|



| |
GLYFOSAAT
(Roundup)
Antwoord
aan een chemiereus
•
Door
Caroline Cox van de "Northwest
Coalition for Alternatives to Pesticides" (NCAP), Eugene, Oregon,
Verenigde Staten
INHOUD
Voorwoord
GLYFOSAAT
(Roundup)
Bronnen
Onkruidbestrijdingsmiddelen
- feiten
Gebruik.
De
werking van glyfosaat
“Niet-actieve”
stoffen in glyfosaat-bevattende producten
Acute
giftigheid bij proefdieren
Giftigheid
van 'niet-actieve' stoffen in glyfosaat-bevattende producten
Acute
giftigheid voor de mens
Toxicologisch
overzicht
Subchronische
giftigheid
Chronische
giftigheid
Kankerverwekkende
eigenschappen
Mutagene
eigenschappen
Effecten
op de voortplanting
Giftigheid
van glyfosaats belangrijkste metaboliet (omzettingsproduct)
De
kwaliteit van laboratoriumonderzoek
Onwettige
reclame
Menselijke
blootstelling
Verontreinigd
voedsel
Blootstelling
tijdens het werk
Ongewilde
verwaaiing - drift
Persistentie
en verplaatsing in de bodem
Waterverontreiniging
Ecologische
effecten
Onbedoelde
effecten voor dieren
Effecten
op planten die niet het doel van de bespuiting zijn
Resistentie
van Planten
Bronnen
Colofon
Voorwoord
De
eerste keer dat ik werd geattendeerd op de risico's van glyfosaat was aan het
begin van de jaren tachtig. Een Wageningse onderzoeker benaderde mij toen
uit ongerustheid over de afbreekbaarheid van deze stof. Hij stuurde mij een
aantal wetenschappelijke publicaties waaruit blijkt dat glyfosaat, wanneer het
eenmaal in een plant zit, zeer slecht afbreekt. Bij de toelating van glyfosaat
had men dat genegeerd, aldus de onderzoeker in kwestie. De toelatingsinstantie
hechtte volledig geloof aan de bewering van Monsanto dat het onder de merknaam
Roundup gefabriceerde glyfosaat goed en snel afbreekbaar is. Door de slechte
afbreekbaarheid in plantaardig materiaal bevatte stro destijds een hoog
gehalte Roundup. De gevolgen daarvan kwamen kort daarna op dramatische wijze
boven tafel door het gebruik van champost. Van stro vervaardigde champost werd
gebruikt bij de teelt van champignons. Afgedankte champost vond zijn weg
naar tuinen. En in die tuinen bleek dat Roundup nog alleszins intact was en
als alle plantendoder fungeerde.
Dit
incident zette de toon voor de discussie over glyfosaat tot nu toe. De
voornaamste fabrikant ervan, Monsanto houdt bij hoog en bij laag vol dat het
gaat om een mens- en milieuvriendelijk bestrijdingsmiddel. Het zou niet
gevaarlijker zijn dan keukenzout, zo kan men op de Monsanto website lezen.
En bij verkooppraatjes wordt wel gezegd dat men er best een glas van kan
drinken. En bij de introductie van Roundup-resistente gentech soja door
Monsanto werd met droge ogen door deze firma volgehouden dat deze een grote
winst voor het milieu betrof. Bedrijven als Unilever papegaaiden dat na.
De
toelating van glyfosaat in Nederland berust nog altijd op het materiaal dat
Monsanto en andere fabrikanten van dit spul overleggen. Grotendeels gaat het
daarbij om onderzoek dat niet door de zeef van wetenschappelijke tijdschriften
is gegaan. Vanuit een oogpunt van betrouwbaarheid is deze informatie duidelijk
in het nadeel vergeleken bij publicaties in de wetenschappelijke literatuur.
Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) dat in Nederland
de toelating verzorgt trekt zich daar in de praktijk niets van aan.
Publicaties in wetenschappelijke tijdschriften die een minder florissant beeld
geven van glyfosaat worden door het CTB nog altijd grotendeels genegeerd. Deze
vorm van blindheid heeft ruime navolging. Het Centrum voor Landbouw en Milieu
vaart in zijn milieumeetlat eveneens blind op wat de fabrikanten ons willen
laten geloven. Het verzoek om onderzoeksmateriaal uit de wetenschappelijke
vakliteratuur serieus te nemen wordt daar sinds jaar en dag genegeerd. En heel
wat gemeentes en boeren die inmiddels aan glyfosaat verslaafd zijn geraakt
geloven de fabrikanten daarvan eveneens voetstoots.
Daarom
is het een goede zaak dat Natuurverrijking dit uitstekend gedocumenteerde
boekje van Caroline Cox uitgeeft. Het geeft een goed beeld van de huidige
wetenschappelijke kennis inzake glyfosaat. Het beeld dat daaruit oprijst is
zeer veel somberder dan wat de fabrikanten ons willen doen geloven. Voor het
CTB zou deze informatie ruimschoots voldoende moeten zijn om de toelating van
glyfosaat te beëindigen. Voor gemeentes en boeren is er, gezien wat
Caroline Cox ten berde brengt, alle reden om te stoppen met het gebruik van
glyfosaat. Natuurverrijking heeft bij de Reclame Code Commissie inmiddels acht
zaken over misleidende reclameteksten van Monsanto voor Roundup op vele punten
gewonnen.
Wie
dit boekje leest zal geen moeite hebben te begrijpen waarom.
Terug naar inhoudsopgave
GLYFOSAAT
(Roundup)
Antwoord
aan een chemiereus
•
Door
Caroline Cox van de "Northwest
Coalition for Alternatives to Pesticides" (NCAP), Eugene, Oregon,
Verenigde Staten
Het
immens winstgevende onkruidbestrijdingsmiddel GLYFOSAAT wordt nadrukkelijk en
schaamteloos als mens- en milieuvriendelijk op de markt gebracht. NCAP heeft
een samenvatting gemaakt van onderzoeken die het tegendeel uitwijzen en waarin
de gevaren van bestrijdingsmiddelen die glyfosaat bevatten worden aangetoond.
Het werk van NCAP werd ernstig in diskrediet gebracht door de fabrikant van
glyfosaat.
Hieronder
volgen de antwoorden van NCAP op de drie meest voorkomende opmerkingen m.b.t.
ons werk over glyfosaat:
1)
Al wordt ons tijdschrift 'Journal of Pesticide Reform' (JPR) niet
onderworpen aan een toetsing door deskundigen, zoals dat gebruikelijk is bij
wetenschappelijke publicaties, het overgrote deel van het onderzoek waaruit
wij citeren is echter wel afkomstig uit wetenschappelijk beoordeelde
publicaties, uit overheidsdocumenten en informatie van de producenten zelf;
2)
Terwijl overheden en internationale instanties glyfosaat wel positief
beoordeeld hebben, zouden anderen zoals wij, de gelegenheid moeten kunnen
krijgen om alle beschikbare gegevens nader te bestuderen om daar waar nodig
weerwoord te geven;
3)
NCAP is er trots op informatie over de gevaren van glyfosaat
toegankelijk te maken, aangezien het grootste deel van de algemeen beschikbare
informatie slechts de gunstige eigenschappen van het middel belicht. Deze
doelstelling doet niets af aan het wetenschappelijk karakter van ons werk.
Het
bestrijdingsmiddel glyfosaat is voor de bestrijdingsmiddelenindustrie het
eerste 'miljard dollar' product 1: het gouden ei, met prognoses van
een jaarlijks verkoopcijfer van 3 miljard dollar na het jaar 2000 2.
Hoewel de prijs van glyfosaat de afgelopen twintig jaar met de helft is
gedaald, bedragen de winstmarges over de verkoop nog meer dan 40 procent; het
viervoudige van de gemiddelde industriële winstmarge. De opbrengst van
glyfosaat vertegenwoordigt minder dan een kwart van de totale verkoop van de
fabrikant, Monsanto, maar vormt wel de helft van de totale winst 2.
Geen wonder dat Monsanto de afgelopen tien jaar herhaaldelijk felle kritiek
heeft geleverd op de informatie van NCAP over de risico's van glyfosaat. Het
bedrijf gaat zo ver de informatie van NCAP als 'onjuist en opzettelijk
misleidend' te bestempelen en NCAP ervan te beschuldigen het product
'weloverwogen en opzettelijk in diskrediet te brengen.' 3
Er
is een enorme hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek gewijd aan dit zeer veel
gebruikte bestrijdingsmiddel en de fabrikant doet er ook werkelijk alles aan
om het product als milieuvriendelijk en toxicologisch veilig te propageren.
Daarom wijdt NCAP een groot deel van dit artikel aan de gevaren van glyfosaat.
In deze korte inleiding willen we echter eerst ingaan op de meest voorkomende
discussiepunten over glyfosaat.
Industriestandpunt:
De 'Journal of Pesticide Reform' (JPR: het viermaandelijks tijdschrift
van NCAP) wordt niet wetenschappelijk getoetst.
Antwoord
NCAP: Voorafgaand aan publicatie worden
wetenschappelijke studies altijd eerst geëvalueerd door onafhankelijke
onderzoekers. Dit proces is een wetenschappelijke toetsing, opgezet om de
kwaliteit te verbeteren van alle gepubliceerde onderzoeken. JPR publiceert
echter geen origineel onderzoek en wordt dus niet opnieuw wetenschappelijk
getoetst door onafhankelijke deskundigen. Vrijwel alle aangehaalde studies en
onderzoeken zijn echter wetenschappelijk getoetste studies,
overheidsdocumenten, of publicaties van de bestrijdingsmiddelenfabrikanten
zelf.
Industriestandpunt:
Landelijke en internationale instanties hebben glyfosaat gunstig beoordeeld.
Verdere evaluatie is overbodig.
Antwoord
NCAP: Bestrijdingsmiddelen zijn nu al zo'n
50 jaar wereldwijd in gebruik. In die tijd hebben zich echter vele serieuze
problemen voorgedaan met bestrijdingsmiddelen die eerder gunstig beoordeeld
werden door allerlei overheidsinstanties. De consument zou gestimuleerd moeten
worden de gegevens die aan de basis liggen van deze beoordelingen nader te
bestuderen om dan uiteindelijk zelf tot een onafhankelijk oordeel te komen.
Industriestandpunt:
NCAP verricht slecht wetenschappelijk werk, door gunstige onderzoeksresultaten
te negeren en zich uitsluitend te richten op studies die problemen in beeld
brengen.
Antwoord
NCAP: Bestrijdingsmiddelenonderzoek wordt
uitsluitend uitgevoerd of betaald door de fabrikanten. Zij beschikken ook over
de middelen om dit soort onderzoeken te publiceren en algemeen bekend te
maken. NCAP echter is een organisatie zonder winstoogmerk die informatie
tracht te verschaffen over de gevaren van bestrijdingsmiddelen die de
consument anders nooit zou bereiken. Het gaat hier niet om een of andere
populaire wedstrijd met de meeste stemmen voor de winnaar: alle aangetoonde
gevaren dienen serieus beoordeeld te worden.
Toen
Rachel Carson in 1962 'Dode Lente' publiceerde, werd ze direct door de
bestrijdingsmiddelenindustrie gedoodverfd als een a-wetenschappelijke
paniekzaaister. Wij echter, voelen ons zeer vereerd in haar voetsporen te
mogen treden.
Bronnen
1. Franz, J. E., M. K. Mao, and J. A. Sikorski. 1997. Glyphosate:
A unique global herbicide. ACS
Monograph 189. Washington DC: American Chemical Society.
2.
Fritsch P 1996. Top-selling Monsanto herbicide won't die on the vine.
Wall Street Journal (jan 2): A 13.
3.
Monsanto Co. Undated. Letter
from Dan Holman, communications manager.
Terug naar inhoudsopgave
Onkruidbestrijdingsmiddelen
- feiten
GLYFOSAAT
(Roundup)
Glyfosaat
is een breedspectrum onkruidbestrijdingsmiddel dat wereldwijd in gebruik is
als uitroeier van ongewenste planten, zowel in de landbouw- als de
niet-landbouwsector. Het gebruik in de Verenigde Staten wordt geschat tussen
de 17 en 22 miljoen kilo per jaar. De meeste glyfosaat-bevattende producten
zijn een mengsel van glyfosaat met een uitvloeier, chemicaliën die ervoor
zorgen dat glyfosaat in de plantencellen dringt.
Glyfosaat-bevattende
producten zijn acuut giftig voor dieren, inclusief de mens. De symptomen zijn:
oog- en huidirritaties, hoofdpijn, misselijkheid, gevoelloosheid, verhoogde
bloeddruk en hartkloppingen. De uitvloeier in een algemeen gebruikt
glyfosaat-product (Roundup) is acuut giftiger dan glyfosaat zelf; de
combinatie van de twee is zelfs nog giftiger!
Gezien
het feit dat glyfosaat als veilig en milieuvriendelijk op de markt wordt
gebracht, is het verbazingwekkend dat bij laboratoriumonderzoek nadelige
effecten werden geconstateerd bij alle standaard categorieën van
toxicologisch onderzoek. Het gaat hierbij om subchronische toxiciteit
(speekselklierbeschadiging), chronische toxiciteit (ontstoken maagwand),
genetische beschadiging (in menselijke bloedcellen), effecten op de
voortplanting (verminderde spermaproductie bij ratten, verhoogd aantal
gevallen van afwijkend sperma bij konijnen) en carcinogeniteit (verhoogd
aantal gevallen van levertumoren bij mannetjesratten en schildklierkanker bij
vrouwtjes).
