| 2
| Wel schijnen zij enkel geringen van buiten, |
| voor engelen donker, voor mensen een spot, |
| maar innerlijk zijn zij als lieflijke bruiden, |
| het sieraad, de kroon en de glorie van God, |
| zij die zich bereiden |
| op 't einde der tijden. |
| De koning zal onder de leliën weiden, |
| in stralend gewaad zullen zij Hem geleiden. |
| 6
| Als Christus, hun leven, zich zal openbaren, |
| wanneer Hij zal zijn, die Hij eind'lijk zal zijn, |
| dan zullen zij met Hem als vorsten der aarde |
| in glorie verschijnen, volkomen en rein. |
| Zij zullen regeren, |
| met Hem triomferen, |
| als stralende lichten de hemelen sieren, |
| het feest van de vreugde in eeuwigheid vieren. |
| 7
| O Jezus, o schat die in 't hart is geborgen, |
| o heimelijk sieraad dat glanst in de ziel, |
| laat ons met U meegaan op weg naar de morgen, |
| of 't kruis met zijn schaduw ook over ons viel. |
| Hier leven terzijde |
| in smaadheid en lijden, |
| hier omgaan met Christus in stilte van binnen, |
| daar eenmaal, zoals wij bemind zijn, beminnen. |
| |
| |
| |