|
BESTRIJDINGSMIDDELEN,
MILIEU EN VOLKSGEZONDHEID
"Het
wezenskenmerk van bestrijdingsmiddelen is dat zij bestemd zijn om levende
organismen te doden of af te weren. In de Bestrijdingsmiddelenwet is dan
ook onder meer te lezen, dat het gebruik ervan gevaren voor mens en milieu kan
meebrengen, aangezien de bestrijdingsmiddelen over het algemeen uit
giftige stoffen of preparaten met gevaarlijke werking bestaan.
Dat
bepaalde middelen door de overheid in ons land zijn toegelaten, komt voort
uit een afweging van nut en schade. Toelating betekent geenszins dat de
middelen het milieu niet zouden schaden. Integendeel, alle
bestrijdingsmiddelen verontreinigen in meer of mindere mate ons milieu.
Het zijn immers alle chemische, biologisch uitermate actieve stoffen, die
niet in het milieu horen."
Met
deze zinnen werd ook in 1983 dit hoofdstuk ingeleid. De resultaten van
onderzoek naar het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het milieu die,
vanaf de tweede helft van de jaren tachtig gepubliceerd werden tonen keer
op keer aan dat bestrijdingsmiddelen, ondanks toelating, het milieu zeer
ernstig schaden.
ALARMEREND
MILIEUONDERZOEK
Onderzoek
naar het gedrag van bestrijdingsmiddelen in het milieu wees uit dat
bestrijdingsmiddelen die volgens de toelatingsgegevens niet in het
grondwater zouden geraken en daarom op de zogenaamde "witte
lijst" geplaatst werden, het grondwater wel verontreinigen. Eind
jaren tachtig werden 9 van de 13 onderzochte "witte"
bestrijdingsmiddelen ondanks beperkt onderzoek in het grondwater
aangetroffen. Deze giffen vormen daardoor een bedreiging voor de
drinkwatervoorziening.
Een
aantal van de in het grondwater aangetroffen bestrijdingsmiddelen wordt
ook door overheidsinstellingen gebruikt, zoals de plantendodende middelen amitrol,
diuron en dichlobenil. In gemeentelijke plantsoenen werd
een giftig omzettingsproduct van dichlobenil zelfs 1050 tot 1800 maal de
maximaal toelaatbaar geachte norm van 0,1 microgram per liter
aangetroffen. Onder een tegelpad werden resten van simazin tot meer
dan 15 maal de norm aangetoond.
Vrijwel
alle herbiciden of kruidenbestrijdingsmiddelen blijken het grondwater
ernstig te vervuilen.
Eerste
oriënterende metingen toonden aan dat het reeds lang verboden HCH,
lindaan, bentazon, atrazin en het in veel gemeenten gebruikte simazin
zelfs in regenwater worden aangetroffen. Deze laatste stof in
hoeveelheden tot meer dan 7 maal de voor drinkwater geldende norm van
0,1 microgram per liter. In 1991 werd dichloorvos in Zuid-Holland
in regen zelfs tot 3000 keer de volgens Rijkswaterstaat voor het
ecosysteem schadelijke hoeveelheid gemeten.
De
aangetoonde verontreinigingen vormen het topje van de ijsberg. Slechts van
85 van de ongeveer 400 toegelaten bestrijdingsmiddelen kan 0,1 microgram
per liter worden aangetoond.
MILIEUCRITERIA
NOTITIE
Volgens
de Notitie "Milieucriteria ten aanzien van stoffen ter bescherming
van bodem en grondwater" die de Ministers van Milieubeheer en
Landbouw in januari 1989 aan de Tweede Kamer aanboden vormen
bestrijdingsmiddelen een aparte categorie van milieugevaarlijke stoffen:
"In het algemeen kan gesteld worden dat de omvang en wijze van
gebruik van bestrijdingsmiddelen aanleiding geeft tot een mate van
verspreiding van de middelen in het milieu die als ongewenst moet worden
aangemerkt."
In
juni 1991 werd door genoemde ministeries een tweede Milieucriteria Notitie
aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin zijn een aantal operationeel te
hanteren milieucriteria voor bestrijdingsmiddelen opgenomen m.b.t.
uitspoeling naar het grondwater, persistentie in de bodem en de toxiciteit
van bestrijdingsmiddelen bij kortdurende blootstelling voor
waterorganismen.
In
de Notitie zijn diverse lijsten opgenomen met bestrijdingsmiddelen die
niet aan de te stellen milieueisen voldoen; op een pakket van 300
toegelaten werkzame stoffen voldoen, met inachtneming van overlap,
ongeveer 195 stoffen niet aan de geoperationaliseerde milieucriteria.
BODEMVERONTREINIGING
Bestrijdingsmiddelen
worden in de bodem omgezet tot weer andere stoffen, waarbij in de regel
giftige omzettingsproducten of metabolieten ontstaan. Van vrijwel alle
bestrijdingsmiddelen zijn intussen wel één of meer van deze metabolieten
bekend. Sommige blijven jarenlang in de bodem aanwezig (persistentie),
waardoor bij de volgende bespuiting(en) een ernstiger verontreiniging
ontstaat. Persistentie wordt wel uitgedrukt in de
"halfwaardetijd" of DT-50 (Disappearance Time). Volgens de
Milieucriterianotitie is een DT-50 van 1/2 tot 1 maand een veilige grens.
Middelen met een halfwaardetijd van meer dan twee maanden worden i.v.m.
toelating als te persistent beschouwd.
Daarom
zullen in de toekomst veel nu toegelaten middelen worden verboden.
Vrijwel
alle bestrijdingsmiddelen binden zich in meer of mindere mate aan
bodemdeeltjes en zouden dan niet meer werkzaam zijn. Over het gedrag van
deze grondgebonden residuen is echter weinig bekend. Problemen zijn te
verwachten als de bodem na jarenlang herhaalde toepassing verzadigd is,
door opname van gewassen, als gronddeeltjes door erosie verwaaien en als
de grondgebonden residuen omgezet worden in combinatie met andere stoffen
in de bodem.
WATERVERONTREINIGING
Water
moet zonder extra zuivering voldoen aan de norm van de EG-richtlijn voor
drinkwater van 0,1 microgram per liter per stof en van 0,5 microgram per
liter voor alle bestrijdingsmiddelen samen.
In
het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) worden m.b.t. bestrijdingsmiddelen
voor het jaar 2000 de volgende doelstellingen geformuleerd:
-
vermindering van bestrijdingsmiddelen uitgedrukt in kg werkzame stof per
jaar met ten minste 50%
-
middelen die vanuit milieuoogpunt als onaanvaardbaar schadelijk moeten
worden aangemerkt zullen niet meer zijn toegelaten.
Het
Meerjarenplan Gewasbescherming (MJPG) geeft uitwerking van de criteria
m.b.t. uitspoeling naar het grondwater, persistentie in de bodem en acute
giftigheid voor waterorganismen.
In
het MJPG staan lijsten met in totaal 142 verschillende werkzame stoffen
van bestrijdingsmiddelen die de overheid, ondanks toelating in het
verleden, te schadelijk vindt. Er wordt aangekondigd dat deze 142
bestrijdingsmiddelen, waaronder vrijwel alle middelen die momenteel door
gemeenten gebruikt mogen worden, zo spoedig mogelijk, voor 1995, of in
elk geval voor het jaar 2000 verboden zullen zijn. Een volledige lijst met
deze 142 giffen, die voorkomen in duizenden handelsproducten, is aan het
eind van dit hoofdstuk opgenomen.
Het
is dus een ernstig misverstand te denken dat alleen bestrijdingsmiddelen
zijn toegelaten waarvan de overheid de risico’s toelaatbaar acht.
In
de praktijk blijkt dat multinationale chemieconcerns al hun macht en
mogelijkheden aanwenden om een verbod van de voor hen zo profijtelijke
giffen tegen te gaan. Door beroepsprocedures heeft de chemie het verbod
kunnen tegenhouden van een aantal giffen, zoals atrazin, simazin,
diquat, paraquat en lindaan.
Bovendien
tracht de chemie de overheid te dwingen giffen toe te laten die de
overheid helemaal niet wenst toe te laten. Zo is eveneens door
beroepsprocedures toelating verkregen voor het middel furathiocarb,
ter behandeling van zaaizaad, terwijl bekend is dat een zangvogel sterft
bij opname van slechts één zaadkorreltje.
VROM:
GEMEENTELIJK GEBRUIK ONGEWENST
Het
Ministerie van VROM meent dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen in
openbaar groen grotendeels onnodig en dus ongewenst is. Dr.ir.A. Oudeman
van het Ministerie van VROM zegt hierover:
"De
schadelijke nevenwerking en de onnodige vervuiling van de directe
leefomgeving van de mens behoren doorslaggevend te zijn voor de
beoordeling. Dit betekent dat wij vanuit het oogpunt van milieubeheer
streven naar een vrijwel volledige beëindiging van het gebruik van
bestrijdingsmiddelen in deze sector. En daarvoor pleiten in de Commissie
Toelating Bestrijdingsmiddelen!"
GIFTIGHEID
De
giftigheid van een bestrijdingsmiddel wordt bepaald door onderzoek met
proefdieren, meestal ratten en muizen. De acute giftigheid wordt bijna
altijd aangegeven met de LD-50 waarde. LD staat voor Letale
(dodelijke) Dosis. De LD-50 waarde geeft de dosis van een stof aan,
waarbij 50% van de proefdieren kort na de toediening sterft. Omdat
proefdieren in gewicht verschillen wordt de waarde aangegeven in milligrammen
per kilogram lichaamsgewicht. Meestal wordt de orale LD-50 waarde
aangegeven. Deze waarde zegt alleen iets over de hoeveelheid van een
middel, waarbij na toediening door de mond, de helft van het aantal
proefdieren sterft. De waarde zegt niets over andere acute
eigenschappen. Dieren die verlamd of blind worden of andere ernstige
afwijkingen vertonen, maar de proef wel overleven, hebben geen enkele
invloed op hoogte van de LD-50 waarde.
De
mens kan gevoeliger voor een stof zijn dan de rat of een ander proefdier.
Bovendien zegt de LD-50 waarde niets over de chronische effecten voor de
gezondheid of over milieueffecten.
De
Stichting Natuurverrijking betreurt het dat in de meeste literatuur over
bestrijdingsmiddelen nog steeds veel aandacht geschonken wordt aan de
LD-50 waarde, met name omdat gerelateerd aan deze waarde
bestrijdingsmiddelen "niet giftig", "weinig giftig"
o.i.d. genoemd worden. Dergelijke bewoordingen wekken bij lezers en
eventueel gebruikers of voor gebruik verantwoordelijken, de indruk dat
bepaalde bestrijdingsmiddelen vrijwel onschadelijk zijn en het gebruik
ervan weinig kwaad zou kunnen.
Enerzijds
leidt bekendmaking van informatie over middelen die op basis van LD-50
onderzoek "weinig giftig" zouden zijn in de praktijk tot
onzorgvuldig en bovenmatig gifgebruik; anderzijds worden middelen die
extreem giftig zijn -met gevaarsymbool op het etiket- "gewoon"
toegelaten. Jaarlijks lijden en sterven wereldwijd honderdduizenden
proefdieren voor LD-50 onderzoek.
De
Stichting Natuurverrijking zou liever vandaag dan morgen zien dat LD-50
onderzoek werd afgeschaft.
LD-0
onderzoek, om te bepalen bij welke hoeveelheid van een stof geen
proefdieren (nul procent) sterven wordt slechts zelden verricht en bekend
gemaakt. Dan lijkt een stof veel giftiger, hetgeen niet in het belang is
van het concern in wiens opdracht het middel wordt onderzocht.
Nog
veel giftiger lijkt een bestrijdingsmiddel als gekeken wordt naar de NEL-waarde
(No Effect Level). Dit is de maximale hoeveelheid van een stof waarbij
na toediening aan proefdieren over een bepaalde periode geen gevolgen voor
de gezondheid geconstateerd kunnen worden. Uiteraard gelden de met behulp
van dierproeven verkregen NEL-waarden niet voor mensen, o.m. omdat uiterst
kleine hoeveelheden van bestrijdingsmiddelen niet alleen lichamelijke,
maar ook psychische gevolgen kunnen hebben, die in dierproeven niet of
vrijwel niet geconstateerd kunnen worden.
Nog
weer veel giftiger lijkt een stof als gelet wordt op de gevolgen van een
stof voor het ecosysteem, waarbij getracht wordt te bepalen bij welke
hoeveelheid van een stof ook de vermoedelijk meest gevoelige organismen in
het ecosysteem nog juist niet nadelig beïnvloed worden. Dergelijk
onderzoek naar ecotoxicologische giftigheid staat nog in zijn kinderschoenen.
Wie heeft er immers belang bij dergelijk onderzoek waarvan de resultaten
zullen aantonen dat uiterst kleine hoeveelheden van een stof in het milieu
ernstige gevolgen hebben voor
de natuur?
Vanuit
het Ministerie van Verkeer en Waterstaat zijn, in de nota "Kansen
voor Waterorganismen", gegevens gepubliceerd m.b.t. de
ecotoxicologische giftigheid van bestrijdingsmiddelen voor in het
water levende organismen. Uit deze gegevens blijkt dat de norm van 0,1
microgram bestrijdingsmiddel per liter (drink)water volstrekt onvoldoende
is om wat ons nog van de natuur rest te beschermen.
In
het Meerjarenplan Gewasbescherming wordt aangekondigd dat gegevens m.b.t.
giftigheid voor de mens, waaronder NEL-waarden, openbaar gemaakt zullen
worden. In de praktijk blijkt echter dat vanuit het Ministerie van
Volksgezondheid (WVC) deze openbaarmaking wordt tegengewerkt, omdat de
gegevens het bezit van de chemie-concerns zouden zijn. De Stichting
Natuurverrijking vermoedt dat deze tegenwerking vooral ook is ingegeven
door het feit dat uit de documenten omtrent humane toxicologie
onomstotelijk zal blijken dat de door WVC in ons voedsel toegestane
hoeveelheden gif extreem hoog zijn.
RISICO
VOOR GEBRUIKERS
Gebruikers
van bestrijdingsmiddelen zeggen vaak: "Wij werken alleen met
toegelaten middelen", alsof toegelaten middelen geen nadelige
gevolgen voor de gezondheid hebben. Zij vergeten vaak dat het bij gebruik
van bestrijdingsmiddelen altijd van groot belang is om de
voorzorgsmaatregelen op het etiket in acht te nemen om blootstelling aan
bestrijdingsmiddelen zoveel mogelijk te voorkomen. Bovendien weten
gebruikers van bestrijdingsmiddelen vaak niet dat een middel nog lang na
contact ermee nadelige chronische effecten kan hebben. Dit geldt ook voor
middelen zonder waarschuwingsteken op het etiket. Deze waarschuwingen zijn
gebaseerd op acute effecten, zoals LD-50 waarden en effecten als oog- en
huidirritaties, effecten die kort na contact met bestrijdingsmiddelen
kunnen optreden.
Het
is moeilijk te bewijzen dat bepaalde symptomen door bestrijdingsmiddelen
worden veroorzaakt, met name bij chronische effecten die nog jaren na
blootstelling kunnen optreden. Zowel uit dierproeven als uit onderzoek bij
de mens blijkt echter dat er verband is tussen blootstelling aan
bestrijdingsmiddelen en chronische effecten, zoals effecten op de
voortplanting, erfelijke afwijkingen en bepaalde vormen van kanker.
BESTRIJDINGSMIDDELEN
EN GEZONDHEID
Dr.
Mary Griffiths heeft het boek "Bestrijdingsmiddelen en
Gezondheid" geschreven, waarin een aantal van de gezondheidseffecten
van bestrijdingsmiddelen worden beschreven. In het bijzonder wordt
aandacht besteed aan de chronische effecten. Enige informatie uit dit boek
wordt hieronder samengevat.
Uit
een aantal Nederlandse rapporten blijkt dat huidaandoeningen relatief vaak
voorkomen bij beroepsmatige gebruikers van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast
komen oogaandoeningen en diverse andere vormen van acute vergiftiging
voor. Storingen in de spier- en zenuwfunctie zijn gemeten in laboratorium
onderzoek bij gebruikers die zelf nog geen gezondheidsproblemen hadden
bemerkt. In een uitgebreid onderzoek bleek dat mensen die lang en
intensief werden blootgesteld aan bestrijdingsmiddelen niet alleen meer
huidklachten en een lichte storing in het zenuwstelsel hadden, maar ook
minder fit waren.
Kanker
Uit
onderzoek blijkt dat huidkanker vaker voorkomt bij mensen werkzaam bij
ongediertebestrijding. Beroepsmatige toepassers van bestrijdingsmiddelen
bleken zowel in de Verenigde Staten als in Oost-Duitsland een hogere kans
op longkanker te hebben. Er is bewijs dat mensen die veel met bepaalde
middelen waaronder 2,4-D en MCPA werken, een hogere kans
hebben om aan bepaalde soorten zacht weefsel kanker te lijden.
Uit
dierproeven blijkt dat o.a. het onkruidbestrijdingsmiddel amitrol
kanker kan veroorzaken. Middelen waarvan het gebruik in meerdere landen
wordt beperkt of verboden vanwege het risiko van kanker zijn o.a.
daminozide, lindaan, maneb, captan en folpet.
Veel
meer middelen hebben kanker veroorzaakt in een of meer dierproeven. In de
tabel in "Bestrijdingsmiddelen en Gezondheid" is voor meer
dan 120 middelen vermeld of zij kanker, erfelijke afwijkingen,
aangeboren afwijkingen of effecten op de voortplanting hebben
veroorzaakt in dierproeven.
RISICO
BEWONERS
Het
gebruik van bestrijdingsmiddelen brengt altijd risico’s met zich mee.
Ondanks een stipte naleving van alle voorschriften op de verpakking en het
zorgvuldig opvolgen van alle verdere wettelijke bepalingen, kunnen mensen
en/of dieren onbewust en onwetend met bestrijdingsmiddelen in aanraking
komen. In het bijzonder zijn deze risico’s aanwezig op plaatsen, die
openbaar toegankelijk zijn, dus in feite vrijwel overal waar de overheid
verantwoordelijk is voor het gebruik ervan. Elk jaar zijn er in ons land
mensen of dieren, die nadelige gevolgen ondervinden van het gebruik van
bestrijdingsmiddelen. Zo worden bijvoorbeeld in Zuid-Holland vrijwel
jaarlijks dergelijke incidenten bij de Inspecteur van Volksgezondheid
gemeld. De Regionale Inspecteur van Volksgezondheid voor Zuid-Holland
schrijft dit d.d. 15 juni 1982 in een waarschuwend schrijven aan alle
Colleges van Burgemeester en Wethouders van Gemeenten in Zuid-Holland.
Voorjaar 1984 werd een vrijwel identiek waarschuwend schrijven door alle
Regionale Inspecties van Volksgezondheid voor de Hygiëne van het Milieu
naar alle gemeentebesturen in Nederland gezonden, getiteld: "Het
gebruik van bestrijdingsmiddelen op bestratingen en in het openbaar
groen". "Naar Natuurrijk Groen" is opgenomen in de korte
literatuurlijst van deze nota. De gedeelten m.b.t. "Risico`s",
"De noodzaak van het gebruik" en "Voorlichting" willen
wij hier benadrukken en volledig citeren:
"Risico`s
Ondanks
de wettelijke regelingen blijft aan het gebruik van chemische
bestrijdingsmiddelen een zeker risico voor de omgeving verbonden,
afhankelijk van de plaats en wijze van gebruik, de aard van het middel en
de tijd van toepassing. Zelden kan worden gesteld dat chemische
bestrijdingsmiddelen onschadelijk zijn voor andere organismen dan het te
bestrijden organisme. Omdat de bestrating en het openbare groen
(hieronder worden verstaan: parken, plantsoenen, laan- en
straatbeplantingen, sport- en recreatieterreinen en wegbermen) voor het
publiek toegankelijk zijn, dient bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen
op deze plaatsen in bijzondere mate rekening te worden gehouden met de
veiligheid van mens en dier. Een grote mate van terughoudendheid ten
aanzien van het gebruik van deze middelen is hier dan ook in het bijzonder
op zijn plaats.
De
noodzaak van het gebruik
De
meeste in het openbaar groen en op bestratingen optredende onkruiden,
insecten, mijten en schimmels veroorzaken weinig of geen schade, zodat het
gebruik van bestrijdingsmiddelen dan onnodig is.
Indien
in bijzondere situaties toch een bestrijdingsactie noodzakelijk zou
zijn, dient te worden nagegaan in hoeverre het beoogde resultaat met
andere middelen dan chemische bestrijdingsmiddelen kan worden bereikt.
Voorbeelden
hiervan zijn:
- mechanische behandeling ter bestrijding van onkruid (in
plaats van herbiciden te gebruiken);
- het gebruik van bodem bedekkende planten;
- nathouden van het gras bij het optreden van engerlingen op
sportvelden en gazons (in plaats van behandeling met insecticiden).
Met
name op speelweiden en gazons dient in verband met het regelmatig betreden
door kinderen en dieren geen behandeling met een chemisch middel te worden
uitgevoerd. Men beperke zich tot maatregelen als beregenen en berollen van
het gras bij aantasting door bodeminsecten en eventuele bemesting en
dergelijke bij schimmelaantasting.
In
bepaalde gevallen kan het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden
voorkomen door de aanplant van voor plantenziekten minder gevoelige
cultivars (bijvoorbeeld rozencultivars met resistentie tegen meeldauw;
schurftresistente cultivars van Pyracantha en Malus).
Voorlichting
Het
verdient aanbeveling om bestrijdingsacties van een goede en duidelijke
voorlichting vergezeld te doen gaan.
Enerzijds
wordt hiermede mogelijk bereikt dat het publiek rekening houdt met het
feit dat op bepaalde plaatsen chemische bestrijdingsmiddelen op of in de
bodem of op planten aanwezig kunnen zijn in de tijd na toepassing,
anderzijds kan hiermede onnodige onrust onder de bevolking worden vermeden.
Het
aan het publiek bekend maken van de plaatsen waar men desgewenst op
eventuele vragen een antwoord kan geven, verdient eveneens aanbeveling.
Indien
door het gebruik van bestrijdingsmiddelen op braakliggende terreinen
en dergelijke het risico van contactbesmetting voor mens of dier kan
bestaan, ware dit voor de betreffende periode door middel van
waarschuwingsborden of op andere wijze duidelijk aan te geven."
Einde
citaat.
Meer
recent zijn de waarschuwende woorden van Drs. H.W.A. Jans, arts en medisch
milieukundige, werkzaam voor alle gezondheidsdiensten in de provincies
Noord-Brabant en Zeeland:
"Ondanks
wettelijke regelingen voor het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen,
blijven aan het gebruik in het openbaar groen risico's verbonden. Door de
openbare toegankelijkheid moet rekening worden gehouden met de veiligheid
en gezondheid van mensen en (huis)dieren. Terughoudendheid is bovendien op
zijn plaats ten behoeve van het milieu. In het principe kan het gebruik
beter geheel achterwege blijven; er bestaan voldoende alternatieven."
BESTRIJDINGSMIDDELEN
ZIJN OVERAL
Het
maken van onderscheid tussen milieurisico’s en gezondheidsrisico’s van
bestrijdingsmiddelen is in feite kunstmatig. De laatste jaren wordt steeds
duidelijker dat bestrijdingsmiddelen in het milieu betekent dat deze
giffen ook in ons lichaam geraken en onze gezondheid schaden. Bestrijdingsmiddelen
zijn overal. In het boeket dat je geeft aan iemand van wie je houdt. In
ons eten en drinken, in bodem, lucht en water, in planten en dieren en in
ons eigen lichaam. Ons lichaam bevat van een aantal giffen hogere gehalten
dan in ons voedsel is toegestaan.
