

Krul, Drs. W.E.M.C., Gebruik van bestrijdingsmiddelen op bestra­tingen en in openbaar groen, Inspectie van de Volksgezondheid voor de Hygiëne van het Milieu voor Zuid-Holland, 1982

Lagas, P., e.a., Veldonderzoek Bestrijdingsmiddelen, Rapportage van vier bemonsteringen, RIVM, Rapportnummers 728473002 en 728473003, 1988 en 1989

Landbrugsministeriet, Statens Planteavlforsog, Ukrudtsbekaempelse i Havebrug 1990, Denemarken, 1990

Landbrugsministeriet, Statens Planteavlforsog, Ukrudtsbekaempelse

i Vedplantekulturer 1990, Denemarken, 1990

Lans, Hans van der en Poortinga, Gerben, Natuurbos in Nederland, een uitdaging, IVN, 1986

Linden, A.M.A. van der, en Loch, J.P.G., Beoordeling van risico's van bestrijdingsmiddelen voor de drinkwatervoorziening, RIVM, Rapport nr. 728620001, 1986

Linden, A. van der, Lozing bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewa­ter onacceptabel, artikel in: Vakblad voor de Bloemisterij, nr. 5, 1988

Loch, J.P.G., e.a., Residuen van geselecteerde Bestrijdingsmiddelen in het Ondiepe Grondwater van enige Kwetsbare Nederlandse Grondsoorten, RIVM, Rapportnr. 840256001, 1986

Ministerie van Landbouw, België, De invloed van gewasbeschermingsmiddelen op de kwaliteit van landbouwproducten, Agricontact, februari 1991

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Managementaspecten van Ecologisch Stadsgroen, VNG Uitgeverij, 1991

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en andere Ministeries, Meerjarenplan Gewasbescherming, 1991

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Rapportage Werkgroep Openbaar Groen, Achtergronddocument Meerjarenplan Gewasbescherming, 1990

Ministerie van Landbouw en Visserij, Beschermingsplan Dagvlin­ders, 1989

Ministerie van Landbouw en Visserij, Symposium Groenbeleid door Gemeenten, Rotterdam, 1989

Ministerie van Landbouw en Visserij, Natuurbeleidsplan, 1989

Ministerie van Verkeer en Waterstaat en andere Ministeries, Derde Nota Waterhuishouding, Water voor nu en later, 1989

Ministerie VROM en andere Ministeries, Nationaal Milieubeleids­plan (NMP), Kiezen of Verliezen, 1989

Ministerie VROM en andere Ministeries, Nationaal Milieubeleids­plan-plus, 1990

Ministerie VROM en Landbouw en Visserij, Milieucriteria ten aanzien van stoffen ter bescherming van bodem en grondwater, Notitie, Lijst van Vragen en Antwoorden, Tweede Kamer der Staten-Generaal, 1989

Ministerie VROM en Landbouw Natuurbeheer en Visserij, Milieu­criteria ten aanzien van stoffen ter bescherming van bodem en grondwater, -Tweede Milieucriteria notitie- 1991

Muilerman, Hans, Het Plantsoen, het gif eruit de natuur erin, Hoe krijg je de gemeente zover? Vereniging Milieudefensie, 1987

Natural Resources Defense Council, Intolerable Risk in our Chil­drens Food, 1989

Northwest Coalition for Alternatives to Pesticides, Food Use Pesticides Classified by the U.S. Environmental Protection Agency as Potential Carcinogens, Journal of Pesticide Reform, Winter 1992

Northwest Coalition for Alternatives to Pesticides, Secret "Inert" Ingredients, Journal of Pesticide Reform, Fall 1992

Olkowski, William, e.a., Common-sense Pest Control, Least-toxic solutions for your home, garden, pets and community, Newtown, 1991