Glyfosaat
is 'extreem persistent' genoemd door het Ministerie van Volksgezondheid en
Milieu in de Verenigde Staten (EPA, Environmental Protection Agency) en DT-50
waarden van meer dan 100 dagen zijn gemeten bij veldonderzoeken in Iowa en New
York. Glyfosaat is gevonden in wateren die verontreinigd werden als gevolg van
agrarisch, gemeentelijk en particulier gebruik van het middel.
De
toepassing van glyfosaat heeft het aantal nuttige insecten, vogels en kleine
zoogdieren flink teruggebracht door de vernietiging van de vegetatie waarvan
deze dieren afhankelijk zijn voor voedsel en beschutting.
In
laboratoriumtests bleek glyfosaat bij planten een verhoogde gevoeligheid voor
ziekten te veroorzaken en een vermindering van de groei van stikstofbindende
bacteriën
Zoals
beschreven door de fabrikant als 'veilig en milieuvriendelijk,1
lijkt een op glyfosaat gebaseerd bestrijdingsmiddel, een wondermiddel als men
met ongewenste plantengroei wordt geconfronteerd. Glyfosaat brengt echter tal
van gezondheids- en milieurisico's met zich mee. Het hierna volgend artikel
geeft een overzicht van al deze risico's.
Glyfosaat, N-(fosfonomethyl)glycerine
(Figuur 1), is een systemisch en niet selectief onkruidbestrijdingsmiddel dat
gebruikt wordt om breedbladige planten, grassen en alle soorten zeggen te
doden.2 Het middel werd in de VS geregistreerd in 1974 en wordt
gebruikt om onkruid onder controle te houden in de land- en tuinbouw, stads-,
park- en tuinbeplantingen en tevens bij water- en bosbeheer.3 De
meeste glyfosaat-bevattende onkruidbestrijders bevatten het
isopropylamine-zout van glyfosaat.4
Glyfosaat
producten worden wereldwijd geproduceerd door Monsanto. Zij brengen het
product onder verschillende merknamen op de markt: Roundup, Rodeo en Accord
zijn de bekendste namen in de VS.2 Anders dan bij de meeste
onkruidbestrijdingsmiddelen, zijn chemicaliën die nauw verwant zijn aan
glyfosaat geen werkzame herbiciden.
Terug naar inhoudsopgave
Gebruik
Glyfosaat komt op de zevende
plaats van de meest gebruikte bestrijdingsmiddelen
in land- en tuinbouw in de VS, op de derde plaats wat betreft het
gebruik op industriële terreinen en op de tweede plaats bij particulier
gebruik. Het jaarlijks verbruik wordt door het Amerikaanse Ministerie voor
Volksgezondheid en Milieu (Environmental Protection Agency, EPA), geschat op
17 tot 22 miljoen kilo.6 Het grootste landbouwverbruik gaat naar de
teelt van sojabonen, maïs, hooi en gras, en naar het onkruidvrij houden van
braakliggende terreinen.7 De jaarlijkse groei van het gebruik van
glyfosaat bedraagt tegenwoordig (1998) zo'n 20 procent. Dit komt vooral door
de introductie van genetisch gemanipuleerde gewassen die resistent,
ongevoelig, werden gemaakt voor glyfosaat.8(zie Figuur 2.) In de VS
zijn er jaarlijks 25 miljoen behandelingen van gazons en binnenplaatsen met
glyfosaat.9
Terug naar inhoudsopgave
De werking van glyfosaat
De
werking van glyfosaat is 'nu nog onbekend' volgens EPA.4 Uit vrij
veel onderzoek is echter gebleken dat glyfosaat een belangrijke enzymwerking
belemmert: die van de shikimiczuurbouwstenen, die ervoor zorgen dat planten
drie aromatische aminozuren kunnen aanmaken, die essentieel zijn voor de groei
en het voortbestaan van de meeste planten. De belangrijkste enzymwerking die
verhinderd wordt is de EPSP synthese.10 Glyfosaat is tevens in
staat nog twee andere enzymen die belangrijk zijn voor de aanmaak van de drie
aromatische aminozuren, te 'belemmeren of te onderdrukken'.4 Deze
enzymen komen voor in hogere plantensoorten en micro-organismen, maar niet bij
dieren.10
Twee
van de drie aromatische aminozuren zijn belangrijke aminozuren in het
menselijke dieet, omdat mensen evenals alle hogere diersoorten, de
shikimiczuurbouwstenen niet hebben en deze aminozuren niet kunnen aanmaken en
hiervoor dus afhankelijk zijn van het plantaardig voedselaanbod. Een aminozuur
wordt bij dieren aangemaakt op een andere manier.11
Glyfosaat
kan plantenenzymen aantasten die niet verbonden zijn met de
shikimiczuurbouwstenen. In suikerriet bijvoorbeeld vermindert glyfosaat de
werking van een van de enzymen betrokken bij de suikeromzetting.12
Het verhindert tevens de werking van een belangrijke ontgiftingsenzyme in
planten.13
Roundup
tast enzymen aan die men aantreft bij zoogdieren. Bij ratten werd door Roundup
de werking verminderd van twee ontgiftingsenzymen in de lever en van een enzym
in de ingewanden.14
Terug naar inhoudsopgave
“Niet-actieve” stoffen in glyfosaat-bevattende
producten
Vrijwel
alle bestrijdingsmiddelen bevatten naast de werkzame of actieve bestanddelen
die het onkruid aanpakken, tevens de - als ten onrechte bestempelde -
niet-actieve, of niet-werkzame stoffen. Het is de bedoeling dat deze
niet-actieve stoffen het product gebruiksvriendelijker en/of doeltreffender
maken. Over het algemeen worden ze niet vermeld op de verpakking of op de
bijsluiter.
Bij
de glyfosaat-bevattende producten zijn vele van deze hulpstoffen geïdentificeerd.
Raadpleeg voor informatie over de 'niet-actieve' stoffen “Giftigheid van
'niet-actieve' stoffen in glyfosaat-bevattende bestrijdingsmiddelen” op blz.
12. Vele toxicologische onderzoeken samengevat in deze uitgave, werden
uitgevoerd op basis van uitsluitend de werkzame stof glyfosaat. Sommige
onderzoeken werden uitgevoerd met producten, die zowel glyfosaat als
'niet-actieve' stoffen bevatten. Als er geen onderzoek is verricht met de
producten in de samenstelling zoals die algemeen gebruikt worden, is het
onmogelijk de risico’s en neveneffecten ervan te beoordelen.
We
zullen beide soorten van onderzoek bespreken en voor zover mogelijk de stoffen
identificeren die in elk onderzoek werden gebruikt.
Terug naar inhoudsopgave
Acute giftigheid bij proefdieren
De
orale toediening van een LD-50 dosis (de dosis die de dood veroorzaakt bij 50
procent van de proefdieren) bij ratten is hoger dan 4320 mg/kg van het
lichaamsgewicht. En dit brengt glyfosaat in de VS in giftigheidcategorie drie
(Waarschuwing).4 De acute dodelijke giftigheid via de huid (dermale
LD-50) bij konijnen is meer dan 2000 mg/kg lichaamsgewicht. Daardoor belandt
het bestrijdingsmiddel ook in giftigheidcategorie drie.4
De
commerciële glyfosaat-bevattende bestrijdingsmiddelen zijn acuut meer giftig
dan de zuivere glyfosaat. De hoeveelheid Roundup (glyfosaat en de uitvloeier
POEA) die nodig is om ratten te doden is ongeveer 1/3 van de benodigde
hoeveelheid zuivere glyfosaat.15 Roundup is dan ook acuut meer
giftig dan POEA alleen.15
Glyfosaat-bevattende
producten zijn giftiger bij inademen dan bij inslikken. Het inademen van
Roundup door ratten veroorzaakte vergiftigingsverschijnselen bij alle
testgroepen, 16 zelfs bij de laagst geteste concentraties. De
symptomen waren: moeizaam ademen, verstopte ogen, verminderde beweeglijkheid 17
en gewichtsverlies.16 De longen waren roodgekleurd of vol met
bloed.17 De benodigde dosis om longschade en dood te veroorzaken
bij toediening in de longen via rechtstreekse injectie in de luchtpijp van
twee Roundup producten en POEA, bedroeg slechts 1/10 van de dosis die schade
aanricht bij het inslikken van deze stoffen.15,18
Effecten
op de bloedsomloop: Honden kregen intraveneuze
injecties toegediend van glyfosaat, POEA en Roundup om de concentraties te
benaderen die men aantreft in het bloed van mensen die glyfosaat binnenkregen;
glyfosaat verhoogde het samentrekken van de hartspier, POEA veroorzaakte een
verminderde uitzetting van de hartspier en dus een lagere bloeddruk. Roundup
veroorzaakte hartklachten.19
Oogirritatie:
NCAP maakte een overzicht van oogrisico's die opgesomd worden op lijsten van
veiligheidsvoorschriften voor 25 glyfosaat-bevattende producten. Een van de
producten is 'sterk irriterend',20 vier ervan veroorzaken
'aanzienlijke maar tijdelijke oogschade',21-24 acht veroorzaken
oogirritatie,25-32 vijf 'kunnen oogirritatie veroorzaken',33-37
een ervan is 'matig irriterend'38 en drie van de 25 zijn 'licht
irriterend'.39-41 De drie overige producten vereisen toevoeging van
een uitvloeier voor gebruik,42-44 en dit product dat eveneens
verkocht wordt door de fabrikant van glyfosaat 'veroorzaakt brandende
ogen'.45
Huidirritatie:
Glyfosaat staat te boek als licht irriterend voor de huid. Roundup is 'matig
huidirriterend' en herstel kan meer dan twee weken duren.16
Terug naar inhoudsopgave
Giftigheid van 'niet-actieve'
stoffen in glyfosaat-bevattende producten
Drie
glyfosaat producten bevatten ammoniumsulfaat.29,30,32 Dit
veroorzaakt oogirritatie, misselijkheid en diarree, en kan tevens allergische
ademhalingsproblemen veroorzaken. Herhaaldelijke blootstelling kan blijvend
oogletsel veroorzaken.46
Een
glyfosaat product bevat benzisothiazolone. 47 Dit
veroorzaakt eczeem, huidirritatie en een lichte allergische reactie bij
gevoelige mensen.49,50 Vier glyfosaat producten bevatten 3-iodo-2-propynyl
butylcarbamaat (IPBC).39-41,47 Het is ernstig irriterend voor
de ogen en verhoogt het voorkomen van miskramen bij proefdieren.51
Het kan ook allergische huidreacties veroorzaken.52
Een
glyfosaat product bevat isobutaan.30 Dit veroorzaakt
misselijkheid, aantasting van het zenuwstelsel en moeilijke ademhaling.
Bovendien is het zeer brandgevaarlijk.53 Een glyfosaat product
bevat methyl pyrrolidinone.20 Dit veroorzaakt
ernstige oogirritatie.54 Het veroorzaakt tevens voortijdige
miskramen en gewichtsverlies bij foetussen bij proefdieren.55
Drie
glyfosaat bevattende producten bevatten pelargonic zuur.29,30,32
Dit veroorzaakt ernstige oog- en huidirritatie en kan irritatie van de
luchtpijp teweegbrengen.56
Negen
glyfosaat producten bevatten polyethyleenamine (POEA).21-24,31,35-38
Dit veroorzaakt branderige ogen, roodverkleuring van de huid, zwellingen en
blaren, misselijkheid en diarree.23,45
Drie
glyfosaat producten bevatten potassium hydroxide.29,30,32
Dit veroorzaakt blijvende oogschade, diepe huidzweren, ernstige branderigheid
van de slokdarm en ernstige irritatie van de luchtpijp.57
Een
glyfosaat product bevat sodium sulfiet.34 Dit kan
oog- en huidirritatie veroorzaken evenals braken en diarree 58 en
huidallergieën.59 Blootstelling aan kleine hoeveelheden kan
ernstige allergische reacties veroorzaken.60
Drie
glyfosaat producten bevatten sorbic zuur. 35,36,37
Dit kan ernstige huidirritatie veroorzaken met misselijkheid, braken,
chemische longontsteking en pijnlijke keel.61 Het veroorzaakt
tevens allergische reacties.62,63
Isopropylamine
wordt in sommige Roundup-producten gebruikt.47,64 Het is
buitengewoon destructief voor slijmvliesweefsel en voor het bovengedeelte van
de luchtpijp.65 Symptomen na blootstelling zijn: kortademigheid,
strottenhoofdontsteking, hoofdpijn en misselijkheid.65
Terug naar inhoudsopgave
Acute giftigheid voor de mens
Over
de acute giftigheid van glyfosaat bevattende producten bij mensen werd voor
het eerst geschreven door Japanse artsen die 56 gevallen van zelfmoordpogingen
onderzochten; negen ervan waren fataal. De symptomen waren ondermeer: pijn aan
de ingewanden, braken, overmatig vocht in de longen, longontsteking,
bewustzijnsvertroebeling en vernietiging van de rode bloedcellen.66
De artsen berekenden dat bij de dodelijke gevallen gemiddeld 200 ml (ongeveer
een kopje) was ingenomen. Volgens hen was POEA de oorzaak van de giftigheid
van Roundup.66 Recentere studies
van vergiftigingen vermelden dezelfde symptomen, met daarbij
longaandoeningen,67-69 beschadiging van het maagdarmkanaal,67-69
afwijkende elektrocardiogrammen,69 lage bloeddruk,67,69
nierbeschadiging,67,68,70 en schade aan het strottenhoofd.71
Kleinere hoeveelheden Roundup veroorzaken negatieve effecten, zoals huid- en
oogirritaties en sommige symptomen zoals vermeld in tabel 1.
