PAARDRIJDEN 3

 

WEERSTAND BIEDEN

Hoe maak je een paard duidelijk dat hij nageeflijk moet worden? Dit is een van de grootste problemen van het paardrijden en ook een van de meest onderschatte.

Het paard moet iets leren, dat tegen zijn natuur ingaat. Zijn natuurlijke reactie is terugduwen en dan doet hij automatisch zelf zijn mond pijn. Als reactie op deze pijn ontstaan allerlei mondproblemen en vervolgens meestal ook nog een vastgezette rug. Een methode om het paard te leren nageeflijk te worden is het weerstand bieden met de hand.

Dit betekent dat de ruiter tijdelijk, door het sluiten (dichtknijpen) van de vingers de spanning op de teugel gaat vergroten. Het doel hiervan is het paard (te dwingen is een lelijk woord, dus zeggen we:) "uit te nodigen" de spanning terug te brengen en dus "nageeflijk" te worden.

De weerstand die de hand biedt is net iets groter dan de weerstand die het paard terug geeft.

Let erop dat je niet teveel spanning op de teugel zet. Een paard is erg sterk en paarden die in paniek raken kunnen hele rare dingen doen.

Geef hem even de tijd om uit te zoeken wat je bedoelt. Hij moet leren begrijpen dat het niet jouw bedoeling is om zijn mond pijn te doen, maar dat hij moet nageven.

Zodra het paard nageeft, moet de hand onmiddellijk ontspannen, anders vraag je om verzet. Als de hand van de ruiter namelijk doorgaat met spanning opbouwen krijgt het paard zijn verdiende beloning: "GEEN PIJN IN DE MOND" niet.

Probeer dit in eerste instantie tijdens het halt houden.

Wanneer het paard nageeft beloon hem dan. Maak hem duidelijk dat dit is wat je bedoelt.

 

AANLEUNING

Een paard dat vertrouwen heeft in de ZACHTE HAND van de ruiter zoekt contact met de hand. Dit heet "aanleuning," of ook wel "het bit aannemen."  Het initiatief ligt hier dus bij het paard. Zoals onder NAGEEFLIJKHEID reeds is gezegd, is aanleuning in principe een natuurlijke reactie van het paard op het contact zoeken van de hand.

Ook bij de gewichtsverplaatsing naar voren als reactie op het aandrijven komt aanleuning tevoorschijn. Het paard brengt hierbij, als het goed is, de neus iets naar voren en naar beneden en zoekt op deze wijze de hand op.

Ook hier geldt, dat een paard alles te leren valt. Je kunt hem leren met een lichte aanleuning van een paar ons, of met een aanleuning van bijvoorbeeld een kilo te werken. Een lichte aanleuning (weinig gewicht in de handen) is natuurlijk voor het paard, maar ook voor de ruiter prettig.

 

Het is de kunst niet meer aan het paard te vragen dan hij lichamelijk (en geestelijk) aankan. Wanneer je een paard in een houding dwingt, waar hij niet aan toe is qua lenigheid, kracht en handigheid, wreekt zich dat onmiddellijk in de aanleuning.

 

TOESTAAN

De hand van de ruiter moet het paard "toestaan" uit te voeren, wat de zit en de benen aan het paard vragen.

Laten wij, als voorbeeld, even uitgaan van een paard dat stil staat (teugels op maat):

De kuit en de zit drijven het paard voorwaarts.

De ruiter opent vervolgens de vingers iets en brengt desnoods de hand een klein beetje naar voren.

Hij staat daarmee het paard toe de neus iets voorwaarts en naar beneden te brengen voor de overgang naar de stap.

 

Wanneer dit perfect uitgevoerd wordt, verandert de spanning op de teugel eigenlijk niet. Bij de overgang brengt het paard de neus iets naar voren en naar beneden en dit is precies, wat de hand "toestaat."

 

AANHOUDEN EN OPHOUDING

Wanneer de vingers van de hand gesloten worden en eventueel ook de polsen iets meer gebogen worden, zodat er meer spanning op de teugel gezet wordt, noemt men dit: "aanhouden."

 

De aanwijzing waarbij het aanhouden gebruikt wordt heet: "de ophouding."

De ophouding wordt verdeeld in:

1) DE HALVE OPHOUDING: De ruiter drijft het paard voorwaarts en vangt de opgewekte energie direct daarna weer op door de vingers te sluiten.

Hierbij verandert het tempo niet.

 

In het begin wordt de halve ophouding gebruikt om het paard attent te maken op iets dat jij hem vervolgens gaat vragen. Een soort waarschuwing: "Let op! We gaan iets doen!"

In het volgende stadium is het tevens de bedoeling dat de halve ophouding IMPULS opwekt en dat het paard vervolgens gewicht gaat overbrengen van de voorhand naar de achterhand.

 

WAARSCHUWING: Eerst aandrijven, dan aanhouden. Wanneer je dit op hetzelfde moment doet, vraag je erom, dat het paard zich gaat verzetten.

 

2) DE HELE OPHOUDING: Het aanhouden van de teugel duurt zolang en wordt zo sterk gegeven, dat het paard een overgang maakt naar een langzamere gang, of naar het halt houden.

Officieel mag de uitdrukking: “hele ophouding” alleen voor een overgang naar het halt houden gebruikt worden, maar omdat de term “drie-kwart ophouding” niet bestaat en om het verschil met de halve ophouding (geen verlies van tempo) duidelijk te maken …… .………………………..

 

 

Je begrijpt dat het heel handig en eigenlijk gewoon nodig is, dat het paard iets van nageeflijkheid begrijpt voordat je deze aanwijzingen gaat geven. Pas op het moment dat het paard nageeft in reactie op het aanhouden, komt de aanwijzing goed door. Juist omdat zoveel paarden niets van nageeflijkheid begrijpen, verzetten die paarden zich tegen de hand .

 


Terug naar de eerste pagina? Klik HIER