Dat
de huidige gehalten slecht afbreekbaar gif in ons lichaam ongezond zijn
lijkt logisch, maar pas in 1992 werd dit aangetoond. Recent onderzoek in
de Verenigde Staten toont aan dat er een relatie bestaat tussen het
voorkomen van borstkanker en het gehalte bestrijdingsmiddelen
in het lichaam.
De
meeste bestrijdingsmiddelen worden door de landbouw in het milieu
gebracht. De belasting van ons lichaam met name via voedsel is extreem
hoog.
In
dit hoofdstuk is met een aantal voorbeelden getracht een indruk te geven
van de onzichtbaar voortwoekerende giframp. De huidige wetgeving en
genomen maatregelen blijken onvoldoende om milieu en bevolking tegen
bestrijdingsmiddelen te beschermen:
-
Wie wenst bestrijdingsmiddelen in mist, dauw, sneeuw en regen? Giffen die
via de huid in ons lichaam belanden.
-
Wie wenst bestrijdingsmiddelen in voedsel? In de Verenigde Staten toont
onderzoek aan dat ongeveer 6000 kinderen kanker zullen krijgen als gevolg
van bestrijdingsmiddelen in voor het zesde levensjaar geconsumeerd groente
en fruit.
-
Wie wenst bestrijdingsmiddelen in drinkwater? - De maximaal toelaatbaar
geachte hoeveelheid wordt in ons land regelmatig overschreden.
-
Wie wenst bestrijdingsmiddelen in het eigen lichaam? - Moedermelk bevat
veel hogere gehalten bestrijdingsmiddelen, zoals DDT en drins, dan de al
veel te hoge normen die voor koemelk gelden.
-
Wie wenst dat bestrijdingsmiddelen het milieu bederven, de natuur
verwoesten en onze gezondheid bedreigen?
-
Wie wenst contact met in de woonomgeving gespoten of gestrooid gif?
MILIEU-PERESTROJKA
Vanuit
het Ministerie van Verkeer en Waterstaat wordt in de Derde Nota
Waterhuishouding reeds gesteld dat een fundamentele herbezinning op de
huidige toepassing van bestrijdingsmiddelen in de landbouw onontkoombaar
is.
De
tijd dringt. Drastische maatregelen zijn noodzakelijk. Als de politiek
blijft aarzelen zal de bevolking zelf opkomen voor het recht op een
gifvrij lichaam en een gifvrij milieu. Dan zal niet alleen de vervuiler
betalen, maar ook de voor de vervuiling verantwoordelijke bewindslieden
zullen ter verantwoording worden geroepen.
Zolang
het vertegenwoordigers van het Ministerie VROM ondanks verwoede pogingen
niet gelukt is het gebruik van bestrijdingsmiddelen op openbaar
toegankelijke plaatsen daadwerkelijk te verbieden, hebben gemeentelijke
bestuurders de morele plicht niet-chemische methoden te gebruiken in de
leefomgeving.
BESTRIJDINGSMIDDELEN
WIJZER
De
informatie in de vrijwel uitsluitend op basis van overheidsgegevens samengestelde
tabel Bestrijdingsmiddelen-Wijzer toont aan dat
bestrijdingsmiddelen gezondheid en milieu zeer ernstig bedreigen.
In
1992 zond de Stichting Natuurverrijking reeds alle Nederlandse gemeenten
de uitgave "Bestrijdingsmiddelen Wijzer", waarin de eerste
versie van deze tabel was opgenomen. Hieronder volgt een korte gebruiksaanwijzing
van de tabel:
Achter
142 van de 164 stoffen op de Bestrijdingsmiddelen-Wijzer staat het woord
"catastrofe". Met dit woord wordt aangegeven dat onze
regering een verbod van de stof heeft aangekondigd in het Meerjarenplan
Gewasbescherming, omdat het gebruik te schadelijk is voor het milieu.
Volgens
ons Ministerie van Volksgezondheid zijn in Nederland geen
kankerverwekkende bestrijdingsmiddelen toegelaten. De vermelding "kanker"
met de letter B in de Bestrijdingsmiddelen Wijzer betekent dat de
Amerikaanse overheid (EPA) het middel als waarschijnlijk kankerverwekkend
beschouwt. De letter C na het woord "kanker" geeft aan
dat de stof volgens de EPA "mogelijk kankerverwekkend voor de
mens" is.
De
vermelding "zenuwgif" in de Bestrijdingsmiddelen-Wijzer
berust weer volledig op informatie van de Nederlandse overheid. Daarvoor
moet gekeken worden naar de kleine lettertjes op de verpakking. Als er
achter "-toxicologische groep(en)" vermeld wordt ".... met
cholinesterase remmende werking" is het een zenuwgif. Cholinesterase
remming veroorzaakt verstoring van de werking van ons zenuwstelsel.
Kortdurende blootstelling aan geringe hoeveelheden kan direct merkbare
vergiftigingsverschijnselen als misselijkheid, hoofdpijn en vermoeidheid
veroorzaken. Langdurige, veelal onopgemerkte, blootstelling aan geringe
hoeveelheden zenuwgiffen kan chronische vergiftiging veroorzaken met als
verschijnselen: algemene vermoeidheid, koorts, spierzwakte, hoofdpijn,
beschadigingen in het zenuwstelsel, gewichtsverlies, wisselende eetlust,
hevige dorst en oogaandoeningen (Gezondheidsraad, 1985).
Ons
Ministerie van Volksgezondheid houdt bij de inschatting van de risico’s
van bestrijdingsmiddelen geen rekening met het feit dat zenuwgiffen
elkaars werking aanvullen, maar beoordeelt elk middel alleen afzonderlijk.
Via
voedsel, lucht en regen komen we, onopgemerkt, dagelijks in aanraking met
diverse zenuwgiffen, die ons lichaam aanzienlijk belasten. Daarom
verdient het aanbeveling geen bestrijdingsmiddelen met cholinesterase
remmende werking te gebruiken.
"Ecotox."
betekent ecotoxicologische waarde. Dit is de hoeveelheid van een stof
waarbij nog net geen effecten op levende organismen in het water
aantoonbaar zijn. De in de Bestrijdingsmiddelen-Wijzer opgenomen
ecotoxicologische waarden zijn gebaseerd op gegevens van het Ministerie
van Verkeer en Waterstaat.
Vele
bestrijdingsmiddelen blijken zo giftig te zijn, dat ze bij geringere
hoeveelheden dan 0,1 microgram per liter water het ecosysteem schaden.
REKENEN
MET BESTRIJDINGSMIDDELEN-WIJZER In de Bestrijdingsmiddelen-Wijzer is bij elke werkzame
stof achter "Max.res." aangegeven welke hoeveelheid onze
overheid maximaal toelaatbaar acht voor een of meer gewassen in milligram
per kilo voedsel.
Het
getal achter "ADI" (Acceptable Daily Intake) geeft de
maximale hoeveelheid aan in milligram (mg) per kilo lichaamsgewicht, waar
we volgens de Wereldgezondsheidsorganisatie op een dag mee in contact
mogen komen.
Vergelijking
van door ons Ministerie van Volksgezondheid toegestane residuen met ADI
waarden maakt duidelijk dat de gehalten gif in ons voedsel van onze
overheid extreem hoog mogen zijn.
Een
rekenvoorbeeld:
We
kijken in de wijzer naar Amitrol, een gif waarvoor in de V.S. en in
Denemarken op het etiket voor kanker moet worden gewaarschuwd. De ADI is
0,00003 mg/kg. Alle voedsel dat maximaal 0,05 mg per kilo bevat voldoet
aan de wettelijke norm. Een kind dat tien kilo weegt zou op een dag
maximaal 10 x 0,00003 mg = 0,0003 mg Amitrol mogen opnemen. 100 gr.
voedsel of drinken, dus bijvoorbeeld een klein bekertje vruchtensap, mag
wettelijk 0,005 mg bevatten. Dat is dus al bijna twintig maal de hoeveelheid
die volgens de ADI uit oogpunt van gezondheid maximaal toelaatbaar is. Dit
rekenvoorbeeld maakt overduidelijk dat overschrijding van de ADI, gezien
de hoogte van toegestane residuen in voedsel, zeker niet denkbeeldig is.
Daarbij moet bedacht worden dat bij de vaststelling van toegestane
residuen in voedsel geen rekening wordt gehouden met opname van giffen op
andere wijzen:
-
door huidcontact of inademing als gevolg van privé gebruik in of om het
huis,
-
door contact met door de gemeente gebruikt gif in de woonomgeving,
-
als gevolg van contact met in bodem, water en/of lucht aanwezige residuen.
Ieder
kan met de gegevens in de "Bestrijdingsmiddelen-Wijzer" per stof
berekeningen uitvoeren, waardoor de noodzaak van het nemen van drastische
maatregelen overduidelijk wordt aangetoond. In diverse uitgaven van de
Stichting Natuurverrijking zijn meer van dergelijke rekenvoorbeelden
opgenomen.
NIET
IN BM-WIJZER GENOEMDE STOFFEN
Het
is een ernstig misverstand als gedacht wordt dat de niet in de Wijzer
vermelde middelen onschadelijk voor milieu en gezondheid zijn.
De
lijst met giffen die volgens het Ministerie van Milieubeheer (VROM)
verboden zouden moeten worden zal langer worden, want nog lang niet alle
stoffen zijn herbeoordeeld.
Maar
ook aan stoffen die wel zijn herbeoordeeld en niet in de Wijzer staan zijn
ernstige bezwaren verbonden. Daarom volgen hieronder beknopt enige
gegevens over het al wel herbeoordeelde gif glyfosaat (Roundup)
van Monsanto:
-
Er zijn diverse gevallen bekend van huidirritatie bij kinderen, als gevolg
van contact met in de woonomgeving gespoten Roundup.
-
Het middel is verontreinigd met de vermoedelijk kankerverwekkende stof 1,4
dioxaan.
-
De "niet-werkzame" bestanddelen (waaronder polyethyleenamine)
zijn vermoedelijk giftiger dan het werkzame bestanddeel glyfosaat.
-
In de bodem wordt glyfosaat omgezet tot verschillende giftige
omzettingsproducten, waaronder de metabolieten aminomethyl-fosfonzuur en
het vermoedelijk kankerverwekkende N-nitrosoglyfosaat.
-
Voor een aanzienlijk deel wordt glyfosaat aan bodemdeeltjes gebonden en
vrijwel niet meer afgebroken.
-
Uit de uitspraak van een rechtszaak in Denemarken blijkt dat het middel
abortus kan opwekken.
-
Glyfosaat breekt in planten zeer slecht af. Daarom werd het toegestane
residu in voedsel in de jaren tachtig tot het 400-voudige verhoogd.
-
Glyfosaat is in oppervlaktewater aangetoond.
-
Bij toelatingsonderzoek voor glyfosaat bleek begin tachtiger jaren te zijn
gefraudeerd bij Industrial BIO-test Laboratories in de Verenigde Staten .
-
Bij toelatingsonderzoek voor glyfosaat bleek begin negentiger jaren
opnieuw te zijn gefraudeerd, nu bij Craven Laboratories in de Verenigde
Staten .
-
Uit gegevens van de Deense overheid blijkt dat het middel voor diverse
boomsoorten via de bodem een dodelijke werking heeft.
-
Jarenlang reeds wordt voor Roundup op zeer misleidende wijze reclame
gemaakt en voorlichting gegeven. Zie hierover hoofdstuk 7 en bijlage 3.
Ieder
die informatie wenst over bepaalde bestrijdingsmiddelen, met name de
middelen die (nog) niet in Bestrijdingsmiddelen-Wijzer genoemd worden, kan
contact opnemen met de Stichting Natuurverrijking.
WIJS,
WIJZER, WIJST
Werkelijk
milieubewuste gemeenten onderhouden niet alleen zelf bestrating en groen
zonder gif, maar geven ook voorlichting om het gebruik door particulieren
zo veel mogelijk te beperken. Dit niet alleen in het belang van natuur,
milieu en de gezondheid van de inwoners, maar ook om in de toekomst de
kosten voor extra zuivering van drinkwater, kompost en
(water)bodemsaneringskosten zo veel mogelijk te voorkomen.
De
in dit boekje opgenomen bestrijdingsmiddelenwijzer staat op een aparte
pagina op deze website.
2. BESTRIJDINGSMIDDELEN EN NATUURVERARMING
Het
aantal soorten in ons land levende planten en dieren is, vooral sinds de
tweede wereldoorlog, sterk achteruit gegaan. Het gebruik van chemische
bestrijdingsmiddelen heeft hierbij een zeer grote rol gespeeld; een veel
grotere rol dan veel mensen hebben onderkend. Bestrijdingsmiddelen worden
immers gebruikt op een groot deel van de oppervlakte van ons land, op
vrijwel alle in kultuur gebrachte gronden. Op akkers, tuinbouwgronden,
weilanden, in sloten, plantsoenen en zelfs in bossen, worden in ons land
jaar in jaar uit ongeveer 20 miljoen kilo bestrijdingsmiddelen
gebruikt. Deze hoeveelheid betreft alleen de werkzame stoffen. Daarbij
komt dus nog een enorme hoeveelheid oplosmiddelen (zoals xyleen of
tolueen), vloei- en kleefmiddelen, talk, kaolien, verontreinigingen van
de werkzame stof en andere stoffen uit de handelsprodukten. Omdat de
samenstelling van bestrijdingsmiddelen, uitgezonderd de werkzame stof,
geheim is, weet geen enkele gebruiker exakt welke stoffen worden
verspreid.
Geen
enkel chemisch bestrijdingsmiddel is alleen giftig voor de te bestrijden
organismen. Bij elke bestrijding worden onbedoeld ook planten en/of dieren
gedood, die niet het doel van de bestrijding zijn. Vaak wordt dit door de
toepasser niet opgemerkt, omdat de "per ongeluk" vergiftigde
organismen vrij klein en onopvallend zijn, of omdat de slachtoffers in
de bodem leefden. Het herbicide dichlobenil bijvoorbeeld is in de
praktijkdosering dodelijk giftig voor regenwormen. Dit vormt voor de
toelating kennelijk geen bezwaar, er behoeft zelfs geen melding van
gemaakt te worden op het etiket.
De
achteruitgang van de zanglijster wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het
gebruik van slakkengif.
Ook
na realisering van de in het Meerjarenplan Gewasbescherming
aangekondigde sanering zullen bestrijdingsmiddelen planten en dieren
vergiftigen, die niet het doel van de bestrijding zijn; het beleid is er
immers niet op gericht het voortbestaan van alle soorten te waarborgen.
Volgens de notitie "Omgaan met risico's" van het Nationaal
Milieubeleidsplan moet het maximaal toelaatbare risiconiveau (MTR)
slechts minimaal 95% van het aantal soorten waterorganismen
waarborgen.
Alle
herbiciden hebben een nadelige invloed op de bodemstructuur. Elke
gebruiker van bestrijdingsmiddelen kent het dichtslaan van de bodem. Dit
heeft een zeer nadelige invloed op de in de bodem aanwezige mikro-flora en
-fauna.
In
de regel kunnen we weinig zien van het leven van deze mikro-organismen,
maar voor de natuur zijn ze van de grootste betekenis, o.a. omdat
mikro-organismen belangrijke producenten van kooldioxide (CO2) zijn.
Groene planten nemen kooldioxide uit de lucht op, waardoor ze mede onder
invloed van zonlicht hun bestanddelen opbouwen en als afvalprodukt
zuurstof vormen.
Als
door bestrijdingsmiddelen grotere dieren als vogels, hazen of vissen
vergiftigd worden is dat soms meer opvallend. Het Centaal
Diergeneeskundig Instituut te Lelystad toont herhaaldelijk aan dat in
het wild levende dieren zoals hazen, meeuwen, ganzen en roofvogels
slachtoffer worden van bestrijdingsmiddelen.
Ondanks
onze bijzondere zorg voor huisdieren, blijkt uit gegevens van het
Nationaal Vergiftigingen Informatiecentrum, dat ook huisdieren
regelmatig slachtoffer worden van bestrijdingsmiddelen. Honderden vergiftigingen
van honden en katten zijn gemeld, waarvan opvallend veel vergiftigingen
door paraquat. Dit middel, dat in Weedol nog steeds op openbaar
toegankelijke plaatsen gebruikt mag worden, is "voor dieren zeer
gevaarlijk". Kontakt met bespoten vegetatie kan een dodelijke afloop
hebben.
Zeer
waarschijnlijk is het aantal vergiftigingsgevallen in werkelijkheid veel
hoger. Lang niet altijd zal men verband met een bepaald bestrijdingsmiddel
leggen en nader onderzoek laten verrichten
Behalve
direkte of akute vergiftiging door bestrijdingsmiddelen kan er ook
sprake zijn van vergiftiging op langere termijn, chronische
vergiftiging.
Diverse
stoffen zoals drins, DDT, PCB's en sommige metabolieten
en verontreinigingen van bestrijdingsmiddelen, hopen zich op in de
lichamen van levende wezens. Dat veel dieren door ophoping van dergelijke
stoffen omkomen of verminderd vruchtbaar zijn is bekend, vooral sinds de
publikatie van Rachel Carsons "Dode lente". In het Waddengebied
waren drins van Shell verantwoordelijk voor een sterke decimering van de
kolonies eidereenden, lepelaars, sterns en visdiefjes.
Nog
steeds worden op diverse plaatsen in ons milieu abnormaal hoge gehalten
PCB's, lindaan, DDT en drins aangetroffen.
Aanhoudende
sterfte onder roofvissen in Diergaarde Blijdorp te Rotterdam werd veroorzaakt
door het hoge gehalte PCB van de uit het stroomgebied van de Rijn
afkomstige voedervis. Door de vis uit een ander gebied te betrekken werd
dit probleem opgelost. Voor de enkele soorten vissen, die nog in de Rijn
kunnen leven is geen oplossing.
Er
wordt nogal eens gesuggereerd dat alleen de oudere, nu in ons land vaak
verboden middelen, zich stapelen. De laatste jaren blijkt steeds vaker,
dat ook diverse "jongere" bestrijdingsmiddelen, zoals
synthetische pyrethroïden zich stapelen in levende organismen.
ECOTOXICITEIT
Vanuit
het Ministerie van Verkeer en Waterstaat werd van 55 bestrijdingsmiddelen
de ecotoxicologische waarde bepaald. Dit zijn getalswaarden die, met de
huidige kennis van de toxicologie, zijn geformuleerd op niveau's,
waarbij in het laboratorium juist geen effekten op populaties
aantoonbaar zijn. Van 23 van deze 55 bestrijdingsmiddelen is een hoeveelheid
kleiner dan 0,1 microgram per liter schadelijk voor het ecosysteem. Voor
zover betrekking hebbend op momenteel toegelaten stoffen zijn deze
waarden in de BMW in het vorige hoofdstuk opgenomen.
Het
zal niemand verbazen dat bestrijdingsmiddelen die zo giftig zijn voor
waterorganismen ook bij gebruik volgens de voorschriften in het water
geraken en planten en dieren in het water doden. In het MJPG wordt in
bijlage 6 "Overzicht huidige kennis van effecten op de natuur"
dan ook o.m. vermeld: "Op grond van nu beschikbare veld- en
laboratoriumgegevens leidt het weinig twijfel dat de concentraties van
bestrijdingsmiddelen in de Westlandse oppervlaktewateren en
waarschijnlijk in alle glasteeltgebieden schadelijke neveneffecten
hebben." In deze bijlage wordt gekonkludeerd dat de entomofauna (insekten)
op en in de direkte nabijheid van bespoten percelen ingrijpend door
bestrijdingsmiddelen wordt beïnvloed.
In
het Westland zijn veel sloten "ekologisch dood"; voor parathion
en dichloorvos worden waarden gemeten tot 60.000 maal de norm.
BESTRIJDINGSMIDDELEN
IN REGEN
Helaas
worden in regenwater al zoveel verschillende bestrijdingsmiddelen in
zodanige grote hoeveelheden aangetroffen dat de nadelige effekten van
bestrijdingsmiddelen op planten en dieren niet tot bespoten percelen
beperkt blijven. Het herbicide atrazin werd bij eerste oriënterende
metingen in regenwater in hoeveelheden tot 10x de ecotoxicologische
waarde van de stof aangetroffen. Het insekticide dichloorvos werd
in 1991 in Zuid-Holland zelfs in regenwater tot 3000x de voor het
ecosysteem schadelijke hoeveelheid gemeten. Dit maakt duidelijk dat
het zeer aannemelijk is dat bestrijdingsmiddelen een voorname rol
spelen bij het uitsterven van plant- en diersoorten. Het is dan ook
weinig verbazingwekkend dat onze ministers van Landbouw en Milieu in
antwoord op kamervragen stellen dat het noodzakelijk is om na te gaan of
er relatie bestaat tussen de afnemende vitaliteit van onze bossen en de
aanwezigheid van herbiciden en fungiciden in regenwater.
Het
feit dat de ecotoxicologische waarde van veel bestrijdingsmiddelen lager
is dan 0,1 microgram per liter geeft aan dat het van het grootste belang
is dat nog geringere hoeveelheden meetbaar moeten zijn.
DE
PURPERSLAK STERFT UIT
Veel
plant- en diersoorten stierven vrijwel onopgemerkt uit, voordat onderzoek
verricht kon worden naar de oorzaak. Ook nu is het bewijs dat een soort
uitsterft als gevolg van toepassing van bestrijdingsmiddelen heel
moeilijk te leveren. Een diersoort waarbij dit bewijs wel geleverd is
alvorens de soort uitsterft is de nu nog in de Noordzee levende
purperslak. Door organotin-bestrijdingsmiddelen zijn deze dieren steriel
geworden. De slakken planten zich niet meer voort, zodat de soort over
enkele jaren zal uitsterven.
ONKRUID
BESTAAT NIET MEER
Door
de gigantische hoeveelheden bestrijdingsmiddelen die gebruikt worden is er
voor de vele van nature in ons land voorkomende planten en dieren vrijwel
geen leefruimte meer beschikbaar. Wij menen helaas te moeten constateren
dat "onkruid" niet meer bestaat:
Jac.
P. Thijsse (1865-1945) heeft nog juist het begin van de ontwikkelingen
m.b.t. het gebruik van bestrijdingsmiddelen meegemaakt. Hij waarschuwde
reeds: "Het is zeer wel mogelijk dat, wat nu zeer algemene
onkruiden zijn, mettertijd tot heel zeldzame planten zullen worden".
Helaas zijn deze woorden waarheid geworden. In Nederland zijn intussen van
de ongeveer 1500 soorten wilde planten er ruim 750 zeldzaam tot zeer
zeldzaam geworden, of zelfs geheel uitgeroeid.
Veel
mensen beseffen niet, dat waar men herbiciden gebruikt er ook voor zeer
veel diersoorten, die op of nabij de bodem hun voedsel zoeken, geen
levenskansen meer zijn, zoals bijvoorbeeld het roodborstje en het
winterkoninkje. Deze soorten ontbreken in "chemisch behandelde"
plantsoenen als broedvogel: buiten het broedseizoen kunnen ze als
dwaalgast soms wel waargenomen worden.