Bij
het in de ogen wrijven van Roundup gingen oog en ooglid opzwellen en ontstond
er een versnelde hartslag met verhoogde bloeddruk. In het gezicht wrijven met
de handen nadat een lekke spuitinstallatie was aangeraakt, veroorzaakte een
opgezet gezicht. Onopzettelijk morsen van Roundup op handen en armen
veroorzaakte eczeem dat twee maanden aanhield.68 Morsen bij het
werken met Roundup veroorzaakte duizeligheid, koorts, misselijkheid,
hartkloppingen en keelpijn.72
Terug naar inhoudsopgave
Toxicologisch overzicht
Glyfosaat
wordt vaak afgeschilderd als toxicologisch onschadelijk: “uitgebreide
onderzoeken ondersteunen sterk de conclusie dat glyfosaat bijzonder weinig
giftig is.”73 Het onderzoek van de NCAP naar de giftigheid van
glyfosaat komt echter tot andere conclusies. Negatieve effecten werden
geconstateerd in elke standaard testcategorie (subchronisch, chronisch,
carcinogeen, mutageen en voortplanting). NCAP's overzicht wordt bekritiseerd
met de boude bewering dat deze effecten werden gevonden, omdat
standaard-test-protocols het vinden van negatieve effecten voorschrijven bij
de hoogst geteste dosis. De hierna volgende vijf paragrafen van dit artikel
tonen echter aan dat de bevindingen niet het resultaat waren van deze
protocolvoorschriften, want ze werden allemaal geconstateerd bij een lagere
dan de hoogst geteste dosis. (De weinige uitzonderingen worden duidelijk
aangegeven.)
Terug naar inhoudsopgave
Subchronische giftigheid
In
subchronisch onderzoek (gemiddelde duur) met ratten en muizen uitgevoerd door
het National Toxicology Program (NTP), werden er microscopisch kleine
beschadigingen aan de speekselklier gevonden bij alle onderzochte doses bij
ratten (200-3400 mg/kg per dag), en bij alle behalve de laagst geteste dosis
bij muizen (1000-12000 mg/kg per dag); Zie figuur 3. Een vervolgstudie door
NTP gaf aan dat de schade die door glyfosaat werd veroorzaakt ontstond door
het hormoon adrenaline.74
In
het NTP onderzoek ontdekte men tevens een groei bij twee leverenzymen bij
alle, behalve de twee laagst geteste doses. Bij tenminste twee doses
constateerde men verminderde gewichtstoename bij muizen en ratten; diarree bij
ratten; gewichtsveranderingen van nieren en lever van mannelijke ratten en
muizen.74
Bij
een ander subchronisch laboratoriumonderzoek constateerde men een toename van
kalium en fosfor in de bloedsomloop van ratten bij alle geteste doses (60-1600
mg/kg/dag).4
Glyfosaat-bevattende
producten zijn giftiger dan glyfosaat zelf in subchronisch onderzoek. Bij een
zeven dagen durende proef met kalveren veroorzaakte 790 mg/kg Roundup per dag
longontsteking en de dood van 1/3 van de geteste kalveren. Bij lagere doses
werd verminderde eetlust en diarree geconstateerd.2
Terug naar inhoudsopgave
Chronische giftigheid
Glyfosaat
blijkt tevens giftig bij lange-termijn-onderzoek. Bij alle doses (behalve bij
de laagste), ontstond een buitensporige celdeling in de urineblaas bij
mannelijke muizen 2 en ontsteking van de maagwand kwam voor bij
zowel mannelijke als vrouwelijke ratten.2
Terug naar inhoudsopgave
Kankerverwekkende eigenschappen
Alle voor het publiek
toegankelijke literatuur over kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat
werden uitgevoerd en/of betaald door de fabrikant.2 De eerste
publicatie voorgelegd aan EPA in 1981 gaf een toename te zien van
testikeltumoren bij ratten getest bij de hoogste dosis, alsmede een verhoogd
voorkomen van schildklierkanker bij vrouwtjesratten. Beide resultaten werden
verkregen door proeven met de hoogste dosis (30 mg/kg lichaamsgewicht per
dag).75,76 Bij de tweede studie (1983) werd een toename gevonden
van het voorkomen van een aantal zeldzame niertumoren bij mannelijke muizen.77
De meest recente studie (1990) toonde een toenemende groei aan van tumoren in
pancreas en lever bij mannelijke ratten, samen met een toename van dezelfde
soort schildklierkanker, die was aangetroffen bij de vrouwtjesratten van het
onderzoek in 1981.78
Deze
toename van tumoren of kanker is volgens EPA niet “stof-gerelateerd”,
hetgeen betekent dat EPA glyfosaat niet als de oorzaak van de tumoren
beschouwt. Voor wat betreft de testikeltumoren, heeft EPA de interpretatie van
een industrieel patholoog overgenomen die meent dat het voorkomen van
testikeltumoren bij behandelde groepen (12 procent) van dezelfde orde is als
die bij de niet met glyfosaat gevoerde ratten (4,5 procent).78 Voor
wat betreft de schildklierkanker, stelt EPA dat het onmogelijk is onderscheid
te maken tussen kanker en tumoren van dit type en dat ze dus samen bekeken
moeten worden. De gecombineerde gegevens echter zijn statistisch niet
significant.76 Voor wat betreft niertumoren onderwierp de fabrikant
het weefsel aan een heronderzoek en vond een bijkomende tumor bij onbehandelde
muizen, zodat de statistische significantie verloren ging. Dit in weerwil van
de mening van de EPA-patholoog die concludeerde dat de betreffende
weefselbeschadiging niet echt een tumor betrof.77 Ten aanzien van
pancreastumoren, stelde EPA dat er geen duidelijk verband bestond met de
geteste doses. Voor wat betreft lever- en schildkliertumoren, verkondigde EPA
dat paarsgewijze vergelijkingen tussen behandelde en onbehandelde proefdieren
statistisch niet significant waren.78
EPA
concludeerde dat glyfosaat ingedeeld zou moeten worden in Groep E: “bewijs
van niet-kankerverwekkende eigenschappen voor de mens”78. Zij
voegden eraan toe dat deze indeling “niet als een definitieve conclusie geïnterpreteerd
moet worden.”78 De onderzoeken naar kanker laten vele vragen
onbeantwoord. Over een van deze onderzoeken naar kanker schreef een
EPA-statisticus: “Waar het om gaat is het uitgangspunt. Ons uitgangspunt is
de bescherming van de volksgezondheid wanneer wij verdachte gegevens onder
ogen krijgen.”79 Helaas heeft EPA verzuimd dit belangrijke
standpunt in te nemen bij haar conclusies m.b.t. de mogelijk kankerverwekkende
eigenschappen van glyfosaat.
Voor
het publiek bestaan geen toegankelijke publicaties over onderzoek naar
kankerverwekkende eigenschappen van Roundup of andere glyfosaat bevattende
producten.
Terug naar inhoudsopgave
Mutagene eigenschappen
Hoewel de fabrikant van
glyfosaat een “indrukwekkende reeks verhandelingen” 80 aanhaalt
om aan te tonen dat glyfosaat geen genetische schade aanricht, zijn er andere
onderzoeken die aantonen dat zowel glyfosaat als glyfosaat-bevattende
producten mutageen zijn (mutaties in de genen veroorzaken).
Glyfosaat-bevattende
producten zijn sterker mutageen dan glyfosaat zelf. 81 Deze studies
geven het volgende aan:
•
Roundup en Pondmaster (een herbicide
voor gebruik in water, dat zowel glyfosaat als een geheime uitvloeier bevat 82,
veroorzaakten beide een toename in het voorkomen van geslachtsgebonden,
recessieve dodelijke mutaties. (Deze mutaties zijn gewoonlijk slechts
zichtbaar bij mannetjes). Slechts een enkele concentratie werd bij dit
onderzoek getest.83
•
Een onderzoek met menselijke
lymphociten (een soort witte bloedlichaampjes), gaf een toename te zien van
'sister chromatid' uitwisselingen als gevolg van blootstelling aan de laagst
geteste Roundup-dosis.84 (Sister chromatid uitwisselingen, zijn
uitwisselingen van genetisch materiaal tijdens de celdeling tussen deeltjes
van een chromosomenpaar. Dat komt weer voort uit 'point'mutaties.) Een
onderzoek uit 1997 met menselijke lymphociten (zie Figuur 4) kwam met
gelijksoortige resultaten bij Roundup (bij beide geteste doses) en bij
glyfosaat (bij alle doses, behalve de laagst geteste dosis).81
•
In Salmonella bacteriën was Roundup
zwak mutageen bij twee concentraties. In cellen van uiwortels werd, eveneens
bij twee concentraties, een toename van chromosoom-afwijkingen geconstateerd.85
•
Bij muizen die ingespoten werden met
Roundup, nam het verschijnsel “DNA-adducts” (het verbindend element met
genetisch materiaal van reactieve moleculen die mutaties teweegbrengen) toe in
lever en nieren bij alle drie de geteste doses.86(zie fig.4).
•
Bij een ander onderzoek met muizen die
geïnjecteerd werden met glyfosaat en Roundup, werd een toename geconstateerd
van chromosoom- en DNA-beschadiging in beenmerg, lever en nieren (slechts een
enkele concentratie werd getest bij dit onderzoek.)81
Terug naar inhoudsopgave
Effecten op de voortplanting
Blootstelling
aan glyfosaat wordt in verband gebracht met voortplantingsproblemen bij de
mens. Een onderzoek in Ontario, Canada, bracht aan het licht dat bij
boerenfamilies die glyfosaat gebruiken, steeds vaker miskramen en voortijdige
geboortes voorkomen.87 (zie fig. 5) Tevens had de Universiteit van
Californië een rapport over een studente atletiek die abnormaal vaak
menstrueerde als zij wedstrijden liep op met glyfosaat behandelde trajecten.88
Er
zijn ook een flink aantal effecten op de voortplanting aangetoond in allerlei
laboratoriumonderzoeken.
Bij
ratten veroorzaakte glyfosaat een afname in spermaproductie bij testen met de
twee hoogste doses. (zie Figuur 5) Bij mannetjes konijnen werd, bij toediening
van 1/10 en 1/100 van de LD-50, een toename geconstateerd van afwijkend en
dood sperma.89
Een
onderzoek met vrouwtjes konijnen veroorzaakte bij alle behandelde groepen, een
gewichtverlies van de foetussen.90
Terug naar inhoudsopgave
Giftigheid van glyfosaats belangrijkste metaboliet
(omzettingsproduct)
Over
het algemeen vindt men bij onderzoek naar de afbraak van glyfosaat slechts een
metaboliet, aminomethylfosfonylzuur (AMPA).2 Hoewel AMPA een lage
acute giftigheid heeft (de LD-50 is 8300 mg/kg lichaamsgewicht bij ratten)16,
veroorzaakt het toch een aantal toxicologische problemen. In subchronisch
onderzoek bij ratten, veroorzaakt AMPA bij beide seksen een toename in de
activiteit van het “lactic dehydrogenase-enzym”; een gewichtsafname van de
lever bij mannetjes bij alle geteste doses en een buitensporige celdeling in
de urineblaaswand bij beide seksen.16 AMPA is persistenter dan
glyfosaat; onderzoeken in acht staten van de VS toonden aan dat de DT-50
(halfwaardetijd, de tijd die nodig is om de helft van de oorspronkelijke
concentratie af te breken of te laten verdwijnen) tussen de 119 en 958 dagen
lag.2
Terug naar inhoudsopgave
De kwaliteit van laboratoriumonderzoek
Bij
onderzoek dat wordt uitgevoerd om te voldoen aan de toelatingseisen is
herhaaldelijk gefraudeerd.