Oudeman, dr.ir. A., deskundige bestrijdingsmiddelen van het Ministerie VROM, tekst inleiding gehouden d.d. 7 juni 1990, bij de presentatie van het onderzoek "Bestrijdingsmiddelen in het Openbaar Groen, Stand van zaken in het Stadsgewest Breda", GGD Stadsgewest Breda, 1990

Piebenga, P., Te zwakke schakels in ecologische verbindingszones doen effect te niet, artikel in: Zicht op groen, (HIC) 1992

Provincie Noord-Holland, Beleidsnota Milieuvriendelijk Groenbe­heer, 1990

Provinciale Natuur-, Milieubeleidsplannen van vrijwel alle provin­cies, zie diverse titels bij citaten in hoofdstuk 6

Provincie Zuid-Holland, Buro Luchtkwaliteit, Verontrustend hoge gehalten bestrijdingsmiddelen in regenwater, 1991

Rachel's Hazardous Waste News, New study links breast cancer to DDT, PCBs and other chlorinated chemicals, Washington, 1992

RAVON, Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland, Aanleg en onderhoud van poelen voor amfibieën

RAVON, Waarnemingen van Amfibieën en Reptielen in Neder­land, 1990 en andere jaargangen

Reclame Code Commissie, diverse beslissingen, o.a. m.b.t. reclame voor Casoron G, Gramoxone, Finale en Roundup

Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Natuurbeheer in Nederland, Dieren, 1983

Rijkswaterstaat, Kansen voor Waterorganismen, 1989

Rijkswaterstaat, Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Milieuvriende­lijke Oevers, 1989

Rijn, drs. J.P. van, e.a., Handboek Bestrijdingsmiddelen gebruik en milieueffecten, Voorpublicatie, VU Boekhandel/Uitgeverij, 1992

Sluijsmans, J.J.L. en Hoksbergen, F.Th.J., Praktijkonderzoek naar mogelijkheden voor thermische onkruidbestrijding op verhardingen in de gemeente Arnhem, Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Dorschkamprapport nr. 674, 1992

Snoo, G.R. de en Canters, K.J., Neveneffecten van bestrijdings­middelen op terrestrische vertebraten, deel 1 en 2, Centrum voor Milieukunde, Rijksuniversiteit Leiden, 1987

Stichting Natuurverrijking, Gif uit 't Groen, Bestrijden deel 12

Stichting Natuurverrijking, Giffraude, Bestrijden deel 14

Stortelder, P.B.M. en Faassen, R., Uniformering van normen voor water, waterbodem, bodem en grondwater een stap verder, artikel in: H2O, 1992, nr. 24

United Nations, Food and Agriculture Organization, Pesticide residues in food- Report - diverse jaren

Tuin en Landschap, Vakblad voor de groenvoorziening, vele artikelen

Verdam, B. e.a. Bestrijdingsmiddelen in Grondwater onder kwets­bare bodemtypen, RIVM, Rapportnr. 728473001, 1988

Witte, Irene e.a., Gefährdungen der Gesundheit durch Pestizide, 1988

World Health Organization, Drinking-Water Quality and Health-Related Risks

Worthing, Charles R. e.a., The Pesticide Manual, 1987

Zoonen, P. van, e.a., Onderzoek naar het voorkomen van een

aantal polaire bestrijdingsmiddelen in regenwater, 1988

BIJLAGE 1

De Groene Lijst van gemeenten en provincies die Natuurverrijking hebben gemeld geen chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken in openbaar groen en/of bestrating is elders (zo actueel mogelijk) opgenomen op deze website.