ACHTERUITGANG
FLORA EN FAUNA
Betreffende
de achteruitgang van onze flora en fauna citeren wij uit "Nederland
Natuurlijk" een uitgave van CRM, 1981:
"Van
de in 1900 in ons land voorkomende plantesoorten is nu 5% uitgestorven
en verkeert 53% in gevaar. Daarnaast nam ook de spreiding over ons land
van tal van plantesoorten af. Zo zijn een aantal vroeger vrij algemeen
voorkomende soorten nu zeldzaam geworden.
Dit
blijkt uit de afname van het gemiddeld aantal plantesoorten per
vierkante kilometer. In 1900 bedroeg dit aantal 120 soorten, in 1970 nog
maar 70.
Bovendien
is het aantal exemplaren van veel soorten sterk achteruit gegaan.
De
inventarisatie van het dierenleven, de fauna, geeft al evenmin een
opwekkend beeld te zien: van de 56 in ons land voorkomende zoogdieren zijn
sinds 1950 33 soorten in aantal sterk achteruit gegaan, bijvoorbeeld de
vleermuis, de zeehond, de otter, de das en de steenmarter.
Van
de insekten weten we dat van de 66 inheemse dagvlinders er tussen 1968
en 1978, 8 soorten niet meer in ons land zijn gezien en 40 soorten sterk
tot zeer sterk achteruit zijn gegaan.
Van
de 68 inheemse soorten libellen zijn er sinds 1950, 10 verdwenen en 23
achteruit gegaan.
Bij
de vogels werd de afgelopen jaren sterke achteruitgang gekonstateerd
bij onder meer de nachtzwaluw, grauwe klauwier, korhoen, zomertaling,
kwartelkoning, nachtegaal, geelgors, grote karekiet, watersnip,
kemphaan en tureluur."
Uit
het Natuurbeleidsplan (NBP, Ministerie van Landbouw en Visserij, 1989)
blijkt dat de situatie inmiddels niet verbeterd is. Het NBP vermeldt o.m.
het volgende:
"Teruggang
plant- en diersoorten
De
achteruitgang van het aantal planten en dieren in ons land blijkt nog
steeds door te zetten. Dit geldt niet alleen voor de zeldzame soorten. Er
is sprake van een algehele achteruitgang. De diversiteit neemt af. De
achteruitgang van de natuur is vooral zo ernstig omdat het tempo waarin
dit geschiedt niet is afgenomen.
Uitgesproken
slecht gaat het met reptielen (alle soorten gaan achteruit), amfibieën
(driekwart van de soorten gaat achteruit) en met dagvlinders (90% van de
soorten gaat achteruit)."
In
1973 werden 58 soorten in ons land voorkomende wilde planten en een
groot aantal diersoorten beschermd verklaard.
Uit
bovenstaande gegevens blijkt dat deze bescherming onvoldoende positief
effekt gehad heeft. Ook de bebouwde omgeving kan gunstige kondities bieden
voor de aanwezigheid van (beschermde) planten en dieren.
In
het NBP wordt (te) intensief groenbeheer genoemd als een van de belangrijkste
knelpunten voor de natuurwaarden in en rond de bebouwde kom.
LEEFRUIMTE
In
de duizenden hektaren plantsoenen, die gemeenten in ons land beheren,
moeten naar onze mening de plant- en diersoorten, die oorspronkelijk
in ons land voorkomen veel meer dan tot heden het geval is, kans krijgen
om te leven.
Voor
deze soorten is vooral leefruimte nodig. Die ruimte is er op de in kultuur
gebrachte grond niet. In de plantsoenen is die ruimte er wel.
Sinds
het gebruik van bestrijdingsmiddelen in wegbermen verboden werd
(uitgezonderd het gebruik van MCPA, uitsluitend bij pleksgewijze
bestrijding van de akkerdistel), zijn de bermen een belangrijke rol gaan
spelen bij de instandhouding van onze natuur. De Stichting
Natuurverrijking meent dat deze rol ook voor plantsoenen is weggelegd. Wij
zouden graag plantsoenen zien, niet alleen met een zo rijk mogelijke
variatie inheemse bomen en struiken, maar ook met vele soorten wilde
planten en de daarbij behorende vogels, kevers, rupsen, vlinders, kikkers,
padden en wellicht egels, wezels, hermelijnen enz. In bijvoorbeeld
Lelystad leven ook deze laatste soorten weer in de plantsoenen.
Er
dient in de plantsoenen naar gestreefd te worden dat er een soort
natuurlijk evenwicht ontstaat. Een explosieve ontwikkeling van een
bepaalde diersoort (denk bijv. aan "rupsenplaag") zal door de
aanwezigheid van diverse natuurlijke vijanden weinig voorkomen en indien
dit toch het geval is in de regel zonder ingrijpen van de mens
"opgelost" worden.
Met
"Natuurrijk Groen" levert elke gemeente een bijdrage aan de
verwezenlijking van het Nationale en Provinciale Natuurbeleid, zoals
aangegeven in het Natuurbeleidsplan en Provinciale Natuurbeleidsplannen.
3.
AFVAL VAN DE BESTRIJDINGSMIDDELENINDUSTRIE
Niet
alleen de vele miljoenen kilo's bestrijdingsmiddelen, die jaar in jaar
uit in ons land gebruikt worden, maar ook het produktieproces en de
afvalstoffen die bij de produktie vrijkomen, vormen een bedreiging
voor gezondheid en milieu. De gebruiker van bestrijdingsmiddelen is
hiervoor medeverantwoordelijk.
In
de media worden we helaas herhaaldelijk gekonfronteerd met ongelukken bij
de produktie en de onverantwoordelijke wijze waarop
bestrijdingsmiddelenfabrikanten met hun afvalstoffen omgaan.
De
tot heden meest ernstige ramp bij de produktie van bestrijdingsmiddelen
vond eind 1984 bij Union Carbide in Bhopal, India, plaats. Enkele
tienduizenden mensen werden getroffen, toen een wolk methylisocyanaat
ontsnapte. Tenminste 2500 mensen stierven als gevolg van akute
vergiftiging.
In
1986 ging een bestrijdingsmiddelenopslagplaats van Sandoz te Bazel in
vlammen op, waarbij vrijwel alle leven in de Rijn werd vernietigd.
Dat
onverantwoord met afvalstoffen wordt omgegaan blijkt o.a. uit de volgende
voorbeelden van bekende verontreinigingen van een viertal bedrijven: a)
AKZO, b) Duphar, c) Aagrunol en d) Shell:
a)
Onder verantwoordelijkheid van AKZO werden duizenden tonnen van
het zeer giftige en persistente HCH (hexachloorcyclohexaan) afgevoerd.
Op vele plaatsen in Twente werd de bodem ernstig met HCH verontreinigd.
In
de Botlek vervuilt AKZO water en slib met stoffen, die vrijkomen bij de
produktie van o.a. MCPA, een middel dat wel door gemeenten wordt
gebruikt. MCPA bevatte tot voor kort 50% niet-werkzaam MCPA (isomeer).
Feitelijk is met het bestrijdingsmiddel gedurende tientallen jaren
miljoenen kilo's chemisch afval gedumpt.
b)
Duphar (nu Solvay Duphar of Pro Agro) is verantwoordelijk
voor ernstige verontreinigingen door het dumpen van afval in de Volgermeerpolder
en aan de Diemerzeedijk. Jarenlang heeft Duphar gigantische hoeveelheden
afvalstoffen geloosd op het Noordzeekanaal, waarbij met name dioxinen,
die vrijkomen bij de produktie van het door veel gemeenten gebruikte met
dioxine verontreinigde herbicide dichlobenil (merknamen o.a.
Casoron G, Fydulan en Corsage).
c)
Het inmiddels door Aagrunol (nu Scheering AAgrunol) verlaten
bedrijfsterrein te Groningen is bekend als het ernstigste geval van
bodemverontreiniging in de provincie Groningen. Diverse zeer
schadelijke stoffen worden ook in de omgeving van het terrein en in het
grondwater aangetroffen. De reinigingskosten worden geraamd op 50
miljoen gulden.
d)
In Rijnmond en wijde omgeving is Shell verantwoordelijk
voor ernstige verontreinigingen als gevolg van lozingen en
dumpingen van afvalstoffen, vrijgekomen bij de produktie van o.a. drins.
Shell levert nog steeds dieldrin en aldrin voor de export. Deze stoffen
mogen al jaren niet meer in
ons land worden gebruikt. In Gouderak moest een groot aantal huizen worden
afgebroken, omdat de bodem ernstig is verontreinigd met drins van Shell.
Het
konsumeren van vis uit de Hollandse IJssel en het zwemmen in deze rivier
wordt door het Provinciaal Bestuur
van Zuid-Holland afgeraden, vanwege de ernstige verontreiniging
met drins.
Worden
we door deze schade en schande ook wijs?
-
Nog dagelijks verontreinigen de bestrijdingsmiddelenindustrieën,
met of zonder lozingsvergunning, onze bodem, lucht en water met grote
hoeveelheden afvalstoffen.
-
Chemische afvalstoffen die in ons land niet meer gedumpt/verwerkt kunnen
worden, werden geëxporteerd en soms zelfs "hergebruikt" in
bestrijdingsmiddelen. Een voorbeeld van dergelijk
"hergebruik" is dichloorpropeen. Dichloorpropeen is
afval bij de synthese van glycerine. Na de ontdekking van de
insecticide werking van deze stof werd dit afval o.a. door Shell verkocht
als grondontsmettingsmiddel. Helaas bevat ook dichloorpropeen vele
verontreinigingen, waaronder dichloorpropaan, die het milieu ernstig
verontreinigen.
-
Vele overheden werken als grootverbruikers van bestrijdingsmiddelen
zelf nog steeds mee aan vergroting van de hoeveelheden afvalstoffen in
het milieu.
-
Verontreiniging bij de productie van een stof speelt geen enkele rol bij
de toelating van bestrijdingsmiddelen.
-
Fabrikanten van bestrijdingsmiddelen worden nog steeds niet
verantwoordelijk gesteld voor de gevolgen van hun producten. Zelfs als de
herkomst (lees fabrikant) van een in (drink)water aangetroffen bestrijdingsmiddel
bekend is, worden de kosten van zuivering niet verhaald op de
vervuiler, maar op de afnemer van het water, de consument. Bijzonder
wrang is het daarbij te bedenken dat voor de bedrijven die de
verontreiniging veroorzaken, als grootverbruiker, zelfs lagere
watertarieven gelden.
4.
ESTHETISCHE EN ETHISCHE OVERWEGINGEN
Hoe
betrekkelijk is het schoonheidsideaal van de mens! In een bos vindt
iedereen onderbegroeiing normaal en mooi. In ons gemeentelijk openbaar
groen krijgen een aantal mensen hun schoonheids/netheidsideaal, zwarte
aarde onder de bomen, nog steeds verwezenlijkt, zonder veelal te
beseffen dat dit ten koste gaat van levens van duizenden dieren en planten,
risico’s voor de volksgezondheid, milieuaantasting en andere bezwaren in
dit boekje genoemd.
Wij
vinden plantsoenen met een rijk gevarieerder kruidenlaag en de daarbij
behorende vogels, kevers, rupsen, vlinders, kikkers enz., mooi.
Wij
menen dat meer kennis van onze natuur ook zal leiden tot een grotere
waardering van de schoonheid ervan.
Hier
ligt een belangrijke taak voor de overheid.
Ons
inziens moet de overheid zelf een goed voorbeeld geven wat betreft
milieuaangelegenheden.
Kan
de overheid wel aan anderen regels stellen wat betreft milieubescherming
en zelf honderden, zo niet duizenden kilo's chemische stoffen, in de vorm
van bestrijdingsmiddelen in het milieu brengen?
Is
het ook ethisch wel verantwoord zoveel planten te doden en dieren
het leven onmogelijk te maken (voedselgebrek), omwille van het
schoonheidsideaal van een aantal mensen?
Is
het doden van planten en dieren met chemische stoffen eigenlijk niet
vergelijkbaar met het doden van jonge zeehondjes, hetgeen vrijwel
iedereen afkeurt?
Het
laatste gebeurt ver bij ons vandaan, het eerste gebeurt vaak vlak bij onze
eigen deur, veelal zonder dat de meeste mensen het zien of opmerken en
beseffen welke bezwaren aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen verbonden
zijn voor mens, dier en milieu.
5.
EDUKATIEVE ASPEKTEN
In
de plantsoenen die door de gemeenten in de directe omgeving van de
woningen worden beheerd, zouden de bewoners jaarlijks van 1 januari tot
en met 31 december moeten kunnen genieten van al wat de natuur op die
plaatsen in al zijn verscheidenheid kan bieden.
Door
middel van plaatselijke uitgaven en ondersteuning van het onderwijs kan
extra de aandacht worden gevestigd op hetgeen de natuur in een bepaalde
omgeving en periode biedt.
Wij
citeren hieromtrent uit "Gemeenten Natuurlijk", een uitgave
van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten:
"Te
denken valt aan een stelselmatige aandacht voor bestaande flora en fauna
in zowel stedelijke als landelijke gebieden; een gevarieerde aanleg van
groenvoorzieningen (parken, plantsoenen, heemtuinen, vijvers, enz.)."
In
het begin van deze eeuw pleitten Heimans en Thijsse er al voor dat bij
biologieonderwijs uitgegaan dient te worden van het jaargetijde en de
omgeving van de school.
In
diverse publicaties over biologiedidactiek komen we o.a. de volgende
doelstellingen tegen:
-
het kunnen benoemen van wilde planten, bomen en struiken en dieren
uit de eigen omgeving,
-
eerbied voor het leven bijbrengen,
-
het waarderen van de rijkdom aan vormen bij levende organismen,
-
leiden tot liefde en eerbied voor de schepping Gods,
-
leerlingen milieubewust maken en de samenhang in de natuur doen
beseffen.
Als
de omgeving van de school chemisch wordt behandeld, is het bereiken van
deze doelstellingen erg moeilijk.
In "De tuin om de school, wat
doe je ermee?" - een uitgave van de Stichting voor de
Leerplanontwikkeling en het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie -,
staat dan ook o.m. over de overeenkomsten van verreweg de meeste schoolterreinen
in ons land:
-
de eventueel aanwezige beplanting lijkt sterk op het conventionele
plantsoen: grasveldje, struiken (cotoneaster en berberis), enkele bomen,
het geheel vaak saai en steriel,
-
pedagogische en onderwijskundige overwegingen hebben bij de
inrichting van het schoolterrein een ondergeschikte rol gespeeld: het
gebeuren in het schoolgebouw heeft maar weinig relatie met de omgeving
buiten.
Het
moet duidelijk zijn dat vanuit pedagogisch en onderwijskundig oogpunt
het de onderwijsgevenden moeilijk gemaakt wordt genoemde doelstellingen te
bereiken, indien gemeenten het openbaar groen op zo'n steriele, weinig
creatieve wijze beheren, zoals nog steeds vaak gebruikelijk is.
Hoe
kan een onderwijzer(es) aan zijn leerlingen de noodzaak van bespuitingen
met chemische middelen door de overheid uiteenzetten? Moet hij verbieden
tussen de bomen te lopen, takken te breken of bloemen te plukken, terwijl
de overheid vrijwel het gehele bodemleven d.m.v. herbiciden onmogelijk
maakt?
Ter
illustratie een waar gebeurd verhaal uit de praktijk in ons onderwijs te
Lekkerkerk:
Klas
4 van een school uit deze "bekende" plaats gebruikt de
taalmethode: Taal-totaal, deel 4a.
In
september begint de klas met het thema "de natuur". Dit wordt in
genoemde taalmethode ingeleid met "de groene tien", waarvan
regel 2 en 3 luiden:
2. We laten bloemen en struiken staan.
3. We laten vogels en andere dieren met rust.
Na
diverse lesjes wordt o.m. het gedicht "mens toch" behandeld.
Hiervan luidt het laatste couplet:
Mens toch, wat ben je begonnen?
Steeds iets nieuws heb je verzonnen.
De natuur? die heb je mooi verpest,
en dat weet je best!
Na
weer diverse lesjes begint de klas aan de bespreking van les 5, blz. 50:
"We moeten voorzichtig zijn met de natuur. Maak een affiche,
waarop dat aan alle mensen duidelijk wordt gemaakt."
Als
de klas juist bezig is met bespreking van deze opdracht komen er voor het
lokaal werklieden van de Gemeentelijke Plantsoenendienst voorrijden, met
hun luid ronkende motorspuit en
beginnen op losliggende bladeren te sproeien.
Er
liggen veel afgevallen bladeren op de bodem, wilde planten zijn er
vrijwel niet te zien.
Natuur
in de woonomgeving is noodzakelijk om een verdere vervreemding van de
natuur te voorkomen.
Gemeentebesturen
verwachten terecht van hun bewoners natuur- en milieubewust gedrag.
Er valt weinig tegen in te brengen dat de gemeente dan zelf wel het goede
voorbeeld moet geven.
De
Stichting Natuurverrijking is verheugd te kunnen constateren dat steeds
meer gemeentebesturen deze voorbeeldfunctie vervullen, het
bestrijdingsmiddelengebruik beëindigen, het groen natuurrijk beheren en
een actieve rol spelen bij de bevordering van natuur- en milieubewust
gedrag.
6.
BESTRIJDINGSMIDDELEN, WETTELIJKE ASPEKTEN EN ADVIEZEN VAN DIVERSE
INSTANTIE
Gemeentebesturen
zijn verantwoordelijk voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen in hun
gemeente. Gemeentelijke gebruikers, dus de verantwoordelijke gemeentebesturen,
dienen zich te houden aan vele aanwijzingen, verordeningen,
voorschriften en wettelijke bepalingen in deze.
Bij
de toepassing van bestrijdingsmiddelen hebben we in de eerste plaats
te maken met hetgeen op het etiket is vermeld. Bij toelating en eventuele
verlenging van toelating wordt bepaald op welke wijze elk afzonderlijk
handelsprodukt dient te worden gebruikt en voor welke toepassing(en) het
middel is toegelaten.
TOELATINGSBESCHIKKING
In
de zogenaamde "Wettelijke Toelatingsbeschikking" is vrijwel
letterlijk vastgelegd wat de fabrikant op het etiket van een produkt
moet vermelden. Niemand die enigszins op de hoogte is van
bestrijdingsmiddelengebruik zal tegenspreken dat in de praktijk lang niet
altijd de voorschriften van het etiket worden opgevolgd, waardoor
gezondheid, natuur en milieu nog eens extra worden belast. Niet-naleving
van de gebruiksvoorschriften en veiligheidsmaatregelen is dan ook
strafbaar. Controleurs Bestrijdingsmiddelen van de Algemene Inspectiedienst
(AID) zijn belast met kontrole op de naleving van alle bepalingen m.b.t.
bestrijdingsmiddelengebruik en kunnen eventueel verbaal opmaken bij
overtredingen. Kontrole op de voorschriften bij de toepassing van bestrijdingsmiddelen
is echter zeer moeilijk uitvoerbaar en overtredingen worden slechts
zelden gekonstateerd en bestraft. Als er in een gemeente nog bestrijdingsmiddelen
gebruikt worden, zouden de hiervoor verantwoordelijke bestuurders de
Toelatingsbeschikkingen van alle in gebruik zijnde middelen moeten
opvragen bij het Bureau Bestrijdingsmiddelen om erop toe te kunnen zien
dat de specifieke voorschriften van elk middel tenminste worden opgevolgd.
-Het is ook mogelijk het etiket van de verpakking en eventuele
bijsluiters te kopiëren, maar omdat de verpakkingen niet altijd aan de
wettelijke voorschriften voldoen is het verstandiger direkt van de
wettelijke toelatingsbeschikking uit te gaan.
Uiteraard
is het altijd van belang dat toepassers van bestrijdingsmiddelen daarbij
doelmatige kleding, handschoenen en laarzen dragen. Veelal zijn bij
specifieke middelen nadere eisen gesteld. Uit de Toelatingsbeschikking van
Roundup blijkt bijvoorbeeld dat bij de toepassing van dit middel
een beschermingsmiddel voor de ogen gedragen moet worden, aangezien
het middel irriterend voor de ogen is.
Van
de vele voorbeelden van onwettig gebruik van bestrijdingsmiddelen
noemen we hier verder slechts de toepassing van Roundup op sloottaluds.
Dat deze toepassing van Roundup illegaal is, is eveneens weer af te leiden
uit de Toelatingsbeschikking van Roundup. In het Wettelijk Gebruiksvoorschrift
wordt vermeld voor welke toepassingen het middel uitsluitend is
toegestaan. Aangezien de toepassing op sloottaluds niet genoemd wordt in
het Wettelijk Gebruiksvoorschrift is deze toepassing dus verboden.
Bovendien moet op de verpakking de volgende opmerking afgedrukt worden:
"-behandeling
van het talud is niet toegestaan.
Naast
de voorschriften op het etiket dienen uiteraard de bepalingen uit de
Bestrijdingsmiddelenwet opgevolgd te worden o.a. met betrekking tot
transport, opslag en direkte toepassing.
Bij
elke toepassing van bestrijdingsmiddelen kunnen we bovendien te maken
hebben met verschillende wetten, zoals:
-
Afvalstoffenwet,
-
Bestrijdingsmiddelenwet,
-
Grondwaterwet Waterleidingbedrijven,
-
Natuurbeschermingswet,
-
Wet Bodembescherming,
-
Wet Gevaarlijke Stoffen,
-
Wet Milieubeheer,
-
Wet Milieugevaarlijke Stoffen,
-
Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren.
In
de jaren 70 werd een begin gemaakt met dit zogenaamde sektorale
milieubeleid; met afzonderlijke wetten werd getracht problemen m.b.t.
kwaliteit van water, lucht en bodem, afval, geluid en natuur aan te
pakken.
Al
deze afzonderlijke wetten maakten en maken de milieuproblematiek
moeilijk hanteerbaar. Ondanks de milieuwetten verslechterde de toestand
van ons milieu ook in de jaren 80 steeds verder.
De
eerste stap op weg naar een meer samenhangend, integraal
milieubeleid werd in 1989 gezet met het Nationaal Milieubeleidsplan
(NMP). Het ontstaan van een duurzame samenleving en duurzame
ontwikkeling staat voorop. De aanpak is niet langer sektoraal, maar thematisch.
Het milieubeleid wordt ingedeeld in thema's als: verzuring, vermesting,
verspreiding, verwijdering en verstoring. In het NMP+, Derde Nota
Waterhuishouding, Natuurbeleidsplan en MJPG werkt de regering de
uitgangspunten van het NMP verder uit (zie ook hoofdstuk 1).
Op
provinciaal niveau wordt hard gewerkt om voort te bouwen op het huidige
integrale natuur- en milieubeleid.
Zichzelf
enigszins respekterende gemeenten kunnen deze nationale en provinciale
ontwikkelingen niet naast zich neer leggen en dienen er uiteraard ook het
gemeentelijke natuur- en milieubeleid op af te stemmen.
Hieronder
volgen enkele citaten uit Provinciale Nota's, Beleidsplannen
e.d. die betrekking hebben op gemeentelijk beheer van openbaar
groen en/of bestrating, waarbij opgemerkt dat van enkele
provincies citaten zijn opgenomen die nog stammen uit de periode van
voor het NMP:
-
Gedeputeerde Staten van Gelderland:
"Natuur
90", september 1990 (blz. 78, 79):
"
4.7. NATUUR IN DE STAD
Zo
natuuronvriendelijk als verstedelijkte gebieden lijken te zijn, zo
opmerkelijk is het dat de bebouwde omgeving een gunstige omgeving biedt
voor bepaalde, soms waardevolle levensgemeenschappen. Diverse
reptielen, aan rotsachtige milieu's gebonden vogelsoorten en
vleermuizen kiezen voor deze woonomgeving. De floristische waarde van de
stad kan tot uiting komen op muren, in parken, plantsoenen, (natuur)tuinen,
op begraafplaatsen en bij stedelijke waterpartijen. De natuur in de
bebouwde omgeving kent in het algemeen een hoge belevingswaarde.
