Afweersysteem

Graag wil ik hier wat algemene informatie over de werking van het menselijk afweersysteem vermelden, feiten die wellicht ook wat meer inzicht kunnen geven in de uitslagen van de diverse bloedtesten.

Als u een druppel bloed onder een microscoop zou bestuderen, dan zou u zien dat deze rode en witte bloedlichaampjes bevat in de verhouding 99:1. Dat betekent dat het bloed van een gezonde volwassene vijf miljoen rode bloedlichaampjes per kubieke millimeter bevat, en zevenduizend witte bloedlichaampjes. De witte bloedcellen vormen de belangrijkste gevechtstroepen van het afweersysteem en zijn verdeeld in drie groepen:

  • B-lymfocyten
  • T-lymfocyten
  • macrofagen.

Het is hun taak om door het bloed te circuleren, gevaarlijke indringers op te sporen en deze te vangen en uit de weg te ruimen.

De witte bloedcellen ontstaan in het rode beenmerg uit zogenaamde stamcellen. Uit deze stamcellen komen per dag miljoenen verschillende lymfocyten. Deze lymfocyten ontwikkelen zich tot B-lymfocyten (in het beenmerg) en T-lymfocyten (in de thymus). De twee soorten cellen maken niet alleen een andere ontwikkeling door,  ze pakken de antigenen ook anders aan.

B-cellen produceren antistoffen als reactie op een binnengedrongen lichaamsvreemde stof (het antigeen), zoals bacteriën, virussen enz. Omdat B-lymfocyten antilichamen afgeven die in het bloed circuleren, zegt men wel dat de B-lymfocyten voor 'humorale' afweer zorgen (naar het Latijnse woord humor = vocht). Er zijn ook B-cellen die een geheugenfunctie hebben. Zij onthouden de 'recepten' voor het maken van antilichamen, zodat deze snel gevormd kunnen worden wanneer er antigenen opdoemen waar het lichaam al eerder mee in aanraking is geweest. Door deze geheugencellen bent u beschermd tegen ziekten die u al eerder gehad hebt of waar u tegen ingeënt bent.

T-cellen produceren geen antilichamen, maar werken in op de witte bloedlichaampjes en andere cellen. Men zegt dan ook wel dat T-lymfocyten zorgen voor de 'cellulaire' afweer. Ze hebben een belangrijke functie in de strijd tegen bacteriën, schimmels, parasieten en intracellulaire virussen. Sommige T-cellen kunnen andere cellen van het afweersysteem 'aan' of 'uit' zetten. Zo kunnen T-helpercellen de B-cellen activeren om op een antigeen te reageren. Ze kunnen ook stimulerend werken op de activiteit van de andere T-cellen.
T-suppressorcellen doen juist het omgekeerde. Zij regelen de afweerreactie door de activiteit van bepaalde cellen af te remmen. U vraagt zich misschien af waarom het afweersysteem cellen bevat die elkaar kunnen tegenwerken. Maar T-helpercellen en T-suppressorcellen zijn beide noodzakelijk omdat ze zorgen voor een precies evenwicht in de reactie van het afweersysteem. Die reactie mag niet te zwak, maar ook niet te sterk zijn. Dit evenwicht is zelfs zo belangrijk, dat de verhouding tussen de aantallen T-helpercellen en T-suppressorcellen beschouwd wordt als een graadmeter voor de conditie van het hele afweersysteem. In de normale toestand is die verhouding 1.8:1. Een verhouding die opvallend veel hoger of lager is, wijst op een slecht functionerend afweersysteem. Zo is bij AIDS-patiënten de verhouding vaak 1:1 of minder. Het aantal T-suppressorcellen is dan zo sterk toegenomen, dat deze in feite het afweersysteem van het lichaam geheel uitschakelen.

Er zijn ook T-lymfocyten die met antigenen reageren zonder tussenkomst van B-lymfocyten. 'Natural killer'-cellen zijn daar een voorbeeld van. Deze cellen produceren cytotoxin,  een celdodende stof. Het bijzondere van deze afweercellen is, dat ze voor het doden van indringers geen stimulans van een antigeen nodig hebben en dat ze geen antilicharnen afgeven.