BIJLAGE 2

GEMEENTE VOORBEELD

Raadsvoorstel nr. R 150                                 21 maart 1993

Bijlagen:

1. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen op bestratingen en in openbaar groen: nota van de Regionale Inspecteur van de Volksgezondheid, 1984;

2. Naar Natuurrijk Groen, Stichting Natuurverrijking, Notitie inzake beheer openbaar groen en bestrating.

Aan de Raad

Inleiding

Aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen op openbaar toe­ganke­lijke plaatsen zijn een aantal bezwaren verbon­den. Daarom gaan er steeds meer stemmen op om het gebruik van onkruidbestrij­dingsmiddelen in de ge­meente te beëindigen. In enkele vergade­ringen van de Commissie Ruimtelij­ke Orde­ning en Milieu is deze materie uitvoerig besproken. Een verte­genwoordiging van de gemeente heeft bezoe­ken ge­bracht aan enkele naburige "Groene Gemeen­ten".

Zonder hierbij nader op de nadelige gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in te gaan, brengen wij het volgen­de onder uw aandacht:

-                Toepassing van bestrijdingsmiddelen brengt gevaren mee­ voor mens en milieu. Het Ministerie van VROM streeft naar een verbod van alle bestrijdingsmiddelen voor gebruik in openbaar groen en op bestrating.

-               Door het gebruik van bestrijdingsmiddelen kunnen in ons land voorkomende plant- en diersoorten verdwij­nen en/of zeldzaam worden.

-               De gemeente is als gebruiker van bestrijdingsmid­delen mede verantwoordelijk voor de productie van deze midde­len.

-               De praktijk heeft in diverse gemeenten uitgewe­zen, dat het beheer van openbaar groen en bestra­ting zon­der be­strij­dingsmiddelen op verantwoorde wijze en zonder veel extra kosten kan worden uit­gevoerd.

Naar aanleiding van genoemde punten het volgende:

Natuurrijk Groenbeheer

Bij deze vorm van Groenbeheer wordt ervan uitgegaan dat krui­dengroei in plantsoenen gewenst is. Door beïnvloe­ding van de groeiomstandigheden van kruiden wordt de groei van minder gewenste soorten geremd en van meer gewenste soorten bevorderd.

De eerste jaren na de aanplant van bomen en struiken is het vooral i.v.m. lichtconcurrentie van belang de krui­dengroei te remmen. Dit kan o.a. geschieden door inzaai van laagblij­vende kruiden, frezen, maaien, selectief schoffelen of met de hand verwijderen van minder gewenste hoog woekerende soor­ten.

Van groot belang is dat de bodem "schraal" is, weinig voe­dings­stoffen bevat. Er zal dan ook geen "zwarte aarde" meer in plantsoenen gebruikt worden; de verschraling van de bodem kan eventueel bevorderd worden door het opbrengen van zand. Door verschraling wordt de groei van woekerende kruiden geremd.

Het remmen van kruidengroei door de bodem af te dekken met houtsnippers, schors e.d. zal nog slechts zeer plaatselijk worden toegepast; hierdoor komen meer voedingsstoffen in de bodem en bevordert op termijn dus de groei van woeke­rende kruiden.

In de plantsoenen wordt getracht een zo groot mogelijke varia­tie aan bomen en struiken, planten en dieren te verkrij­gen. Bestrijdingsmiddelen zijn niet alleen ongewenst; het gebruik van bestrijdingsmiddelen is rampzalig voor de ge­wenste natuur­ontwikkeling. Voor meer informatie verwijzen wij naar bijlage 2 van deze notitie.

Gazons en speelweiden

Ten aanzien van deze locaties zullen bij afschaffing van bestrijdingsmiddelen geen problemen ontstaan. Plaatsen waar het gras weinig betreden wordt zullen minder intensief ge­maaid worden. Door het afvoeren van maaisel zal op den duur verschra­ling optreden, waardoor grasvelden bloemrijker worden.

Bestrating

De meeste op bestrating voorkomende kruiden worden be­streden door verkeer en/of betreding.

Voor de afvoer van regenwater is het van belang dat met name de goten regelmatig geveegd worden. Dit kan zoveel mogelijk mechanisch, met harde borstels geschieden.