Knelpunten
vormen een te intensief groenbeheer, lucht-, bodem- en watervervuiling, en
te vergaande verdichting van groenzones door bebouwing. Ook de verdroging
van groenelementen door het grondwaterbeheer kan bedreigend zijn.
Via
de ruimtelijke ordening kan de provincie stimuleren dat het oppervlak
van de stedelijke groenelementen wordt beschermd.
Via
het instrumentarium van het waterbeheer is de grondwaterspiegel in de
stedelijke gebieden te benvloeden door waterschap of gemeente.
Nieuwe
inzichten op grond van experimenten met "veranderend
groenbeheer" en "niet meer spuiten" blijken voor de
gemeenten te vertalen in een rationeel, milieuhygiënisch en ecologisch
verantwoord groenbeheer. Natuurvriendelijk groenbeheer is een belangrijke
bijdrage aan de ecologie van de stad.
Vaak
gaan in de praktijk openbaar groenbeheer en publieksvoorlichting hand in
hand, en hebben zo ook hun uitstraling op het particulier beheer van
tuinen e.d.. Bezoekerscentra, schoolbiologische diensten etc. spelen
hierin een stimulerende rol. Uit de instelling van een Consulentschap
Stedelijk Groen in elke provincie blijkt het belang dat het ministerie
van LNV aan stadsnatuur hecht.
Versterking
van de verbindingen tussen groenzones in de bebouwde kom en het
landelijk gebied kan bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de flora
en fauna en brengt de natuur letterlijk "dichter bij de mens".
Groenbeheersplannen
zijn een geschikt kader voor een planmatig beheer en voor samenspraak
met de bewoners hierover.
Behoud
en ontwikkeling van stadsbiotopen, die van grote betekenis zijn voor het
voortbestaan van aan het stedelijk milieu gebonden inheemse plant- en
diersoorten kan de provincie ondersteunen, bijvoorbeeld met
projectsubsidies. Middelen daarvoor kunnen worden ingezet via de voorgenomen
subsidieregeling Leefomgeving Planten en Dieren (zie thema Soortenbeleid).
Publieksvoorlichting is subsidiabel met natuur-educatiegelden (zie
hoofdstuk Draagvlak voor het beleid).
De
rijksoverheid stimuleert e.e.a. ondermeer via het project "natuur in
de stad/stadsrandzone" uit het Natuurbeleidsplan. Daar waar in
Gelderland nadere invulling gegeven wordt aan dit project kan de provincie
in stimulerende en ondersteunende zin bijdragen."
-
Provincie Groningen:
"Bij
Nader Inzien", Milieubeleidsplan 1991-1994, december 1990, (blz. 31):
"Milieugevaarlijke
stoffen
Het
gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw zal moeten worden beperkt.
Met het oog daarop zal de ontwikkeling van milieuvriendelijke vormen van
landbouw, waaronder geïntegreerde landbouw, zoveel mogelijk worden
gestimuleerd. Door middel van gerichte voorlichtings- en edukatie-
aktiviteiten zal worden bevorderd dat het gebruik va
bestrijdingsmiddelen door huishoudens en overheidsinstanties
afneemt."
-
Provincie Noord-Holland:
In
januari 1984 ontvingen alle gemeenten in Noord-Holland de nota:
"Groenbeheer door overheidsinstanties - mogelijke alternativieven
voor het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen".
Deze
nota werd uitgegeven om het streven naar een zo gering mogelijk gebruik
van chemische bestrijdingsmiddelen bij het beheer van openbaar groen,
zoveel mogelijk in eigen kring als daarbuiten te ondersteunen en te
stimuleren.
Citaat:
"Ook
al lijken chemische bestrijdingsmiddelen op korte termijn een goed
hulpmiddel bij het onderhoud van openbaar groen, op de lange termijn kan
het gebruik vervelende milieubelastende consequenties hebben.
Met
name bij het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in openbaar
(voor iedereen toegankelijk) groen is daarom de vraag op zijn plaats of de
voordelen van deze middelen wel opwegen tegen de nadelen.
Aangezien
in openbaar groen, in tegenstelling tot de situatie in land- en tuinbouw,
geen maximale produktie van een gewas wordt nagestreefd, wordt de
functie van het openbaar groen niet direkt aangetast bij een zeker percentage
uitval of een ander uiterlijk. Juist een beplanting waarin ook (on)kruiden
geaccepteerd worden brengt een extra dimensie met zich mee. Op deze
wijze wordt de natuur als het ware de stad binnengehaald, waardoor de
kwaliteit van de woonomgeving vergroot wordt.
Een
plantsoen, waarin zowel een boom-, struik- als kruidlaag aanwezig is,
vormt een biotoop voor onder andere diverse soorten insecten en
(zang)vogels. Zowel uit ecologisch, maar ook uit esthetisch en recreatief
oogpunt is dit een belangrijk gegeven."
De
nota bevat, op zeer overzichtelijke wijze, niet chemische alternatieven
voor situaties waarbij het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de
praktijk wordt overwogen.
De
in 1990 door de Provincie N-H uitgegeven Beleidsnota
"Milieuvriendelijk Groenbeheer" moet gezien worden als vervolg
op de al in 1984 uitgebrachte nota. Op verzoek van het Provinciaal
Bestuur van N-H hield Kees Beaart, voorzitter van de Stichting
Natuurverrijking, een toespraak bij de presentatie van de provinciale
nota. De tekst van deze toespraak is uitgebracht als deel 12 van de
serie "Bestrijden": "Gif uit 't Groen". Om alle
gemeenten nogmaals van de ernstige gevolgen van bestrijdingsmiddelen op de
hoogte te stellen is deze brochure in februari 1990 o.m. naar alle
Nederlandse Gemeenten verzonden.
Enkele
citaten uit "Milieuvriendelijk Groenbeheer":
"Waarom
deze nota
Hoofddoelstelling
van het provinciaal milieubeleid is het bereiken en handhaven van een
duurzame, evenwichtige kwaliteit van het milieu ten behoeve van de mens,
de flora en de fauna. Het tegengaan van de verspreiding van milieuvreemde
stoffen en het bevorderen van een variëteit aan flora en fauna zijn
onderdeel van deze doelstelling.
Deze
nota heeft tot doel het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen
bij het beheer van openbaar groen te beperken, en aldus een
milieuvriendelijk beheer van openbaar groen te bevorderen
Ecologische
motieven voor beheer van openbaar groen
Het
gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen stuit ook vanuit ecologische
overwegingen op grote bezwaren. Door de toepassing van chemische bestrijdingsmiddelen
worden natuurlijke processen in het openbaar groen ernstig ontregeld. In
sommige gevallen zal dit zelfs ongewenste ontwikkelingen van ruigte-
en storingssoorten stimuleren, die dan weer opnieuw moeten worden
bestreden. Bovendien kunnen door ophoping van microverontreinigingen in de
voedselketen predatoren (vogels) vergiftigd worden.
Indien
men kiest voor volledig achterwege laten van bestrijdingsmiddelengebruik,
dan biedt een ecologische opzet en beheer van openbaar groen hiervoor
een mogelijkheid. Ontwerp, inrichting en beheer worden hierbij van
meet af aan afgestemd op het scheppen en instandhouden van een optimale
relatie tussen organismen (mens, dier, plant) en de omgeving. Daardoor
kunnen allerlei problemen die achteraf intensief onderhoud blijken te
vergen voorkomen worden. Naast ecologische- en milieuhygiënische overwegingen
spelen hierbij esthetische en educatieve aspecten een rol bij de keuze
voor een andere opzet en beheerwijze.
Openbaar
groen is in wezen een klein ecosysteem in de stedelijke omgeving. Een
natuurlijke opbouw van het openbaar groen, met diversiteit en variëteit,
vormt een biotoop voor verschillende soorten planten, insecten en
vogels. De bodemfauna vervult hierbij een sleutelrol; door allerlei verteer-
en graafactiviteiten komen er weer voedingsstoffen beschikbaar voor
diverse plantensoorten. Natuurvriendelijk beheerd openbaar groen heeft
daarmee dus meer betekenis dan alleen een visuele.
Voorbeeldfunctie
Vanwege
hun specifieke verantwoordelijkheid voor een goede leefomgeving hebben
overheden op het punt van milieuvriendelijk groenbeheer zonder meer een
voorbeeldfunctie. Ook in eigen huis - op bij ons in beheer zijnde
terreinen - zullen wij daarom dit uitgangspunt in de praktijk
brengen."
-
Provincie Overijssel:
Milieubeleidsplan
1991-1994, januari 1991 (blz. 67):
"5.8
Overheden
5.8.2
Wat van de partners wordt verwacht
-
terugdringen/afschaffen van gebruik van bestrijdingsmiddelen bij beheer
van parken, plantsoenen, wegen en watergangen;
-
bevorderen van ecologisch verantwoord beheer waarbij met name gedacht
wordt aan bermen en landschapselementen."
-
Provincie Utrecht:
Beleidsplan,
Natuur en Landschap Provincie Utrecht, Ontwerp, december 1990 (blz.
104):
"Natuur
in de bebouwde omgeving
Niet
direct betrekking hebbend op het landelijk gebied, maar toch belangrijk
voor natuur- en landschapsbeleid is de natuur in de bebouwde omgeving.
Natuur in de dagelijkse leefomgeving werkt stimulerend op het natuur-
milieuvriendelijk gedrag van mensen. Daarnaast kan het van groot belang
zijn voor specifieke planten- en diersoorten. Het aangewezen kader voor
uitwerking van dit thema is een Gemeentelijk Groenstructuurplan. Een
positieve ontwikkeling is dat de aandacht van gemeenten voor een meer
samenhangende en planmatige aanpak reeds groeiende is. De provincie zal
ter verdere stimulering binnen 2 jaar een informatiebundel over natuur in
de bebouwde omgeving uitbrengen."
-
Provinciaal Bestuur Zeeland:
Kerend
Tij, Zeeuws Milieubeleidsplan, juni 1990 (blz. 20-21):
"Aanpak
per Stof
Bestrijdingsmiddelen
-
Het gebruik van bestrijdingsmiddelen moet zoveel mogelijk worden worden
beperkt. Directe regulering is mogelijk in grondwaterbeschermings- en
bodembeschermingsgebieden. In waterwingebieden is het gebruik
verboden, in intrekgebieden aan beperkingen onderhevig. Nagegaan wordt
of - tegen de achtergrond van het algemene reductiebeleid - het gebruik
van bestrijdingsmiddelen in intrekgebieden aanpassing behoeft.
Voor
bodembeschermingsgebieden wordt het beleid nog uitgewerkt.
-
De distelverordening wordt ingetrokken. Deze leidt in veel gevallen tot
onnodig gebruik van bestrijdingsmiddelen.
-
Binnen de eigen organisatie zal de provincie het gebruik van
bestrijdingsmiddelen in 1993 beëindigen. Van waterschappen en gemeenten
wordt verwacht dat ze het gebruik drastisch terugbrengen. In dit kader
moeten gemeenten een visie voor ecologisch groenbeheer opstellen. Binnen
twee jaar moet in elk geval toepassing van bestrijdingsmiddelen in en
direct langs watergangen zijn beëindigd."
-
Provincie Zuid-Holland - zie schrijven aan B en W (in Z-H), 19
april 1972 - Hierin wordt gewezen op een groot aantal gevaren en
schadelijke neveneffecten.
Citaat:
"In
verband met deze schadelijke neveneffecten zijn wij van oordeel dat het
onderhoud van wateren, bermen en taluds van wegen en dijken en beplantingen
zoveel mogelijk zonder gebruikmaking van chemische bestrijdingsmiddelen
dient te geschieden."
Het
Provinciaal Bestuur van Zuid-Holland oefent door middel van
begrotingstoezicht invloed uit op het gebruik van bestrijdingsmiddelen
door waterschappen. Op deze wijze werd bijvoorbeeld het gebruik van
bestrijdingsmiddelen door het waterschap "De Groote Waard"
drastisch verminderd. Om formele redenen is een dergelijke opstelling
bij het financieel toezicht op gemeenten niet mogelijk.
In
het "Milieubeleidsplan" van februari 1990 wordt aangegeven dat
de de Provincie Zuid-Holland van Gemeenten o.a. de volgende acties
verwacht (blz. 210):
"Algemeen
3
Het nemen van initiatieven voor het uitwerken van het idee van een netwerk
van regionale steunpunten voor milieueducatie.
Verspreiding
5
Het gebruik van bestrijdingsmiddelen conform de brochure "Openbaar
Groenbeheer".
Verontreiniging
van oppervlaktewater en waterbodem
11
Het vermijden van milieuschadelijke verduurzamingsmiddelen bij
beschoeiingen langs gemeentelijke waterwegen."
Gemeentebesturen
dienen zich o.i. te houden aan aanwijzingen en voorschriften m.b.t.
gebruik van bestrijdingsmiddelen, welke gegeven worden vanuit Inspecties
van Volksgezondheid. Bovendien dienen gemeentebesturen zich rekenschap
te geven van opvattingen van de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten:
-
Inspecties van Volksgezondheid - zie het reeds in hoofdstuk 1
genoemde schrijven aan B en W (in Z-H) van Drs. W.E.M.C. Krul, d.d. 15
juni 1982-. Hierin wordt o.m. uiteengezet dat er altijd risiko bestaat
voor mensen en dieren, die onbedoeld en onwetend met bestrijdingsmiddelen
in kontakt komen.
Voorjaar
1984 werd een waarschuwend schrijven gezonden naar alle gemeentebesturen
in Nederland, door alle Regionale Inspecties van Volksgezondheid voor de
Hygiëne van het Milieu. Gedeelten hieruit zijn in hoofdstuk 1 geciteerd.
-
Vereniging van Nederlandse Gemeenten - zie o.a. "Natuur in de
stedelijke omgeving", 1981 - en "Natuurlijker Groenbeheer in
Nederlandse Gemeenten", 1991. Het eerste boekje, extrakt van het
hoofdrapport van een werkgroep, bestaande uit vele deskundigen, is
speciaal voor bestuurders geschreven, in de hoop een bijdrage te geven
aan een aktief gemeentelijk beleid bij het beheer van de natuur in het
stedelijk gebied.
De
volgende zin uit dit werk, dat vele aanwijzingen bevat, laat aan
duidelijkheid niets te wensen over:
"Voor
het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen valt zelfs geen enkel redelijk
argument aan te voeren."
In
"Natuurlijker Groenbeheer in Nederlandse Gemeenten" (1991) van
A. Koster en M. Claringbould, wordt onder "schone omgeving en een
schoon milieu" vermeld:
"Met
betrekking tot een schoon milieu kunnen plantsoenendiensten vooral een
bijdrage leveren door chemische bestrijdingsmiddelen af te schaffen.
Er is momenteel een duidelijke tendens om dat te realiseren en naar we
hopen worden deze middelen volledig en definitief afgeschaft."
Wij
betreuren het dat niet-naleving van de vele verordeningen,
voorschriften, regels, aanwijzingen en wetten m.b.t. het gebruik van
bestrijdingsmiddelen in de regel niet bestraft wordt of niet bestraft kan
worden.
In
dit verband menen wij er echter op te moeten wijzen dat bij elk gebruik
van bestrijdingsmiddelen beschermde dieren en/of planten gedood kunnen
worden. Dit kan ingevolge artikel 26 van de Natuurbeschermingswet bestraft
worden met een hechtenis van ten hoogste drie maanden..... In bepaalde
gevallen zelfs met een hechtenis van zes maanden......
Bovendien
menen wij dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen door de overheid in
strijd is met het door het parlement goedgekeurde "Verdrag inzake
het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in
Europa."
Hierbij
slechts enkele gedeelten uit dit verdrag (Zie Natuurbeschermingswet):
"Art.1.1.
Dit verdrag heeft ten doel te zorgen voor instandhouding van de in
het wild voorkomende dier- en plantensoorten en de daarbij behorende
natuurlijke leefmilieus.
Art.3.2. Iedere
verdragsluitende partij verbindt zich ertoe om bij haar beleid op het
gebied van ruimtelijke ordening en ontwikkeling en bij haar maatregelen
tegen verontreiniging, rekening te houden met de instandhouding van de
in het wild voorkomende dier- en plantensoorten.
Art.3.3. Iedere
verdragsluitende partij bevordert de voorlichting en de verspreiding van
algemene informatie betreffende de noodzaak tot het instandhouden van de
in het wild voorkomende dier- en plantensoorten alsmede de daarbij
behorende leefmilieus."
Redelijkerwijs
kan zelfs gesteld worden dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen door
overheidsinstanties in strijd is met artikel 21 van de Grondwet. Artikel
21 van de Grondwet luidt immers:
"De
zorg van de overheid moet gericht zijn op de bewoonbaarheid van het land
en de bescherming en verbetering van het leefmilieu."
Alle
tot hier aangeduide bepalingen, wetten en adviezen zouden moeten leiden
tot afschaffing van het gebruik van bestrijdingsmiddelen door de
overheid. Het is zeker niet ondenkbaar dat in de toekomst het gebruik van
bestrijdingsmiddelen in openbaar groen verboden wordt. In hoofdstuk 1 is
reeds uiteengezet dat vanuit het Ministerie van Milieubeheer voor een
dergelijk verbod gepleit wordt.
De
werkelijkheid leert ons echter, dat in een aantal gemeenten in ons land
nog steeds vrij veel bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Eén
adviserende en tegelijk meestal uitvoerende instantie is dan ook nog
niet genoemd: Gemeentelijke Plantsoenendienst en/of Openbare Werken.
Door
gemeentebesturen worden de medewerkers van deze dienst(en) veelal als
natuur- en milieudeskundigen beschouwd. Ondanks een toenemende
bewustwording zijn er bij deze diensten nog steeds te veel mensen die
tevreden zijn met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en de vele
risico’s en bezwaren die er aan verbonden zijn, niet (willen) kennen.
Wij hebben gekonstateerd, dat hun mening omtrent "veiligheid"
en "milieuvriendelijkheid" van gebruikte middelen soms nog
steeds gebaseerd is op zgn. "wetenschappelijke gegevens",
die bepaalde fabrikanten van bestrijdingsmiddelen aan deze diensten
verzenden en op door de Plantenziektenkundige Dienst en de Consulentschappen
verstrekte gegevens.
Dat
wettelijk toegelaten middelen geen nadelige gevolgen voor milieu en
gezondheid kunnen hebben, of dat middelen zonder gevaarsymbool niet
giftig zouden zijn, wordt helaas nog herhaaldelijk ten onrechte beweerd
en anno 1992 zelfs opgenomen in diverse gemeentelijke
Milieubeleidsplannen!!
7.
MISLEIDING
RECLAME
Reclame
wordt gemaakt om de verkoop van producten te bevorderen. Fabrikanten van
bestrijdingsmiddelen deinzen er niet voor terug om in hun reclame
volstrekt onjuiste en misleidende gegevens te verstrekken.
De
afgelopen 10 jaar is de Stichting Natuurverrijking regelmatig
gebleken dat reclame voor bestrijdingsmiddelen (waaronder
advertenties, reclamefolders, brochures, informatiemappen en
persberichten van fabrikanten) in vele gemeenten een rol speelt bij
discussies betreffende het al dan niet gebruiken van bestrijdingsmiddelen
en wordt reclamemateriaal, of kopieën ervan, overlegd om anderen te
overtuigen van de onschadelijkheid van bestrijdingsmiddelen voor mens,
dier en milieu.
Als
voorbeelden van misleidende reclame werden al in 1982 klachten ingediend
bij de Reclame Code Commissie, betreffende reclame-uitingen van Aagrunol
B.V., Groningen en Duphar B.V., Amsterdam.
Aagrunol
suggereerde in een aantal reclame-uitingen dat het middel "Roundup"
(glyfosaat) milieuvriendelijk zou zijn.
Duphar
vermeldde bij het middel "Casoron G" (dichlobenil) o.m.
"Veilig voor mens en dier". Ook tegen het poststempel van
Duphar werd bezwaar gemaakt. Dit luidde: "Duphar, voor de gezondheid
van mens, dier en plant".
In
1983 zijn deze klachten tegen beide bedrijven door de Reclame Code
Commissie behandeld en alle gegrond verklaard.
De
beslissing van de Commissie betreffende "Roundup" is als
bijlage 3 in zijn geheel opgenomen.
Betreffende
"Casoron G" kwam de Commissie terug op het oordeel, dat zij
eerder in 1980 uitsprak. Toen werd een identieke klacht afgewezen. In de
beslissing d.d. 7-2-1983 (dossier 3317) wordt vermeld:
"De
Commissie huldigt thans de opvatting dat zij het gebruik van
kwalificaties "veilig" en "voor de gezondheid van mens,
dier en plant" evenals kwalificaties als "milieuvriendelijk"
in relatie tot bestrijdingsmiddelen reeds hierom onaanvaardbaar acht,
omdat het een wezenskenmerk van deze middelen is, dat zij bestemd zijn
om organismen af te weren of te doden."
VERPAKKING
Zelfs
de wettelijke voorschriften m.b.t. de verpakking van bestrijdingsmiddelen
worden door de fabrikanten lang niet altijd opgevolgd. Naar aanleiding van
op veel punten door de Stichting Natuurverrijking gewonnen klachten over
de vermeldingen op de verpakking van bestrijdingsmiddelen, werden in
juni 1984 in de Tweede Kamer schriftelijk vragen gesteld. O.a. werd
gevraagd in hoeverre het gewenst zou zijn regels voor reclame voor
bestrijdingsmiddelen op te stellen. Uit het antwoord van de minister bleek
dat de overheid het opstellen van een dergelijke regeling aan het
bedrijfsleven wil overlaten.....
In
april 1985 velde de Reclame Code Commissie opnieuw een oordeel over door
de Stichting Natuurverrijking ingediende klachten. Nu over reclame van
ICI voor Paraquat. Op alle meer dan 20 punten werd de
"informatie" die ICI verstrekte als misleidend en/of onjuist
beoordeeld. Informatie hierover is te lezen in Bestrijden deel 4 "Paraquat
Info".
De
afgelopen 10 jaar werden door de Stichting Natuurverrijking bij de
Reclame Code Commissie vele klachten over misleidende reclame voor
bestrijdingsmiddelen ingediend en op zeer veel punten gewonnen. Diverse
klachten betroffen echter landbouwmiddelen en gif voor
"huishoudelijk" gebruik. In dit kader zijn de klachten over
reclame voor het middel "Finale" (glufosinaatammonium)
van Hoechst vermeldenswaard, die in 1990 in samenwerking met de Vereniging
Milieudefensie werden ingediend.
De
Reclame Code Commissie achtte een brochure onvolledig en daardoor
misleidend, omdat van het bestaan van "bijzondere gevaren" en
"veiligheidsaanbevelingen" melding had moeten worden gemaakt
(dossier 4609). Misleidend achtte de Commissie de volgende vermeldingen in
de reclame voor Finale:
- weinig risico voor mens en milieu,
- dat Finale beschouwd kan worden als een product met een grote
mate van veiligheid ten aanzien van de gezondheid van de mens,
- Glufosinaatammonium wordt volledig in de grond afgebroken tot
koolzuur, water en andere van nature voorkomende stoffen.