De B- en T-lymfocyten in de thymus en het beenmerg zijn zoals gezegd nog niet gespecialiseerd. Zij krijgen hun definitieve kenmerken en programmering pas als zij in de buurt van een bepaald soort antigeen komen. Als T-lymfocyten een antigeen hebben ontdekt, kunnen zij onrijpe B-lymfocyten aanzetten tot de produktie van bepaalde antilichamen. Zodra het juiste antilichaam is gevonden, wordt dit in hoog tempo aangemaakt. Het aantal antilichamen in de directe omgeving kan daarbij wel eens duizendmaal groter worden dan normaal. Natuurlijk moet dat niveau weer dalen wanneer de gevaarlijke stof onschadelijk is gemaakt. Dat is de taak van de T-suppressorcellen. Zij schakelen de afweerreactie weer uit.

Het lymfestelsel is de term die men gebruikt voor alle organen van het afweersysteem. De primaire afweerorganen zijn de thymus en het beenmerg. Onder andere de lymfeklieren, de milt, de amandelen en de blinde darm noemt men secundaire organen. De afweercellen worden geproduceerd in de primaire organen, maar ze komen pas in contact met lichaamsvreemde stoffen wanneer ze de secundaire organen bereiken. Daar beginnen ze met de verdediging.

De thymus is een heel mysterieus orgaan. Deze klier in de borstholte is in verhouding tot het totale lichaamsgewicht verreweg het grootst bij een klein kind. Daarna begint hij relatief kleiner te worden. Jarenlang wist men niet wat de functie van dit orgaan was. Maar tegenwoordig weten we dat de thymus een sleutelrol speelt bij het op peil houden van het weerstandsvermogen.

Het beenmerg is de zachte substantie in de holte binnen in de lange beenderen van armen en benen. Zoals we al zeiden, maken de B-lymfocyten en de T-lymfocyten het begin van hun ontwikkeling door in het beenmerg. Daar worden ook de rode bloedlichaampjes en macrofagen aangemaakt. Normaal functionerend beenmerg is van het grootste belang voor uw weerstandsvermogen.

U weet waarschijnlijk uit eigen ervaring al wel een paar lymfeklieren te vinden. Deze organen worden immers bij infecties vaak dik en gevoelig. Daarom voelt uw arts ook altijd in uw hals, uw oksels en uw liezen als hij u onderzoekt. De lymfeklieren zijn met elkaar verbonden door een heel netwerk van lymfevaten die weefselvocht aan- en afvoeren dat afkomstig is uit de organen in de buurt van de klieren en uit de rest van het lichaam. Het lymfevatenstelsel is zowel belangrijk voor de overdracht van informatie, als voor het transport van afweerstoffen. De lymfeklieren hebben afzonderlijke ruimten voor B-lymfocyten, T-lymfocyten en macrofagen.

Wanneer we weinig weerstand hebben of blootgesteld zijn aan een te groot aantal bacteriën, worden we ziek. Dan gebeurt er het volgende. In de eerste fase van de infectie vallen witte bloedlichaampjes de indringers aan op de plaats van de infectie. Ze slokken deze op en breken ze af.

Na de eerste linie witte bloedlichaampjes komt er een tweede groep, die de aanvallende cellen en de verdedigende cellen opslokt en ze afvoert uit het geinfecteerde gebied. Tijdens deze strijd is er minder bloedtoevoer naar de spijsverteringsorganen dan gewoonlijk. Daardoor komt het dat we minder eetlust hebben. Onze lichaamstemperatuur gaat omhoog, we krijgen koorts. Deze veranderingen zijn noodzakelijk om snel de chemische reacties op gang te brengen die nodig zijn voor ons herstel. Op het onzichtbare niveau van de cellen wordt zoveel energie gebruikt dat er nog maar weinig over is voor het spierstelsel. Daardoor voelen we ons slap. Wanneer de infectie weer onder controle is, gaan de macrofagen terug naar het lymfeweefsel waar zij vandaan zijn gekomen. Ze nemen deeltjes van het vernietigde antigeen met zich mee.

[Home] [Bestralingen] [Orthomoleculair] [Kölner Modell] [Afweersysteem] [Hyperthermie] [Maretak] [Thymus] [Fietssport] [Deze site]