Door geen bestrijdingsmiddelen op de bestrating toe te pas­sen zal de aanblik veranderen, groener worden. Er moeten immers eerst kruiden groeien alvorens maatregelen genomen kunnen worden. Voor de begaanbaar­heid zal kruidengroei op de bestra­ting zelden een probleem zijn. Als dit wel zo is kan naast borstelen o.a. gedacht worden aan:

  • maaien met de bosmaaier, daarna eventueel branden met thermische branders

  • een gesloten verharding aanbrengen

  • de breedte van de bestrating aanpassen aan de ge­bruiksin­tensiteit

  • niet belopen/betreden bestrating verwijderen.

Voorlichting

Voorlichting aan uitvoerend personeel en de bewoners is van groot belang, zodat men beseft dat de "groenere aanblik" geen gevolg is van bezuiniging of verwaarlozing, maar een weloverwo­gen beslissing ter bescherming van gezondheid en milieu en ter verrijking van de natuur in de woonomgeving.

In plaatselijke bladen en folders zal gewezen worden op bezwa­ren en gevaren van bestrijdingsmiddelen. Hiertoe kunnen o.a. gedeelten uit de bijlagen worden overgenomen. Bovendien zal er regelmatig aandacht worden besteed aan planten en dieren die in de gemeente waargenomen kunnen worden.

Er zal bekend worden gemaakt waar men met vragen of klachten terecht kan.

Korte omschakelperiode

Tot voor kort werd een groot deel van de oppervlakte van bestrating en openbaar groen chemisch behandeld. Realise­ring van het geschetste beleid eist een grote omschakeling en inzet van het uitvoerend personeel. Diverse aanpassingen zijn noodza­kelijk. Vanuit milieuoogpunt is een omschakelperiode van meerdere jaren echter niet wenselijk. De afgelopen jaren zijn in vele gemeenten reeds experimenten uitgevoerd m.b.t. gifvrij beheer. Gebruikmakende van de opgedane ervaringen in andere gemeenten stellen wij voor de overgang in overleg met de betrokken diensten over een periode van één jaar te doen plaatsvinden.

Inmiddels zullen verdere kontakten gelegd worden met de ge­meenten waar men al langer zonder bestrijdingsmidde­len werkt. Er zal worden bevorderd dat zoveel mogelijk perso­neelsleden cursussen volgen, die op dit gebied worden ge­houden. Veel literatuur zal aangeschaft en geraadpleegd moeten worden. Er zullen lijsten gemaakt moeten worden van in bepaalde plantsoe­nen gewenste en minder gewenste soorten kruiden.

Er zal regelmatig overlegd moeten worden tussen betrok­kenen, zodat problemen kunnen worden opgelost en bij­stu­ring tijdig mogelijk is.

Wij stellen u voor in te stemmen met het hiervoor geschetste beleid en in het door u in 1993 vast te stellen Gemeentelijke Milieu- en Natuurbeleidsplan de volgende ge­dragslijn vast te stellen:

"In het openbaar gebied van de gemeente worden geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt. Andere groenbe­heerders en particulieren in de gemeente wordt aanbevolen voor eenzelfde handelswijze te kiezen."

Voorbeeld, 21 maart 1993

Burgemeester en Wethouders van Voorbeeld

De Secretaris,  De Burgemeester,

BIJLAGE 3

Informatie over de activiteiten in de richting van de Reclame Code Commissie is terug te vinden op een apart deel van deze website.

BIJLAGE 4

MONDIAAL ALTERNATIEF,

Stichting DE KLEINE AARDE,

Stichting NATUUR en MILIEU,

VERENIGING MILIEUDEFENSIE,

Stichting NATUURVERRIJKING

Aan het College van Burgemeester en

Wethouders en Raadsleden

                februari 1990

Geacht Gemeentebestuur,

Hierbij ontvangt u de brochure "Gif uit 't Groen" en de derde versie van de GROENE LIJST met de namen van bijna 70 gemeenten, die de Stichting Natuurverrijking hebben medegedeeld geen bestrijdingsmiddelen in openbaar groen en/of op bestrating te gebruiken. Om de GROENE LIJST te actualiseren verzoekt de Stichting Natuurverrijking haar te melden als de naam van uw gemeente op de lijst kan worden vermeld of eventueel verwij­derd dient te worden.