Laboratoriumfraude
haalde voor het eerst de pers in 1983 toen EPA publiekelijk aankondigde dat
bij een in 1976 uitgevoerde bedrijfscontrole "ernstige gebreken en
onjuistheden" aan het licht werden gebracht bij onderzoeken die door
Industrial Biotest Laboratories (IBT) waren verricht.91 Problemen
waren ondermeer de “niet getelde sterfte van muizen en ratten” en
“routinematig vervalsen van gegevens”.91
IBT
was een van de belangrijkste laboratoria die tests uitvoerden ten behoeve van
de toelating van bestrijdingsmiddelen.91 Zo’n dertig onderzoeken
met glyfosaat en glyfosaat-bevattende producten werden door IBT uitgevoerd,
waarvan 11 van de 19 chronische toxicologische onderzoeken.92 Een
schitterend voorbeeld van de slechte kwaliteit van de IBT gegevens geeft een
EPA-toxicoloog die het volgende schreef: “Het is toch enigszins moeilijk om
niet aan de wetenschappelijke integriteit van een onderzoek te twijfelen als
IBT stelt dat zij stukjes baarmoeder van mannetjeskonijnen heeft gebruikt voor
histopathologisch onderzoek.”93
In
1991 beweerde EPA dat Craven Laboratories, een bedrijf dat onderzoek uitvoerde
voor 262 bestrijdingsmiddelenfabrikanten inclusief Monsanto, tests had
vervalst. Hoe men bij Craven Laboratories te werk ging: "Laboratorium
invoergegevens werden vervalst" en "wetenschappelijke apparatuur
werd gemanipuleerd om op die manier vervalste rapporten te produceren".95
Onderzoek naar Roundup residuen in pruimen, aardappelen, druiven en
suikerbieten zaten bij de betreffende gemanipuleerde onderzoeken.96
Een
jaar later werden de eigenaar en drie personeelsleden aangeklaagd voor twintig
delicten.97 De eigenaar werd veroordeeld tot vijf jaar
gevangenisstraf en een boete van 50.000 dollar; Craven Labs kreeg een boete
van 15,5 miljoen dollar en werd gesommeerd 3,7 miljoen dollar terug te
betalen.95
Hoewel
de frauduleuze glyfosaat onderzoeken intussen vervangen zijn, werpt deze
fraudezaak wel een smet op het hele proces van toelating van
bestrijdingsmiddelen.
Terug naar inhoudsopgave
Onwettige reclame
In
1996 was Monsanto in onderhandeling met de procureur generaal (PG) in New York,
die Monsanto sommeerde te stoppen met het verkondigen van bepaalde gezondheids-
en milieuclaims in reclame voor glyfosaat-bevattende producten en tevens een
bedrag van 50.000 dollar eiste. Beweringen dat glyfosaat-bevattende producten
“veiliger zijn dan tafelzout,”98 “veilig voor mensen,
huisdieren en het milieu” en “snel na toepassing afbreken” 98
werden aangevochten door de PG, omdat dit in strijd was met de FIFRA: Federal
Insecticide, Fungicide and Rodenticide Act, de nationale
bestrijdingsmiddelenwet.98 Volgens de PG hield Monsanto zich bezig
met “onjuiste en misleidende reclame”.98
EPA
kwam in 1998 tot een gelijksoortige conclusie over reclame voor Roundup
betreffende “onjuiste en misleidende claims,”99, die in strijd
waren met de Bestrijdingsmiddelenwet. EPA ondernam echter geen enkele actie en
stelde Monsanto niet eens op de hoogte van hun bevindingen aangezien er twee
jaren waren verstreken tussen het tijdstip waarop EPA de advertenties
voorgelegd kreeg en het nemen van de beslissing.99
Terug naar inhoudsopgave
Menselijke blootstelling
Mensen
worden blootgesteld aan glyfosaat door contact tijdens het werk, door het eten
van verontreinigd voedsel, door verwaaiing tijdens toepassing (drift), door
contact met verontreinigde grond en het drinken van of baden in verontreinigd
water. De volgende vijf onderdelen in deze uitgave geven een overzicht van
deze vijf verschillende manieren van blootstelling. Het derde gedeelte over
drift, gaat ook over het effect op planten.
Terug naar inhoudsopgave
Verontreinigd
voedsel
De
analyse van residuen van glyfosaat is 'over het algemeen arbeidsintensief,
ingewikkeld en kostbaar.'2 Daarom is dit ook niet opgenomen in
overheidscontrole naar residuen van bestrijdingsmiddelen in voedsel.2
De enige beschikbare informatie over voedselbesmetting komt van
wetenschappelijk onderzoek.
Volgens
de Wereld Gezondheidsorganisatie zijn 'residuen van betekenis' aangetroffen in
tarwe als gevolg van bespuiting met glyfosaat vlak voor de oogst om de korrels
te drogen. Tarwezemelen bevatten twee tot vier keer meer glyfosaat dan de
tarwekorrel. De residuen verdwijnen niet bij het bakken.2
Terug naar inhoudsopgave
Blootstelling tijdens het werk
In
Californië, de staat met de meest uitgebreide rapportages van aandoeningen
veroorzaakt door bestrijdingsmiddelen, stonden glyfosaat-bevattende
bestrijdingsmiddelen derde op de ranglijst van de meest algemeen vermelde
oorzaak van aandoeningen bij agrariërs veroorzaakt door bestrijdingsmiddelen.100
Bij bos- en plantsoenwerknemers waren de glyfosaat-bevattende
bestrijdingsmiddelen de meest gemelde oorzaak van allerlei aandoeningen.101
(Beide statistieken zijn afkomstig van rapporten over allerlei aandoeningen,
verzameld tussen 1984 en 1990.) Zelfs wanneer rekening gehouden wordt met het
gebruik op grote schaal van glyfosaat in Californië en de statistieken
ziekteverschijnselen die melding maken van 'het aantal gemelde acute
aandoeningen per miljoen pond die gebruikt wordt in Californië', komt
glyfosaat op de twaalfde plaats.100
Terwijl
vele Californische rapporten melding maken van 'irriterende effecten,'102
meestal aan ogen en huid, heeft de NCAP een overzicht gemaakt van zo’n
honderd meldingen in de jaren 1993, 1994 en 1995 en bevonden dat het bij meer
dan de helft van de gevallen om ernstiger aandoeningen gaat; het betreft dan
brandende ogen of huid, vertroebeld zicht, vervellingen, misselijkheid,
hoofdpijn, braken, diarree, pijn op de borst, duizeligheid, gevoelloosheid,
moeizaam ademen en brandend gevoel aan geslachtsorganen.103 Andere
symptomen werden geconstateerd bij werkzaamheden in een lijnzaadmolen in
Engeland. Tijdens een onderzoek werden de effecten vergeleken van het inademen
van stof afkomstig van met Roundup behandeld lijnzaad met de effecten van het
inademen van stof van onbehandeld lijnzaad. Het stof van het met Roundup
behandeld lijnzaad gaf een verminderde longfunctie te zien en een toename van
hoesten en ademnood.104
"De
fabrikant van glyfosaat meldde dat in Minnesota zo’n tien hectare maïs werd
vernield door verwaaiing (drift) ten gevolge van toepassing aan de grond en
het Ministerie van Landbouw van Washington rapporteerde schade aan een veld
met twaalf hectare uien, als gevolg van het gebruik van glyfosaat in de
omgeving."
Terug naar inhoudsopgave
Ongewilde verwaaiing - drift
Over
het algemeen is ongewilde verspreiding van een bestrijdingsmiddel
'onvermijdelijk'.105 Dit geldt ook voor glyfosaat. Bij dit product
is drift echter ernstiger omdat de schade ernstiger en langduriger is dan bij
andere bestrijdingsmiddelen.106 Dit komt doordat glyfosaat meteen
in de plant dringt, zodat zelfs niet-blootgestelde plantendelen beschadigd
kunnen worden. Schade aan vaste planten (als ze niet met voldoende glyfosaat
in aanraking zijn geweest om gedood te zijn) is langdurig met symptomen die
meerdere jaren kunnen aanhouden.106 Bovendien is de gevoeligheid
van planten erg variabel. Sommige wilde planten zijn bijna honderd keer
gevoeliger dan andere; drift in een hoeveelheid gelijk aan 1/1000 van een
normale dosis bij bespuiting, zal deze soorten beschadigen.107
Een
eenvoudig antwoord op de vraag: 'Welke afstand kan glyfosaat afleggen bij
ongewilde verspreiding' is niet te geven, want deze drift is 'uitgesproken
variabel'.108 Sinds de zeventiger jaren zijn wel metingen van drift
verricht; onderzoek in Californië wees toen al uit dat er nog glyfosaat werd
aangetroffen tot 800 meter verwijderd van de plaats van lucht- en
grondtoepassingen. Soortgelijke driftafstanden werden gemeten voor acht
verschillende sproeisystemen die in dit onderzoek getest werden.109
Meer recente metingen die verricht werden bij de belangrijkste
toepassingstechnieken geven de volgende driftafstanden aan:
•
Grondtoepassingen:
Een onderzoek bij 15 soorten (wilde)planten wees uit dat ongeveer 10 procent
gedood werd als zaailing tot op zo'n 20 meter afstand met de wind mee, bij
gebruik van een op een tractor gemonteerde sproeier. Zaailingen van enkele
gevoelige soorten sneuvelden tot op 40 meter afstand.110 Een
berekening met een drift model voorspelde dat sommige inheemse planten tot op
80 meter beschadigd zouden worden.107 De fabrikant van glyfosaat
meldde dat drift bij een bespuiting in Minnesota tien hectare maïs heeft
aangetast,111 en het Ministerie van Landbouw in Washington meldde
beschadiging van twaalf hectare uien door de toepassing van glyfosaat.112
•
Toepassing met helikopters:
Een onderzoek in Canada113 heeft residuen van glyfosaat aangetoond
op 200 meter afstand van het bedoelde terrein als gevolg van sproeien met
helikopters. Bij dit onderzoek was de verste afstand waarbij monsters werden
genomen 200 meter, zodat niet echt duidelijk is tot hoe ver glyfosaat zich
onder die omstandigheden kan verspreiden.
•
Spuiten vanuit vliegtuigen:
Bij sproeien vanuit vliegtuigen ontstaan lange driftafstanden. Twee
onderzoeken van het Canadese Ministerie van Landbouw toonden glyfosaat aan op
de verste afstanden van het bedoelde gebied waar gemeten werd (300 en 400
meter).114,115 In een van deze onderzoeken, berekende men dat er
bufferzones tussen 75 en 1200 meter vereist zijn om de omringende vegetatie te
beschermen.115 Volgens Monsanto is de ongewilde verspreiding vanuit
de lucht in een geval voldoende geweest om 1000 bomen aan te tasten,116
honderd hectare maïs in een ander geval,117 en bij een derde
incident zestig hectare tomatenaanplant.118
Persistentie en verplaatsing in de bodem
De
persistentie van glyfosaat varieert sterk, maar de halfwaardetijd (DT-50) in
landbouwgrond kan meer dan 4 maanden bedragen. Een eenvoudig antwoord op de
vraag: 'Hoe lang blijft glyfosaat in de bodem?' bestaat dus niet. Halfwaarde
tijden (DT-50, de tijd die nodig is om de helft van de toegepaste hoeveelheid
glyfosaat af te breken of te laten verdwijnen) van slechts drie dagen in Texas,
tot 141 dagen in New York werden gemeten door de fabrikant van glyfosaat.119
(figuur 6.) De afbraak in het begin verloopt sneller dan het afbraakproces van
hetgeen achterblijft.120 Langdurige persistentie werd aangetoond in
de volgende onderzoeken: 55 dagen in Oregon op een bosbouwterrein,121
249 dagen in Finse landbouwgronden,122 tussen 259 en 296 dagen in
Finse bosbouwterreinen,120 335 dagen in een bosbouwterrein in
Ontario (Canada),123 360 dagen in drie bosbouwterreinen in Brits
Columbia,124 een tot drie jaar in 11 Zweedse bosbouwterreinen.125
De Afdeling Ecologische Effecten van EPA schreef: 'Samengevat is dit
onkruidbestrijdingsmiddel onder bepaalde omstandigheden, extreem persistent.'126
Glyfosaat wordt geacht zich 'stevig te binden aan de meeste grondsoorten'127
en is daarom 'in de meeste grondsoorten in wezen immobiel.'127 Dit
betekent dat het onwaarschijnlijk is dat glyfosaat water of bodem buiten het
behandelde terrein zal verontreinigen. De hechting aan de bodem is echter
'omkeerbaar'. Een onderzoek bijvoorbeeld wees uit dat glyfosaat zich snel bond
aan vier verschillende grondsoorten. Bij uitspoeling echter kan de hechting
van glyfosaat aan bodemdeeltjes ook snel teniet worden gedaan. In een
grondsoort spoelde 80 procent van de opgenomen hoeveelheid glyfosaat op binnen
twee uur uit. In dit onderzoek kwam men tot de conclusie dat 'dit
bestrijdingsmiddel extreem mobiel kan zijn in de bodem....'128
Terug naar inhoudsopgave
Waterverontreiniging
Als glyfosaat zich zo
gemakkelijk bindt met bodemdeeltjes, bezit het zeker niet de eigenschappen van
chemische bestrijdingsmiddelen die geacht worden uit te spoelen in water.2
(Indien glyfosaat gemakkelijk oplost zoals hierboven beschreven, wordt het
echter anders). Glyfosaat kan het oppervlaktewater bereiken indien de
bodemdeeltjes waarmee het zich verbonden heeft in rivieren en meren terechtkomen.4
Hoe vaak dit voorkomt is niet bekend, omdat routinematig toezicht en
controle van glyfosaat in water zelden plaats vindt.2
Glyfosaat
is zowel in grond-, als oppervlaktewater aangetroffen. Voorbeelden hiervan
zijn de vele vijvers bij boerderijen in Ontario, Canada, die besmet zijn
geraakt door het wegspoelen van in de landbouw gebruikt glyfosaat, of door
morsen 129; de uitspoeling van een waterscheiding behandeld met
Roundup tijdens de productie van graan en
grassen 130; verontreinigd oppervlaktewater in Nederland 2;
zeven met glyfosaat verontreinigde bronnen in de VS (een in Texas en
zes in Virginia) 131; verontreinigde rivieren in bossen in Oregon
en Washington 132,133; verontreinigde rivieren bij Puget Sound
(eeuwenoude regenwouden) in de buurt van Seattle in Washington 134;
en tot slot verontreinigde bronnen onder met glyfosaat behandelde
elektriciteitstations.135
De
persistentie van glyfosaat in water is korter dan in de bodem. Twee Canadese
onderzoeken toonden een persistentie aan van 12 tot 60 dagen in vijverwater.136,137
Vijverslib echter houdt glyfosaat nog langer vast. De halfwaardetijd in
vijverbodems bij een onderzoek in Missouri, bedroeg bijvoorbeeld 120 dagen,
terwijl de persistentie van glyfosaat in vijverslib in Michigan en Oregon meer
dan een jaar was.4
Terug naar inhoudsopgave
Ecologische effecten
Glyfosaat
kan een uitwerking hebben op vele organismen die onbedoeld in aanraking komen
met het onkruidbestrijdingsmiddel. De twee volgende hoofdstukken geven een
overzicht van zowel effecten met directe dodelijke afloop, als indirecte
effecten door vernietiging van voedselbronnen en leefruimte.
