| 1
| De Heer spreekt: hoor mijn hartsgeheim, |
| o Israël, mijn teer beminde, |
| omdat gij liefhebt in den blinde |
| verdorven macht en schonen schijn, |
| liet Ik u gaan in uw ellende, |
| ontnam u honing, melk en wijn. |
| Nu voer Ik u in de woestijn |
| en daar zal Ik mij tot u wenden. |
| 2
| Dan vindt gij weer uw eigen grond, |
| als toen Ik u in oude tijden |
| voor 't eerst aan uw bestemming wijdde. |
| Dan sluit Ik een vernieuwd verbond |
| met al wat leeft, dan geef ik vrede. |
| Geen dier doet kwaad, geen schepsel wondt |
| en alle krijgsgedruis verstomt |
| rondom mijn volk en heilige stede. |
| 3
| Ik zal u werven tot mijn bruid, |
| zo zegt de Heer, Ik zal u winnen. |
| Een lichte bruidstijd zal beginnen |
| in liefde en gerechtigheid. |
| Ik zal u waarlijk trouw beminnen. |
| Geheel mijn hart gaat naar u uit. |
| Ik leer u wat mijn naam beduidt. |
| Zo zult gij eindelijk Mijn kennen. |
| 4
| Ik zal verhoren, spreekt de Heer, |
| Ik zal de hemelen verhoren |
| en die verlenen als tevoren |
| aloude gunst van wind en weer. |
| De aarde zal met most en koren |
| het antwoord geven van weleer. |
| O Israël, verheug u zeer, |
| want niets gaat van uw oogst verloren. |
| 5
| En wie Ik was voorbijgegaan, |
| omdat hij zelf Mij had vergeten, |
| zal van mijn milde ontferming weten. |
| Mijn eigen volk noem Ik voortaan |
| wie niet mijn volk had moeten heten. |
| Ik spreek u als mijn liefste aan. |
| Dan zegt gij stil en blij mijn naam: |
| mijn Bruidegom, mijn God van vrede. |
| |
| |
| |