Uit in 1989 door de overheid gepubliceerde gegevens blijkt o.a. dat:

-door gemeenten gebruikte bestrijdingsmiddelen, zoals amitrol, diuron, dichlobenil en simazin, het grondwater ernstig kunnen verontreinigen;

-resten van dichlobenil in gemeentelijke plantsoenen tot 1800 maal de maximaal toelaatbaar geachte norm werden aange­toond;

-resten van simazin onder een tegelpad tot meer dan 15 maal de maximaal toelaatbaar geachte norm van 0,1 microgram per liter water werden aangetoond;

-simazin zelfs in regenwater werd aangetoond;

-van veel bestrijdingsmiddelen nog geringere hoeveelheden dan 0,1 microgram per liter water het ecosysteem schaden.

Ons drinkwater wordt ernstig bedreigd door ongeveer 400 actieve stoffen en de afbraakproducten ervan. Het onderzoek naar het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het milieu heeft nog zeer beperkt plaatsgevonden. Met aan zekerheid gren­zende waarschijnlijkheid zullen in de toekomst veel meer nadelige gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden aangetoond.

De Gemeenten van de GROENE LIJST tonen aan dat open­baar groen en bestrating zonder chemische bestrijdingsmid­delen kunnen worden beheerd. 9 februari j.l. werd bij de overhandi­ging van de brochure die u thans ontvangt, aan de ministers Braks en Alders, aangedron­gen op een verbod van het gebruik van be­strijdingsmiddelen door gemeenten.

Onderstaande organisaties menen dat het gebruik van bestrij­dings­middelen in de woonomgeving onverantwoord is. De inwoners van uw gemeente hebben recht op een zo gif-vrij mogelijke omgeving. Indien onder uw verantwoordelijkheid nog bestrij­dingsmiddelen worden gebruikt verzoeken wij u dan ook dringend dit gebruik met onmiddellijke ingang te beëindigen.

  • VERENIGING MILIEUDEFENSIE, M.J. Ruiken

  • Stichting NATUUR en MILIEU, Prof.Dr.L. Re­ijnders

  • Stichting DE KLEINE AARDE, J.P. Juffermans

  • MONDIAAL ALTERNATIEF, Drs.R. Gerrits

  • Stichting NATUURVERRIJKING, K. Beaart

      bijlagen: brochure "Gif uit 't Groen" en GROENE LIJST

Nadere informatie:   Stichting Natuurverrijking

      Opperduit 362, 2941 AR Lekkerkerk (tel. 01805-3053)  

COLOFON

Naar Natuurrijk Groen: handleiding op weg naar gifvrij-beheer groen en bestrating

tekst: Kees Beaart

illustraties en vormgeving: Fred Teunissen

voorwoord: Peter Kouwenhoven

foto: Bernd Rosenkranz

typewerk: Ineke Tiggelaar

druk omslag: Stichting Argus, Rotterdam

uitgave: Stichting Natuurverrijking

               Opperduit 362 

               2941 AR Lekkerkerk

Met dank aan Dr. J.A. van Haasteren en Drs. H. Muilerman voor het geven van op- en aanmerkingen bij het doornemen van de concepttekst van deze uitgave.

derde druk, maart 1993

ISBN 90-71870-06-5

Deze uitgave werd mogelijk gemaakt door financiële bijdra­gen van donateurs, het Ministerie VROM en FOGI.

"NAAR NATUURRIJK GROEN"

is te bestellen door overmaking van 8,95 op postgiro 5492641 t.n.v. Stichting Natuurverrijking, Lekkerkerk