Boeken uit onze kast

Laatste update: 2004-09-11

Fragmenten

Deze pagina bevat een aantal fragmenten uit boeken die onze boekenkast bevolken en die wij leuk , mooi of anderszins bijzonder vonden.

'Ik vertel je dit omdat je moet weten dat Attila niet het beest is dat de mensen van hem willen maken. Hij is net zo beschaafd als jij en ik.’
Met deze woorden verliet hij me en liep naar de soldaten die de tenten uit een wagen laadden. Mijn vriend, die mij wilde geruststellen, had het tegendeel bereikt. Hoe vreeswekkender dan de barbaren is niet de beschaafde mens?

Het oog van de basilisk, Jan van Aken (2000 / 90-351-2190-2), p.90

Zonder dat ook maar iets in haar gezicht zich bewoog, en volkomen stil, begon ze eenvoudig te huilen, op die prachtige manier, een geheim van weinigen, ze huilen alleen met hun ogen, als glazen die tot de rand toe gevuld zijn met droefheid, en niets laten merken wanneer die druppel te veel hen uiteindelijk overwint en over de rand glijdt, gevolgd door duizenden andere, en roerloos blijven staan terwijl hun kleine nederlaag over hen heen stroomt.

Land van glas, Alessandro Baricco (1991 / 90-5226-381-7), p.23

Pietri bekeek ook de andere doeken. Nog meer naakten. Mannen en vrouwen.
‘En deze hier, agent Méndez, pure pornografie,’ merkte hij op. ‘Het geeft geen pas. Als een samenleving vrijheid geeft... werk je libertinisme in de hand.’ Hij draaide zich abrupt om, keek zijn ondergeschikte aan en vroeg: ‘Wat vind jij?’
Méndez antwoordde verbaasd: ‘Wat u vindt, meneer.’
‘Doe niet zo stom, man! Vind iets! Heb een eigen mening.’ Hij wees met zijn angstaanjagende vinger. ‘Dit is een bevel,’ zei hij. Hij wees naar een ander naakt. Het waren er eigenlijk twee. Een man en een vrouw die in een omhelzing in een weiland lagen. Hij vroeg: ‘Wat vind je daarvan?’
‘Pornografie, meneer. Libertinisme,’ stamelde Méndez.
‘Ik ben het met je eens. Je meningen bevallen me, agent Méndez. Je bent een fatsoenlijk man.’

De misdaden van Van Gogh, Juan Pablo Feinmann (1994 / 90-284-1868-7), p.111

Er is een wereld. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bevindt dat feit zich op het randje van het onmogelijke. Het zou veel voorstelbaarder zijn geweest als er toevallig niets was geweest.

Maya, Jostein Gaarder (1999 / 90-6801-686-5), p.331

Zijn ogen hadden hun spraak verloren en hij had slechts oor voor de gestage druppel van de dood. Kloteleven. Leven zonder vuur. Overleven? Oversterven.

Dolende woorden, Eduardo Galeano (1993 / 90-5515-025-8), p.190

'Archytas van Tarente is de uitvinder van het getal één.’
De uitvinder? Meneer Ruche viel even stil. Was de ‘één’ er niet altijd geweest? Nou, nee! De meeste Griekse denkers begonnen bij twee te tellen. Voor hen was er de één... en de rest.
De één gaat over het bestaan, niet over kwantiteit, beweerden de Grieken. Getallen staan voor kwantiteit, ‘Eén is datgene wat is.’ Dat is nog eens filosofie!

De stelling van de papegaai, Dennis Guedj (1998 / 90-263-1604-6), p.119

Geslachtsorganen bestaan en zijn een beschikbare, permanente bron van genot. De god die onze ellende heeft bedacht en ons vergankelijk, nietig en wreed heeft gemaakt, heeft ook die zwakke vorm van compensatie verzonnen. Als er niet af en toe een beetje seks was, wat zou het leven dan zijn? Een zinloos gevecht tegen gewrichtsverstijving en cariës.

Platform, Michel Houellebecq (2001 / 90-295-2233-x), p.181

Het is bekend dat als je op een schoon vel papier met citroensap een mededeling schrijft, er geen spoor van is te zien. Maar als het papier even voor het vuur wordt gehouden, worden de letters bruin en wordt de betekenis duidelijk. Stel dat de whisky het vuur is en dat de mededeling iets is dat alleen in de ziel van een man bekend is, dan kan men de verdienste van de drank van juffrouw Amelia begrijpen.

De ballade van het trieste café, Carson McCullers (1942 / 90-253-3392-3), p.15-16

Met die troostende gedachte ging ik naar bed en probeerde te slapen, terwijl ik voor mezelf telkens het uur dat ik wilde opstaan herhaalde, want ik weet dat het onderbewuste weliswaar onze jeugdherinneringen vertekent, onze gevoelens vervormt, dingen oprakelt die we het liefst zouden vergeten, ons laat zien hoe slecht we zijn en dus kortom ons leven verpest, maar dat het ook wel eens behulpzaam is door ons ter compensatie op de juiste tijd te wekken.

