Uitleg agrarische begrippen

Op deze pagina staat een globale uitleg, voor degenen die niet zo bekend zijn met de terminologie in de rundveehouderij.

BSK

Deze afkorting staat voor Bedrijf Standaard Koe, deze term is bedacht/gemaakt om de koeien op een bedrijf met elkaar te kunnen vergelijken en zo te ontdekken welke de betere en welke de slechtere koeien zijn.

Om deze term goed te kunnen uitleggen, eerst wat informatie over hoe een jaar uit het leven van melkkoe eruit ziet. We beginnen het jaar op het moment dat de koe afkalft, dit is ook het moment waarop de koe begint met melk geven. (Immers, de melk is in eerste instantie bedoeld als voedsel voor het kalfje, alleen door middel van de fokkerij zijn mensen koeien gaan selecteren die meer melk geven, dan het kalfje opkan. Dit teveel aan melk wordt door de mens gebruikt.) Wanneer een koe pas begint met melk geven, dan geeft ze nog niet zoveel, een pasgeboren kalf heeft immers nog niet zoveel melk nodig. Gedurende de weken die volgen op het afkalven, gaat de melkproductie, geleidelijk, omhoog. Zo´n 6 - 8 weken na het afkalven zit de koe op de top van haar productie. Na de top neemt de melkproductie geleidelijk weer af, en tegen de tijd dat de koe opnieuw moet kalven, geeft ze geen melk meer, ze staat droog.

Een melkveehouder heeft meerdere koeien en deze kalven niet allemaal tegelijk af. Dit betekent in praktijk dat de ene koe op de top van haar productie zit en een andere koe staat droog, en nog allerlei dieren er tussen in. Om nu toch een vergelijking tussen de verschillende dieren op een bedrijf mogelijk te maken, is de BSK ingevoerd. In deze formule wordt de werkelijke afkalfdatum van de koe omgerekend naar een vaste afkalfdatum, deze vaste afkalfdatum is voor alle koeien gelijk.

Hoe ouder een koe wordt, hoe meer melk ze gaat geven, hierdoor wordt het ook moeilijk om een vaars (koe die voor de allereerste keer heeft afgekalfd) en 2e-, 3e-, 4e-, etc. kalfskoe met elkaar te vergelijken (een 2e-kalfskoe is een koe die voor de tweede keer heeft gekalfd, een 3e -kalfskoe is een koe die voor de derde keer heeft gekalfd, etc.). Daarom wordt in de BSK de leeftijd voor alle koeien gelijk gesteld (ook weer door middel van allerlei formules). Zo wordt ook nog voor een aantal andere factoren gecorrigeerd, zodat uiteindelijk alle koeien gelijk zijn aan elkaar, tenminste in de formule.

LW of lactatiewaarde

De BSK heeft alleen betrekking op de kilogrammen melk die een koe produceerd. Maar een melkveehouder wordt uitbetaald voor de kilogrammen vet en eiwit die een koe produceerd. Daarom wil hij weten hoe goed zijn koeien zijn voor die gehaltes vet en eiwit. De lactatiewaarde regelt die rangschikking. Per koe wordt een opbrengstprijs berekend. Daar worden de voerkosten vanaf getrokken. Wat overblijft is de netto opbrengst. Dat is een bedrag wat op ons bedrijf in de buurt van 5.200 gulden ligt per koe. Dat bedrag wordt op 100 gesteld en elke koe wordt nu met dit gemiddelde vergeleken. Je kan nu in een oogopslag zien wat de betere koeien zijn. Een goede koe zit boven de 100.

Gelukkig hoeft een veehouder dit niet allemaal zelf uit te rekenen, maar wordt dit voor hem gedaan, tenminste als hij deelneemt aan de melkcontrole.

Melkcontrole

Onze veeverbeteringsorganisatie CR-Delta komt elke 6 weken (dit kan ook om de 3 of 4 weken, afhankelijk van de afspraak) een keer kijken hoeveel melk onze koeien geven. Dit doen ze onverwacht. De monsternemer komt een keer ´s avonds en ´s morgens alle melkgiften noteren en hij/zij neemt een melkmonster om de gehalten aan vet en eiwit in de melk te bepalen. Een computer berekent dan allerlei kengetallen die wij gebruiken voor de bedrijfsvoering.