Helaas
leiden beslissingen van de Reclame Code Commissie zeker niet altijd tot
belangrijke verbeteringen van de gifreclame. Dit wordt geïllustreerd met
reclame voor "Roundup". In 1990 werden door de Stichting
Natuurverrijking opnieuw klachten ingediend tegen reclame voor Roundup dat
nu door Monsanto op de markt wordt gebracht. Bezwaar werd gemaakt tegen de
slogan "Care for the environment" en een groen vignet met een
vogel en de tekst waarin o.m. gesproken werd over de "zeer gewaardeerde
ecologische eigenschappen" en de "biologische afbreekbaarheid"
van Roundup. De Reclame Code Commissie achtte de reclame opnieuw
misleidend en maakte haar oordeel nu openbaar, omdat de Commissie in 1983
ook al, naar aanleiding van een klacht tegen reclame voor Roundup, had
aanbevolen voortaan niet meer te adverteren in strijd met de Nederlandse
Code voor het Reclamewezen.
Monsanto
ging tegen de uitspraak in beroep, maar het College van Beroep
bevestigde de uitspraak van de Reclame Code Commissie. Ook deze
uitspraak leidde echter niet tot belangrijke verbeteringen in de reclame
voor Roundup. Nog in 1991 werden opnieuw klachten ingediend, nu in
samenwerking met de Stichting Natuur en Milieu. Hieronder volgen
enkele citaten uit het oordeel van de Commissie dossier DM 91.7127 en
dossier 91.7157:
-De tekst "maar wie de natuur als grondstof
beschouwt, is ook begaan met het milieu" in samenhang met
"Rendement en ecologie gaan hand in hand" doet de reclame-uiting
misleidend zijn. Daarmee wordt immers ten onrechte gesuggereerd dat
Roundup en het milieu elkaar wederzijds gunstig beïnvloeden, terwijl het
daarentegen vaststaat dat Roundup een giftig chemisch middel is dat
organismen bestrijdt c.q. doodt.
-De Commissie acht de reclame-uiting onvolledig, omdat de
verpakking van Roundup is afgebeeld zonder dat daarop het wettelijk
voorgeschreven gevaarsymbool of andere veiligheidsvermeldingen
zichtbaar zijn.
-De kop "Roundup en de ecologie" in combinatie
met de daarop volgende tekst suggereert een positieve invloed van Roundup
op flora, fauna en leefomgeving van de mens en wekt ten onrechte de indruk
dat Roundup geen enkele schade toebrengt aan het milieu, terwijl vaststaat
dat het een giftig chemisch middel is, dat organismen bestrijdt c.q.
doodt. De reclame-uiting is op dit onderdeel misleidend.
-Het is misleidend Roundup in deze context (Roundup en
de ecologie) als "uiterst doeltreffend" aan te bevelen, omdat
ten onrechte gesuggereerd wordt dat Roundup geen schadelijke gevolgen
heeft voor het milieu.
-Ook de claim "snelle en volledige afbraak tot natuurlijke
elementen en niet persistent" acht de Commissie te vergaand en
misleidend, omdat als onvoldoende weersproken vaststaat dat na gebruik
van Roundup giftige residuen in de bodem achterblijven."
De
dossiers m.b.t. reclame voor Roundup bevatten inmiddels vele honderden
pagina's. In vijf uitspraken van de Reclame Code Commissie wordt nu al
aanbevolen voortaan niet meer op een dergelijke wijze voor Roundup reclame
te maken.
Veel
verbeteringen hebben deze uitspraken niet opgeleverd. Wel wordt steeds
duidelijker dat het van groot belang is dat er regels voor gifreclame
moeten komen, met strafmaatregelen als deze regels worden overtreden.
Door
misleidende reclame wordt nonchalant, onvoorzichtig en onnodig gebruik
van bestrijdingsmiddelen in de hand gewerkt. Bestrijdingsmiddelen worden
slechts zo beperkt en bewust mogelijk gebruikt, als men de bezwaren en
risico’s kent, die aan het gebruik van deze middelen verbonden zijn.
Zolang
er geen regels m.b.t. gifreclame zijn zal ieder erop bedacht moeten zijn
dat door fabrikanten verstrekte gegevens volkomen onjuist en/of misleidend
zijn.
VOORLICHTING
Niet
alleen reclame heeft invloed op de meningsvorming m.b.t. de
risico’s van bestrijdingsmiddelen en de beslissing wel of geen gebruik
van deze stoffen te maken. Ook de voorlichting die door
overheidsinstanties gegeven wordt speelt een grote rol. Dit blijkt uit
veel van de reacties, die de Stichting Natuurverrijking de afgelopen tien
jaar ontving, naar aanleiding van de informatie die in 1983, 1985, 1988,
1990 en 1992 naar alle Nederlandse Gemeenten werd verzonden.
In
gemeenten waar nog gespoten wordt blijkt de informatie die door de
Plantenziektenkundige Dienst en de Consulentschappen, zowel gevraagd als
ongevraagd aan gemeenten wordt verstrekt, een voorname rol te spelen. Ter
illustratie enkele citaten:
Een
directeur van Publieke Werken schrijft:
"Informatie
over het gebruik en de werking van bestrijdingsmiddelen worden door mijn
bedrijf uitsluitend ingewonnen bij de Plantenziektenkundige Dienst in
Wageningen en bij het Rijkstuinbouwconsulentschap te Tilburg. Op de
bijlagen zijn door mijn Bedrijf verwerkte bestrijdingsmiddelen vermeld
met aanvullende gegevens over eventuele giftigheid en gebruiksmogelijkheden."
In
deze bijlagen worden alle in deze gemeente gebruikte herbiciden,
insecticiden en fungiciden "niet giftig" en "ongevaarlijk"
genoemd. (In Denemarken kan het "niet giftig" noemen van een
bestrijdingsmiddel bestraft worden met een gevangenisstraf van max. 1
jaar.)
Burgemeester
en Wethouders van een andere gemeente schrijven:
"Het
wel of niet gebruiken van bestrijdingsmiddelen in deze gemeente is in deze
vergadering niet ter discussie geweest i.v.m. het feit dat er in deze
gemeente alléén bestrijdingsmiddelen worden gebruikt zoals door de
Plantenziektenkundige Dienst en het Ministerie van Landbouw en Visserij
worden voorgeschreven."
Uit
veel meer reacties van gemeentebesturen blijkt ook in de negentiger jaren
de grote invloed van de voorlichting van de Plantenziektenkundige Dienst
en de Consulentschappen.
De
Stichting Natuurverrijking vindt het heel begrijpelijk dat
gemeentebestuurders uitgaan van de juistheid van deze voorlichting. De
Stichting Natuurverrijking heeft de informatie die door deze diensten
wordt verstrekt uitgebreid bestudeerd. Ondanks het feit dat medewerkers
van zowel Plantenziektenkundige Dienst als Consulentschappen zeker
niet tot de voorstanders van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in
openbaar groen gerekend willen worden, is de voorlichting die over
bestrijdingsmiddelen wordt verstrekt op veel punten misleidend en/of
onjuist.
Een
uitgangspunt van deze informatie is dat bestrijdingsmiddelen alleen
worden toegelaten als vaststaat dat bij voorgeschreven gebruik geen
schadelijke nevenwerkingen zullen optreden. Bij de informatie over
giftigheid staat de LD-50 waarde centraal. Zoals reeds vermeld zegt deze
waarde echter alleen iets over het sterven van 50% van de proefdieren bij
orale toediening van een hoeveelheid van een bepaald bestrijdingsmiddel.
Proefdieren met ernstige afwijkingen, die tijdens de proef nog juist in
leven zijn gebleven hebben geen enkele invloed op de hoogte van de LD-50
waarde. Vrijwel geen aandacht wordt besteed aan de giftigheid op langere
termijn, de chronische toxiciteit. Soms wordt de LD-50 waarde van
een bestrijdingsmiddel zelfs vergeleken met die van een stof die normaal
in ons voedsel voorkomt.
Over
simazin wordt geschreven:
"De
LD-50 acuut oraal voor ratten bedraagt 5000 mg/kg (keukenzout: 2500
mg/kg)."
Hiermee
wordt de suggestie gewekt dat simazin minder schadelijk dan keukenzout
zou zijn. Keukenzout komt echter normaal in ons voedsel voor, terwijl
bijvoorbeeld uit NEL- en ADI-waarden (zie hoofdstuk 1) blijkt dat uiterst
kleine hoeveelheden van elk bestrijdingsmiddel onze gezondheid
kunnen schaden.
In
"Chemische bestrijdingsmiddelen in het openbaar groen", een
uitgave van de Plantenziektenkundige Dienst, die aan alle gemeenten werd
toegezonden, wordt er nadrukkelijk op gewezen, dat "voor openbaar
groen alleen middelen zijn toegelaten die geen gevaar voor het publiek
kunnen opleveren." Bij
blootstelling aan de spuitoplossing zou de kans dat men een schadelijke
hoeveelheid opneemt te verwaarlozen zijn. Hierbij baseert de
Plantenziektenkundige Dienst zich kennelijk weer op de LD-50 waarden, want
niet alleen in de praktijk blijkt herhaaldelijk het tegendeel, ook een
vergelijking met de waarden uit de Residubeschikking of met de
ADI-waarden zou tot een geheel andere conclusie moeten leiden:
Zo
bevat bijvoorbeeld eén gram van een 1% amitrol-spuitoplossing
10 mg amitrol. De door de Wereldgezondheidsorganisatie vastgestelde
ADI-waarde van amitrol is 0,00003 mg per kilo lichaamsgewicht. Een gram
amitrol-spuitoplossing bevat 333.333 x de ADI of anders gezegd een gram
1% amitrol-spuitoplossing bevat voldoende gif om meer dan 10.000 kinderen
die 33 kilo wegen met de uit oogpunt van volksgezondheid maximale hoeveelheid
te belasten.
Op
de verpakking van amitrol bevattende middelen staat in Nederland geen
gevaarsymbool. Dit voorbeeld maakt dan ook duidelijk dat het onzin is te
stellen dat middelen zonder gevaarsymbool "weinig giftig zijn en
ook overigens geen gevaar opleveren", zoals in publicaties van de
Plantenziektenkundige Dienst wel gesteld wordt. Overigens is bijvoorbeeld
in Denemarken en de VS het doodshoofdsymbool op amitrol bevattende
middelen verplicht, terwijl tevens voor het gevaar van kanker gewaarschuwd
moet worden. In een aantal landen is amitrol i.v.m. kankerverwekkende
eigenschappen in het geheel niet toegelaten.
SPUITCURSUS
De
vele honderden medewerkers van gemeentelijke diensten die een spuitcursus
volgden van de CAD Gewasbescherming, Wageningen, hebben veel geleerd
waardoor wettelijke bepalingen m.b.t. het gebruik van
bestrijdingsmiddelen niet stipt opgevolgd worden. In het
dictaat van de cursus "Onkruidbestrijding Stedelijk
Groen", vijfde druk, wordt bijvoorbeeld de volgende informatie
over de giftigheid van Roundup (glyfosaat) gegeven:
"Giftigheid
De
giftigheid van glyfosaat is gering, de LD50 acuut oraal rat bedraagt 4320
mg/kg. Roundup wordt niet via de huid opgenomen en werkt ook niet
irriterend op de huid. Bij contact met de ogen van het onverdunde middel
kan lichte irritatie optreden. Roundup heeft geen gevarenteken op de
verpakking."
Alle
bestrijdingsmiddelen kunnen in meer of mindere mate via de huid worden
opgenomen. Dat dit zeker bij Roundup het geval is blijkt uit de volgende
vermelding op de verpakking onder "Veiligheidsaanbevelingen:
Vermijd contact van het middel met de huid".
Dat
het middel gevaarlijk is voor de ogen blijkt uit de volgende
vermeldingen onder "Veiligheidsaanbevelingen:
Een beschermingsmiddel voor de ogen dragen.
Na aanraking met de ogen onmiddellijk met overvloedig water
afspoelen."
Bovendien
moet letterlijk en zonder enige aanvulling op de verpakking worden
vermeld:
"Bijzondere
gevaren: irriterend voor de ogen."
Dat
Roundup geen gevarenteken op de verpakking heeft is, afgezien van de
relevantie van een dergelijke opmerking, onjuist. Op de verpakking moet
het gevaarsymbool ""Andreaskruis" zijn aangebracht, met
als onderschrift "Irriterend".
Ook
de informatie die gegeven wordt over het gedrag van bestrijdingsmiddelen
in de grond is op veel punten onjuist. Om bij glyfosaat te blijven: dit
middel zou volgens het dictaat van de spuitcursus in de grond vrij snel
afgebroken worden tot water (H2O) en koolzuurgas (CO2). Men behoeft niet
veel kennis van scheikunde te hebben om te begrijpen dat dit onvolledig
is, aangezien uit de structuurformule van glyfosaat blijkt dat dit middel
ook N (stikstof) en P (fosfor) bevat.
Zoals
reeds eerder is vermeld, kunnen in de bodem de volgende metabolieten van
glyfosaat ontstaan: N-nitrosoglyfosaat en aminomethyl-fosfonzuur.
Bovendien is het de overheid bekend dat glyfosaat 1 tot 3%
"onzuiverheden" bevat, waaronder de kankerverwekkende stof 1,4
dioxaan.
Bovendien
zou volgens het cursusdictaat opname van glyfosaat vanuit de grond niet
mogelijk zijn. Uit gegevens van het Deense Ministerie van Landbouw blijkt
echter dat veel soorten bomen en struiken gevoelig tot zeer gevoelig zijn
voor Roundup. Daarom wordt het spuiten van Roundup ontraden onder o.a.
diverse soorten naaldbomen, berken, els, iep, lijsterbes, sering en
meidoorn.
De
bewering dat bepaalde overheidsinstellingen misleidende en onjuiste
informatie over bestrijdingsmiddelen verstrekken is een ernstige
beschuldiging, maar aangezien de ernstige consequenties die een dergelijke
voorlichting heeft of kan hebben voor gezondheid, natuur en milieu
menen wij dat e.e.a. niet onvermeld mocht blijven.
Bij
de toelating van bestrijdingsmiddelen adviseert de Plantenziektenkundige
Dienst voornamelijk m.b.t. de deugdelijkheid van een middel.
Voorlichting die deze Dienst geeft zou zich moeten beperken tot het geven
van voorlichting over plantenziekten. M.b.t. de risico’s en
neveneffecten die aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen verbonden zijn
adviseren wij gemeentebesturen zich te laten informeren door instanties
die zich juist daarmee bezig houden, zoals het Ministerie van Milieubeheer
(VROM), de Regionale Inspecties van de Volksgezondheid voor de Hygiëne
van het Milieu of Milieuorganisaties. De Stichting Natuurverrijking
baseert haar informatie over milieueffecten van bestrijdingsmiddelen voor
een belangrijk deel op gegevens van het Ministerie
VROM.
Minister
Nijpels vertelt
In
1988 hield Minister Nijpels van het Ministerie van Milieubeheer (VROM)
een toespraak, waarin hij duidelijk maakt dat veel toegelaten
bestrijdingsmiddelen het milieu zeer ernstig schaden. Daarmee erkent de
minister dat er bij de toelating van bestrijdingsmiddelen in het verleden
geen rekening gehouden is met het milieu. De toespraak van Minister
Nijpels levert een belangrijke bijdrage om de misverstanden of fabels
over bestrijdingsmiddelen uit de wereld te helpen. De Stichting
Natuurverrijking heeft de volledige tekst uitgebracht als deel 9 in de
serie "Bestrijden": "Milieuminister Nijpels
vertelt".
Omdat
de toespraak diverse aanbevelingen bevat die voor het gemeentelijk beleid
van belang zijn werd "Milieuminister Nijpels vertelt" in maart
1988 naar alle Nederlandse Gemeenten gezonden.
Meerjarenplan
Gewasbescherming
Inmiddels
is in 1991 het Meerjarenplan Gewasbescherming (MJPG)- Regeringsbeslissing,
verschenen. In deze regeringsbeslissing wordt een verbod
aangekondigd van 142 toegelaten bestrijdingsmiddelen, omdat de
milieueffecten van deze middelen onaanvaardbaar schadelijk zijn. In
feite wordt daarmee erkent dat deze stoffen nimmer toegelaten hadden mogen
worden.
De
informatie in het MJPG toont ondubbelzinnig en onmiskenbaar de
onjuistheid aan van een groot deel van de bestrijdingsmiddeleninformatie
die vele honderden medewerkers van gemeentelijke diensten ontvingen
tijdens spuitcursussen van de CAD Gewasbescherming, Wageningen. Ter
illustratie volgen hieronder nog enkele van de vele voorbeelden:
Amitrol:
citaat uit het cursusdictaat "Onkruidbestrijding Stedelijk
Groen":
"In
de grond wordt amitrol snel geabsorbeerd en het wordt in enkele weken
volledig afgebroken.....is de kans op uitspoeling gering."
MJPG:
Amitrol staat op de lijst van met voorrang te saneren
bestrijdingsmiddelen, gemeten in een concentratie hoger dan 0,1 mg/liter
in het grondwater.
Dalapon:
citaat cursusdictaat:
"Het
middel wordt in de grond volledig afgebroken tot koolzuurgas en andere
natuurlijke stoffen."
MJPG:
Dalapon staat op de lijst stoffen die de grens van 10 mg/liter
overschrijden. Deze stoffen zullen met voorrang worden gesaneerd.
Dichlobenil:
citaat cursusdictaat:
"Door
de lage oplosbaarheid en de sterke binding blijft de stof in de bovenste
grondlaag achter, zodat ze niet in het grondwater kan komen."
MJPG:
Dichlobenil staat op de lijst stoffen die de grens van 10 mg/liter
overschrijden. Deze stoffen zullen met voorrang worden gesaneerd. Dat
dichlobenil in de bovenste grondlaag achter blijft, zoals ook het dictaat
vermeldt is eveneens volgens het MJPG juist: daarom staat dichlobenil op
de lijst van stoffen die met voorrang gesaneerd zullen worden op grond van
persistentie in de bodem.
Medewerkers
van Plantenziektenkundige Dienst, Consulentschappen e.d. zullen in de
negentiger jaren hun informatie over de effecten van bestrijdingsmiddelen
drastisch moeten aanpassen als zij hun geloofwaardigheid niet geheel
willen verliezen. Het vertrouwen in de autoriteit en de deskundigheid
van medewerkers van dergelijke diensten is echter groot; in het vakblad
"Tuin en Landschap" 5, 1991, verscheen een artikel van een
medewerker van "de Dorschkamp" waarin het middel "Corsage"
o.a. een "goed alternatief" en "geschikte vervanger"
voor simazinhoudende middelen wordt genoemd. Dit terwijl
"Corsage" een middel is dat dichlobenil en diuron bevat, stoffen
die beide in het toen verschenen MJPG al genoemd werden in de lijst met in
principe te saneren bestrijdingsmiddelen. Dichlobenil wordt zelfs
vermeld in twee lijsten van met voorrang te saneren bestrijdingsmiddelen.
Het
is de Stichting Natuurverrijking helaas gebleken dat een aantal gemeenten
op grond van een dergelijk misleidend artikel uit milieuoverwegingen
beslisten het "nieuwe" middel "Corsage" toe te
passen.
TOEKOMSTVERWACHTING
Het
voorgaande heeft duidelijk gemaakt dat als gevolg van openheid vanuit het
Ministerie VROM de milieurisico’s van bestrijdingsmiddelen meer aandacht
krijgen en ook meer bekend worden. Bij de toelating van
bestrijdingsmiddelen zijn echter nog drie ministeries betrokken:
Volksgezondheid (WVC), Sociale Zaken (SZW) en Landbouw (LNV).
Vanuit
deze ministeries wordt nog maar al te vaak de schijn opgehouden dat
toegelaten bestrijdingsmiddelen "veilig" zijn als de voorschriften
worden opgevolgd. Vanuit het Ministerie van Landbouw wordt telkenmale
getracht toepassingen en middelen van verbod uit te zonderen.
In
het MJPG ontbreken saneringslijsten i.v.m. o.a. kankerverwekkende,
mutagene eigenschappen van bestrijdingsmiddelen en luchtemissie. De
niet-actieve bestanddelen van bestrijdingsmiddelen krijgen vrijwel geen
aandacht. Vanuit het Ministerie van Volksgezondheid wordt de in het
MJPG aangekondigde openbaarheid van humane toxiciteitgegevens zelfs
tegengewerkt.
Maatregelen
om de in voedsel toegestane gehalten van bestrijdingsmiddelen te
verlagen worden niet aangekondigd, waardoor ook volgende generaties via
voedsel met grote hoeveelheden bestrijdingsmiddelen belast zullen worden.
Vanuit
het ministerie van Volksgezondheid volhardt men in het standpunt dat ons
voedsel veilig en betrouwbaar is en dat toegestane residuen van
bestrijdingsmiddelen in voedsel zo laag zijn, dat ADI-waarden niet kunnen
worden overschreden. Dit terwijl ieder die kan rekenen gemakkelijk kan
vaststellen dat toegestane hoeveelheden gif in voedsel extreem hoog zijn
in vergelijking met uit oogpunt van volksgezondheid vastgestelde
ADI-waarden.
-
Zie voorbeeldberekeningen in deel 14 van "Bestrijden",
"Giffraude" en in "Bestrijdingsmiddelen Wijzer",
beide uitgaven van de Stichting Natuurverrijking.
Helaas
worden in het MJPG geen maatregelen aangekondigd om misleidende
voorlichting over bestrijdingsmiddelen in de toekomst te voorkomen. Als de
in het MJPG aangekondigde sanering van bestrijdingsmiddelen gerealiseerd
is, is zelfs te verwachten dat "voorlichters" opnieuw zullen
beweren dat toegelaten bestrijdingsmiddelen "veilig" of zelfs
"milieuvriendelijk" zijn. Doelstelling van het MJPG is immers
het realiseren van een "veilige, concurrerende en duurzame
landbouw."
OPMARS
NATUURRIJK BEHEER
De
Stichting Natuurverrijking is verheugd te constateren dat de opmars van
gifvrij-beheer, ondanks misleidende reclame en misleidende voorlichting,
niet meer te stuiten is. Vanuit vele kanten worden gemeenten overspoeld
met informatie die ertoe aanzet om het gifgebruik te beëindigen en groen
en bestrating gifvrij, ecologisch, natuurlijk of natuurrijk te beheren.
Bij deze positieve informatiestroom spelen ook de in dit hoofdstuk
genoemde diensten en tijdschriften een steeds grotere rol. Vanuit o.a. het
Ministerie van Landbouw, Adviesgroep Vegetatiebeheer, Consulentschappen,
Instituut voor Bos en Natuuronderzoek (IBN-DLO), Vereniging van
Nederlandse Gemeenten en vakbladen zoals "Tuin en Landschap"
verschijnen steeds meer artikelen en uitgaven die ertoe aanzetten over te
schakelen op gifvrij-beheer.
Het
zou voor de mensen in de praktijk veel duidelijker zijn als deze
instellingen in de toekomst het chemisch groenbeheer volledig afwijzen,
zoals het Ministerie van VROM.