Het geheim van de behekste crypte, Eduardo Mendoza (1979 / 90-6974-018-4), p.41

'O ja, ze kwamen terug. Eerst kwam er bericht van een Fransman, Beaudeguerre. Daarna werden alle vier de schepen voor de westkust van Frankrijk waargenomen. De waarde van de aandelen verdubbelde, verdriedubbelde en verdriedubbelde nog eens, en Thomas had alles in één keer kunnen verkopen. Er werd een paar keer een bod uitgebracht. Maar zijn koelbloedigheid had het al zo lang volgehouden, twee jaar waren er voorbij gegaan. Zoals de zaken er toen voor stonden, zou hij gek zijn geweest om alles van de hand te doen.’ Lady De Vere zweeg en veegde haar mond af.
‘Waren de schepen leeg?’ probeerde Lemprière.
‘Nee! Ze waren vol! Hun ruimen zaken tjokvol peper. Lancaster had alles gedaan wat hem gevraagd was.’
‘Dus iedereen was rijk -’
‘Iedereen was geruïneerd,’ zei de vrouw. ‘De Hollanders waren al maanden bezig de markt te overspoelen. Er was zelfs geen markt meer. De peper was bijna waardeloos. Er was hier geen koper te vinden, en op het vasteland ook niet. De Heer weet dat Thomas al zijn best heeft gedaan om zijn gedeelte te verkopen, maar...’ Er volgde even een stilzwijgen. ‘En zo hebben onze families elkaar voor het eerst ontmoet, mijnheer Lemprière.’ (...) ‘Dat is waarlijk de ergste tijd geweest die Thomas de Vere ooit heeft moeten doorstaan. Later zou hij daar zelf anders over gaan denken, maar erger kon het toen niet. De onderneming was met succes bekroond en toch mislukt. Zijn familie had zeker geweten dat hun fortuin vlak om de hoek lag en was min of meer bankroet. Schuldeisers zaten achter hem aan. Hij had schulden waarvan hij wist dat hij ze nooit zou kunnen afbetalen. En wat nog het ergst was, hij wist dat hij al die tijd gelijk had gehad. Lancaster had bewezen dat Oost-Indië een goudmijn was, nog rijker dan hij zich had voorgesteld. Alle winst van de wereld lag op hem te wachten, maar hij kon er niet bij komen. Niemand zou ook maar een van hen de kosten van een tweede reis voorschieten. (...) Alle negen investeerders zaten even erg in het nauw, allemaal zaten ze in hetzelfde schuitje, ha!’ Haar lacht klonk bitter. ‘Toch zijn ze gered, in zekere zin dan.’
‘François?’ probeerde Lemprière.
‘En nog anderen. Negen in totaal, een spiegelbeeld.’

Het woordenboek van Lemprière, Lawrence Norfolk (1991 / 90-254-0511-8), p.166-167

Wanneer hij op een dag langs de kasten loopt, ontdekt een bibliothecaris een verzameling catalogi. Er zijn aparte catalogi voor romans, naslagwerken, poëzie, enzovoort. De bibliothecaris merkt op dat sommige catalogi zichzelf vermelden, terwijl andere dat niet doen.
Om het systeem te vereenvoudigen maakt de bibliothecaris nog twee catalogi, waarvan de ene alle catalogi vermeldt die zichzelf vermelden en, wat interessanter is, een die alle catalogi vermeldt die zichzelf níet vermelden. Na voltooing van zijn werk heeft de bibliothecaris een probleem: moet de catalogus die alle catalogi vermeldt die zichzelf niet vermelden, in zichzelf worden vermeld? Wordt hij wel vermeld, dan zou hij per definitie niet vermeld mogen worden. Maar als hij niet wordt vermeld, dan zou hij per definitie wel moeten worden vermeld.

Het laatste raadsel van Fermat, Simon Singh (1997 / 90-295-3728-0), p.168

Door de hals van een hoge inham baant het water zich een weg naar binnen. Daar kolkt de zee tot hij van zijn witte razernij is bekomen en zich terugtrekt: tot blauw gladgestreken. Eén moment is er rust, dan neemt de oceaan een aanloop en stormt opnieuw de inham binnen. Als een hond die aan zijn ketting rukt, valt het water naar mij uit.

Zuiderkruis, Pauline Slot (1999 / 90-295-3735-3), p.105

Wat mijn overgrootvader me wel voorschreef - naast de medicijnen die ik al van de dokter kreeg - waren eetlepels melasse en een afschuwelijk medicijn dat naar zoethout smaakte en vol vitaminen zou zitten, met een glas whiskey voor het slapengaan en geregelde, grote doses van iets roods wat, zoals ik nu weet, hoestsiroop met codeïne is geweest. De whiskey werd aangelengd met warm water en suiker: de bedoeling was dat ik erdoor sliep en dikker werd, wat allebei lukte. De motivatie voor de hoestsiroop blijft onduidelijk, want hoesten behoorde niet tot mijn symptomen. Misschien wist hij niet dat er codeïne in de siroop zat; misschien probeerde hij het me alleen maar naar de zin te maken in wat naar de overtuiging mijn laatste dagen waren. Maar wat de reden ook was, de grote rode flessen bleven van de apotheek komen en - dankzij de koorts, de whiskey en de codeïne - bracht ik bijna twee jaar van mijn kindertijd door in een nogal sterk veranderde bewustzijnstoestand.

De Schotse baret, Donna Tartt (1999 / 90-414-0348-5), p.17-18