Proefstier

Waneer een veehouder besluit om een koe te laten insemineren, dan heeft hij de keuze tussen fokstieren en proefstieren. Van een fokstier is alles bekend, zoals melkvererving (hoeveel melk gaat een dochter van deze stier produceren), exterieur (o.a. goed of slecht beenwerk, groot uier etc) karakter (moeilijk of gemakkelijk) etc. De gegevens van deze stier zijn afkomstig van zijn nakomelingen. Hoe meer nakomelingen een stier heeft, hoe betrouwbaarder de gegevens. Om aan deze gegevens te komen, zijn dus behoorlijk wat nakomelingen, dochters, nodig. Bij de veeverbetering zijn alle gegevens van alle dieren bekend, zij kunnen dus, op papier, de beste koeien en stieren uitzoeken en deze met elkaar paren. Wanneer uit deze paring een stierkalf wordt geboren, dan wordt deze nog niet meteen beschikbaar gesteld voor alle veehouders. Eerst wordt de stier getest op een deel van de melkkoeien en pas wanneer er gegevens van zijn nakomelingen bekend zijn, dan wordt besloten of de stier wordt bevorderd tot fokstier. Om aan voldoende gegevens voor een proefstier te komen, worden veehouders die een proefstier gebruiken, beloond. Immers van een fokstier is alles bekend, van een proefstier zijn alleen theoretische gegevens bekend en het is afwachten hoe dat in de praktijk uitvalt. Wanneer een veehouder een proefstier gebruikt, dan bestaat de kans dat hij van deze proefstier goede, gemiddelde of slechte koeien fokt. Om toch voldoende animo te krijgen, volgt een beloning, als de dochter van zo´n proefstier minimaal 100 dagen op het bedrijf gemolken wordt. Proefstieren worden gedurende een korte periode ingezet, en daarna moet gewacht worden op gegevens van zijn nakomelingen. Deze periode waarin wordt gewacht op gegevens, neemt een behoorlijke periode in beslag, minimaal twee jaar. (Dit komt omdat een koe pas voor de eerste keer afkalft, als ze twee jaar oud is. Dan begint ook pas de melkproductie en kunnen dus ook pas de gegevens met betrekking tot melkproductie verzameld worden.) In deze periode waarin gewacht moet worden op gegevens, wordt de stier "op wacht" gezet en heet dan ook heel toepasselijk, wachtstier. In deze wachtperiode wordt al wel sperma van de betreffende stier gewonnen, zodat als de stier goede nakomelingen vererft, er meteen sperma van de stier voorhanden is dat door alle veehouders gebruikt kan worden.

Schets/ I&R

Op papier (stamboek) staan allerlei gegevens vermeld over een dier. Elk dier krijgt bij de geboorte een uniek nummer. Dit nummer komt op het oormerk van het dier te staan en op de "schets". Dit laatste document is het paspoort van het dier.

Wat staat er zoal op? - als eerste de naam van het dier, het nummer van het dier,- de geboortedatum, - de afstamming (welke vader en moeder heeft het dier?),- het ras, - de draagtijd. Verder staan er twee afbeeldingen, eentje van de linkerkant en eentje van de rechterkant, waar de veehouder eventueel zelf de aftekeningen van het dier op kan invullen. Vroeger, voor de oormerken verplicht werden, werden de dieren geschetst door de schetser. Deze kwam regelmatig langs om de kalveren die in de periode tussen zijn vorige bezoek en het nieuwe bezoek geboren waren te schetsen. Dit hield in dat alle aftekeningen van het betreffende dier werden ingetekend in de afbeelding van de koe. Vandaar dat nog regelmatig de term schets opduikt als het paspoort van de koe bedoeld wordt. Hieronder staat een nieuwe schets afgebeeld. Een van de redenen om het intekenen van aftekeningen af te schaffen, was het feit dat er in Nederland steeds meer eenkleurige dieren kwamen, waardoor de schetsen van zulke dieren erg veel op elkaar gingen lijken.

Rassen

In Nederland komen diverse koeienrassen voor, deze komen hier niet allemaal aan bod. Aangezien de meeste koeien in Nederland gehouden worden voor de melkproductie, komen melkrassen het meeste voor. Grofweg vallen deze te verdelen in rood- en zwartbont. De roodbonte dieren komen, van oudsher, vooral voor rond de grote rivieren, ze worden dan ook Maas, Rijn, en IJsselvee genoemd, kortweg MRIJ. De MRIJ dieren dienden een tweeledig doel, namelijk vlees- en melkproductie. Dit valt goed te zien aan de dieren, ze zijn wat zwaarder en het uier ziet er niet zo mooi uit als van hun zwartbonte collega´s. Doordat deze dieren en melk en vlees produceren, is de melkproductie dan ook lager dan die van de zwartbonten. Ze moeten namelijk een deel van de energie die ze opnemen omzetten in vlees, terwijl de zuivere melkrassen alle energie in de melkproductie kunnen steken.