Terug naar inhoudsopgave
Onbedoelde effecten voor dieren
Nuttige
insecten: Nuttige insecten doden schadelijke
insecten in de landbouw. De Internationale Organisatie voor Biologische
Controle, stelde vast dat blootstelling aan versgedroogde Roundup meer dan 50
procent van drie soorten nuttige insecten uitroeide: een sluipwesp, een
gaasvlieg en een soort lieveheersbeestje. Bovendien werd er meer dan 80
procent gedood van een vierde soort nuttig insect: een roofkeversoort.138
Nadelige
gevolgen voor nuttige insecten worden eveneens aangetoond in veldonderzoeken
en worden waarschijnlijk veroorzaakt doordat het bestrijdingsmiddel hun
leefruimte vernietigt. Populaties van grote loopkevers in tarwevelden van
Noord Carolina, VS, waren na vier weken niet hersteld na een bespuiting met
glyfosaat.139 Een onderzoek in Groot-Brittannië na een
Roundup-bespuiting van heggen en hagen gaf ook een drastische afname te zien
van loopkevers.140
Andere
insecten: Een Roundup-behandeling van een
kaalgekapt terrein in Maine, VS, resulteerde in een terugval van 89% in de
aantallen plantenetende insecten, door vernietiging van de onderbegroeiing
waarvan ze leven (zie Figuur 7). En deze insecten zijn een belangrijke
voedselbron voor allerlei vogels en kleine zoogdieren.141 De
Amerikaanse Fish and Wildlife Service (vergelijkbaar met Staatsbosbeheer),
heeft ontdekt dat een bepaalde keversoort - het vliegend hert - in zijn
bestaan bedreigd wordt door het gebruik van glyfosaat.142
Andere
geleedpotigen (arthropoda): Glyfosaat en
glyfosaat-bevattende producten verdelgen een hele reeks van geleedpotigen,
zoals roofmijt, houtluis en vele soorten spinnen. Meer dan de helft van een
proefpopulatie van een nuttige roofmijt werd vernietigd door aanraking met
Roundup.138 In een ander laboratoriumonderzoek veroorzaakte Roundup
een terugval in lichaamsgewicht en overlevingskans van houtluis. Deze beestjes
zijn van groot belang voor humusproductie en bodembeluchting.143
Ook
spinnenpopulaties worden gereduceerd in hagen die behandeld worden met Roundup,
waarschijnlijk doordat de planten gedood zijn waar de spinnen hun webben
spinnen.140 De watervlo Daphnia pulex verdwijnt bij Roundup
concentraties van 3 tot 25 ppm.144-146 Jonge watervlooien zijn
gevoeliger dan volwassen exemplaren.145 De rode rivierkreeft - een
soort die voor consumptie gekweekt wordt - sneuvelde bij een concentratie
Roundup van 47 ppm.147
Regenwormen:
Een onderzoek naar de gewone regenworm in landbouwgrond in Nieuw Zeeland, wees
uit dat herhaaldelijk gebruik van glyfosaat een onmiskenbare invloed heeft op
de groei en het overleven van regenwormen. Tweewekelijkse toepassingen van
kleine hoeveelheden glyfosaat (1/20 van normale dosis), veroorzaakten
vermindering van de groei (zie figuur 8), een langere duur van de groei naar
volwassenheid en sterftetoename.148
Vissen: Zowel
glyfosaat als de handelsproducten die glyfosaat bevatten, zijn acuut giftig
voor vissen. Over het algemeen is glyfosaat op zich minder schadelijk dan het
gangbare Roundup en andere glyfosaat-bevattende producten die wat betreft
giftigheid tussen beide inzitten. De verschillen tussen de producten zijn
deels te verklaren door de giftigheid van de uitvloeier (een
“wasmiddelachtige” stof) in Roundup. Deze stof is 20 tot 70 keer giftiger
dan glyfosaat zelf.144
De
acute giftigheid van glyfosaat, varieert sterk: Gemiddelde dodelijke
concentraties (LC-50: de concentratie die 50 procent van een groep proefdieren
doodt) van 10 ppm tot meer dan 200 ppm worden gerapporteerd, afhankelijk van
de vissoort en testomstandigheden.2
De
acute toxiciteit (LC-50) van Roundup voor vis varieert van 2 ppm tot 55 ppm.2
Voor een deel is deze variatie te wijten aan leeftijd: jonge vissen zijn
gevoeliger voor Roundup dan oudere vissen.144 (zie Figuur 9.) Acute
giftigheid van het product Rodeo (met, volgens de tekst op de verpakking, de
uitvloeier X-77) varieert van 120 tot 290 ppm.149
In
zacht water is er weinig verschil in toxiciteit tussen Roundup en glyfosaat.150
Ook als vis niet net heeft gegeten is de giftigheid van glyfosaat en die van
Roundup gelijk (LC-50 = 2,9 ppm).151
De
giftigheid van Roundup neemt toe bij een hogere watertemperatuur en verdubbelt
tussen 7 en 17 graden Celcius bij regenboogforel en 'bluegills'.144
Behandeling van oevers met glyfosaat brengt een temperatuurverhoging van het
water met zich mee die een aantal jaren kan aanhouden,152 door het
feit dat schaduwrijke vegetatie wordt vernield. Dit betekent dat door het
gebruik van glyfosaat de giftigheid voor vissen kan toenemen. Deze
temperatuurverhoging is met name bijzonder ongunstig voor jonge zalm, die
juist goed gedijt in koud water.
Niet-direct
dodelijke effecten van glyfosaat komen voor bij lage concentraties. Bij
regenboogforel en tilapia werd een grillig zwemgedrag geconstateerd na het
toedienen van respectievelijk de helft en een derde van de LC-50.153,154
Bovendien ademde de forel moeilijk.153 Deze effecten verhogen het
risico dat deze vissen eerder worden gegeten en dat hun voedings-, trek- en
voortplantingsgedrag beïnvloed wordt.154 Minder dan een procent
van de LC-50 veroorzaakte bij karpers beschadiging van de kieuwen en bij
minder dan twee procent veranderde de leverstructuur.155
Vogels:
Glyfosaat heeft indirecte invloeden op vogels. Omdat glyfosaat planten
vernietigt, kunnen er dramatische veranderingen ontstaan in de structuur van
de plantenwereld. Dit is van grote invloed op vogelpopulaties, omdat vogels
afhankelijk zijn van planten voor voedsel, beschutting en broedgelegenheid.
Bijvoorbeeld:
een onderzoek van vier kaalgekapte bospercelen die met glyfosaat behandeld
werden (en een onbehandelde controle-strook) in Nova Scotia, Canada, wees uit
dat twee jaar na de bespuiting het aantal van de twee meest voorkomende
vogelsoorten (de witkeelmus en de gewone geelkeel) afgenomen was. Pas na 4
jaar was het oorspronkelijke aantal weer hersteld. De onbehandelde strook had
er intussen nieuwe soorten bij: tjiftjafs, vireo’s en een soort kolibri, die
men niet aantrof op de besproeide terreinen.156
Een
eerdere driejarige studie naar het voorkomen van zangvogels op met glyfosaat
bespoten kaalgekapte bospercelen in Maine, VS, kwam met soortgelijke
resultaten. Het totaal aantal vogels en van drie veelvoorkomende soorten, nam
af. De vermindering van het aantal vogels werd veroorzaakt door de
vermindering van de diversiteit van de leefomgeving.157
De korhoen bleef meerdere jaren
weg uit met glyfosaat bespoten gekapte bossen in Noorwegen.158
Onderzoekers adviseren het bestrijdingsmiddel niet te gebruiken in de buurt
van de baltsterreinen van de korhoenders.
Kleine
Zoogdieren: Bij veldonderzoek ziet men de
indirecte gevolgen voor kleine zoogdieren, als glyfosaat de vegetatie doodt
waarvan zij (of hun prooi) afhankelijk zijn voor voedsel en beschutting. Op
gekapte percelen in Maine,141 verminderde het aantal insectenetende
spitsmuizen nog tot drie jaar na de bespuiting; het aantal plantenetende
veldmuizen twee jaar. (zie Figuur 7.) Een tweede onderzoek na een Roundup
bespuiting, in Maine, kwam tot dezelfde resultaten met veldmuizen.159
In Brits Columbia, Canada, verminderde de populatie van een bepaalde
muizensoort met 83 procent na een glyfosaat bespuiting.160 Bij een
ander onderzoek in Brits Columbia werd afname van populaties eekhoorns
geconstateerd, na Roundup bespuiting.161 Het is opvallend hoe in
Noorwegen sneeuwhazen de bespoten, gekapte bospercelen mijden.162
Andere onderzoeken hebben geen effecten gevonden voor kleine zoogdieren,163
wat inhoudt dat het mogelijk is dat een bepaalde combinatie van
terreinomstandigheden en gebruik van een bestrijdingsmiddel, van invloed kan
zijn.
Grote
zoogdieren: Canadees onderzoek heeft uitgewezen
dat planten die als belangrijke voedselbron dienen voor grote zoogdieren,
ernstig beschadigd worden door het gebruik van glyfosaat. 'Ernstige' of 'zeer
ernstige' schade werd gerapporteerd voor 46 procent van de belangrijkste
plantensoorten die door elanden worden gegeten, tussen 34 en 40 procent van de
soorten die gegeten worden door Wapiti-herten en 36 procent van de soorten die
vooral door muildierherten gegeten worden.164
Terug naar inhoudsopgave
Effecten op planten die niet het doel van de
bespuiting zijn
Als
breedwerkend plantendodend bestrijdingsmiddel, heeft glyfosaat een sterk acuut
giftig effect op de meeste plantensoorten. Er zijn echter ook andere ernstige
effecten. Deze betreffen bedreigde en beschermde plantensoorten, verminderde
zaadkwaliteit, verminderd vermogen om stikstof te binden, verhoogde
gevoeligheid voor plantenziekten, en verminderde activiteit van nuttige
wortelzwamvlokken.
Bedreigde
soorten: Aangezien vele soorten planten
gevoelig zijn voor glyfosaat, kunnen bedreigde soorten hiervan veel schade
ondervinden. De 'Fish and Wildlife Service' in de Verenigde Staten heeft een
lijst samengesteld van 74 bedreigde plantensoorten die volgens hen in gevaar
kunnen komen door gebruik van glyfosaat. Deze lijst is gebaseerd op het
gebruik van glyfosaat in negen gewassen en heeft geen betrekking op meer dan
vijftig andere toepassingen van dit bestrijdingsmiddel.142
Zaadkwaliteit:
Een bespuiting met Roundup die katoen niet doodt 'tast de zaadkieming, kracht
en stevigheid van de planten onder veldomstandigheden ernstig aan.' Bij de
kleinste hoeveelheid glyfosaat die toegepast werd liep de zaadkieming van
katoen terug met 24 tot 85 procent en het gewicht van de zaailing verminderde
met 19 tot 83 procent.165
Stikstofbinding:
De meeste levensvormen kunnen geen stikstof als zodanig opnemen en maken
gebruik van ammonia en nitraten die minder veelvuldig voorkomen. Ammonia en
nitraten worden gevormd in processen die men stikstoffixatie en nitrificatie
noemt. Bacteriën in de grond en wortelknolletjes van peulvruchten
bijvoorbeeld zijn daarvoor verantwoordelijk.166
De
volgende onderzoeken tonen het effect aan van glyfosaat op stikstoffixatie:
Bij gebruik van een normale toepassingsconcentratie verminderde glyfosaat het
aantal wortelknolletjes met 70 procent van klaver die 120 dagen na behandeling
werd aangeplant 167; een zelfde concentratie glyfosaat reduceerde
het aantal knolletjes met 27 procent bij klaver in hydroteelt 168;
dezelfde concentratie glyfosaat veroorzaakte een 20 procent verminderde
stikstoffixerende werking bij een bepaalde grondbacterie 169(zie
Figuur 10); een concentratie glyfosaat, ongeveer de hoeveelheid die men in
het wortelgestel van sojaplanten kan verwachten na behandeling,
verhinderde de groei van de stikstofbindende soja-bacterie met 10 tot 40
procent 170; en een behandeling met de laagst geteste concentratie
glyfosaat (10 keer de gebruikelijke toepassingshoeveelheid), reduceerde het
aantal klaverwortelknolletjes met 68 tot 95 procent.
