PAARDRIJDEN 2

 

DE ZACHTE HAND

Een ruiter mag een paard natuurlijk niet expres in de mond trekken, maar als we over een zachte hand praten hoort daar nog meer bij.

Men spreekt over een "stille hand," wanneer de ruiter in staat is met zijn handen alle bewegingen van de paardenmond te volgen. Hij stoort het paard dus niet in de mond.

Je begrijpt wel dat dit moeilijk is zolang je nog geen onafhankelijke zit hebt.

Wanneer een ruiter naast een stille hand ook nog het vermogen heeft om zijn aanwijzingen (hulpen) met de hand heel licht en precies te doseren, spreekt men over een "zachte hand."

 

VAN ACHTEREN NAAR VOREN RIJDEN

We gaan er van uit dat de hand van de ruiter pas iets kan doen, nadat de kuit het paard voorwaarts, naar de hand toe, heeft gedreven.

Een paard dat reageert op het aandrijven zal zijn gewicht naar voren willen brengen. Daarbij gaat de neus ook iets naar voren en beneden. Het paard zoekt op die manier de hand op. Ik ga er nu van uit dat het paard vertrouwen heeft in de hand (zie: AANLEUNING in deel 3). De hand kan dan pas zijn aanwijzing geven. De volgorde in onze aanwijzingen moet dus zijn: eerst (de zit en) het been en dan pas de hand.

 

CONTACT

De hand van de ruiter neemt via de teugel contact met de mond van het paard. Het initiatief gaat hier uit van de ruiter. Dit contact kan er altijd zijn, ongeacht of het paard de hals strekt, of dat de teugels op maat genomen zijn. De ruiter NEEMT contact en zet daarmee een lichte spanning op de teugel.

 

NAGEEFLIJKHEID

Een paard dat zelf de spanning op de teugel terug brengt en het bit afkauwt wanneer de hand van de ruiter aanhoudt of weerstand biedt, noemen we: "nageeflijk." Het paard ontspant dan in de kaak en de nek (en in de hals). Het bewijs voor nageeflijkheid vinden we vaak op de lippen van het paard: een dun randje schuim.

Nageeflijkheid is een tegennatuurlijke reactie. Hier ligt dus een moeilijk punt. We moeten het paard duidelijk maken wat wij bedoelen, wanneer wij de druk op het bit verhogen om een (halve) ophouding te maken. Hij moet leren begrijpen dat wij zijn mond geen pijn willen doen, maar dat het de bedoeling is, dat hij nageeft. Een paard heeft altijd de neiging om terug te duwen of te trekken. Denk maar aan een (jong) paard, dat je vooruit probeert te trekken, dat moet leren schikken, wijken voor een kuit, of achterwaarts gaan.

Daar blijkt meteen uit dat "aanleuning zoeken" een natuurlijke reactie is op het contact dat de ruiter zoekt. De tongspier opspannen om tegendruk te geven aan de inwerking van het bit is dus ook een natuurlijke reactie.

Het is alleen de kunst om alle aanwijzingen met de hand zo te doseren, dat de tong wel onder het bit blijft. Daar is nageeflijkheid voor nodig.

 

"Nageeflijkheid" moet je ook ongeveer hetzelfde zien als "voorwaarts zijn". Wanneer je een paard iedere pas moet aandrijven, om hem vooruit te laten gaan, is er iets mis. Je moet met jouw paard afspreken, dat "voorwaarts zijn" iets is dat normaal is. Iets dat, bijna zonder aandrijven, een gewoonte is. "Nageeflijkheid" is ook iets dat je moet afspreken met het paard. Dit is dus ook iets dat je niet iedere pas moet vragen, maar iets dat zo snel mogelijk een gewoonte moet worden.

De nageeflijkheid helpt je vervolgens om de aanleuning licht te houden.

Zo komen aanleuning en nageeflijkheid tot een constante samenwerking.

Dit werkt alleen wanneer het je lukt om "impuls" op te wekken en te houden.

Een hand die constant aan het vragen en aan het rommelen is om een paard "los in de mond" te krijgen of te houden, verstoort tegelijkertijd de aanleuning. Doe niet meer dan nodig is!

 

 

DE RUG GEVEN

Eigenlijk vormt dit één geheel met "nageeflijkheid." Het paard ontspant de rug. Nu niet meteen denken dat de rug dan inzakt. Het betekent dat het paard zich niet verzet en de rug dus niet "vastzet" (stijf houdt). Het paard kan dan zijn rug op de juiste manier gebruiken. Hij wordt een "rugganger".

Iedere ruiter voelt meteen het verschil tussen een stijf gehouden rug en een ontspannen rug. Op een ontspannen rug zit je veel makkelijker. Je merkt dat vooral doorzittend in draf en in de galop. De beruchte onafhankelijke zit komt dan ook meteen een stuk dichter bij.

 

 

Terug naar de eerste pagina? Klik HIER