De zwartbonte dieren zijn typische melkkoeien. Het zijn meestal HF-dieren (Holstein Frisian). Daarnaast komen ook nog enkele FH-(Fries-Hollands)dieren voor. Een leuk weetje is dat de FH-dieren oorspronkelijk uit Nederland komen en wereldberoemd waren. Ze werden dus ook volop geexporteerd, onder andere naar Amerika. In Amerika zijn de Amerikanen verder gaan fokken met deze FH-dieren. Om onderscheid te maken tussen de daar, in Amerika, gefokte dieren en de andere, werden ze in Amerika in plaats van FH, HF genoemd. De HF-dieren gaven meer melk dan de FH-dieren en daarom zijn in Nederland weer HF-dieren geïmporteerd. Deze HF- dieren werden gekruist met de in Nederland aanwezige dieren, en langzamerhand hebben de HF-dieren de FH-dieren verdrongen. Het merendeel van de huidige zwartbonte dieren is nu van het HF-ras.

Een typisch vleesras is de Belgische Blauwe. Deze dieren zijn voor de melkproductie niet zo geschikt, ze leveren echter wel veel vlees. Deze dieren zijn te herkennen aan hun wit/grijze kleur en hun forse achterwerk. Achter een Belgische Blauwe valt meteen te zien waarom deze dieren minder melk geven, ze hebben namelijk nogal forse billen (vandaar ook de term "dikbil"), waardoor er weinig plaats meer over blijft voor het uier. Een koe geeft echter wel genoeg melk om het kalf te voeden. De Belgische Blauwe is negatief in het nieuws gekomen, onder andere omdat veel kalveren niet via de natuurlijke weg, maar via de keizersnede, geboren konden worden. Hier is de laatste jaren veel aandacht aan besteed door het stamboek, waarbij erg gelet werd op het makkelijk kunnen afkalven van de dieren. Het aantal keizersnedes is dan ook behoorlijk gedaald. Op Maayenshof worden regelmatig Belgische Blauwe stieren ingezet, hier wordt streng gelet op het geboorteverloop. Dit houdt in dat alleen stieren gebruikt worden die kalveren vererven die makkelijk geboren kunnen worden, via de natuurlijke weg, deze kalveren gaan pas na de geboorte de dikke bilpartij ontwikkelen. Verder worden deze stieren ingezet op melkkoeien, waardoor het kalf nooit 100% Belgische Blauwe is, waardoor de kans op complicaties ook afneemt.

Naast deze rassen, komen nog diverse andere rassen in Nederland voor, maar deze komen hier niet allemaal aan bod, onder andere omdat ze niet op ons bedrijf voorkomen.

Gesloten bedrijf

Een gesloten bedrijfsvoering houdt in dat er zo weinig mogelijk mensen en/of dieren die met andere bedrijven in contact zijn geweest, in aanraking komen met de koeien op het bedrijf. Dit in verband met het risico van ziekte-insleep. Degenen die toch in aanraking komen met de koeien of in de stal willen, dienen zich eerst in bedrijfskleding te hullen. Te denken valt hier aan onder andere de dierenarts. Een gesloten bedrijfsvoering houdt verder in dat er geen dieren van buiten het bedrijf toegevoegd worden aan het bedrijf, er worden dus geen dieren aangekocht. Verder wordt er niet meegedaan aan fokveedagen en tentoonstellingen. Op een fokveedag en/of veetentoonstelling komen namelijk dieren van diverse bedrijven bij elkaar, en kunnen eventuele ziektekiemen zich makkelijk van de ene koe naar de andere koe verplaatsen en dus ook, indirect, van het ene naar het andere bedrijf.

Ureumgetal

Het ureumgetal in de melk wordt voortdurend gemeten. In de pens van een koe worden eiwitten en zetmeel omgezet. Bij dat proces ontstaat ook ureum dat via de nieren en de melk de koe verlaat. De mate waarin ureum voorkomt in melk geeft aan hoe de koe stikstof heeft benut. Gewenst is een ureumgetal van 20 tot 25. De stikstof in het voer is dan efficiënt benut en omgezet in dierlijke eiwitten. Gras bevat veel stikstof en mais weinig. Door beide voersoorten tegelijk te verstrekken wordt wordt de stikstof goed benut. Dat is gunstig voor het milieu, maar ook gunstig voor de kostprijs van de melk.

Maayenshof Melkveehouderij

Titel: Maayenshof Uitleg ©. Auteurs: Frank en Hedwig Rijvers.
http://www.maayenshof.nl