Alle
hiervoor aangegeven onderzoeken werden uitgevoerd in het laboratorium. Bij
veldproeven zijn deze effecten moeilijk waar te nemen. Het is echter wel zo
dat door het gebruik van genetisch gemanipuleerde gewassen die tolerant voor
glyfosaat zijn gemaakt, de stikstofbindende bacteriën in de akkergronden
uiteindelijk aangetast kunnen worden bij herhaaldelijk gebruik van glyfosaat.'170
Glyfosaat
beïnvloedt ook andere gedeelten van de stikstofcyclus. Een Canadees onderzoek
wees uit dat een verhoogd nitraatverlies optrad tot zeven weken na een
Roundup-bespuiting van een grasveld. Dit werd waarschijnlijk veroorzaakt door
de voedingsstoffen die vrijkwamen in de bodem door afstervende begroeiing.172
Wortelzwamvlokken
(Mycorrhiza): Wortelzwamvlokken zijn nuttige
zwamdraden die in en rond de plantenwortels groeien en de planten helpen bij
het opnemen van voedingsstoffen en water en hen beschermen tegen koude en
droogte.173 Roundup blijkt in laboratoriumonderzoek schadelijk te
zijn voor deze zwamdraden. Sommige zwamdraden die bij coniferen horen bleken
aangetast bij concentraties van 1 ppm (1 deel op 1 miljoen), hetgeen lager is
dan de hoeveelheid die men aantreft na een gebruikelijke bespuiting.174,175
Bij orchideeën veranderde door bespuiting met glyfosaat de nuttige
samenwerking tussen de orchidee en haar zwamdraden in een parasitaire
interactie, waar de planten geen voordeel van hadden.176
Plantenziekten:
Glyfosaat-bespuitingen verhogen de gevoeligheid van gewassen voor tal van
ziekten. Tomaten bijvoorbeeld werden gevoeliger voor 'kroon- en wortelziekten'177;
bij bonenplanten verminderde de weerstand tegen de ziekte roest 178;
er werd een toename van de groei van destructieve bodemzwammen geconstateerd
in grondmonsters afkomstig van een tarweveld, met tegelijkertijd een afname
van de nuttige bodemzwammen die de destructieve zwammen vijandig gezind zijn179;
en er deed zich een vermeerdering voor in de bodem van twee belangrijke
ziektekiemen die het wortelgestel van erwtenplanten aantasten.180
Bovendien werd door Roundup-injectie van een naaldboomsoort de defensieve
reactie van de boom geremd tegen een schadelijke blauw-gespikkelde zwam.181
Zowel de
geremde stofwisseling bij de wortelzwamvlokken en de verhoogde gevoeligheid
voor ziekten bij allerlei gewassen, werden waargenomen bij
laboratoriumonderzoek en niet bij veldproeven. Gezien de ernst van de zaak, is
meer onderzoek noodzakelijk.
Terug naar inhoudsopgave
Resistentie van Planten
Planten die
resistent zijn voor glyfosaat kunnen bespuiting doorstaan zonder enig teken
van vergiftiging. Terwijl veel plantkundigen beweren dat het 'bijna onmogelijk
is voor wilde planten om een glyfosaat-resistentie te ontwikkelen,'182
stellen anderen 'dat er weinig in de weg staat voor wilde planten om
resistentie te ontwikkelen.' De tweede groep wetenschappers blijkt het bij het
rechte eind te hebben. In 1996 rapporteerde een Australische onderzoeker dat
een populatie eenjarig raaigras, resistentie had ontwikkeld en een bespuiting
verdroeg die vijf keer hoger is dan aanbevolen gebruiksconcentratie.183
Terug naar inhoudsopgave
Bronnen
1.
Franz, J.E., M.K. Mao, and J.A. Sikorski. 1997.
Glyphosate: A unique global herbicide. ACS
Monograph 189. Washington D.C.: American Chemical Society.
2.
World Health Organisation, United Nations Environment Programme, the
International Labour Organisation. 1994. Glyphosate. Environmental Health
Criteria #159. Geneva, Switzerland.
3.
U.S. Environmental Protection Agency. 1986. Pesticide fact-sheet:
Glyphosate. No. 173. Washington, D.C.: Office of Pesticide Programs, June.
4.
U.S. EPA. Office of Pesticide Programs. Special Review and
Re-registration Division. 1993. Re-registration eligibility decision (RED):
Glyphosate. Washington, D.C., Sept.
5.
Ref.#1, p. 14.
6.
Aspelin, A.L. 1997. Pesticide industry sales
and usage: 1994 and 1995 market
estimates. U.S. EPA. Office of Prevention, Pesticides and Toxic Substances.
Office of Pesticide Programs. Biological and Economic Analysis Division.
Washington, D.C., Aug.
7.
Gianessi, L.P. and J.E. Anderson. 1995. Pesticide use in U.S. crop
production. Washington, D.C. National Center for Food and Agricultural Policy,
Feb.
8.
Bureau of National Affairs. Pile & Fisher. 1998. Monsanto reports
higher Q2 income for ag chems. Green Markets Pesticide
Report (Aug. 3):2.
9.
Whitmore, R.W., J.E. Kelly, and P.L. Reading. 1992. National home and
garden pesticide use survey. Final report, Vol. 1: Executive summary, results, and
recommendations. Research Triangle Park, NC: Research Triangle Institute.
10. Ref.#1, pp.9-10.
11. Metzler, D.E. 1977. Biochemistry:
The chemical reactions of living
cells. Pp. 849-850. New York, NY: Academic Press.
12. Su, L.Y. et al. 1992. The
relationship of glyphosate treatment to sugar metabolism in sugarcane: New
physiological insights. J. Plant Physiol. 140:168-173.
13.
Lamb, D.C. et al. 1998. Glyphosate is an inhibitor of plant cytochrome P450:
Functional expression of Thlaspi arvensae cytochrome P45071 B1 reductase.
fusion protein in Escherichia coli. Biochem. Biophys. Res. Comm. 244:110-114.
14.
Hietanen, E., K. Linnainmaa, and H. Vainio. 1983. Effects of phenoxy
herbicides and glyphosate on the hepatic and intestinal bio-transformation
activities in the rat. Acta Pharma. et Toxicol. 53:103-112.
15.
Martinez, T.T. and K. Brown. 1991. Oral and pulmonary toxicology of the
surfactant used in Roundup herbicide. Proc. West. Pharmacol. Soc. 34:43-46.
16.
Agriculture Canada. Food Production and Inspection Branch. Pesticides
Directorate. 1991. Discussion document: Pre-harvest use of glyphosate. Ottawa,
Ontario, Canada., Nov. 27.
17.
U.S. EPA. Office of Pesticides and Toxic Substances. 1982. Memo from
William Dykstra, Toxicology Branch, to Robert Taylor, Registration Division,
April 29.
18.
Martinez, T.T., W.C. Long, and R. Hiller. 1990. Comparison of the
toxicology of the herbicide Roundup by oral and pulmonary routes of exposure.
Proc. West. Pharmacol. Soc. 34:43-46.
19. Tai, T. 1990. Hemodynamic
effects of Roundup, glyphosate and surfactant in dogs. Jpn. J. Toxicol. 3(1):63-68. Cited in World Health Organization, United
Nations Environment Programme, the International Labour Organization. 1994.
Glyphosate. Environmental Health Criteria #159. Geneva, Switzerland.
20. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet: Landmaster
BW. www.monsanto.com/ag/, Mar.
21. Monsanto Co. 1997. Material safety data sheet: Roundup RT.
www.monsanto.com/ag/, May.
22. Monsanto Co. 1997. Material safety data sheet: Roundup
Original RT. www.monsanto.com/ag, Nov.
23. Monsanto Co. 1994. Material safety data sheet: Roundup.
www.monsanto.com/ag/, Jan.
24. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet: Roundup
Super concentrate Weed & Grass Killer. www.ortho.com/content/products/
Solaris-msds/SOLMSDS.HTML, Aug.
25. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet: Roundup
Ultra. www.monsanto.com/ag/, Nov.
26. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet: Roundup
Ultra RT. www.monsanto.com/ag/, Dec.
27.
Monsanto Co. 1998. Material safety data sheet: Roundup D-Pak. www.monsanto.com/ag/,
Feb.
28. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet:Roundup
Pro. www.monsanto.com/ag/, Nov.
29. Monsanto Co. 1997. Material safety data sheet: Roundup
Fence and Yard Edger. www.ortho.com/content/products/Solaris-msds/ SOLMSDS.HTML,
Jan.
30. Monsanto Co. 1996. Material safety data sheet: Roundup
Sure Shot Foam. www.ortho.com/content/products/Solaris-msds/SOLMSDS.HTML, Aug.
31. Monsanto Co. 1996. Material safety data sheet: GroundClear Super Edger
Grass & Weed Control. www.ortho.com/content/products/Solaris-msds/SOLMSDS.HTML,
Oct.
32. Monsanto Co. 1997. Material safety data sheet: Roundup
Ready-To-Use Weed & Grass Killer. www.ortho.com/content/products/Solaris-msds/SOLMSDS.HTML,
Jan.
33. Monsanto Co. 1998. Material safety data sheet: Roundup e SoluGran.
www.monsanto.com/ag/, Apr.
34. Monsanto Co. 1994. Material safety data sheet: Roundup
Dry Pak. www.monsanto.com/ag/, Feb.
35. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet: Roundup
Concentrate Brush Killer. www.ortho.com/content/products/Solaris-msds/SOLMSDS.HTML,
Aug.
36. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet: Roundup
Concentrate Weed & Grass Killer. www.ortho.com/content/products/Solaris-msds/SOLMSDS.HTML,
Aug.
37. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet: Roundup
Tough Weed Formula. www.ortho.com/content/products Solaris - msds/SOLMSDS.HTML,
Aug.
38. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet: Kleeraway
Systemic Weed & Grass Killer. www.ortho.com/content/products/Solaris-msds/SOLMSDS.HTML,
July.
39. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet: Yard
Basics Weed & Grass Killer. www.ortho.com/content/products/Solaris-msds/SOLMSDS.HTML,
Aug.
40. Monsanto Co. 1994. Material safety data sheet: KLEENUP
Grass & Weed Killer. www.ortho.com/content/products/Solaris -msds/SOLMSDS.HTML,
June.
41. Monsanto Co. 1995. Material safety data sheet: Kleeraway
Grass & Weed Killer. www.ortho.com/content products/Solaris - msds/SOLMSDS.HTML,
July.
42.
Monsanto Co. 1996. Roundup Custom specimen label. www.monsanto.com/ag/,
Oct.
43.
Monsanto Co. 1997. Rodeo specimen label. www.monsanto.com/ag/, July.
44.
Monsanto Co. 1997. Accord specimen label.www.monsanto.com/ag/, Aug.
45.
Monsanto Co. 1997. Material safety data sheet: Entry II Surfactant.
www.monsanto.com/ag/, Aug.
46.
Fisher Scientific. 1997, Material safety data sheet: ammonium
sulfate. www.fisher1.com/fb/ itv?16..f97.1.msa0002.68..1.9., Dec. 12.
47.
U.S. EPA. Office of Prevention, Pesticides and Toxic Substances. Office
of Pesticide Programs. 1998. Letter from Linda Travers, director, Infor-mation
Resources and Services Division, to Caroline Cox, NCAP, July 28.
48.
Damstra, R.J., W.A. van Vloten, and C.J.W. van Ginkel. Allergic contact dermatitis from the preservative
1,2-benzisothiazolin-3-one (1,2-BIT; Proxelâ): a case report, its prevalence in
those occupationally at risk and in the general dermatological population, and
its relationship to allergy to its analogue Kathonâ CG. Cont. Dermat. 27:105-109.
49.
Hindson, C. and B. Diffey. 1993. Phototoxicity of glyphosate in a
weedkiller. Cont. Derm. 10:51-52.
50.
Hindson, C. and B. Diffey. 1993. Phototoxicity of a weedkiller: a
correction. Cont. Derm. 11:260.
51.
U.S. EPA. Prevention, Pesticides and
Toxic Substances. 1997. Reregistration eligibility decision (RED):
3-lodo-2-propynyl butylcarbamate (IPBC). Washington, D.C., Mar.
52.
Bryld, L.E. et al. 1997. Iodopropynyl butylcarbamate: a new contact
allergen. Cont. Dermat. 36:156-158.
53.
MG lndustries. 1997. Material safety data sheet: lsobutane. www.mgindustries.com/msds/
SubLookup.asp?SubName=11600, Dec. 9.
54.
FisherScientific.1997.Material safety,datasheet:
1-methyl-2-pyrrolidinone, 99%. www.fisher1.com/fb/ itv?16..f97.1.msa0010.814..1.9.,
Dec. 12.
55.
Hass, U. B.M. Jakobsen, and S.P Lund. 1995. Developmental toxicity of
inhaled n-methylpyrrolidinone in the rat. Pharm. Toxicol. 76:406-409.
56.
Acros Organics. 1997. Material safety data sheet: Nonanoic acid, tech.,
90%. www.fisher1.com/fb/ itv?16..f97.1.msa0011.592..1.9., Sept. 2.
57.
Acros Organics. 1997. Material safety data sheet: potassium hydroxide,
c.p., flakes. www.fisher1. com/fb/itv?16..f97.1.msa0012.838..1.9., Sept. 2.
58.
