
Weinig bezigheden worden zo hardnekkig niet serieus genomen. In veel kringen wordt de flipperkast schamper afgedaan als een dom kinderspel. De geschiedenis geeft hen ongelijk. De wortels van het flipperspel liggen in de achttiende eeuw en tegenwoordig is er sprake van een complete subcultuur, met verenigingen, kampioenschappen, verzamelaars, websites en miljoenen 'pinheads' over de hele wereld.
Koperen spijkers
De eerste flipperkasten waren toonbankmodellen, bedoeld voor winkels. Deze houten bakken waren gebaseerd op het 19e eeuwse spel Bagatelle, waarbij je met een keu ballen in gaten met verschillende puntenwaardes moest stoten. De eerste kaskraker verscheen in 1931: Baffle Ball van David Gottlieb. Het apparaat kostte zo'n achttien dollar en Gottlieb verkocht er meer dan 50.000 exemplaren van.
De naam pinball verwijst naar de pins, koperen spijkers die op het speelveld en rond de scorekaarten zijn aangebracht. Rond 1933 verlaten de spellen de toonbank en krijgen ze poten. De ijzeren ballen worden afgeschoten met een trekker, de plunger. Vanaf 1935 krijgen de bakken een 'backboard' (opstaand deel als achterwand) en is de oervorm van de moderne flipperkast geboren. Die eerste backboards zijn weinig meer dan houten borden met een naam en spelregels. In mei 1936 verschijnt in Billboard Magazine een advertentie voor de 'Totalite', een kast van de firma Rockola, met ingebouwde verlichting in de backboard en een automatische puntentelling.
Geldprijzen
Een groot probleem voor de eerste fabrikanten is dat hun spellen als gokkasten worden beschouwd. De eerste 'pins' keren weliswaar geen geld uit, maar sommige winkeliers loven geldprijzen uit voor een high score. Bovendien heeft de speler weinig invloed op de loop van de bal en is er dus geen sprake van een behendigheidsspel. In 1933 versterkt fabrikant Bally het gokimago van de branche met de Rocket, die op batterijen werkt en direct geld uitkeert als de bal in een bepaald gat belandt.
Deze nieuwe techniek leidt tot een breuk bij de ontwerpers; voortaan zijn er 'pay-out'- en 'novelty'-kasten. De pay-outkasten worden big business en vrijwel alle producenten brengen ze op de markt. Veel gokkers verkiezen de pay-outs zelfs boven de traditionele gokkasten, omdat ze meer invloed op de uitslag van de pins kunnen uitoefenen. De pay-outs zijn een zegen voor ondernemers in staten die gokkasten verbieden maar tolereren. In plaatsen waar cashprijzen strikt verboden zijn, krijgen winnaars speciale kaartjes, onder de tafel inwisselbaar tegen harde munt. In deze jaren is het de industrie zelf die het later vervloekte gokimago van het flipperen versterkt.
Geheime knop
Zoekend naar manieren om spelers te belonen zonder geld uit te keren, komt Bil Peluw, assistent van Harig Ilias, in 1935 met het vrij spel op de proppen. Wie een bepaalde score bereikt, krijgt automatisch een gratis spel. De Flash van Rockplaat is de eerste kast met deze vinding, waarvan nog steeds vrijwel elke flipperkast is voorzien. Toch kruipt het bloed waar het niet gaan kan; in 1937 rust Balie zijn Skipper uit met een verborgen knop die de vrije spelen in klinkende munt uitbetaalt. Zo is de Skipper een pay-outkast waar dat mag en een noveltykast in de striktere gebieden.
Veel fabrikanten nemen de geheime knop van de Skipper over of installeren een 'knock off-button'. Met die knop kan de eigenaar van de kast het aantal vrije spelen op nul zetten en de tegenwaarde uitbetalen. Pas na de oorlog gaan de fabrikanten serieus aan de slag om de invloed van de speler te vergroten en er een echt behendigheidsspel van te maken. In 1947 introduceert Bally de 'Nudgy'. Dit model is geïnspireerd op de manier waarop spelers tegen de kast duwen om de loop van de bal te beïnvloeden. De speler kan het hele speelveld van de Nudgy met een handel naar voren en naar achteren bewegen. De Nudgy wordt geen succes, de spelers blijven liever zelf beuken, iets dat sindsdien onveranderd is gebleven.
