| 1
| Wie mat de waat'ren in zijn holle hand, |
| bepaalde in het scheppingslicht |
| van berg en heuvel het gewicht? |
| Wie is het die de hemelbol omspant? |
| Wie gaf Hem raad en reden |
| die aller eeuwigheden |
| begin en einde draagt? |
| Hebt gij het niet gehoord? |
| Weet gij het niet? Het woord! |
| o volk, dat naar Hem vraagt. |
| 3
| Een bronzen beeld, bedekt met blinkend goud, |
| hoogstralend in de ruime zaal |
| en in het nederig portaal |
| een wijgeschenk van donker ebbenhout: |
| komt door die dode dingen |
| het werk van stervelingen |
| hemel en aarde saam? |
| Hebt gij het niet gehoord? |
| Gij kent Hem door zijn woord, |
| Hij woont hier in zijn naam. |
| 5
| Waarmee zou God te vergelijken zijn? |
| Wat zoekt gij een gelijkenis |
| met Hem die hoog en heilig is? |
| Sla op uw ogen naar het diep geheim, |
| naar de miljoenen lichten |
| en laat u onderrichten. |
| Wie bracht dit al tot stand? |
| God schiep het door zijn woord. |
| Hij leidt de sterren voort. |
| Niet een valt uit zijn hand. |
| 7
| De gang wordt vast, het lied krijgt nieuw geluid. |
| De bloem der jonglingschap versaagt, |
| maar al wie naar de Here vraagt |
| slaat als een adelaar zijn vleugels uit. |
| Zij wand'len onvermoeibaar, |
| zij trekken onuitroeibaar |
| door deze wereldnacht. |
| Hebt gij het niet gehoord? |
| Weet gij het niet? Het woord |
| geeft moeden nieuwe kracht. |
| |
| |
| |