Acros Organics. 1997. Material safety data sheet: sodium sulfite.
www.fisher1.com/fb/itv? 16..f97.1.msa0013.666..1.9., Sept. 2.
59.
Lodi, A. et al. 1993. Contact
allergy to sodium sulfite contained in an antifungal preparation. Cont.
Dermatit.
29:97.
60.
Anonymous. 1986. MSDS for sodium sulfite, anhydrous. www.chem.utah.edu/MSDS/S/SODIUM-SULFITE---ANHYDROUS,
Aug. 18.
61.
Acros Organics. 1997. Material safety data sheet: 2,4-hexadienoic acid,
99%. www.fisher1.com/fb/ itv?16..f97.1.msa0008.574..1.9., Nov. 10.
62.
Lamey, P.-J., A.B. Lamb, and A. Forsyth. 1987. Atypical burning mouth
syndrome. Cont. Dermatit. 17:242-2443.
63.
Giiordano-Labadie, F., C. Pech-Ormieres, and
J. Bazek. 1996. Systemic contact dermatitis from sorbic acid. Cont.
Dermatit. 34:61-62.
64.
Monsanto Co. Undated. Monsanto backgrounder: Roundup herbicide
ingredients. St. Louis, MO.
65.
Sigma Chemical Co., Aldrich Chemical Co., and Fluka Chemical Corp.
1994. Material safety data sheet: lsopropylamine. St. Louis, MO, Milwaukee, WI,
and Ronkonkoma, NY.
66.
Sawada, Y.,et al. 1988. Probable toxicity of surface-active agent in commercial
herbicide containing glyphosate. Lancet
1(8580):299.
67.
Tominack, R.L. et al. 1991. Taiwan National Poisen Center: Survey of
glyphosate-surfactant herbicide ingestions. Clin. Toxicol.
29(1):91-109.
68.
Temple, W.A. and N.A. Smith. 1992. Glyphosate herbicide poisoning
experience in New Zealand. N,Z
Med. J. 105:173-174.
69.
Talbot, A.R. et al. 1991. Acute poisoning with a glyphosate-surfactant herbicide
('Roundup'): A review of 93 cases. Human Exp. Toxicol.
10:1-8.
70.
Menkes, D.B., W.A. Temple, and I.R. Edwards. 1991. Intentional
self-poisoning with glyphosate-containing herbicides. Human Exp. Toxicol.
10:103-107.
71.
Hung, D., J. Deng. and T. Wu. 1997. Laryngeal survey in glyphosate intoxification: a
pathophysiological investigation. Hum.
Exp. Toxicol.
16:596-599.
72.
U.S. EPA. Office of Pesticide Programs. Hazard Evaluation Division.
Health Effects Branch. 1980. Summary of reported pesticide incidents involving
glyphosate (isopropylamine salt). Report No. 375. Washington, D.C., Oct.
73.
Ref.#1, p.128.
74.
U.S. Dept. of Health and Human Services. Public Health Service.
National Institutes of Health. 1992. NTP technical report on toxicity studies
of glyphosate (CAS No. 1071-83-6) administered in dosed feed to F344/N rats
and B6C3F1 mice (NIH Publication
92-3135). Toxicity Reports Series No. 16. Research Triangle Park, NC: National
Toxicology Program.
75. U.S. EPA. Office of Pesticides and Toxic Substances.
1982. EPA Reg. #524-308; Lifetime feeding study in rats with glyphosate. Memo
from William Dykstra, Health Effects Division to Robert Taylor, Registration
Div. Washington, D.C., Feb.18.
76. U.S. EPA. Office of Pesticides and Toxic Substances. 1983. Glyphosate; EPA Reg. #524-308; A lifetime feeding study of glyphosate in
SpragueDawley rats; a preliminary addendum to review dated 2/18/83. Memo to
Robert Taylor, Registration Div. Washington, D.C., Feb. 15.
77. U.S. EPA. Office of Pesticides and Toxic Substances.
1985. Glyphosate - Evaluation of kidney tumors in male mice. Chronic feeding
study. Memo from L. Kasza, Toxicology Branch, to W. Dykstra, Toxicology Branch.
Washington, D.C., Dec 4.
78. U.S. EPA. Office of Pesticides and Toxic Substances.
1991. Second peer review of glyphosate. Memo from W. Dykstra and G.Z. Ghali,
Health Effects Division to R. Taylor, Registration Division, and Lois Rossi,
Special Review and Re-registration Division. Washington, D.C., Oct. 30.
79. U.S. EPA Office of Pesticides and Toxic Substances. 1985.
Use of historical data in determining the weight of evidence from kidney tumor
incidence in the glyphosate two-year feeding study; and some remarks on false
positives. Memo from Herbert Lacayo to Reto Engler (both Office of Pesticide
Programs, Health Effects Division). Washington, D.C., Feb. 26.
80. Ref.#1, p.108.
81.
Bolognesi, C. et al. 1997. Genotoxic activity of glyphosate and its
technical formulation Roundup. J, Agric. Food
Chem. 45:1957-1962.
82.
Monsanto Co. 1988. Material safety data sheet: Pondmaster aquatic
herbicide. St.
Louis, MO., Apr.
83. Kale, PG. et al. 1995. Mutagenicity
testing of-nine herbicides and pesticides currently used in agriculture.
Environ. Mol. Mutagen. 25:148-153.
84. Vigfusson, N.V. and E.R. Vyse. 1980. The effect of the
pesticides, Dexon, Captan and Roundup on sister-chromatid exchanges in human
lymphocytes in vitro. Mut. Res. 79:53-57.
85. Rank, J. et al. 1993. Genotoxicity
testing of the herbicide Roundup and its active ingredient glyphosate
isopropylamine using the mouse bone marrow micronucleus test, Salmonella
mutagenicity test, and Allium anaphase-telophase test. Mut. Res. 300:29-36.
86.
Peluso. M. et al. 1998. 32P-Postlabeling detection of DNA adducts in mice treated
with the herbicide Roundup. Environ.
Molec. Mutag. 31:55-59.
87.
Savitz, D.A. et al. 1997. Male pesticide exposure and pregnancy outcome. Am. J. Epidemiol. 146:1025-1036.
88.
Barnard, R.J. and G. Heuser. 1995. Commonly used pesticides may help
maintain facilities but can hinder athletes. NCAA Sports Sciences Education
Newsletter (Fall):2
89.
Yousef, M.I. et al. 1995. Toxic
effects of carbofuran and glyphosate on semen characteristics in rabbits. J.
Environ. Sci. Health B30(4):513-534.
90.
U.S. EPA. Office of Toxic Substances. 1980. EPA Reg. #524-308;
glyphosate; submission of rat teratology, rabbit teratology, dominant lethal
mutagenicity assay in mice. Memo from W. Dykstra, Health Effects Division, to
Robert Taylor, Registration Division. Washington, D.C., June 17.
91.
U.S. Congress. House of Representatives. Committee on Government
Operations. 1984. Problems plague the Environmental Protection Agency's
pesticide registration activities. House Report 98-1147. Washington, D.C.:
U.S. Government Printing Office.
92. U.S. EPA. Office of Pesticides and Toxic Substances.
1983. Summary of the IBT review program. Washington, D.C., July.
93. U.S. EPA. 1978. Data validation. Memo from K. Locke,
Toxicology Branch, to R. Taylor, Registration Branch. Washington, D.C., Aug.
9.
94. U.S. EPA. Communications and Public Affairs. 1991. Note
to correspondents. Washington, D.C., Mar. 1.
95. U.S. EPA. Communications, Education, And Public Affairs.
1994. Press advisory. Craven Laboratories, owner, and 14 employees sentenced
for falsifying pesticide tests. Washington, D.C., Mar. 4.
96. U.S. EPA. Communications and Public Affairs. 1991. Press
advisory. EPA lists crops associated with pesticides for which residue and
environmental fate studies were allegedly manipulated. Washington, D.C., Mar.
29.
97. U.S. Dept. of Justice. United States Attorney. Western
District of Texas. 1992. Texas laboratory, its president, 3 employees indicted
on 20 felony counts in connection with pesticide testing. Austin, TX., Sept. 29.
98. Attorney General of the State of New York. Consumer
Frauds and Protection Bureau. Environmental Protection
Bureau. 1996. In the matter of Monsanto
Company, respondent. Assurance of discontinuance pursuant to executive law §63(15).
New York, NY, Nov.
99. U.S. EPA. Region VII. 1998. Letter from L.A. Flournoy,
chief, Pesticides Branch, to Pete Haws, NCAP, Mar. 4,
100. Pease, W.S. et al. 1993. Preventing pesticiderelated illness in California
agriculture: Strategies and priorities. Environmental Health Policy Program
Report. Berkeley, CA: University of Calif. School of Public Health. Calif.
Policy Seminar.
101. Robinson, J.C. et al. 1994. Pesticides in the home and community:
Health risks and policy alternatives. Environmental Health Policy Program
Report. Berkeley, CA: University of Calif. School of Public Health. Calif.
Policy Seminar.
102. Calif. EPA. Dept. of Pesticide
Regulation. 1996. California pesticide illness surveillance program: Summary
report. 1994. Health and Safety Report HS-1734.
103. Calif. EPA. Dept. of Pesticide
Regulation. 1998. Case reports received by the California Pesticide Illness Surveillance Program
in which health effects were attributed to glyphosate, 1993-1995. Unpublished
report. Sacramento, CA, Aug.
104. Jamison, J.P., J.H.M. Langlands,
R.C. Lowry. 1986. Ventilatory impairment from pre-harvest retted flax. Brit.
J. Ind. Med. 43:809-813.
105. Ware, G.W. et al. 1983. Reducing
pesticide application drift-losses. Tucson, AZ: Univ. of Arizona. College of
Agriculture. Coop. Extension Service.
106. Atkinson, D. 1985. Glyphosate
damage symptoms and the effects of drift. Appendix I. In Grossbard, E. and D.
Atkinson. The herbicide glyphosate.
London: Butterworths.
107. Breeze, V., G. Thomas, and R.
Butler. 1992. Use of a model and toxicity data to predict the risks to some
wild plants from drift of four herbicides. Ann. Appl. Biol. 121:669-677.
108. Freedman, B. 1990-1991.
Controversy over the use of herbicides in forestry, with particular reference
to glyphosate usage. J. Envir. Sci. Hlth. C8(2):277-286.
109. Yates, W.E., N.B. Akesson, and D.E.
Bayer. 1978. Drift of glyphosate sprays applied with aerial and ground
equipment. Weed Sci. 26(6):597-604.
110. Marrs, R.H. et al. 1993.
Determination of buffer zones to protect seedlings of non-target plants from
the effects of glyphosate spray drift. Agric. Ecosys. Environ.
45:283-293.
111. Monsanto Co. 1992. Letter from R.M.
Weppelman, Product Registration and Regulatory Affairs Manager, to U.S. EPA
Office of Pesticide Programs, June 16.
112. Washington State Dept. of Health.
1993. Pesticide incident reporting and tracking review panel. Annual report
1992. Olympia, WA, Feb.
113. Riley, C.M., C.J. Weisner, and
W.A. Sexsmith. 1991. Estimating off-target spray deposition on the ground
following the aerial application of glyphosate for conifer release in New
Brunswick. J Environ. Sci. Health B26(2):185-208.
114. Payne, N.J. 1993. Spray
dispersal from aerial silvicultural applications. Crop Protec.
12(6):463-469.
115. Payne, N.J. 1992. Off-target
glyphosate from aerial silvicultural applications, and buffer zones required
around sensitive areas. Pestic. Sci. 34:1-8.
116. Monsanto Co. 1991. Letter from R.M.
Weppelman, Product Registration and Regulatory Affairs Manager, to U.S. EPA
Office of Pesticide Programs, Oct 28.
117. Monsanto Co. 1992. Letter from R.M.
Weppelman, Product Registration and Regulatory Affairs Manager, to U.S. EPA
Office of Pesticide Programs, Aug. 21.
118.
Monsanto Co. 1992. Letter from R.M. Weppelman, Product Registration and
Regulatory Affairs Manager, to U.S. EPA Office of Pesticide Programs, May 5.
119.
U.S. EPA. Environmental Fate and Effects Division. 1993. Pesticide
environmental fate one line summary: Glyphosate. Washington, D.C., May 6.
120.
Torstensson, L. and Stark, J. 1979. Persistence of glyphosate in forest
soils. In Weeds and weed control.
20th Swedish Weed Conference. Uppsala. 31 January - 2 February 1979. Uppsala,
Sweden: Swedish Univ. of Agricultural Sciences.
121.
Newton, M. et al. 1984. Fate of glyphosate in an Oregon forest ecosystem. J.
Agric. Food. Chem. 32:1144-1151.
122.
Müller, M. et al. 1981. Fate of glyphosate and its influence on
nitrogen-cycling in two Finnish agricultural soils. Bult. Environ.. Contam. Toxicol. 27:724-730.
123.
Feng, J.C. and D.G. Thompson. 1990. Fate of glyphosate in a Canadian
forest watershed. 2. Persistence in foliage and soils. J. Agric. Food.
Chem. 38: 1118-1125.
124.
Roy, D.N. et al. 1989. Persistence, movement, and degradation of glyphosate in
selected Canadian boreal forest soils. J. Agric. Food. Chem. 37:437-440.
125.