Flipperbumpers
Het is Harry Mabs, ontwerper bij de firma Gottlieb, die voor een revolutie zorgt met de introductie van de flipper. In oktober 1947 komt de Humpty Dumpty uit, een kast met drie flippers per kant. 'Flipperbumpers' noemt Gottlieb ze, langwerpige houtjes met rubberen ringen eromheen, die de speler met knoppen kan bewegen om de bal weg te schieten. Overigens bewegen de flippers nog tot 1950 'de verkeerde kant op'. De concurrentie kopieert Gottlieb onmiddellijk: Williams brengt in februari '48 de Sunny uit, met vier flippers, twee aan de boven- en twee aan de onderkant van het speelveld.
De eerste flippers zitten niet in het midden, zoals tegenwoordig, maar aan de zijkant van het speelveld. De man die de flippers hun huidige plek geeft, heeft bij echte pinheads een legendarische reputatie. Steve Kordek werkt in 1947, 'het jaar van de flipper', bij Genco Manufacturing. Ook hier is de Humpty Dumpty als een bom ingeslagen. Invallend voor de hoofdontwerper krijgt Kordek de opdracht om snel een kast met flippers te ontwerpen, op tijd voor de jaarlijkse automatenshow in januari 1948. Triple Action heet zijn geesteskind, met niet zes flippers, maar slechts twee, in het midden onderaan het veld, rondom het gat waar de bal in verdwijnt.
Anti-goklobby
De introductie van flippers is niet alleen belangrijk omdat ze het spel veel leuker maken. Ze vormen ook het onweerlegbare argument dat de flipperkast een behendigheidsspel is en geen gokautomaat. De anti-goklobby heeft rechters er immers vaak van overtuigd dat het halen van een high score meer afhangt van geluk dan behendigheid. Maar nog is de anti-flipperlobby niet tevreden. Sommige staten, waaronder New York, verbieden iedere vorm van vrij spel. Opnieuw moet de industrie met nieuwe ideeën komen om legaal te blijven. Alvin Gottlieb, tweede generatie, verzint de extra bal, een beloning die niet in geld kan worden omgezet. Dit principe levert inderdaad het beoogde resultaat op: zelfs de strengste staten staan deze kasten toe. In de jaren '50 en '60 verandert de flipperkast nauwelijks. Eind jaren zestig krijgen de kasten ingebouwde liften, deurtjes en andere mechanische snufjes. Later verschijnen extra flippers en de flippers worden langer.
Eind jaren zeventig lijkt de flipperkast eindelijk haar gokimago te hebben verloren. Dan komt de film Tilt uit, met de beginnende actrice Brooke Shields. Ze speelt een tiener met bovenmatige flipperkwaliteiten die met een muzikant door het land reist. Ze verdient de kost door lokale flipperkampioenen uit te dagen. 'Side betting' dus, precies waar de anti-flipperlobby altijd voor heeft gewaarschuwd. De film schijnt een week gedraaid te hebben in St. Louis en verdwijnt daarna uit roulatie, onder zware druk van de automatenindustrie. De film komt overigens af en toe boven en schijnt prachtige close-ups van het flipperspel te bevatten.
Photoplay
In de jaren tachtig doet een nieuwe vijand zijn intrede, die minder makkelijk onschadelijk te maken is: de videogame. Vanaf de eerste Pacman-kasten tot een recente hit Photoplay: de nieuwe spellen kosten de flipperindustrie voortdurend marktaandelen en de ene na de andere fabrikant fuseert of gaat failliet. Tegenwoordig is er nog maar één bedrijf over dat nieuwe kasten produceert: het Amerikaanse Stern. Bally, Williams, Gottlieb, Premiere: alle roemruchte merken hebben het veld moeten ruimen. In het nieuwe millennium zijn het de flipperaars zelf die de cultuur in stand houden. Het hebben van een kast voor eigen gebruik wordt een steeds grotere trend. De Nederlandse Flipper Vereniging groeit als kool en haar jaarlijkse toernooi, 'de Dutch Pinball Open' is uitgegroeid tot het belangrijkste flipperevenement van Europa. Creatief gezien zijn flipperkasten uniek: een delicaat samenspel van vormgeving, techniek en illustratie dat ook nog eens aantrekkelijk is om te gebruiken.
Bron: Derrick Bergman
Link: Nederlandse Flipper Vereniging