Mede
naar aanleiding van een interview met de voorzitter van de Stichting
Natuurverrijking worden in het blad "Moestuin" sinds 1990
alleen nog milieuvriendelijke adviezen gegeven en worden geen
gifadvertenties meer opgenomen. Een blad als "Tuin en Landschap"
zou veel aan geloofwaardigheid winnen voor lezers en adverteerders van
milieuvriendelijke producten, als de redactie in navolging van
"Moestuin" eveneens zou besluiten niet meer medeafhankelijk te
willen zijn van chemische concerns door gifadvertenties te weigeren en
alleen milieuvriendelijke adviezen op te nemen.
8.
ENKELE FINANCIËLE EN BESTUURLIJKE ASPECTEN
ZO
BEPERKT MOGELIJK GEBRUIK
Uit
reacties die de Stichting Natuurverrijking ontvangt blijkt dat er nog
steeds gemeentebesturen zijn die het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet
ter discussie willen stellen. Als argumenten worden dan o.m. aangevoerd:
"Bestrijdingsmiddelen worden reeds zo beperkt mogelijk
gebruikt", "Bestrijdingsmiddelen worden binnen de gemeente
slechts selectief gebruikt."
Dergelijke
opmerkingen zijn echter nietszeggend. Geen enkele gifgebruiker zal
immers erkennen meer gif te gebruiken dan beslist noodzakelijk is.
Gemeenten waar men zegt bestrijdingsmiddelen zo beperkt mogelijk te
gebruiken, spuiten en strooien in de praktijk veelal grote hoeveelheden
gif. Meestal worden dan groen en bestrating nog traditioneel -intensief-
beheerd. Een (te) intensief groenbeheer schaadt niet alleen gezondheid,
natuur en milieu, maar is ook volgens het Natuurbeleidsplan (blz. 59)
een van de belangrijkste knelpunten voor de natuurwaarden in en rond
de bebouwde kom.
Bij
bestrating is door bezuiniging soms sprake van achterstallig
beheer/onderhoud. Als dan de kruiden verder uitgroeien wordt daardoor
soms bewust chemische bestrijding uitgelokt.
Indien
werkelijk zo beperkt mogelijk bestrijdingsmiddelen gebruikt worden,
worden géén bestrijdingsmiddelen gebruikt, zoals de inmiddels meer
dan 100 gemeenten en provincies op de Groene Lijst van de
Stichting Natuurverrijking (Bijlage 1) in de praktijk aantonen.
FINANCIELE
ASPEKTEN
Wanneer
gemeentebesturen overwegen het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen
te stoppen zullen de mensen van plantsoenen- en groendiensten vaak
stellen dit alleen te kunnen, als ze meer personeel in dienst mogen
nemen, dus meer geld krijgen.
Als
men dezelfde eisen blijft stellen aan het uiterlijk van plantsoenen en
bestratingen, is deze eis niet onterecht. Veel van de hiervoor genoemde
bezwaren, o.a. betreffende natuurverarming en onderwijskundige bezwaren
blijven dan echter geheel of gedeeltelijk bestaan.
Er
moeten volgens de Stichting Natuurverrijking meer wilde planten in de
gemeenten gewenst worden. Deze planten schaden het milieu en de aanwezige
bomen en struiken in de regel niet; als men deze planten dan toch wil
bestrijden is dit een luxe. Het is immers alleen nodig vanuit een
achterhaald schoonheids- of netheidsideaal. Het is toch zeker een luxe als
je bepaalde handelingen doet, kosten maakt,
alleen omdat men in feite vindt dat het zo hoort en zo netjes is?
Er
worden wel kostenvergelijkingen van beheer met en zonder
bestrijdingsmiddelen gemaakt. Diverse kostenbegrotingen vanuit
gemeenten waar men ervaring heeft met groenbeheer zonder bestrijdingsmiddelen,
zoals Huizen, Sneek en Lelystad tonen aan dat groenbeheer zonder
bestrijdingsmiddelen zeker niet duurder hoeft te zijn dan beheer met
chemische middelen. Er is dan wel een geheel andere aanpak vereist, een
aanpak waarbij "onkruid" niet slechts bestreden wordt, maar
waarbij de meeste soorten wilde planten op de bodem getolereerd en/of
gewenst worden. Door onnodige bestrijding na te laten kan bezuinigd
worden. Schoffelen zonder plantenkennis is kostbaar. Als laagblijvende
bodembedekkende kruiden verwijderd worden kan de vrijgekomen ruimte
immers ingenomen worden door hoger groeiende, woekerende kruiden. Dan
zal opnieuw ingegrepen moeten worden, dus opnieuw kosten moeten worden
gemaakt.
De
mensen, die plantsoenen chemisch beheren, zullen hun instelling moeten
veranderen. Men zal meer moeten leren van wilde planten en de
mogelijkheden om de groei ervan te beheersen, d.m.v. bodemgesteldheid,
licht en donker, vochtigheid van de bodem. Als de mensen in de betreffende
diensten echt welwillend zijn om het groen milieuvriendelijk te
beheren, lukt het ook met hetzelfde aantal personeelsleden. Eenvoudig zal
het voor een aantal mensen niet zijn, om de planten die ze lang als
"onkruid" beschouwd hebben, te leren waarderen als wilde,
misschien wel beschermde planten.
Ook
de houding ten opzichte van zgn. "ongedierte" zal bij sommigen
moeten veranderen. Bij het zien van een rupsje, slakje, spinnetje, enz.
zal men niet meteen moeten denken aan schade, maar aan de functie die het
diertje heeft, in het geheel van samenhang in de natuur. Ook in een
plantsoen kan een door de mens geleid "natuurlijk evenwicht"
ontstaan.
Helaas
zijn er nog steeds gemeenten waar men stelt dat groenbeheer met
bestrijdingsmiddelen veel goedkoper is dan niet-giftige methoden. Vaak
baseert men zich dan op kostenvergelijkingen van de Consulentschappen,
waarin inderdaad wel gesteld wordt dat chemische bestrijding tot zelfs
24x goedkoper zou zijn dan "alternatieve" methoden; met
"alternatieve" methoden wordt dan met name gedoeld op
schoffelen. Als hetzelfde traditionele uiterlijk wordt nagestreefd -
zwarte aarde, kale bodem - is schoffelen inderdaad veel duurder dan
gifgebruik. In het moderne groenbeheer worden kruiden echter niet meer
zonder meer bestreden, maar wordt het groen, de kruiden, beheerd! Hoewel
een dergelijke kostenvergelijking dus weinig realistisch is worden
milieuvriendelijke, natuurverrijkende ontwikkelingen er nog steeds
ernstig door belemmerd.
Het
valt op, dat in verschillende gemeenten, waar zonder, of vrijwel zonder
chemische bestrijdingsmiddelen gewerkt wordt, de aanzet hiertoe veelal
vanuit de beheerders van de plantsoenen zelf gekomen is, zoals
bijvoorbeeld in Lelystad, Drachten-Smallingerland en Zwolle.
In
Ouderkerk worden al sinds 1980 geen bestrijdingsmiddelen in de
plantsoenen gebruikt. Ook hier werd het initiatief niet genomen door het
gemeentebestuur, maar door het hoveniersbedrijf Ramler uit Boskoop. Als
bijzonderheid geldt hier, dat het onderhoudswerk aan dit bedrijf gegund
is, omdat het goedkoper werkt dan andere inschrijvende bedrijven.
Het
is natuurlijk het beste, indien afschaffing van het gebruik van chemische
bestrijdingsmiddelen, in overleg en overeenstemming gebeurt tussen
gemeentebestuur en de uitvoerders. Toch menen wij dat het initiatief ook
door het gemeentebestuur genomen moet kunnen worden. Dit bestuur draagt
immers ook de verantwoordelijkheid voor het te voeren beleid.
Een
voorbeeld van een raadsvoorstel waarin voorgesteld wordt
het gebruik van bestrijdingsmiddelen te beëindigen is, als Bijlage
2, opgenomen.
Veel
belangrijker dan het krijgen van meer personeelsleden, is de wil om aan
de slag te gaan zonder chemische bestrijdingsmiddelen, met een
nieuwe aanpak, gericht op natuurgeleiding en natuurverrijking.
MOTIVATIE
PERSONEEL
Voor
het welslagen van de omschakeling is het van het grootste belang dat het
personeel gemotiveerd is. Vanaf het begin moet daarom duidelijk zijn dat
het accepteren of liever waarderen van een groener uiterlijk van de
gemeente geen gevolg is van bezuinigingen, maar dat naast de post die
jaarlijks al op de begroting stond voor bestrijdingsmiddelen geld vrij
gemaakt wordt om het personeel te motiveren en vooral ook om aan een
aantal wensen van het personeel tegemoet te kunnen komen. Daarbij kan
worden gedacht aan:
-voorlichtingsbijeenkomsten over bezwaren van gif en mogelijkheden
van natuurrijk beheer,
-excursies naar enkele "Groene Gemeenten" (zie Bijlage
1), die een natuurrijk beheer voeren. Opgemerkt wordt dat een bezoek
wordt afgeraden aan gemeenten die weliswaar het gifgebruik afschaften,
maar krampachtig trachten het traditionele uiterlijk te handhaven.
-bezoeken heemtuinen,
-aanschaf literatuur,
-bevorderen volgen van cursussen,
-aanschaf interessante wilde planten, bollen en zaden
-inhuren van een kruidenspecialist voor bijvoorbeeld een jaar,
-investering in kostbare, arbeidsbesparende apparatuur
(zie hoofdstuk 10).
Plantenkennis
is niet alleen noodzakelijk om vast te stellen welke soorten wilde planten
op bepaalde plaatsen als ongewenst worden beschouwd; kennis van wilde
planten zal zeker ook bijdragen tot meer tolerantie of liever waardering
van kruiden en bijbehorende dieren in het groen. Naast cursussen en
bestudering van plantengidsen is het vooral van groot belang in de
praktijk ervaring op te doen met de verschillende kruiden en hun
voorkeursgroeiomstandigheden.
Wanneer
werknemers van uitvoerende diensten het nieuwe beleid niet volledig
ondersteunen zal men klachten van bewoners of raadsleden over
"onkruid" maar al te graag aangrijpen om weer opnieuw te gaan
spuiten. Dit is helaas in een aantal gemeenten het geval geweest,
gemeenten waar men meestal vast hield aan de eisen die traditioneel aan
het beeld van plantsoenen en bestrating gesteld werden; gemeenten waar
weinig of niets gedaan werd aan het geven van voorlichting aan zowel
medewerkers van de gemeente als de bevolking.
VOORLICHTING
BEWONERS
Van
groot belang is het de redenen uiteen te zetten waarom gekozen is voor het
nieuwe beleid. Er zal dus aandacht besteed moeten worden aan de bezwaren
die aan bestrijdingsmiddelen verbonden zijn, evenals aan het feit, dat
de aanblik van de gemeente bewust groener, natuurrijker zal worden.
Artikelen
in gemeentebladen, regionale kranten e.d. moeten bewoners inlichten over
deze problematiek. In overleg met de Stichting Natuurverrijking kunnen
teksten en/of tekeningen uit diverse uitgaven van de Stichting worden
overgenomen. De Stichting is ook graag bereid mee te werken aan specifiek
voorlichtingsmateriaal, aangepast aan de situatie in een bepaalde
gemeente.
Plaatselijke
uitgaven dienen de aandacht te vestigen op wilde planten en dieren in de
bebouwde kom; wijs daarbij vooral op opvallende soorten die in een
bepaalde periode van het jaar op bepaalde plaatsen waar te nemen zijn.
Aan
natuurliefhebbers kan worden gevraagd een bijdrage te leveren. Er kunnen
inventarisaties gemaakt worden van de spontaan groeiende wilde planten
in de gemeente. Daarvan uitgaande kunnen lijsten worden gemaakt van
soorten, die in bepaalde plantsoenen als gewenst worden beschouwd en van
de soorten die minder gewenst zijn.
VOORBEELDFUNCTIE
Een
goed voorbeeld doet goed navolgen. Andere groenbeheerders in de gemeente
en particulieren kunnen worden gewezen op de wenselijkheid van het niet
langer toepassen van chemische middelen. Daarbij kan ook gedacht worden
aan de vele huis- en tuinmiddelen, zoals mierenlokdozen, insectenpennen,
vlooienbanden enz.
Alleen
een gemeente die zelf het goede voorbeeld geeft is geloofwaardig als
getracht wordt het milieubewustzijn van burgers en jongeren te vergroten.
ONDERSTEUNING
ONDERWIJS
Met
voor leerkrachten gemakkelijk inpasbare lesprogramma's kan het natuur- en
milieuonderwijs door het gemeentebestuur ondersteund worden.
Ter
ondersteuning van het onderwijs kan gedacht worden aan:
-
videobanden/diaseries met informatie over planten en dieren in het
openbaar groen,
-
wilde planten in potjes en/of takken met begeleidend materiaal,
lesbrieven e.d.,
-
organisatie kleur-, teken-, kruidenkweek-, fotowedstrijden met als
onderwerp bijvoorbeeld "natuur in de bebouwde kom",
-
tentoonstelling van bijdragen aan dergelijke wedstrijden.
Om
het milieubewustzijn van jongeren te vergroten ontwikkelde de Stichting
Natuurverrijking o.a. het "Fijne Wereldboek" met prenten en
gedichten, het "Bestrijdingsmiddelen Fabeltjesboek" met
tekeningen en verklarende tekst en de "Bestrijdingsmiddelenfabeltentoonstelling"
met 17 posters.
Diverse
gemeenten in ons land hebben reeds een schoolbioloog in dienst. Wellicht
kunnen kleinere gemeenten gezamenlijk een dergelijke deskundige
aanstellen, die de gemeenten moet kunnen adviseren betreffende natuurgeleiding
en -verrijking en tevens voorlichting aan bevolking en scholen moet kunnen
geven d.m.v. te maken boekwerkjes en/of lesbrieven betreffende natuur- en
milieueducatie.
Betreffende
e.e.a. kan contact opgenomen worden met de Consulent voor Natuur- en
Milieueducatie, die in elke provincie is aangesteld, met het Instituut
voor Natuurbeschermingseducatie (IVN) te Amsterdam of met de
Stichting Natuurverrijking.
Indien
ondanks de voorlichting aan de bewoners en ondersteuning van het onderwijs
(waardoor ook ouders bereikt worden) over "onkruid" geklaagd
wordt, dient aan "klagers" een informatiepakket over de bezwaren
van bestrijdingsmiddelen en de voordelen van het natuurrijke beheer te
worden toegezonden. Daarbij zou gevraagd kunnen worden actief deel te
nemen in bewonersgroepen.
MEDEWERKING
BEWONERS
Het
gemeentebestuur is verantwoordelijk voor het te voeren beleid en de
uitvoering ervan. De uitvoering mag niet volledig gebaseerd
worden op hulp van de bewoners.
Uiteraard
kunnen bewoners wel geactiveerd worden mee te helpen, bijvoorbeeld door
trottoir en goot voor de eigen woning "schoon" te houden. De
gemeente kan ook bijeenkomsten organiseren om groepen van bewoners te
betrekken bij aanleg en onderhoud van plantsoenen, speelweiden,
fruittuinen, bloembakken, geveltuinen, boomspiegels e.d. Als bewoners
vanaf de planning bij de aanleg van nieuwe voorzieningen worden betrokken
is dat motiverend om mee te helpen bij aanleg en onderhoud.
Voor
hulp bij onderhoud van plantsoenen moet men geïnstrueerd worden over de
soorten planten die wel of juist niet gewenst zijn. Hiervoor kunnen
bijeenkomsten worden belegd of er kan gewerkt worden in kleine groepjes
onder leiding van een "plantenkenner".
Plekken
met ongewenste, woekerende kruiden kunnen worden "schoon"
gemaakt en ingeplant met gewenste soorten of ingezaaid met in de omgeving
ingezamelde zaden, die voor de betreffende plaats geschikt zijn.
In
verschillende gemeenten, waaronder Zwolle, heeft men veel positieve
ervaring opgedaan met bewonersparticipatie.
We
hopen in dit hoofdstuk duidelijk gemaakt te hebben, dat ook extra geld
goed en nuttig te besteden is, maar zeker niet in de eerste plaats voor
meer uitvoerend personeel om weer het "onkruid" te lijf te gaan.
Zo er personeel aangenomen wordt, dan wel mensen met kennis en ervaring of
in elk geval interesse, m.b.t. groenbeheer zonder bestrijdingsmiddelen.
9.
NATUURRIJK GROENBEHEER
Indien
men door te schoffelen of andere vormen van mechanische
"onkruid"-bestrijding, dezelfde resultaten wil bereiken, als
met het gebruik van bestrijdingsmiddelen gebruikelijk was, zal dit op
een mislukking uitlopen. Telkens zullen de dan ongewenste planten weer
opgroeien. De "strijd", die men op deze wijze met de planten
voert is gedoemd te mislukken. Er wordt geen min of meer blijvend
resultaat bereikt. Een meer blijvend resultaat kan alleen worden bereikt,
indien in de plantsoenen een onderbegroeiing van planten wordt
toegestaan en ervan wordt uitgegaan, dat deze planten met de bomen en
struiken en dieren een eenheid vormen. Dit wil niet zeggen, dat alle
planten altijd maar overal zouden mogen groeien. Netheid behoort een
onderdeel van het beheer te zijn, maar niet het hoofddoel.
KRUIDEN
GELEIDEN
In
plaats van "onkruid" te bestrijden, kan men ook de wilde planten
geleiden, door beïnvloeding van de groeiomstandigheden, die voor
vrijwel elke plantensoort verschillend zijn. Gepoogd zou moeten worden om
een gewenste vegetatie te verkrijgen en in stand te houden, door beïnvloeding
van o.m. hoeveelheid licht en de structuur, vruchtbaarheid en vochtigheid
van de bodem. Voor wel gewenste soorten zullen gunstige omstandigheden
gecreëerd moeten worden, waardoor minder gewenste soorten weinig of
geen groeikansen krijgen.
Van
groot belang is, dat men kennis heeft van de optimale groeiomstandigheden
van de verschillende soorten, de concurrentiepositie of tolerantie die
planten ten opzichte van elkaar hebben en de effecten die boom- en
plantengroei op de bodem kunnen hebben. Zo zal men bijvoorbeeld bij elzen
in de regel brandnetels mogen verwachten. Elzen vormen namelijk stikstof
in de bodem en de brandnetels groeien, als er voldoende licht is, juist op
plaatsen met veel stikstof. Aangezien brandnetelbladeren een onmisbare
voedselbron vormen voor de rupsen van prachtige vlinders als dagpauwoog,
atalanta en kleine vos en bovendien veel vogelsoorten schuil- en
nestgelegenheid vinden tussen brandnetels, menen wij dat deze planten meer
waardering verdienen, dan ze over het algemeen krijgen.
Genoemde
kennis, die de beheerders van het groen dienen te bezitten, kan men voor
een deel uit boeken leren en door te leren van ervaring, opgedaan in
gemeenten die zonder chemische middelen werken. Daarbij is het vooral
van belang zelf te experimenteren en praktijkervaring op te doen,
betreffende de geschetste "kruidengeleiding".
In
het algemeen kan gesteld worden, dat planten het meest
"explosief" groeien op een lichte standplaats met daarbij een
voedselrijke bodem. Verschraling van de bodem, door vermenging
met zand of bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laag zand, zal de
groei van kruiden remmen en het onderhoud vergemakkelijken. Eventueel
ongewenste planten zijn gemakkelijker te verwijderen. Deze methode om de
kruidengroei te beheersen door bodemverschraling wordt nog slechts
weinig toegepast, maar is zeker aanbevelenswaardig. Indien men weinig
plantengroei wenst, kan deze methode bijvoorbeeld worden gecombineerd
met de aanplant van bladrijke struiken, om lichttoevoer tot de bodem te
beperken.
Het
is in de regel niet nodig en ons inziens ook ongewenst om in het geheel
geen kruidengroei toe te staan. Verschillende in dit boekje genoemde
bezwaren blijven dan gelden. Er zal dan immers vrijwel geen bodemleven
mogelijk zijn (zie o.m. educatieve aspecten en natuurverarming).
Dat
kruidengroei schadelijk zou zijn voor de beplanting is een veel voorkomend
misverstand. Dit geldt slechts in het jaar van aanplant, soms ook het
daaropvolgende jaar en vooral in verband met lichtconcurrentie.
Slechts
enkele soorten, zoals de Gelderse roos, zijn gevoelig voor wortelconcurrentie.
In een aan de bodemgesteldheid aangepaste aanplant behoeven alleen in
het eerste jaar rond de lagere boompjes kruiden verwijderd te worden om
deze boompjes snel te doen groeien. Daarna zullen beheersmaatregelen
voornamelijk kunnen bestaan uit uitdunnen en snoeien.
Woekerende
kruiden die ongewenst zijn, dient men het liefst in een zo vroeg
mogelijk stadium te herkennen. Er zouden lijsten gemaakt moeten worden van
ongewenste soorten in een bepaald plantsoen(gedeelte). Waar ongewenste
kruiden zijn verwijderd door schoffelen of uittrekken, kunnen uiteraard
afhankelijk van de groeiomstandigheden ter plaatse, soorten als
longkruid, dagkoekoeksbloem, gele dovenetel, judaspenning, stinkende
gouwe, lelietje van dalen enz., enz. worden gezaaid of geplant.
Uiteraard
kunnen ook lijsten worden gemaakt van de juist wel gewenste
kruidensoorten.
Indien
men om een bepaalde reden in het geheel geen kruidengroei wenst, kan
worden gewerkt met een laag schors, houtsnippers of afgemaaid gras. Men
dient wel te beseffen dat hierdoor voedingsstoffen in de bodem gebracht
worden, waardoor na een aantal jaren een explosieve kruidengroei kan
optreden.
In
Huizen is een schoffelmachine ontwikkeld, die in meerdere gemeenten
voldoet. Gereedschappen die ook goede diensten kunnen bewijzen zijn
bosmaaier, houtverhakselaar, frees en zeis.
VERRIJKING
VAN FLORA EN FAUNA
Enkele
punten c.q. tips waaruit de gemeentelijke zorg voor verrijking van flora
en fauna blijkt bij het beheer van het groen zijn:
-
acceptatie en waardering van kruidengroei op de bodem.
-
bij aanleg grondverzet om niveauverschillen aan te brengen, zodat
leefruimte geschapen wordt voor flora en fauna van zowel natte, vochtige
als droge milieus.
-
de grond van de bestaande natuurlijke bodem wordt zoveel mogelijk benut.
-
de aangevoerde grond is voedselarme grond; zwarte aarde wordt nimmer
opgebracht.
-
er wordt rekening mee gehouden dat voedingsstoffen in de bodem naar lager
gelegen gedeelten getransporteerd worden. Voedselarme grond wordt daarom
in de hoger gelegen gedeelten gesitueerd.
-
plantvlakken zijn zo groot en breed mogelijk. Aanleg van arbeidsintensieve
lange smalle groenstroken wordt vermeden.
-
spontaan opkomende bomen en struiken worden zoveel mogelijk
gehandhaafd en/of in het ontwerp opgenomen.
-
oude fundamenten, puin e.d. worden niet opgeruimd, maar zo veel mogelijk,
eventueel na (gedeeltelijke) afdekking met grond, gehandhaafd. Dit is niet
alleen kostenbesparend, maar hierdoor worden vele diersoorten leef-,
schuil- en overwinteringsmogelijkheden geboden.
-
bij het plannen van nieuwe plantsoenen zoveel mogelijk aansluiten
bij bestaand groen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, om groene linten
te vormen, zodat de natuur de gemeente kan doordringen.
-
bij locatiekeuze voor nieuwe groengebieden wordt zoveel mogelijk
aangesloten bij de nationale en provinciale ecologische
(hoofd)structuren, zoals aangegeven in het Natuurbeleidsplan en de
diverse Provinciale Natuurbeleidsplannen.
