HET MAANMEISJE

De eerste nacht

Onder de bomen, gestreeld door het licht van de maan, danst het maanmeisje. Traag wentelend en langzaam zwaaiend met haar armen, zweeft ze over het donkere mos. Blootsvoets als ze is, lijkt ze wel een bosnimf. Haar slanke hals verheft zich vanuit het kant van haar jurk, haar gezicht is blank als de volle maan. Haar haren zijn zwarter dan de nacht, haar mond is roder dan bloed, en haar ogen schitteren van groen drakevuur.

Midden in het woud staat een eenzame, oude toren. Dit is waar het meisje haar dagen doorbrengt, hier wordt ze beschermd tegen de schittering van de zon. Hier slaapt ze. In de nabijheid van de toren is het meertje waarin het meisje elke nacht baadt.

Helemaal alleen is zij, levend van het voedsel dat ze vindt in het woud, dansend door de nacht en slapend overdag. Woorden kent ze niet, nooit heeft ze iemand anders gezien. Als ze gelukkig is, lacht ze. Ze huilt als ze pijn of verdriet heeft.

Deze nacht is anders dan andere. Al dansend hoort ze iets vanuit het binnenste van haar hoofd. Een hoge klank, die haar doet beven van angst. Haar knieën begeven het. Voor het eerst voelt ze de nabijheid van het kwaad, de nadering van onheil. Het maanmeisje ligt verstijfd op de grond, totdat de ochtend haar dwingt om de toren binnen te gaan.

Wat was het dat het meisje-uit-de-toren hoorde? Een stem was het, die siste: "Nog twee nachten, maanmeisje, nog twéé nachten, dan ben je van mij."

De tweede nacht

Na onrustig geslapen te hebben tijdens de warme zonnedag, waagt het meisje zich naar buiten wanneer de nacht begint te vallen. De maan verlicht de bosrand met een zwakke glans.

Het maanmeisje baadt in het meertje, als ze weer de stem in haar hoofd hoort, luider nu. Naakt springt ze op, struikelend vlucht ze naar de toren.

Ze hoorde: "Nog één nacht, meisje-van-de-toren, nog één enkele nacht, dan ben je van mij."

De laatste nacht

Het maanmeisje heeft zich opgesloten in haar toren, de poort is op slot, de raamluiken zijn dicht. Gevangen zit ze, veilig misschien.

Overdag heeft ze niet kunnen slapen. Buiten schroeide de hete zon het mos en scheen dunne stralen door kieren in de luiken.

Nu is ze moe, maar haar ogen staan wijd open. Bevreesd wacht ze op wat komen gaat. Middernacht gaat voorbij, een nieuwe ochtend nadert snel. De ogen van het maanmeisje vallen dicht.

Ze schrikt wakker, rook komt de toren binnen, verstikt haar: het woud staat in brand! Omhuld door dikke zwarte wolken rent het maanmeisje in paniek naar buiten. Ze voelt de brandende bomen om haar heen. Dan een windvlaag, die de rook verdrijft en de vlammen doet terugwijken. Daar, hoog in de hemel, is ZIJ!

De gloeiende, gouden schijf brandt haar gezicht, schroeit de haren op haar hoofd, en dwingt haar de ogen te sluiten.

      Voor altijd.

© 1995 pretty blowy website

de toren
home
volgend
vorig