Torstensson, N.T.L., L.N. Lundgren, and J. Stenström. 1989. Influence
of climate and edaphic factors on persistence of glyphosate and 2,4-D in
forest soils. EcotoxicoL
Environ. Safety 18:230-239.
126.
U.S. EPA. Ecological Effects Branch. 1993. Science chapter for
rere-gistration eligibility document for glyphosate. Washington, D.C., May 1.
127. Ref.#1, p.79.
128. Piccolo, A. et al. 1994. Adsorption and desorption of glyphosate in some
European soils. J. Environ. Sci. Health B29(6):1105-1115.
129. Frank, R. et al. 1990. Contamination of rural ponds with pesticide, 1971-1985,
Ontario, Canada. Bull.
Environ. Contam. Toxicol. 44:401409.
130. Edwards, W.M., G.B. Triplett, Jr.,
and R.M. Kramer. 1980. A watershed study of glyphosate transport in
runoff. J. Environ. Qual. 9(4):661-665.
131. U.S. EPA. Prevention Pesticides
and Toxic Substances. 1992. Pesticides in groundwater database. A compilation
of monitoring studies: 1971-1991. National summary. Washington, D.C.
132. Rashin, E. and C. Graber. 1993.
Effectiveness of best management practices for aerial application of forest
pesticides. TFW-WQ1-93-001. Olympia, WA: Washington State Dept. of Ecology,
Oct.
133. Oregon Dept. of Forestry. Forest
Practices Program. 1992. Forest herbicide application water sampling study.
Salem, OR, Jan.
134. Bortleson, G.C. and D.A. Davis.
1997. Pesticides in selected small streams in the Puget Sound Basin,
1987-1995. U.S. Geological Survey. Fact Sheet 067-97. Tacoma, WA, June.
135. Smith, N.J., R.C. Martin, and R.G.
St. Croix. 1996. Levels of the herbicide glyphosate in well water. Bull.
Environ. Contam. Toxicol. 57:759756.
136. Goldsborough, L.G. and A.E. Beck.
1989. Rapid dissipation of glyphosate in small forest ponds. Arch.
Environ. Contam. Toxicol.
18:537-544.
137. Goldsborough, L.G. and D.J. Brown.
1993. Dissipation of glyphosate and aminomethylphosphonic acid in water and
sediments of boreal forest ponds. Environ. Toxicol.
Chem. 12:1139-1147.
138. Hassan, S.A. et al. 1988. Results of the fourth joint pesticide testing programme
carried out by the IOBC/WPRS-Working Group "Pesticides and Beneficial
Organisms." J. Appl.
Ent. 105:321-329.
139. Brust, G.E. 1990, Direct and
indirect effects of four herbicides on the activity of carabid beetles (Coleoptera:
Carabidae). Pestic. Sci. 30:309-320.
140. Asteraki, E.J., C.B. Hanks, and
R.O. Clements. 1992. The impact of the chemical removal of the hedge-base
flora on the community structure of carabid beetles (Col., Carabidae) and
spiders (Araneae) of the field and hedge bottom. J. AppL Ent. 113:398-406.
141. Santillo, D.J., D.M. Leslie, and
P.W. Brown. 1989. Responses of small mammals and habitat to glyphosate
application on clearcuts. J. Wildl. Manage. 53(1)164-172.
142. U.S. EPA. Office of Pesticides
and Toxic Substances. 1986. Guidance for the reregistration of pesticide
products containing glyphosate as the active ingredient. Washington, D.C.,
June.
143. Mohamed, A. I. et al. 1992. Effects of pesticides on the survival, growth and
oxygen consumption of Hemilepistus reaumuri (Audouin & Savigny 1826) (Isopoda
Oniscidea). Trop. Zool 5:145-153.
144. Folmar, L.C., H.O. Sanders, and
A.M. Julin. 1979. Toxicity of the herbicide glyphosate and several of its
formulations to fish and aquatic invertebrates. Arch. Environ. Contam, Toxicol.
8:269-278.
145. Hartman, W.A. and D.B. Martin.
1984. Effect of suspended bentonite clay on the acute toxicity of glyphosate
to Daphnia pulex and Lemna minor. Bull. Environ. Contam. Toxicol 33:355-361,
146.
Servizi, J.A., R.W. Gordon, and D.W. Martens. 1987. Acute toxicity of
Garlon 4 and Roundup herbicides to salmon. Daphnia, and trout. Bull. Environ. Contam. Toxicol. 39:15-22.
147. Holck, A.R. and C.L. Meek. 1987.
Dose-mortality responses of crawfish and mosquitoes to selected pesticides. J. Am. Mosqu. Contr. Assoc. 3:407-411.
148. Springett, J.A. and R.A.J. Gray.
1992. Effect of repeated low doses of biocides on the earthworm Aporrectodea
caliginosa in laboratory culture. Soil Biol. Biochem.
24(12):1739-1744.
149. Mitchell, D.G., P.M. Chapman, and
T.J. Long. 1987. Acute toxicity of Roundup® and Rodeo® herbicides to rainbow
trout, chinook, and coho salmon. Bull. Environ. Contam. Toxicol.
39:1028-1035.
150. Wan, M.T., R.G. Watts, and D.J.
Moul. 1989. Effects of different dilution water types on the acute toxicity to
juvenile Pacific salmonids and rainbow trout of glyphosate and its formulated
products. Bull. Environ.
Contam. Toxicol. 43:378-385.
151. Holdway, D.A. and D.G. Dixon.
1988. Acute toxicity of permethrin or glyphosate pulse exposure to larval
white sucker (Catostomus commersoni) and juvenile flagfish (Jordanella
floridae) as modified by age and ration level. Environ. Toxicol. Chem.
7:63-68.
152. Holtby, L.B. 1989. Changes in the
temperature regime of a valley-bottom tributary of Carnation Creek, British
Columbia, over-sprayed with the herbicide Roundup (glyphosate). In Reynolds,
P.E. (ed.) Proceedings of
the Carnation Creek Herbicide Workshop. Sault Ste. Marie, Ontario. Canada:
Forest Pest Management lnstitute.
153. Morgan, J.D. et al. 1991. Acute
avoidance reactions and behavioral responses of juvenile rainbow trout (Oncorhynchus
mykiss) to Garlon 4, Garlon 3A® and
Vision® herbicides. Environ. Toxicol.
Chem. 10:73-79.
154. Liong, P.C., W.P. Hamzah, and V.
Murugan, 1988. Toxicity of some pesticides towards freshwater fishes.
Malaysian Agric. J. 54(3):147-156.
155. Neskovic, N.K. et al. 1996. Biochemical and histopathological effects of glyphosate
on carp, Cyprinus carpio L. Bull. Environ. Toxicol. Chem.
56:295-302.
156. MacKinnon, D.S, and B. Freedman.
1993. Effects of silvicultural use of the herbicide glyphosate on breeding
birds of regenerating clearcuts in Nova Scotia, Canada. J. Appl.
Ecol. 30(3):395-406.
157. Santillo, D., P. Brown, and D.
Leslie. 1989. Responses of songbirds to glyphosate-induced habitat changes on
clearcuts. J. Wildl. Manage. 53(1):64-71.
158. Eggestad, M. et al. 1988. Glyphosate application in forest-ecological aspects.
VIII. The effect on black grouse (Tetrao tetrix) summer habitat. Scand. J. For.
Res. 3:129-135.
159. D'Anieri, P., D.M. Leslie, and M.L.
McCormack. 1987. Small mammals in glyphosate-treated clearcuts in northern
Maine. Can. Field-Nat. 101(4):547-550.
160. Ritchie, C., A.S. Harestad, and
R. Archibald. 1987. Glyphosate treatment and deer mice in clearcut and forest.
Northw. Sci. 6(3)199-202.
161. Sullivan, T. 1990. Demographic
responses of small mammal populations to a herbicide application in coastal
coniferous forest: population density and resiliency. Can. J. Zool.
68:874-883.
162. Hjeljord, 0. et al. 1988. Glyphosate application in forest-ecological aspects.
VII. The effect on mountain hare (Lepus timidus) use of a forest plantation.
Scand. J. For. Res, 3:123-127.
163. Runciman, J.B., and T.P. Sullivan.
1996. Influence of alternative conifer release treatments on habitat structure
and small mammal populations in south central British Columbia. Can. J. For.
Res. 26:2023-2034.
164. Balfour, P.M. 1989. Effects of
forest herbicides on some important wildlife forage species. Victoria, British
Columbia, Canada: B.C. Ministry of Environment.
165. Locke, D., J.A. Landivar, and D.
Moseley. 1995. The effects of rate and timing of glyphosate applications on
defoliation efficiency, regrowth inhibition, lint yield, fiber quality and
seed quality. Proc. Beltwide Cotton Conf., National Cotton Council of America:
1088-1090.
166. Hutchinson, G.L. 1995. Nitrogen cycle interactions with global change
processes. In Nierenberg, W.L. (ed.) Encyclopedia of Environmental Biology, Volume 2. San Diego: Academic Press.
Pp.563-557.
167. Eberbach, P. L. and L.A. Douglas.
1983. Persistence of glyphosate in a sandy loam. Soil
Biol. Biochem. 15(4):485-487.
168. Eberbach, P.L. and L.A. Douglas.
1989. Herbicide effects on the growth and nodulation potential of Rhizobium
trifolii with Trifolium subterraneum L. Plant and Soil 119:15-23.
169. Santos, A. and M. Flores. 1995.
Effects of glyphosate on nitrogen fixation of free-living heterotrophic
bacteria. Lett.
Appl. Microbiol. 20:349-352.
170.
Moorman, T.B. et al, 1992. Production of hydrobenzoic
acids by Bradyrhizobium japonicum strains
after treatment with glyphosate. J. Agric. Food Chem. 40:289-293.
171. Mårtensson, A.M. 1992. Effects
of agrochemicals and heavy metals on fast-growing Rhizobia
and their symbiosis with small-seeded legumes. Soil Biol. Biochem. 24(5):435-445.
172. Tenuta, M. and E.G. Beauchamp.
1995. Denitrification following herbicide application to a grass sward. Can.
J. Soil. Sci. 76:15-22.
173. Towle, A. 1989. Modern biology.
Austin, TX: Holt, Rinehart and Winston. p.342.
174. Estok, D., B. Freedman, and D.
Boyle. 1989. Effects of the herbicides 2,4-D, glyphosate, hexazinone, and
triclopyr on the growth of three species of ectomycorrhizal fungi. Bull.
Environ. Contam. Toxicol. 42:835-839.
175. Chakravarty, P. and S.S. Sidhu.
1987. Effects of glyphosate, hexazinone and triclopyr on in vitro growth of
five species of ectomycorrhizal fungi. Eur. J. For. Path. 17:204-210.
176. Beyrle, H.F. et al. 1995. Colonization of Orchis morio protocorms by a
mycorrhizal fungus: effects of nitrogen nutrition and glyphosate in modifying
the responses. Can. J. Bot. 73:1128-1140.
177. Brammall, R.A. and V.J. Higgins.
1988. The effect of glyphosate on resistance of tomato to Fusarium crown and
root rot disease and on the formation of host structural defensive barriers.
Can. J. Bot. 66:1547-1555.
178. Johal, G.S. and J.E. Rahe. 1988.
Glyphosate, hypersensitivity and phytoalexin accumulation in the incompatible
bean anthracnose host-parasite interaction. Physiol. Molec. Plant Pathol.
32:267-281.
179. Mekwatanakarn, P. and K.
Sivassithamparam. 1987. Effect of certain herbicides on soil microbial
populations and their influence on saprophytic growth in soil and
pathogenicity of take-all fungus. BioL Fertil. Soils 5:175-180.
180. Kawate, M.K. et al. 1997. Effect
of glyphosate treated henbit (Lamium amplexicaule) and downy brome (Bromus
tectorum) on Fusarium solani f. sp. pisi and Pythium ultimum. Weed Sci.
45:739-743.
181. Bergvinson, D.J. and J.H. Borden.
1992. Enhanced colonization by the blue stain fungus Ophiostoma claverum in
glyphosate-treated sapwood of
lodgepole pine. Can J For. Res. 22:206-209.
182. Gressel, J. 1996. Fewer
constraints than proclaimed to the evolution of glyphosate-resistant weeds.
Resist. Pest Manage. 8:2-5.
183. Sindel, B. 1996. Glyphosate
resistance discovered in annual ryegrass. Resist. Pest Manage. 8:5-6.
Terug naar inhoudsopgave
Colofon:
GLYFOSAAT
(ROUNDUP) FEITEN
Antwoord aan een chemiereus
Tekst:
Caroline Cox
Vertaling:
Moniek Kokken
Voorwoord:
prof. dr. Lucas Reijnders
Omslag:
Fred Teunissen
Redactie
en vormgeving:
PB producties Veenendaal
Uitgave:
Natuurverrijking
Lekkerkerk,
2000
ISBN
90-71870-12-X
Met dank aan
de Northwest Coalition for Alternatives to Pesticides (NCAP, P.O. BOX 1393,
Eugene, Oregon 97440, USA) voor hun toestemming dit artikel van Caroline Cox
in Nederland te mogen uitgeven.
Deze uitgave
werd mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van donateurs van de
Stichting Natuurverrijking.
Glyfosaat (Roundup)
is verkrijgbaar bij:
Natuurverrijking
Opperduit
362
2941
AR Lekkerkerk
tel.:
0180 – 66 30 53
Terug naar inhoudsopgave
|
|