-
er wordt actief getracht gelden te verwerven, zoals door sponsoring, om
ter versterking van de ecologische structuur terreinen aan te kunnen
kopen waar extensief natuurrijk beheer kan worden toegepast.
-
waar mogelijk worden grotere groengebieden geschikt gemaakt voor
begrazing (info: Ecoplan, biologisch adviesbureau, zie adressen).
-
gras wordt waar mogelijk i.v.m. gebruiksfunctie extensief beheerd;
maximaal 2x per jaar gemaaid. Voor de fauna is het van belang dat niet te
laag en bij droog weer wordt gemaaid.
-
gemaaid gras wordt, nadat de bloemzaden kans gekregen hebben te vallen,
altijd afgevoerd. Dit bevordert verschraling waardoor grasvelden en
bermen bloemrijker worden.
-
"klepelen" en andere soorten van bemesting worden nimmer
toegepast.
-
zorg voor inzaai en/of aanplant interessante plantensoorten.
-
in centrumgebieden met een relatief hoge "netheidseis" ontstaan
bij gifvrij beheer vaak vrij saaie vakken met uitsluitend
bodembedekkende struiken. Een combinatie met hoog bloeiende kruiden, zoals
vingerhoedskruid en toortsen, geeft dan wat meer variatie.
-
aanplant van zeer gevarieerde soorten bomen en struiken op daartoe
geschikte plaatsen.
-
bij keuze assortiment rekening houden met vruchtenaanbod voor dieren
en eventueel mensen.
-
geen of weinig plantvakken met "sierrozen" en dergelijke. Liever
soorten als rosa rugosa en rosa canina (hondsroos). Deze soorten vragen
minder onderhoud en bieden schuil- en broedgelegenheid voor vogels.
Bovendien zijn de bottels eetbaar voor mens en dier.
-
zorg voor schuil- en broedgelegenheid voor vogels o.a. door aanplant van
ondoordringbare struiken.
-
in grotere plantsoenen eilandjes, waar planten en dieren zoveel mogelijk
met rust gelaten worden.
-
aanbrengen van diverse soorten nestkasten.
-
bij uitdunnen van bomen de zogenaamde "nestbomen" laten staan.
-
takken met vruchten pas na de winter snoeien, i.v.m. voedselaanbod.
-
gevallen blad blijft zoveel mogelijk liggen. Dit is niet alleen goedkoop,
maar de strooisellaag beschermt de bodem 's zomers tegen uitdroging en
hitte, terwijl het bladafval 's winters een isolerende deken vormt die van
belang is voor o.m. insecten, spinnen, kleine zoogdieren, amfibieën en
reptielen (info: Bomenstichting).
-
op een aantal plaatsen, in de bredere plantvakken, takken en
boomstronken laten liggen. Deze bieden leef- en schuilgelegenheid voor
veel dieren. Ook veel soorten paddestoelen krijgen de gelegenheid
zich te ontwikkelen.
-
wondafdekmiddelen worden niet gebruikt. Dit heeft bij gezonde bomen
helemaal geen enkele zin en werkt alleen maar kostenverhogend en
milieubelastend.
-
de boomspiegels zijn groen.
-
bevorderen van de aanleg van geveltuintjes.
-
bevorderen aanleg begroeide daken. In enkele Duitse steden is het
aanbrengen van begroeiing op platte daken verplicht.
-
er worden geen insecticiden gebruikt. In veruit de meeste gemeenten acht
men dit niet noodzakelijk.
-
groei van planten aan de waterkant, zoals gele lis, egelskop en lisdodde
wordt zoveel mogelijk bevordert.
-
oevers zijn milieuvriendelijk, licht glooiend met een zo natuurlijk
mogelijke overgang tussen water en land (info: "Milieuvriendelijke
oevers", Dienst Weg- en Waterbouwkunde).
-
verticale beschoeiingen tot boven het wateroppervlak worden nimmer
toegepast. Deze beschoeiingen zijn niet alleen zeer kostbaar, maar ook
zeer nadelig voor de ontwikkeling in flora en fauna.
-
waterkwaliteit wordt verbeterd door o.m.:
·
beperking
inlaat gebiedsvreemd water,
·
gebiedsvreemd
water wordt zoveel mogelijk slechts ingelaten via moerasgedeelten.
(Moerasplanten hebben een filterende, zuiverende werking, waardoor de waterkwaliteit
van het ingelaten water sterk verbetert.)
·
toestaan
bepaalde schommelingen in waterhoogten,
·
tegengaan
verbraseming.
-verduurzaamd
hout wordt niet gebruikt. Dit verontreinigt door uitloging het
oppervlaktewater. De toepassing van verduurzaamd hout wordt daarom door
steeds meer waterbeheerders aan een vergunning in het kader van de Wet
Verontreiniging Oppervlaktewateren gebonden. Het Hoogheemraadschap
Rijnland heeft het gebruik per 1 januari 1993 verboden.
SOORTENBELEID
Natuurrijk
Groenbeheer geeft flora en fauna in de woonomgeving meer
leefmogelijkheden, zodat vanzelfsprekend reeds een bijdrage geleverd wordt
aan het bevorderen in het voorkomen van plant- en diersoorten die
volgens het Natuurbeleidsplan zijn geselecteerd op grond van de criteria
(inter)nationaal belang, signaalfunctie en
herkenbaarheid/naamsbekendheid.
De
mogelijkheden het soortenbeleid actief te ondersteunen zijn mede
afhankelijk van het regionale voorkomen van de soorten die prioriteit
krijgen.
Enkele voorbeelden van soortgerichte maatregelen ter ondersteuning
van het in het Natuurbeleidsplan aangegeven soortenbeleid zijn:
-
zoogdieren: vleermuizen: plaatsen vleermuiskasten en aanleg en
inrichting van (onderaardse) verblijfplaatsen.
-
das: onderhoud burchten, aanleg dassentunnels (info: Vereniging Das en
Boom).
-
vogels: ganzen, zorg voor rust op winterlocaties, jachtverbod
(info: Kritisch Faunabeheer).
-
amfibieën: aanleg voortplantingspoelen voor kikkers, padden en
salamanders, zorg voor geschikt biotoop en zo veilig mogelijke trekroutes
van en naar de paaiplaatsen (info: RAVON).
Jaarlijks
zijn met name op betrekkelijk warme regenachtige avonden omstreeks begin
maart, vele tienduizenden padden, kikkers en salamanders slachtoffer van
het verkeer. Dit probleem wordt krijgt terecht steeds meer aandacht.
Overzetacties, aanleg amfibieëntunnels, plaatsing van waarschuwingsborden
en aangepast rijgedrag dragen ertoe bij dat het aantal slachtoffers zal
afnemen.
Onopvallend
en daardoor veel minder bekend is het feit dat veel putten amfibieënvallen
zijn. Tijdens de trek van en naar de voortplantingspoelen zijn stoepranden
barrières waar de dieren dicht langs lopen, totdat er een mogelijkheid
is om weer de juiste richting naar de poel te kiezen. Vaak is er langs de
stoeprand een put waar de dieren in vallen en daar ellendig omkomen.
Herkenning
en erkenning van dit pad-put-probleem is voor vele duizenden
amfibieën de eerste stap op weg naar redding.
Een schuine stoeprandband aan weerszijden van de put is een
mogelijke oplossing. In Duitsland is een trottoirband ontwikkeld met een
uitsparing, waardoor de dieren niet in de put vallen (info: Stichting
Natuurverrijking).
-
reptielen; ringslang, aanleg broedhopen voor eiafzet (info: RAVON).
-
dagvlinders: aanplant plantensoorten die voor vlinders en andere
bloemenvrienden zoals bijen, hommels en zweefvliegen van levensbelang
zijn (info: Vlinderstichting).
NATUURRIJK
GROENBEHEER
Natuurrijk
Groenbeheer is erop gericht dat de inwoners van 1 januari tot en met 31
december, de gelegenheid hebben de natuur in zoveel mogelijk verschillende
levensvormen waar te nemen en ervan te genieten.
Natuurrijk
Groenbeheer is een volledige integratie van milieu-, natuur- en
waterbeleid, gericht op het streven naar een duurzame ontwikkeling,
zoals aangegeven in het Nationaal Milieubeleidsplan-Plus van juni 1990.
Uitgangspunt
van het natuurverrijkend groenbeheer dient te zijn het beëindigen van het
gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Het
inlassen van een "proefperiode" raden wij af. Het mislukken
zal dan voor sommigen een mogelijkheid zijn weer naar de oude situatie
terug te keren.
In
plaats van een "proefperiode" kan het inlassen van een korte
"overgangsperiode" wel zinvol zijn, zodat vakmensen en bewoners
zich in kunnen stellen op het zich wijzigende beeld.
De
Stichting Natuurverrijking is verheugd te constateren dat steeds meer
personen en instanties beseffen dat de voordelen van
bestrijdingsmiddelen niet opwegen tegen de nadelen. Steeds meer gemeenten
en instanties beëindigen het gebruik van chemische middelen, want het
kan niet alleen zonder, het moet! Steeds meer plantsoenen en groengebieden
spelen een rol bij de instandhouding en verrijking van de natuur. Steeds
meer mensen kunnen vlak bij huis de natuur waarnemen. En genieten van
Natuurrijk Groen.
10.
SCHONE STRATEN
Gemeentebesturen
worden zich bewust van de risico’s van chemische bestrijdingsmiddelen
voor gezondheid, natuur en milieu en wensen niet meer mee te werken aan
verdergaande verontreiniging van o.m. sloot-, regen-, grondwater,
bagger en bodem in de eigen omgeving. Daarom wordt bestrating niet
langer met gif "schoon" gehouden. In werkelijk schone straten
groeien hier en daar planten tussen de tegels.
UITVOEREND
PERSONEEL
In
de regel is het uitvoerend personeel tevreden met de wijze waarop de
bestrating de afgelopen decennia is onderhouden. Men is gewend geraakt aan
een volledig kruidenvrij straatbeeld en wil dit ook zo houden:
"Alle onkruid moet worden bestreden. Onkruid verstopt de goten,
vernielt de bestrating en is gevaarlijk voor het verkeer."
Gediplomeerde
spuiters zullen de tijdens de spuitcursus geleerde kennis aanvoeren om aan
te geven dat de gebruikte bestrijdingsmiddelen onschadelijk zijn (zie
hoofdstuk 7). Het is natuurlijk niet verwonderlijk dat uitvoerend
personeel tevreden is met de wijze waarop men zelf jarenlang gewerkt
heeft. Het vergt dan ook van deze medewerkers een grote inzet en
aanpassingsvermogen om de omschakeling naar gifvrij beheer tot stand te
brengen.
GROENER
STRAATBEELD
Essentieel
voor het welslagen van een milieuvriendelijke aanpak is een meer tolerante
houding ten opzichte van "onkruid": wat planten in de goot
belemmeren heus niet meteen de afvoer van hemelwater. Kruiden zijn zeer
zelden de oorzaak van het losraken van tegels. Plantenwortels helpen
juist met het vasthouden van de stenen. Gevaar voor het verkeer valt ook
erg mee. De Stichting Natuurrverrijking kent geen gedocumenteerd ongeval
als gevolg van kruidengroei.
Het
beeld van een volledig kruidenvrije bestrating is alleen te bereiken met
gif; met kiemremmende bestrijdingsmiddelen en middelen met langdurige
werking. Zonder gif kunnen kruiden pas bestreden worden als er eerst ook
werkelijk kruiden groeien. Kruiden borstelen of branden is immers zinloos
als er geen kruiden te zien zijn. Acceptatie van een groener straatbeeld
is dus inherent verbonden aan milieuvriendelijke kruidenbestrijding.
Uitgebreide voorlichting hierover naar zowel uitvoerend personeel als
bevolking is dan ook van groot belang, zodat gedurende de
omschakelingsperiode en ook daarna voor ieder duidelijk is dat het
groenere straatbeeld niet een gevolg is van verwaarlozing en/of
bezuiniging, maar een (milieu)bewuste keuze.
SOORTEN
KRUIDEN
In
plaatselijke uitgaven kan aandacht besteed worden aan de verschillende
soorten kruiden die op verhardingen te zien zijn. In elke gemeente kunnen
vele interessante en zelfs beschermde soorten aangetroffen worden.
Bestrijding
van mos en andere zeer laag blijvende plantjes tussen de voegen is meestal
niet nodig. Verwijdering van deze soorten is kostenverhogend, omdat
daardoor groeiruimte gecreëerd wordt voor hoger groeiende soorten, die
lastiger te verwijderen zijn.
Bij
de bestrijding is het van belang onderscheid te maken tussen één- en
tweejarige kruiden en meerjarige soorten. Grassen en planten die tot de
laatste groep behoren en zich vermenigvuldigen met wortelstokken zijn
door snelle groei het lastigst te bestrijden.
Handgereedschappen
zoals schoffel en schop zijn niet erg geschikt om de bestrating
kruidenvrij te houden. Deze wijze van werken is zeer arbeidsintensief en
bovendien is door het voortdurend stoten tegen oneffenheden de kans op
blessures groot. In de praktijk blijken twee methoden wel goed te voldoen:
branden en borstelen.
BRANDEN
Door
een trekker getrokken stootbranders, eventueel in combinatie met
infrarood branders, zijn vooral geschikt om vrij lage kruidengroei te
behandelen. In een droge periode, bij droog weer, kan met een snelheid van
4 km per uur gewerkt worden. Propaangas blijkt een grotere hitte te
leveren dan LPG. Met propaangas kan dus de werksnelheid wat hoger zijn.
Als
de vegetatie na behandeling zwart geblakerd is wordt te langzaam gereden.
Door de hitte moeten wel de celwanden knappen. Dat is gebeurd als
behandelde planten donker kleuren en er vocht vrij komt wanneer er zacht
in geknepen wordt.
Planten
met wortelstokken zullen na behandeling weer uitlopen. Om deze soorten
uit te putten moet de behandeling een aantal malen herhaald worden.
De
werkbreedte van de branders is uiteraard afhankelijk van de gebruikte
apparatuur. Voor hogere kruidengroei zijn branders minder geschikt.
Eventueel moet dan eerst de bestrating worden gemaaid en het maaisel
afgevoerd. Een wat hogere begroeiing kan het best worden behandeld met mechanische
borstels.
BORSTEL-VEEGMACHINES
Er
zijn momenteel diverse borstel-veegmachines beschikbaar die met
snelheden tot boven de 5 km per uur in één werkgang de bestrating kruidenvrij
borstelen en meteen de kruiden opnemen.
In
de praktijk wordt nog steeds vaak geborsteld met trekkers voorzien van
een kruidenborstel. Natuurlijk kan met deze machines goed gewerkt
worden, maar voor het opvegen van de geborstelde kruiden moet opnieuw
personeel en apparatuur ingezet worden, dus kosten gemaakt worden.
De
Stichting Natuurverrijking pleit er daarom voor, als gestopt wordt met
gifgebruik, te investeren in de aanschaf van een kostbare borstel-veegmachine
(zie dealerlijst aan het slot van dit hoofdstuk). Een dergelijke machine
kost ongeveer f 200.000, maar is zeer arbeidsbesparend, omdat borstelen
en vegen in één werkgang plaats vinden.
Uiteraard
kunnen buurgemeenten een dergelijke machine ook gezamenlijk aanschaffen.
Zo'n aanschaf maakt bovendien zowel naar uitvoerend personeel als
bevolking duidelijk dat het groenere straatbeeld geen gevolg van
bezuiniging is. Indien eventueel werk aan loonwerkers wordt uitbesteed,
dienen alleen loonwerkers die over dergelijke apparatuur beschikken in
aanmerking te komen, omdat anders de kosten veel te hoog worden.
KOSTEN
Dat
borstelen en branden niet al lang in alle gemeenten toegepast worden
heeft vooral te maken met het kostenaspect. M.b.t. de directe kosten van
borstelen en branden worden in de vakliteratuur zeer uiteenlopende
bedragen per vierkante meter genoemd. Vrijwel altijd zijn de opgegeven
kosten veel hoger dan de directe kosten van chemische bestrijding.
De
Stichting Natuurverrijking betreurt het dat dergelijke
kostenvergelijkingen niet gebaseerd zijn op situaties waarbij zo efficiënt
mogelijke borstel-veeg en/of brandapparatuur op zo efficiënt
mogelijke wijze gebruikt wordt. Bovendien is het toestaan van een groener
straatbeeld niet alleen, zoals aangegeven noodzakelijk, maar de mate
waarin kruiden getolereerd worden is bovendien zeer kostenbepalend.
Gelukkig
laten steeds meer gemeentebesturen zich niet langer afschrikken door
misleidende kostenberekeningen. De Stichting Natuurverrijking stelt
voor niet eens te trachten een prijs per vierkante meter te berekenen,
maar de werksnelheid in km per uur en de werkbreedte van gebruikte
apparatuur aan te geven. Het beleid dient erop gericht te zijn zo efficiënt
mogelijke apparatuur op zo efficiënt mogelijke wijze te gebruiken.
Voor
gemeenten die overgaan op gifvrij beheer zijn de nu volgende adviezen van
groot belang:
SCHONE
STRATEN TIPS
·
bevorder
door voorlichting de acceptatie van een groener straatbeeld,
·
werk
zoveel mogelijk met machines die in één werkgang de geborstelde
kruiden ook opnemen (uitgezonderd het buitengebied, waar geborstelde
kruiden in de berm kunnen achterblijven),
·
zet
branders alleen in bij een lage begroeiingsgraad en droog weer,
·
neem
zoveel mogelijk maatregelen ter bevordering van de werksnelheid van de
ingezette apparatuur,
·
verwijder,
indien mogelijk, straatmeubilair en/of pas het zodanig aan dat de
werksnelheid niet wordt belemmerd. Dit kan bijvoorbeeld door rond
obstakels een gesloten verharding van cement/beton aan te brengen,
·
pas
de breedte van bestrating aan bij de werkbreedte van de borstel-,
brandapparatuur; het is zeer efficiënt als de breedte van de te
behandelen oppervlakken gelijk is aan de werkbreedte van apparatuur of een
veelvoud ervan,
·
pas
de breedte van bestrating aan bij de gebruiksintensiteit. Verwijder zo
mogelijk weinig gebruikte bestrating,
·
maak
bochten in wegen rond en niet haaks. Dit bevordert niet alleen de
werksnelheid van borstel-, brandapparatuur, maar tevens wordt
kruidenbestrijding door het verkeer veel beter benut,
·
kies
verharding met minder voegen. Denk bij keuze van verharding aan het
percentage dat door voegen wordt ingenomen,
·
regelmatig
vegen voorkomt in belangrijke mate kruidengroei,
·
stel
zodanige regelingen op dat op bepaalde tijdstippen tenminste één zijde
van een straat vrij is van geparkeerde auto's,
·
stel
de eerste kruidenborstel of -brandbehandeling zo mogelijk uit tot eind
juni. Dan is de periode met de sterkste groei voorbij en heeft een
behandeling een langer zichtbaar effekt,
·
verwijder
zoveel mogelijk de kruiden in herfst en winter, zodat het nieuwe
groeiseizoen zo schoon mogelijk start.
GEEN
STANDAARD-OPLOSSING
Voor
gifvrije bestrijding bestaat geen standaard methode. Het tijdstip en de
keuze van in te zetten apparatuur is afhankelijk van de situatie ter
plaatse. Een rol spelen o.m.: het weer, grondsoort en bodem,
kruidensoorten en hun ontwikkeling, getolereerde "groengraad" op
een bepaalde lokatie, beschikbaarheid van apparatuur en personeel.
VOORBEELDGEMEENTEN
In
Blaricum en Esch werd nooit gif op straat gespoten. In de Groene Lijst
(Bijlage 1) is aangegeven welke gemeenten en provincies hun bestrating
zonder gif onderhouden en daar soms al jarenlange ervaring mee hebben.
Andere gemeenten en provincies kunnen van deze ervaring profiteren
door met de voorbeeldgemeenten en -provincies kontakt op te nemen.
DEALERLIJST
BRAND- EN BORSTELAPPARATUUR
Agro
Dynamic,
Balsemienlaan
238, 2555 RH Den Haag
tel.:
070 - 3689511, fax.: 070 - 3683852
o.a.
Weedmaster en Weedstar infrarood-stootbranders
Bekker
Reinigingstechniek,
Energieweg
50, Postbus 130, 3130 AC Vlaardingen
tel.:
010 - 4341411, fax.: 010 - 4602770
o.a.
Schmidt borstel-veegkombinatie
Benegas
Zuiderzeestraatweg
1, Postbus 34, 3880 AA Putten
tel.:
03418 - 57744, fax.: 03418 - 60216
diverse
propaangasbranders
De
Binckhorst Handelsmaatschappij B.V.,
Dobbeweg
2, Postbus 184, 2250 AD Voorschoten
tel.:
071 - 600200, fax.: 071 - 224655
o.a.
Rolba City Cat borstel-veegkombinatie
Drost
Machines B.V.,
Utrechtsestraatweg
204a, 3911 TX Rhenen
tel.:
08376 - 19017, fax.: 08376 - 14447
o.a.
Nimos borstelmachines.
Deluvo
Nederland B.V.,
Eisenhouwerweg
30, Postbus 300, 5460 AH Veghel
tel.:
04130 - 43579, fax.: 04130 - 43306
o.a.
Ygry veegmachine met (on)kruidborstel
Jean
Heybroek B.V.,
Wilgenkade
6, Postbus 228, 3990 GA Houten
tel.:
03403 - 94611, fax.: 03403 - 94655
o.a.
K 1500 van IKF borstel-veegkombinatie
Hofmans
B.V.,
De
Louwstraat 13, Postbus 23, 5374 ZG Schaijk
tel.:
08866 - 1686 of 3400, fax.: 08866 - 3434
o.a.
HMF veegmachines met (on)kruidborstel
Jongerius
Arkansasdreef
16, 3565 AR Utrecht
tel.:
030 - 627879, fax.: 030 - 624624
o.a.
LM Trac met (on)kruidborstel
Marechal
Groentechniek,
Kievitsweg
151, Postbus 110, 2980 AC Ridderkerk
tel.:
01804 - 15555, fax.: 01804 - 15777
o.a.
Burtec (on)kruidborstel
Mowi
- Milieu,
Rivierdijk
18, Postbus 37, 3360 AA Sliedrecht
tel.:
01840 - 33483, fax.: 01840 - 19017
o.a.
Roterbant en Nimos borstelmachine
Nannings
Groentechniek,
't
Kolkske 7, 5371 MX Ravenstein
tel.:
08867 - 2144, fax.: 08867 - 3191
o.a.
Hansa borstel-veegkombinatie en
Wurfix borstelmachine met handmatige bediening
Wilser
Import,
't
Kolkske 10, 5371 MX Ravenstein
tel.:
08867 - 1036, fax.: 08867 - 1325
o.a.
UBS borstelmachine met handmatige bediening
ADRESSEN
Bomenstichting,
Donkerstraat 17, 3511 KB Utrecht, tel.: 030 - 331328
Bureau
Bestrijdingsmiddelen,
Postbus 217, 6700 AE Wageningen, tel.: 08370 - 75478
Dienst
Weg- en Waterbouwkunde,
Projectbureau Milieuvriendelijke Oevers, Rijkswaterstaat, Postbus 5044,
2600 GA Delft, tel.: 015 - 699475
Ecoplan,
Biologisch Adviesbureau, Mozartstraat 12, 9722 EC Groningen, tel.: 050 -
271534
Instituut
voor Natuurbeschermingseducatie, IVN, Postbus 20123, 1000 HC Amsterdam, tel.: 020 -
6228115
Instituut
voor Bos- en Natuuronderzoek, IBN-DLO, Bosrandweg 20, Postbus 23, 6700 AA Wageningen, tel.: 08370 - 95111
Kritisch
Faunabeheer,
Amsteldijk noord 135, 1183 TJ Amstelveen, tel.: 020 - 6410798 of 08373 -
16879
Ministerie
VROM,
Directoraat-Generaal Milieubeheer, Postbus 30945, 2500 GX Den Haag
Nederlands
Platform voor Stedelijke Ecologie, p.a.NIROV, Postbus 30833, 2500 GV Den Haag, tel.: 070 - 3469652
Provinciaal
bestuur van Noord-Holland,
Dienst Milieu en Water, Provinciehuis, Dreef 3, 2012 HR Haarlem, tel.: 023
- 143800
RAVON,
Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland, Postbus 1413, 6501
BK Nijmegen, tel.: 080 - 225736
Stichting
Natuur en Milieu,
Donkerstraat 17, 3511 KB Utrecht, tel.: 030 - 331328
Vereniging
Das en Boom,
Rijksstraatweg 174, 6573 DG Beek-Ubbergen, tel.: 08895 - 42294
Vereniging
Milieudefensie,
Damrak 26, 1012 LJ Amsterdam, tel.: 020 - 6221366
Vlinderstichting,
Postbus 506, 6700 AM Wageningen, tel.: 08370 - 11220
LITERATUUR
Deze
literatuuropgave bevat slechts een greep uit de geraadpleegde literatuur.
Ieder die informatie wenst over bepaalde in deze uitgave vermelde gegevens
kan daarover contact opnemen met de Stichting Natuurverrijking.
Arbeidsinspectie,
Nationale MAC-lijst, diverse uitgaven
Beaart,
Kees, Bestrijdingsmiddelen Fabeltjesboek, Stichting Natuurverrijking,
1987
Beaart,
Kees, Spuiten Maakt Ons Giftig, De Kleine Aarde, 1984
Beaart,
Kees, Bestrijdingsmiddelen Wijzer, St. Natuurverrijking, 1992
Bestrijdingsmiddelenwet,
diverse uitgaven
Bomenstichting,
Bomen en Beesten, Bomen en Mensen e.d. brochures
CAD
Gewasbescherming, Cursussen Spuiten in de Land- en Tuinbouw en Stedelijk
Groen, Onkruidbestrijding Stedelijk Groen, 1988
Canton,
J.H., e.a., Inhaalmanoeuvre oude bestrijdingsmiddelen: een integratie,
RIVM, Rapportnr. 678801001, 1990
Carson, Rachel, Dode Lente, 1963
Commissie
Toelating Bestrijdingsmiddelen, Bureau Bestrijdingsmiddelen, Beoordeling
van Bestrijdingsmiddelen m.b.t. Milieuaspecten en Landbouwkundig Nuttige
Organismen, 1992
Consulentschap
in algemene dienst voor het Stedelijk Groen e.a. Consulentschappen, Tussen
Spuit en Kruid, 1985
De
Dorschkamp, Natuur in de Stad, Rapport nr. 641, 1991
Environmental Protection Agency, Pesticide Fact Handbook, 1988
Jans,
H.W.A., Openbaar Groen met of zonder vergif(t)? Nederlands Instituut voor
Preventieve Gezondheidszorg/TNO, 1989
Griffiths,
Drs. M., Bestrijdingsmiddelen en Gezondheid, Stichting Natuurverrijking,
1987
Gezondheidsraad,
Advies inzake Bestrijdingsmiddelen, 1985
GGD
Stadsgewest Breda, Bestrijdingsmiddelen in het openbaar groen, Stand van
zaken in het Stadsgewest Breda, 1990
Hrubec,
J., Bestrijdingsmiddelen en Drinkwater, artikel in : H2O, nr. 11, 1988
Koster,
Arie en Claringbould, Mariëtte, Natuurlijker Groenbeheer in Nederlandse
Gemeenten, VNG
Koster,
drs. A., Stedelijk Groen Natuurlijker, Ministerie van
Landbouw
en Visserij, Adviesgroep Vegetatiebeheer
Krul,
Drs. W.E.M.C., Gebruik van bestrijdingsmiddelen op bestratingen en in
openbaar groen, Inspectie van de Volksgezondheid voor de Hygiëne van het
Milieu voor Zuid-Holland, 1982
Lagas,
P., e.a., Veldonderzoek Bestrijdingsmiddelen, Rapportage van vier
bemonsteringen, RIVM, Rapportnummers 728473002 en 728473003, 1988 en 1989
Landbrugsministeriet, Statens Planteavlforsog,
Ukrudtsbekaempelse i Havebrug 1990, Denemarken, 1990
Landbrugsministeriet, Statens Planteavlforsog,
Ukrudtsbekaempelse
i Vedplantekulturer 1990, Denemarken, 1990
Lans,
Hans van der en Poortinga, Gerben, Natuurbos in Nederland, een uitdaging,
IVN, 1986
Linden,
A.M.A. van der, en Loch, J.P.G., Beoordeling van risico's van
bestrijdingsmiddelen voor de drinkwatervoorziening, RIVM, Rapport nr.
728620001, 1986
Linden,
A. van der, Lozing bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater
onacceptabel, artikel in: Vakblad voor de Bloemisterij, nr. 5, 1988
Loch,
J.P.G., e.a., Residuen van geselecteerde Bestrijdingsmiddelen in het
Ondiepe Grondwater van enige Kwetsbare Nederlandse Grondsoorten, RIVM,
Rapportnr. 840256001, 1986
Ministerie
van Landbouw, België, De invloed van gewasbeschermingsmiddelen op de
kwaliteit van landbouwproducten, Agricontact, februari 1991
Ministerie
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Managementaspecten van Ecologisch
Stadsgroen, VNG Uitgeverij, 1991
Ministerie
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en andere Ministeries,
Meerjarenplan Gewasbescherming, 1991
Ministerie
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Rapportage Werkgroep Openbaar
Groen, Achtergronddocument Meerjarenplan Gewasbescherming, 1990
Ministerie
van Landbouw en Visserij, Beschermingsplan Dagvlinders, 1989
Ministerie
van Landbouw en Visserij, Symposium Groenbeleid door Gemeenten, Rotterdam,
1989
Ministerie
van Landbouw en Visserij, Natuurbeleidsplan, 1989
Ministerie
van Verkeer en Waterstaat en andere Ministeries, Derde Nota
Waterhuishouding, Water voor nu en later, 1989
Ministerie
VROM en andere Ministeries, Nationaal Milieubeleidsplan (NMP), Kiezen of
Verliezen, 1989
Ministerie
VROM en andere Ministeries, Nationaal Milieubeleidsplan-plus, 1990
Ministerie
VROM en Landbouw en Visserij, Milieucriteria ten aanzien van stoffen ter
bescherming van bodem en grondwater, Notitie, Lijst van Vragen en
Antwoorden, Tweede Kamer der Staten-Generaal, 1989
Ministerie
VROM en Landbouw Natuurbeheer en Visserij, Milieucriteria ten aanzien
van stoffen ter bescherming van bodem en grondwater, -Tweede
Milieucriteria notitie- 1991
Muilerman,
Hans, Het Plantsoen, het gif eruit de natuur erin, Hoe krijg je de
gemeente zover? Vereniging Milieudefensie, 1987
Natural Resources Defense Council, Intolerable Risk in our Childrens
Food, 1989
Northwest Coalition for Alternatives to Pesticides, Food Use Pesticides
Classified by the U.S. Environmental Protection Agency as Potential
Carcinogens, Journal of Pesticide Reform, Winter 1992
Northwest Coalition for Alternatives to Pesticides, Secret
"Inert" Ingredients, Journal of Pesticide Reform, Fall 1992
Olkowski, William, e.a., Common-sense Pest Control, Least-toxic solutions
for your home, garden, pets and community, Newtown, 1991
Oudeman,
dr.ir. A., deskundige bestrijdingsmiddelen van het Ministerie VROM, tekst
inleiding gehouden d.d. 7 juni 1990, bij de presentatie van het onderzoek
"Bestrijdingsmiddelen in het Openbaar Groen, Stand van zaken in het
Stadsgewest Breda", GGD Stadsgewest Breda, 1990
Piebenga,
P., Te zwakke schakels in ecologische verbindingszones doen effect te
niet, artikel in: Zicht op groen, (HIC) 1992
Provincie
Noord-Holland, Beleidsnota Milieuvriendelijk Groenbeheer, 1990
Provinciale
Natuur-, Milieubeleidsplannen van vrijwel alle provincies, zie diverse
titels bij citaten in hoofdstuk 6
Provincie
Zuid-Holland, Buro Luchtkwaliteit, Verontrustend hoge gehalten
bestrijdingsmiddelen in regenwater, 1991
Rachel's Hazardous Waste News, New study links breast cancer to DDT, PCBs
and other chlorinated chemicals, Washington, 1992
RAVON,
Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland, Aanleg en onderhoud
van poelen voor amfibieën
RAVON,
Waarnemingen van Amfibieën en Reptielen in Nederland, 1990 en andere
jaargangen
Reclame
Code Commissie, diverse beslissingen, o.a. m.b.t. reclame voor Casoron G,
Gramoxone, Finale en Roundup
Rijksinstituut
voor Natuurbeheer, Natuurbeheer in Nederland, Dieren, 1983
Rijkswaterstaat,
Kansen voor Waterorganismen, 1989
Rijkswaterstaat,
Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Milieuvriendelijke Oevers, 1989
Rijn,
drs. J.P. van, e.a., Handboek Bestrijdingsmiddelen gebruik en
milieueffecten, Voorpublicatie, VU Boekhandel/Uitgeverij, 1992
Sluijsmans,
J.J.L. en Hoksbergen, F.Th.J., Praktijkonderzoek naar mogelijkheden voor
thermische onkruidbestrijding op verhardingen in de gemeente Arnhem,
Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Dorschkamprapport nr. 674, 1992
Snoo,
G.R. de en Canters, K.J., Neveneffecten van bestrijdingsmiddelen op
terrestrische vertebraten, deel 1 en 2, Centrum voor Milieukunde,
Rijksuniversiteit Leiden, 1987
Stichting
Natuurverrijking, Gif uit 't Groen, Bestrijden deel 12
Stichting
Natuurverrijking, Giffraude, Bestrijden deel 14
Stortelder,
P.B.M. en Faassen, R., Uniformering van normen voor water, waterbodem,
bodem en grondwater een stap verder, artikel in: H2O, 1992, nr. 24
United Nations, Food and Agriculture Organization, Pesticide residues in
food- Report - diverse jaren
Tuin
en Landschap, Vakblad voor de groenvoorziening, vele artikelen
Verdam,
B. e.a. Bestrijdingsmiddelen in Grondwater onder kwetsbare bodemtypen,
RIVM, Rapportnr. 728473001, 1988
Witte, Irene e.a., Gefährdungen der Gesundheit durch
Pestizide, 1988
World Health Organization, Drinking-Water Quality and Health-Related
Risks
Worthing, Charles R. e.a., The Pesticide Manual, 1987
Zoonen,
P. van, e.a., Onderzoek naar het voorkomen van een
aantal
polaire bestrijdingsmiddelen in regenwater, 1988
BIJLAGE 1
De
Groene Lijst van gemeenten en provincies die Natuurverrijking hebben
gemeld geen chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken in openbaar groen
en/of bestrating is elders (zo actueel mogelijk) opgenomen op deze
website.
BIJLAGE 2
GEMEENTE
VOORBEELD
Raadsvoorstel
nr. R 150
21 maart 1993
Bijlagen:
1.
Het gebruik van bestrijdingsmiddelen op bestratingen en in openbaar groen:
nota van de Regionale Inspecteur van de Volksgezondheid, 1984;
2.
Naar Natuurrijk Groen, Stichting Natuurverrijking, Notitie inzake
beheer openbaar groen en bestrating.
Aan
de Raad
Inleiding
Aan
het gebruik van bestrijdingsmiddelen op openbaar toegankelijke
plaatsen zijn een aantal bezwaren verbonden. Daarom gaan er steeds meer
stemmen op om het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen in de gemeente
te beëindigen. In enkele vergaderingen van de Commissie Ruimtelijke
Ordening en Milieu is deze materie uitvoerig besproken. Een vertegenwoordiging
van de gemeente heeft bezoeken gebracht aan enkele naburige
"Groene Gemeenten".
Zonder
hierbij nader op de nadelige gevolgen van het gebruik van
bestrijdingsmiddelen in te gaan, brengen wij het volgende onder uw
aandacht:
-
Toepassing van bestrijdingsmiddelen brengt gevaren mee voor mens
en milieu. Het Ministerie van VROM streeft naar een verbod van alle
bestrijdingsmiddelen voor gebruik in openbaar groen en op bestrating.
-
Door het gebruik van bestrijdingsmiddelen kunnen in ons land
voorkomende plant- en diersoorten verdwijnen en/of zeldzaam worden.
-
De gemeente is als gebruiker van bestrijdingsmiddelen mede
verantwoordelijk voor de productie van deze middelen.
-
De praktijk heeft in diverse gemeenten uitgewezen, dat het beheer
van openbaar groen en bestrating zonder bestrijdingsmiddelen op
verantwoorde wijze en zonder veel extra kosten kan worden uitgevoerd.
Naar
aanleiding van genoemde punten het volgende:
Natuurrijk
Groenbeheer
Bij
deze vorm van Groenbeheer wordt ervan uitgegaan dat kruidengroei in
plantsoenen gewenst is. Door beïnvloeding van de groeiomstandigheden
van kruiden wordt de groei van minder gewenste soorten geremd en van meer
gewenste soorten bevorderd.
De
eerste jaren na de aanplant van bomen en struiken is het vooral i.v.m.
lichtconcurrentie van belang de kruidengroei te remmen. Dit kan o.a.
geschieden door inzaai van laagblijvende kruiden, frezen, maaien,
selectief schoffelen of met de hand verwijderen van minder gewenste hoog
woekerende soorten.
Van
groot belang is dat de bodem "schraal" is, weinig voedingsstoffen
bevat. Er zal dan ook geen "zwarte aarde" meer in plantsoenen
gebruikt worden; de verschraling van de bodem kan eventueel bevorderd
worden door het opbrengen van zand. Door verschraling wordt de groei van
woekerende kruiden geremd.
Het
remmen van kruidengroei door de bodem af te dekken met houtsnippers,
schors e.d. zal nog slechts zeer plaatselijk worden toegepast; hierdoor
komen meer voedingsstoffen in de bodem en bevordert op termijn dus de
groei van woekerende kruiden.
In
de plantsoenen wordt getracht een zo groot mogelijke variatie aan bomen
en struiken, planten en dieren te verkrijgen. Bestrijdingsmiddelen zijn
niet alleen ongewenst; het gebruik van bestrijdingsmiddelen is rampzalig
voor de gewenste natuurontwikkeling. Voor meer informatie verwijzen
wij naar bijlage 2 van deze notitie.
Gazons
en speelweiden
Ten
aanzien van deze locaties zullen bij afschaffing van bestrijdingsmiddelen
geen problemen ontstaan. Plaatsen waar het gras weinig betreden wordt
zullen minder intensief gemaaid worden. Door het afvoeren van maaisel
zal op den duur verschraling optreden, waardoor grasvelden bloemrijker
worden.
Bestrating
De
meeste op bestrating voorkomende kruiden worden bestreden door verkeer
en/of betreding.
Voor
de afvoer van regenwater is het van belang dat met name de goten
regelmatig geveegd worden. Dit kan zoveel mogelijk mechanisch, met harde
borstels geschieden.
Door
geen bestrijdingsmiddelen op de bestrating toe te passen zal de aanblik
veranderen, groener worden. Er moeten immers eerst kruiden groeien
alvorens maatregelen genomen kunnen worden. Voor de begaanbaarheid zal
kruidengroei op de bestrating zelden een probleem zijn. Als dit wel zo
is kan naast borstelen o.a. gedacht worden aan:
-
maaien
met de bosmaaier, daarna eventueel branden met thermische branders
-
een
gesloten verharding aanbrengen
-
de
breedte van de bestrating aanpassen aan de gebruiksintensiteit
-
niet
belopen/betreden bestrating verwijderen.
Voorlichting
Voorlichting
aan uitvoerend personeel en de bewoners is van groot belang, zodat men
beseft dat de "groenere aanblik" geen gevolg is van bezuiniging
of verwaarlozing, maar een weloverwogen beslissing ter bescherming van
gezondheid en milieu en ter verrijking van de natuur in de woonomgeving.
In
plaatselijke bladen en folders zal gewezen worden op bezwaren en gevaren
van bestrijdingsmiddelen. Hiertoe kunnen o.a. gedeelten uit de bijlagen
worden overgenomen. Bovendien zal er regelmatig aandacht worden besteed
aan planten en dieren die in de gemeente waargenomen kunnen worden.
Er
zal bekend worden gemaakt waar men met vragen of klachten terecht kan.
Korte
omschakelperiode
Tot
voor kort werd een groot deel van de oppervlakte van bestrating en
openbaar groen chemisch behandeld. Realisering van het geschetste beleid
eist een grote omschakeling en inzet van het uitvoerend personeel. Diverse
aanpassingen zijn noodzakelijk. Vanuit milieuoogpunt is een
omschakelperiode van meerdere jaren echter niet wenselijk. De afgelopen
jaren zijn in vele gemeenten reeds experimenten uitgevoerd m.b.t. gifvrij
beheer. Gebruikmakende van de opgedane ervaringen in andere gemeenten
stellen wij voor de overgang in overleg met de betrokken diensten over een
periode van één jaar te doen plaatsvinden.
Inmiddels
zullen verdere kontakten gelegd worden met de gemeenten waar men al
langer zonder bestrijdingsmiddelen werkt. Er zal worden bevorderd dat
zoveel mogelijk personeelsleden cursussen volgen, die op dit gebied
worden gehouden. Veel literatuur zal aangeschaft en geraadpleegd moeten
worden. Er zullen lijsten gemaakt moeten worden van in bepaalde plantsoenen
gewenste en minder gewenste soorten kruiden.
Er
zal regelmatig overlegd moeten worden tussen betrokkenen, zodat
problemen kunnen worden opgelost en bijsturing tijdig mogelijk is.
Wij
stellen u voor in te stemmen met het hiervoor geschetste beleid en in het
door u in 1993 vast te stellen Gemeentelijke Milieu- en Natuurbeleidsplan
de volgende gedragslijn vast te stellen:
"In
het openbaar gebied van de gemeente worden geen chemische
bestrijdingsmiddelen gebruikt. Andere groenbeheerders en particulieren
in de gemeente wordt aanbevolen voor eenzelfde handelswijze te
kiezen."
Voorbeeld,
21 maart 1993
Burgemeester
en Wethouders van Voorbeeld
De
Secretaris, De Burgemeester,
BIJLAGE 3
Informatie over de activiteiten in de
richting van de Reclame Code Commissie is terug te vinden op een apart
deel van deze website.
BIJLAGE 4
MONDIAAL
ALTERNATIEF,
Stichting
DE KLEINE AARDE,
Stichting
NATUUR en MILIEU,
VERENIGING
MILIEUDEFENSIE,
Stichting
NATUURVERRIJKING
Aan
het College van Burgemeester en
Wethouders
en Raadsleden
februari 1990
Geacht
Gemeentebestuur,
Hierbij
ontvangt u de brochure "Gif uit 't Groen" en de derde versie van
de GROENE LIJST met de namen van bijna 70 gemeenten, die de Stichting
Natuurverrijking hebben medegedeeld geen bestrijdingsmiddelen in openbaar
groen en/of op bestrating te gebruiken. Om de GROENE LIJST te actualiseren
verzoekt de Stichting Natuurverrijking haar te melden als de naam van uw
gemeente op de lijst kan worden vermeld of eventueel verwijderd dient te
worden.
Uit
in 1989 door de overheid gepubliceerde gegevens blijkt o.a. dat:
-door
gemeenten gebruikte bestrijdingsmiddelen, zoals amitrol, diuron,
dichlobenil en simazin, het grondwater ernstig kunnen verontreinigen;
-resten
van dichlobenil in gemeentelijke plantsoenen tot 1800 maal de maximaal
toelaatbaar geachte norm werden aangetoond;
-resten
van simazin onder een tegelpad tot meer dan 15 maal de maximaal
toelaatbaar geachte norm van 0,1 microgram per liter water werden
aangetoond;
-simazin
zelfs in regenwater werd aangetoond;
-van
veel bestrijdingsmiddelen nog geringere hoeveelheden dan 0,1 microgram per
liter water het ecosysteem schaden.
Ons
drinkwater wordt ernstig bedreigd door ongeveer 400 actieve stoffen en de
afbraakproducten ervan. Het onderzoek naar het gedrag van
bestrijdingsmiddelen in het milieu heeft nog zeer beperkt plaatsgevonden.
Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zullen in de toekomst
veel meer nadelige gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen
worden aangetoond.
De
Gemeenten van de GROENE LIJST tonen aan dat openbaar groen en bestrating
zonder chemische bestrijdingsmiddelen kunnen worden beheerd. 9 februari
j.l. werd bij de overhandiging van de brochure die u thans ontvangt, aan
de ministers Braks en Alders, aangedrongen op een verbod van het gebruik
van bestrijdingsmiddelen door gemeenten.
Onderstaande
organisaties menen dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de
woonomgeving onverantwoord is. De inwoners van uw gemeente hebben recht op
een zo gif-vrij mogelijke omgeving. Indien onder uw verantwoordelijkheid
nog bestrijdingsmiddelen worden gebruikt verzoeken wij u dan ook
dringend dit gebruik met onmiddellijke ingang te beëindigen.
-
VERENIGING
MILIEUDEFENSIE, M.J. Ruiken
-
Stichting
NATUUR en MILIEU, Prof.Dr.L. Reijnders
-
Stichting
DE KLEINE AARDE, J.P.
Juffermans
-
MONDIAAL
ALTERNATIEF, Drs.R. Gerrits
-
Stichting
NATUURVERRIJKING, K. Beaart
bijlagen: brochure "Gif uit 't
Groen" en GROENE LIJST
Nadere
informatie: Stichting
Natuurverrijking
Opperduit 362, 2941 AR Lekkerkerk (tel.
01805-3053)
COLOFON
Naar
Natuurrijk Groen: handleiding op weg naar gifvrij-beheer groen en
bestrating
tekst:
Kees Beaart
illustraties
en vormgeving: Fred Teunissen
voorwoord:
Peter Kouwenhoven
foto:
Bernd Rosenkranz
typewerk:
Ineke Tiggelaar
druk
omslag: Stichting Argus, Rotterdam
uitgave:
Stichting Natuurverrijking
Opperduit 362
2941 AR Lekkerkerk
Met
dank aan Dr. J.A. van Haasteren en Drs. H. Muilerman voor het geven van
op- en aanmerkingen bij het doornemen van de concepttekst van deze
uitgave.
derde
druk, maart 1993
ISBN
90-71870-06-5
Deze
uitgave werd mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van donateurs,
het Ministerie VROM en FOGI.
"NAAR
NATUURRIJK GROEN"
is
te bestellen door overmaking van
€
8,95 op postgiro 5492641 t.n.v.
Stichting Natuurverrijking, Lekkerkerk
|